1/99
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 79/2025 van 24 april 2025
De FOD Financiën heeft tegen deze beslissing beroep tot nietigverklaring ingesteld. Dit beroep is
momenteel aanhangig bij het Marktenhof.
In een tussenarrest van 26 november 2025 (2025/AR/887) dat u hier kunt vinden (enkel
beschikbaar in het Frans) heeft het Marktenhof 13 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van
Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU – C-804/25).
Dossiernummer: DOS-2021-00068
Betreft: klacht over de doorgifte van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst
(FOD) Financiën aan de Amerikaanse belastingdienst (IRS) in uitvoering van de FATCA-
overeenkomst
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Yves Poullet,
voorzitter, en de heren Christophe Boeraeve en Jelle Stassijns, leden, die de zaak in deze
samenstelling opnieuw behandelt naar aanleiding van het arrest van het Marktenhof van 20
december 2023 (2023/AR/801)1 ;
Gelet op het arrest van het Marktenhof van 20 december 2023 (2023/AR/801);
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG";
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
(hierna "WOG");
Gelet op het Reglement van interne orde (hierna "RIO") van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en
gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 20192 ;
1
De uitspraak van het Marktenhof is hier gepubliceerd https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/arret-du-20-
decembre-2023-de-la-cour-des-marches-ar-801.pdf (beschikbaar in het Frans).
2
Het nieuwe Reglement van interne orde van de GBA als gevolg van de wijzigingen door de wet van 25 december 2023 tot
wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), is op 01/06/2024 in
werking getreden. Overeenkomstig artikel 56 van de wet van 25 december 2023 is het alleen van toepassing op klachten,
bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn gestart:
Beslissing ten gronde 79/2025 —2 /99
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klagers: De heer X, hierna "de eerste klager";
De vzw Accidental Americans Association of Belgium (AAAB), met
maatschappelijke zetel te Albert Crommelynckgaarde 4 bus 7, 1160
Brussel,
hierna "de tweede klager";
hierna gezamenlijk "de klagers" genoemd;
Beiden vertegenwoordigd door meester Vincent Wellens en meester
Maxime Vanderstraeten, advocaten, met kantoor te Hulpesesteenweg 120,
1000 Brussel.
De verweerder: De Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën), met zetel te
Koning Albert II Laan 33, 1030 Brussel,
hierna "de verweerder";
Vertegenwoordigd door meester Jean-Marc Van Gyseghem, advocaat, met
kantoor te Waterloolaan 34, 1000 Brussel.
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde-van-de-
gegevensbeschermingsautoriteit.pdf. Dossiers die vóór 1 juni 2024 zijn gestart, zoals in het onderhavige geval, vallen onder de
bepalingen van de WOG, ongewijzigd door de wet van 25 december 2023, en onder het Reglement van interne orde zoals dat
vóór die datum bestond.
Beslissing ten gronde 79/2025 —3 /99
Inhoudsopgave
Beslissing ten gronde 79/2025 van 24 april 2025 ........................................................................................................... 1
I. Feiten en voorgeschiedenis van de procedure .................................................................................................... 5
I.1. De relevante feiten....................................................................................................................................................... 5
I.2. Voorgeschiedenis van de procedure die heeft geleid tot de vernietiging van beslissing
61/2023 ........................................................................................................................................................................................... 11
I.2.1. Ontvankelijkheid van de klacht .......................................................................................................... 11
I.2.2. Het voorwerp van de klacht ................................................................................................................ 12
I.2.3. Het onderzoek van de Inspectiedienst (ID) ............................................................................... 13
I.2.4. Het aanvullend onderzoek van de Inspectiedienst (ID) ...................................................... 15
I.2.5. Onderzoek ten gronde door de Geschillenkamer ................................................................. 17
I.2.6. De hoorzitting van de partijen van 10 januari 2023 .............................................................. 19
I.3. Beslissing 61/2023.................................................................................................................................................... 20
I.4. Het beroep tegen beslissing 61/2023 voor het Marktenhof .......................................................... 20
I.5. De arresten van het Marktenhof van 28 juni en 20 december 2023 ......................................... 22
I.6. Voorgeschiedenis van de hervatting van de procedure die tot de onderhavige beslissing
heeft geleid .................................................................................................................................................................................. 24
I.6.1. De beslissing van 20 maart 2024 over de samenstelling ................................................ 24
I.6.2. De hervatting van het onderzoek ten gronde ......................................................................... 25
I.6.3. De uitnodiging voor de hoorzitting en de hoorzitting van de partijen ...................... 28
II. Motivering ................................................................................................................................................................................ 30
II.1. Wat betreft de bevoegdheid van de Geschillenkamer van de GBA ........................................... 30
II.2. Wat betreft de samenstelling van de Geschillenkamer ..................................................................... 33
II.3. Wat betreft de afwezigheid van financiële instellingen in de procedure .......................... 38
Beslissing ten gronde 79/2025 —4 /99
II.4. Wat betreft de hoedanigheid van de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke
41
II.5. Wat betreft artikel 96 van de AVG ............................................................................................................ 44
II.6. Wat betreft de aangevoerde grieven ...................................................................................................... 56
II.6.1. Kan de verweerder zich beroepen op artikel 96 van de AVG? ..................................... 57
II.6.1.1. Inleiding .......................................................................................................................................................... 57
II.6.1.2. Wat betreft het doelbindingsbeginsel ........................................................................................ 59
II.6.1.3. Wat betreft het evenredigheidsbeginsel .................................................................................. 64
II.6.1.4. Andere waarborgen ten gunste van de betrokkenen ......................................................... 71
II.6.1.5. Conclusie over de overeenstemming met het EU-recht dat op 24 mei 2016 van
toepassing was ..................................................................................................................................................................... 72
II.6.2. Doorgiften aan de IRS en naleving van de AVG ..................................................................... 72
II.6.2.1. Beginselen .................................................................................................................................................... 72
II.6.2.2. Toepassing van de artikelen 46.1 en 46.2.a) van de AVG ................................................ 73
II.6.2.3. Conclusie ....................................................................................................................................................... 78
II.6.2.4. Wat betreft artikel 49 van de AVG ................................................................................................ 80
II.6.3. Wat betreft de naleving van de informatieplicht ................................................................... 81
II.6.4. Wat betreft het niet-nakomen van de verplichting om een GEB uit te voeren .. 88
II.6.5. Wat betreft de schending van artikel 20 van de WVG ...................................................... 93
II.6.6. Wat betreft de schending van de "accountability" .............................................................. 93
III. Corrigerende maatregelen en sancties ................................................................................................................. 94
IV. Publicatie van de beslissing .......................................................................................................................................... 97
Beslissing ten gronde 79/2025 —5 /99
I. Feiten en voorgeschiedenis van de procedure
1. Op 22 december 2020 dienen de klagers een klacht in bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) tegen de verweerder. De klacht betreft de
onrechtmatigheid van de doorgifte van persoonsgegevens van de eerste klager en van
Belgische toeval-Amerikanen (van wie de belangen door de tweede klager worden behartigd)
door de verweerder aan de Amerikaanse belastingdienst in het kader van de toepassing van de
intergouvernementele FATCA-overeenkomst tussen de Belgische staat en de Verenigde
Staten, evenals andere schendingen van de AVG die in dit verband aan de verweerder kunnen
worden toegeschreven.
2. De feiten die aan de basis liggen van de klacht worden hieronder uiteengezet in de punten 3 tot
en met 19 (titel I.1). Daarna volgen de voorgeschiedenis van de procedure die heeft geleid tot
beslissing 61/2023 van de Geschillenkamer, die op 20 december 2023 door het Marktenhof is
vernietigd, in de punten 20 tot en met 59 (titel I.2), en de voorgeschiedenis van de hervatting
van de zaak die tot de onderhavige beslissing heeft geleid in de punten 60 tot en met 94 (titels
I.3 tot en met I.6).
I.1. De relevante feiten
3. De eerste klager woont in België en heeft de dubbele Belgische en Amerikaanse nationaliteit.
Wat deze laatste nationaliteit betreft, omschrijft de eerste klager zichzelf als een zogenaamde
"toeval-Amerikaan", omdat hij alleen de Amerikaanse nationaliteit heeft omdat hij in Stanford
op het grondgebied van de Verenigde Staten is geboren, zonder enige significante band met
dat land te hebben behouden. De Geschillenkamer wijst er meteen op dat het begrip 'toeval-
Amerikaan' niet wettelijk is gedefinieerd, zoals het Marktenhof in zijn tussenarrest van 28 juni
Beslissing ten gronde 79/2025 —6 /99
2023 heeft benadrukt . De klagers stellen dat dit begrip voor de procedure betrekking heeft op
3
de leden van de AAAB.
4. De tweede klager is een Belgische vereniging zonder winstoogmerk (vzw) die bestaat uit
toeval-Amerikanen en tot doel heeft de belangen te verdedigen en te vertegenwoordigen van
personen met de Belgisch-Amerikaanse nationaliteit – zoals de eerste klager – die buiten de
Verenigde Staten wonen en geen significante band met dat land onderhouden. Het doel van de
vereniging wordt beschreven in artikel 4 van haar oprichtingsakte van 28 september 2019:
"De vereniging heeft tot doel de belangen te verdedigen van natuurlijke personen met de
Amerikaanse nationaliteit die buiten de Verenigde Staten wonen, tegen de nadelige
gevolgen van het extraterritoriale karakter van de Amerikaanse wetgeving.
De vereniging streeft haar doel na met alle mogelijke actiemiddelen, met name door:
- belangenbehartiging bij de Belgische en Amerikaanse overheid en bij de Europese
instellingen
- het ontwikkelen van communicatiemiddelen
- het organiseren van evenementen
- samenwerking met rechtsgeleerden gelet op het ter beschikking stellen van juridische
informatie aan de leden
- het voeren van rechtszaken ter verdediging van de belangen van personen met de
Belgisch-Amerikaanse nationaliteit
De hierboven genoemde middelen zijn indicatief en niet limitatief.” (vrije vertaling)
5. Vanwege zijn Amerikaanse nationaliteit is de eerste klager onderworpen aan de controle van
de Amerikaanse belastingdienst met betrekking tot het Amerikaanse belastingstelsel. Dit
systeem is namelijk gebaseerd op het principe van belastingheffing op basis van nationaliteit
en is gericht op de toeval-Amerikaan, net als elke andere belastingplichtige die op Amerikaans
grondgebied woont of activiteiten heeft die verband houden met dit land, ongeacht of hij al dan
niet in de Verenigde Staten woont. Er gelden maar enkele uitzonderingen voor niet-
ingezetenen op Amerikaans grondgebied.
6. Om het verzamelen van relevante informatie door de Amerikaanse belastingdienst (Internal
Revenue Service – hierna IRS) te vergemakkelijken, gelet op een eventuele belastingheffing
van Amerikanen die in het buitenland wonen (met inbegrip van toeval-Amerikanen zoals de
eerste klager) en om het risico van belastingontduiking tegen te gaan, heeft de Amerikaanse
regering intergouvernementele overeenkomsten gesloten met verschillende landen in de
3
Dit arrest is hier gepubliceerd: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/cour-dappel-arret-provisoire-du-28-
juin-2023-2023-ar-801.pdf (beschikbaar in het Frans).
Beslissing ten gronde 79/2025 —7 /99
wereld. Deze overeenkomsten voorzien in de verstrekking van gegevens over deze in het
buitenland wonende Amerikanen door de nationale financiële instellingen (hierna "de
financiële instellingen" of "de banken" genoemd) aan de nationale belastingdienst (zoals de
verweerder), die vervolgens verplicht is deze gegevens door te geven aan de IRS.
7. In deze context past de "Agreement between the Government of the Kingdom of Belgium and
the Government of the United States of America to improve International tax compliance and
to implement Fatca”, die op 23 april 2014 door vertegenwoordigers van de regeringen van het
Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika werd ondertekend. Deze overeenkomst
wordt gewoonlijk en hierna de FATCA-overeenkomst genoemd4. Ze geeft namelijk uitvoering
aan de Amerikaanse Foreign Account Tax Compliance Act, waarvan de afkorting "FATCA" is
afgeleid. Een vergelijkbare bilaterale intergouvernementele overeenkomst (IGC) werd ook
ondertekend met verschillende landen in de wereld, waaronder de lidstaten van de Europese
Unie (hierna "EU").
8. De Belgische wet van 16 december 2015 tot regeling van de mededeling van inlichtingen
betreffende financiële rekeningen door de Belgische financiële instellingen en de FOD
Financiën, in het kader van een automatische uitwisseling van inlichtingen op internationaal
niveau en voor belastingdoeleinden (hierna "de wet van 16 december 2015"), waarop de
verweerder in verschillende opzichten een beroep doet, past in de meer algemene context van
de uitwisseling van fiscale gegevens tussen staten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de
uitwisselingen met de Amerikaanse belastingdienst IRS in uitvoering van de bovengenoemde
FATCA-overeenkomst.
9. Het doel van deze wetgeving zoals omschreven in artikel 1, is dan ook om de verplichtingen van
de Belgische financiële instellingen en de verweerder te regelen met betrekking tot de
informatie die moet worden verstrekt aan een bevoegde autoriteit van een ander rechtsgebied
in het kader van een automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen, een
uitwisseling die wordt georganiseerd in overeenstemming met de verbintenissen die de
Belgische staat is aangegaan en die voortvloeien uit de volgende teksten:
- Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn
2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op
belastinggebied5;
- Het Multilateraal Verdrag van de OESO en de Raad van Europa van 25 januari 1988
inzake wederzijdse bijstand in fiscale aangelegenheden (het multilaterale verdrag of
"het OESO-verdrag");
4
Deze intergouvernementele FATCA-overeenkomst die met België werd ondertekend, was het voorwerp van een
instemmingswet van 22 december 2016.
5
Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte
automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB 2014, L 359/1.
Beslissing ten gronde 79/2025 —8 /99
- Een bilateraal verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing op inkomsten;
- Een bilateraal verdrag inzake de uitwisseling van fiscale inlichtingen (zoals de FATCA-
overeenkomst).
10. De wet van 16 december 2015 is op 10 januari 2016 in werking getreden met betrekking tot de
inlichtingen die bestemd zijn voor de Verenigde Staten (artikel 20)6 .
11. Op 22 april 2020 ontvangt de eerste klager een brief van bank Z, waar hij bankrekeningen heeft.
Deze brief heeft als onderwerp: "Bevestiging van uw status als Amerikaanse persoon in het
kader van de FATCA-overeenkomst en voor andere regelgevende doeleinden". De klager
wordt gevraagd te bevestigen dat hij geen Amerikaans staatsburger is en niet in de Verenigde
Staten woont, met het oog op de toepassing van de verplichtingen die op Z rusten ter uitvoering
van de toepasselijke regelgeving inzake automatische gegevensuitwisseling. De klager wordt
verzocht hiervoor een speciaal formulier van de Amerikaanse autoriteiten in te vullen. In de
brief wordt uiteengezet dat de Amerikaanse wetgeving enerzijds tot doel heeft alle rekeningen
van Amerikaanse burgers en/of ingezetenen bij niet-Amerikaanse financiële instellingen te
identificeren en anderzijds een betere controle uit te oefenen op de inkomsten en
waardepapieren van Amerikanen. In de brief wordt vermeld dat, indien het ondertekende en
ingevulde document niet wordt teruggestuurd, de bank wettelijk verplicht is om de eerste
klager standaard als een "US Person" te beschouwen: bijgevolg zullen zijn gegevens en de
informatie over zijn vermogen, inkomsten en bruto-opbrengsten aan de betrokken
belastingautoriteiten blijven worden doorgegeven. Ten slotte wordt in de brief vermeld dat als
de eerste klager de Amerikaanse nationaliteit heeft of in de Verenigde Staten woont, hij naar
het kantoor moet komen om de nodige formaliteiten te vervullen.
12. Op 12 mei 2020 wordt de eerste klager door zijn bank Z meegedeeld dat, aangezien hij in 2019
meerdere bankrekeningen in België had, deze moeten worden aangegeven bij de verweerder
ter uitvoering van de wettelijke verplichtingen die rusten op bankinstellingen waar fiscale
ingezetenen van een ander land dan België, zoals hij, een of meer bankrekeningen hebben. Z
deelt de eerste klager mee dat zij verplicht is om de volgende gegevens aan de verweerder te
melden: de naam, het adres, het rechtsgebied waar de persoon woonachtig is, het fiscaal
identificatienummer (FIN) of de geboortedatum van elke persoon die moet worden gemeld, het
rekeningnummer of de rekeningnummers, het saldo van de rekening of de waarde ervan op 31
december (bijzonder geval: als de rekening is gesloten, wordt een nulbedrag meegedeeld), de
rente, de dividenden, de opbrengsten van de verkoop, de terugkoop of de terugbetaling van
financiële audits en de andere inkomsten uit de financiële activa op de rekening. Naast de lijst
met bovengenoemde gegevens en informatie over het principe van de automatische
6
De wet van 16 december 2015 werd op 31 december 2015 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. In artikel 20 bepaalt de
wet dat zij tien dagen na de bekendmaking ervan in werking treedt wat de inlichtingen betreft die bestemd zijn voor de
Verenigde Staten.
Beslissing ten gronde 79/2025 —9 /99
uitwisseling van financiële informatie waaraan Z onderworpen is, wordt de eerste klager voor
alle vragen doorverwezen naar de verweerder met de volgende woorden: "Voor meer
informatie over de automatische uitwisseling van financiële informatie kunt u de website van
de FOD Financiën of de OESO raadplegen. U kunt ons ook bellen op het nummer XXX". Bank Z
voegt bij deze brief de gegevens van de eerste klager in bijlage, die in het kader van deze
meldingsplicht concreet aan de verweerder zullen worden meegedeeld.
13. In een derde brief van 18 mei 2020 neemt bank Z opnieuw contact op met de eerste klager en
(a) legt zij ditmaal in algemene bewoordingen het principe van de FATCA-overeenkomst uit, (b)
somt zij de gegevens op die in dit kader moeten worden meegedeeld en (c) geeft zij aan dat,
aangezien de klager in 2019 een of meer rekeningen had die onder de meldingsplicht vallen, zij
verplicht is deze aan de bevoegde belastingdienst mee te delen. Bank Z vermeldt dat de eerste
klager voor meer informatie over de FATCA-overeenkomst zijn bank kan bellen op het vermelde
telefoonnummer.
14. Op 22 december 2020, dezelfde dag waarop hij samen met de tweede klager een klacht
indient bij de GBA (klacht nr. 1 - punt 1), verzoekt de eerste klager de verweerder om de
persoonsgegevens die hij van de banken heeft verkregen op grond van de FATCA-
overeenkomst te wissen, overeenkomstig artikel 17.1.d) van de AVG. De eerste klager
verzoekt de verweerder ook de nodige maatregelen te nemen om deze verwijdering door de
IRS te verkrijgen of, bij gebreke daarvan, de verwerking ervan te beperken overeenkomstig
artikel 18.1.b) van de AVG. In ieder geval eist de eerste klager dat de uitwisseling van
informatie tussen de verweerder en de IRS, die elk jaar plaatsvindt op basis van de FATCA-
overeenkomst, onmiddellijk wordt stopgezet. Deze doorgifte van persoonsgegevens over
hem is volgens hem in strijd met verschillende belangrijke beginselen van het recht op
bescherming van persoonsgegevens zoals dat in België en meer in het algemeen in de EU van
toepassing is. De tweede klager formuleert hetzelfde verzoek in eigen naam ten behoeve van,
overeenkomstig haar statutaire doel, Belgische toeval-Amerikanen.
15. Meer specifiek baseren de klagers hun verzoek op de volgende gronden: de onrechtmatigheid
van de doorgifte van persoonsgegevens aan de IRS op grond van de FATCA-overeenkomst (in
strijd met de artikelen 45, 46 en 49 van de AVG); het niet-naleven van de beginselen van
doelbinding (artikel 5.1.b) van de AVG), evenredigheid of minimale gegevensverwerking (artikel
5.1.c) van de AVG) en opslagbeperking (artikel 5.1.e) van de AVG); het niet-naleven van het
transparantiebeginsel (artikelen 12 tot en met 14 van de AVG) en het niet-nakomen van de
verplichting om een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uit te voeren (hierna "GEB"
genoemd - artikel 35 van de AVG). In de genoemde brief worden alle vermeende grieven
gedetailleerd beschreven. Aangezien deze ook ten grondslag liggen aan de bij de GBA
ingediende klacht, zullen zij hieronder worden toegelicht wanneer de Geschillenkamer de
standpunten van de partijen, waaronder dat van de klagers, bespreekt (punt 82).
Beslissing ten gronde 79/2025 —10 /99
16. In zijn antwoordbrief van 30 maart 2021 weigert de verweerder het verzoek van de klagers
in te willigen, met het argument dat de vermeende onrechtmatigheid op geen enkele grond
berust. De verweerder stelt dat de wettelijke basis voor de door hem uitgevoerde doorgifte
ligt in de FATCA-overeenkomst en in de wet van 16 december 2015. De verweerder beroept
zich bovendien op artikel 96 van de AVG7 en concludeert ter ondersteuning daarvan dat,
aangezien de klagers niet hebben aangetoond waarom de FATCA-overeenkomst vóór 24 mei
2016 in strijd zou zijn met het EU-recht, namelijk Richtlijn 95/46/EG, hun vorderingen
ongegrond zijn. De verweerder weerlegt ook alle andere tegen hem ingebrachte grieven.
17. Naar aanleiding van dit antwoord van de verweerder hernieuwt alleen de eerste klager zijn
verzoek op 9 juli 2021, waarbij hij benadrukt dat de genoemde gegevensdoorgiften van de
verweerder aan de IRS ook onwettig zijn op grond van Richtlijn 95/46/EG. 8
18. Bij een besluit van 4 oktober 2021 wijst de verweerder de vorderingen van de eerste klager
af en verwerpt hij de door hem aangevoerde argumenten met betrekking tot de
aangeklaagde inbreuken op zowel de AVG als Richtlijn 95/46/EG. In deze beslissing wijst de
verweerder, op basis van de lezing van artikel 96 van de AVG door de Franse Raad van State in
een arrest van 19 juli 2019 (waarop de Geschillenkamer in punt 165 terugkomt), erop dat voor
de toepassing van dit artikel 96 eerst moet worden nagegaan of de FATCA-overeenkomst in
overeenstemming is met de AVG en, indien dat niet het geval is, moet worden onderzocht of
deze overeenkomst op 24 mei 2016 in overeenstemming was met het EU-recht. Deze lezing
wijkt af van de inhoud van zijn bovengenoemde brief van 30 maart 2021 (punt 17). Voor een
goed begrip van het vervolg van de beslissing preciseert de Geschillenkamer dat de
verweerder in zijn beslissing bovendien van oordeel is "dat in casu de voorwaarde dat er een
gewichtige reden van algemeen belang aan ten grondslag ligt – in de zin van artikel 49.1.d) van
de AVG9 of artikel 26.1.d)10 van Richtlijn 95/46/EG] – is vervuld, aangezien de
rechtmatigheidsgrond voor de betwiste verwerking is gebaseerd op een internationale
overeenkomst [namelijk de FATCA-overeenkomst] en de wet van 16 december 2015” (vrije
vertaling).
7
Artikel 96 van de AVG: "Internationale overeenkomsten betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen
of internationale organisaties die door de lidstaten zijn gesloten vóór 24 mei 2016, en die in overeenstemming zijn met het vóór
die datum toepasselijke Unierecht, blijven van kracht totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken."
8
Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L
281/31.
9
Artikel 49.1.d) van de AVG: "Bij ontstentenis van een adequaatheidsbesluit overeenkomstig artikel 45, lid 3, of van passende
waarborgen overeenkomstig artikel 46, met inbegrip van bindende bedrijfsvoorschriften, kan een doorgifte of een reeks van
doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie slechts plaatsvinden mits aan één van
de volgende voorwaarden is voldaan: (…) d) de doorgifte is noodzakelijk wegens gewichtige redenen van algemeen belang."
10
Artikel 26.1.d) (Afwijkingen) van Richtlijn 95/46/EG: " In afwijking van artikel 25 en behoudens andersluidende bepalingen van
hun nationale recht betreffende specifieke gevallen, bepalen de Lid-Staten dat een doorgifte of categorie doorgiften van
persoonsgegevens naar een derde land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau in de zin van artikel 25,
lid 2, biedt, mag plaatsvinden mits: (...) d) de doorgifte noodzakelijk of wettelijk verplicht vanwege een zwaarwegend algemeen
belang (…)”
Beslissing ten gronde 79/2025 —11 /99
19. Tegen deze administratieve beslissing van de verweerder is een beroep tot vernietiging
ingesteld bij de Raad van State (hierna "RvS"). Op verzoek van de Geschillenkamer hebben de
partijen in hun conclusies en tijdens de hoorzitting van 10 januari 2023 aangegeven dat dit
beroep nog steeds aanhangig was. Zij hebben gepreciseerd dat de verweerder met name had
aangevoerd dat de RvS de uitkomst van de procedure voor de GBA afwacht om zich uit te
spreken. De klager heeft op zijn beurt gevraagd dat de RvS prejudiciële vragen stelt aan het Hof
van Justitie van de Europese Unie (hierna "HvJ-EU") over de wettelijke basis van de doorgiften
die worden verricht ter uitvoering van de FATCA-overeenkomst, over de toelaatbaarheid van
de toepassing van artikel 49.1.d) van de AVG of, in voorkomend geval, van het equivalent
daarvan in Richtlijn 95/46/EG in geval van toepassing van artikel 96 van de AVG, en over de
naleving van de beginselen van transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking en
opslagbeperking zoals vastgelegd in de relevante artikelen van de AVG of hun equivalenten in
Richtlijn 95/46/EG indien de toepassing van artikel 96 van de AVG zou worden aanvaard.
I.2. Voorgeschiedenis van de procedure die heeft geleid tot de vernietiging van beslissing
61/2023
20. Zoals vermeld in punt 1 hierboven, dienen de klagers op 22 december 2020 een klacht in bij
de GBA (klacht nr. 1).
I.2.1. Ontvankelijkheid van de klacht
21. Op 22 maart 2021 wordt klacht nr. 1, zoals ingediend door de eerste klager, ontvankelijk
verklaard door de Eerstelijnsdienst (hierna "ELD") van de GBA op grond van de artikelen 58 en
60 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
(hierna "WOG") en wordt de klacht doorverwezen naar de Geschillenkamer op grond van artikel
62.1 van de WOG.
22. Klacht nr. 1, zoals ingediend door de tweede klager, wordt daarentegen op 12 februari 2021
door de ELD van de GBA niet-ontvankelijk verklaard omdat de tweede klager niet voldoet aan
de voorwaarden van artikel 220.2. 3° en 4° van de wet van 30 juli 2018 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van
persoonsgegevens (hierna "WVG")11 .
11
Artikel 220 van de WVG: § 1. De betrokkene heeft het recht om een orgaan, een organisatie, of een vereniging zonder
winstoogmerk de opdracht te geven een klacht namens hem in te dienen en namens hem de administratieve of gerechtelijke
beroepen uit te oefenen, hetzij aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit, hetzij aan de rechterlijke macht als bepaald in
de bijzondere wetten, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering.
§ 2. Bij de geschillen voorzien in paragraaf 1, moet een orgaan, een organisatie of een vereniging zonder winstoogmerk:
- 1° op geldige wijze zijn opgericht in overeenstemming met de Belgische wetgeving;
- 2° rechtspersoonlijkheid bezitten;
- 3° statutaire doelstellingen van openbaar belang hebben;
- 4° actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkenen in het kader van de
bescherming van persoonsgegevens en dit sedert ten minste drie jaar.
Beslissing ten gronde 79/2025 —12 /99
23. De Geschillenkamer vermeldt hier meteen dat de tweede klager op 9 juli 2021 een nieuwe
klacht (klacht nr. 2) indient. Deze klacht is een herformulering van zijn klacht nr. 1 van 22
december 2020. De tweede klager licht daarin zijn belang bij het instellen van de procedure toe.
Hij verklaart dat hij optreedt in eigen naam, in overeenstemming met zijn statutaire doel, en niet
in naam en voor rekening van een of meer Belgische toeval-Amerikanen. De tweede klager
geeft dus aan dat hij niet optreedt als vertegenwoordiger in de zin van artikel 80.1 van de AVG 12.
De voorwaarden voor de toepassing van dit artikel, zoals uitgevoerd door artikel 220.2. 3° en
4° van de WVG, moeten volgens hem dus niet vervuld zijn. De tweede klager baseert zich
daarentegen op artikel 58 van de WOG, dat bepaalt: "Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en
ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit". De
tweede klager acht zich bevoegd om op deze basis een klacht in te dienen bij de GBA, temeer
omdat het doel van zijn klacht in overeenstemming is met zijn statutaire doel. Hij voert ook aan
dat de GBA in haar besluitvormingspraktijk, bijvoorbeeld in beslissing 30/2020 van de
Geschillenkamer, erkent dat het belang om op te treden breed is en dat de mogelijkheid om een
klacht in te dienen niet voorbehouden is aan de betrokken natuurlijke personen, maar dat een
klacht ook kan worden ingediend door verenigingen op grond van hun specifieke
maatschappelijke doel13.
24. Op 5 oktober 2021 wordt klacht nr. 2 ontvankelijk verklaard door de ELD van de GBA op
grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG. De klacht wordt doorgezonden naar de
Geschillenkamer op grond van artikel 62.1 van de WOG.
25. Gezien het bovenstaande preciseert de Geschillenkamer dat in deze beslissing de term "de
klacht" verwijst naar de twee ingediende klachten (nr. 1 en nr. 2), die overigens door de
Geschillenkamer zullen worden samengevoegd (punt 43).
I.2.2. Het voorwerp van de klacht
26. De klacht van de klagers is in hoofdzaak gericht op het verkrijgen van een verbod op of de
opschorting van de doorgifte van gegevens (die betrekking hebben op de eerste klager en
daarnaast die van alle Belgische toeval-Amerikanen wier belangen door de tweede klager
§ 3. Het orgaan, de, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk bewijst door de voorlegging van haar activiteitenverslagen
of van enig ander stuk, dat zijn activiteit minstens drie jaar effectief is geweest, dat het overeenstemt met haar maatschappelijk
doel en dat deze activiteit betrekking heeft op de bescherming van persoonsgegevens.
12
Artikel 80.1 van de AVG "Vertegenwoordiging van betrokkenen": De betrokkene heeft het recht een orgaan, organisatie of
vereniging zonder winstoogmerk dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, waarvan de
statutaire doelstellingen het openbare belang dienen en dat of die actief is op het gebied van de bescherming van de rechten
en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens, opdracht te geven de klacht
namens hem in te dienen, namens hem de in artikelen 77, 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen en namens hem het in
artikel 82 bedoelde recht op schadevergoeding uit te oefenen, indien het lidstatelijke recht daarin voorziet.
13
De Geschillenkamer verwijst in dit verband naar de nota die zij heeft aangenomen met betrekking tot de positie van de klager
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-inzake-de-positie-van-de-klager-in-de-procedure-bij-
de-geschillenkamer.pdf, in het bijzonder naar punt B (in fine) op pagina 2. Zij verwijst ook naar haar beslissing 24/2022 en de
daarin aangehaalde referenties.
Beslissing ten gronde 79/2025 —13 /99
worden verdedigd) door de verweerder aan de IRS op grond van de FATCA-overeenkomst
en de wet van 16 december 2015.
27. In hun conclusie van antwoord voegen de klagers hieraan toe dat zij subsidiair verzoeken dat
de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 58.2.f) en j) van de AVG beveelt dat de doorgifte
van gegevens met betrekking tot rekeningsaldi door de verweerder aan de IRS in het kader
van de toepassing van de FATCA-overeenkomst wordt verboden of opgeschort, zowel voor de
eerste klager als voor de Belgische toeval-Amerikanen wier belangen door de tweede klager
worden verdedigd.
28. Tijdens de hoorzitting voor de Geschillenkamer 14 zullen de klagers verduidelijken dat het
gebruik van de termen "verbod of opschorting" gebaseerd is op de letterlijke formulering van
artikel 58.2.f) en j) van de AVG en geen verzoek inhoudt tot tijdelijke opschorting van de
doorgiften, maar wel tot de volledige stopzetting ervan in de toekomst.
I.2.3. Het onderzoek van de Inspectiedienst (ID)
29. Op 20 april 2021 beslist de Geschillenkamer om op grond van de artikelen 63, 2° en 94, 1° van
de WOG een onderzoek te vragen aan de Inspectiedienst (hierna ID). Op dezelfde datum wordt,
overeenkomstig artikel 96.1 van de WOG, het verzoek van de Geschillenkamer om een
onderzoek in te stellen, doorgestuurd naar de ID.
30. Op 26 mei 2021 wordt het onderzoek van de ID afgesloten, het verslag aan het dossier
toegevoegd en het dossier door de inspecteur-generaal doorgestuurd naar de voorzitter van
de Geschillenkamer (art. 91.1-2 van de WOG).
31. In zijn verslag concludeert de ID dat er, in zijn woorden, "geen duidelijke schending van de
AVG" is (pagina 5 van het verslag).
32. Op grond van artikel 96 van de AVG (punt 20 van het verslag) wijst de ID na onderzoek van de
conformiteit van de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december 2015 met het
regelgevingskader inzake gegevensbescherming zoals dat vóór 24 mei 2016 van toepassing
was, dat wil zeggen volgens Richtlijn 95/46/EG, zoals omgezet in de wet van 8 december 1992
tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van
persoonsgegevens (hierna "WVP"), op de volgende elementen:
- Op 17 december 2014 heeft de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke
levenssfeer15 (hierna "CBPL") een gunstig advies 61/2014 uitgebracht, onder strikte
opschortende voorwaarden, over het eerste ontwerp van de toekomstige wet van 16
14
Zie punt B van het proces-verbaal van de hoorzitting van 10 januari 2023.
15
De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (CBPL) was de Belgische
gegevensbeschermingsautoriteit in de zin van artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG. De GBA is haar op 25 mei 2018 opgevolgd ter
uitvoering van artikel 3 van de WOG.
Beslissing ten gronde 79/2025 —14 /99
december 2015. De CBPL heeft zich vervolgens in haar advies 28/2015 van 1 juli 2015
gunstig uitgesproken over het tweede wetsontwerp, waarin de opmerkingen en
voorwaarden uit haar advies 61/2014 waren verwerkt.
- Op grond van zijn beraadslaging AF 52/2016 van 15 december 2016 heeft het Sectoraal
Comité van de Federale Overheid 16 (hierna "SCFO") van de CBPL de verweerder
toestemming gegeven om de financiële gegevens van de aangifteplichtige rekeningen
van Amerikaanse belastingplichtigen die hem door financiële instellingen in het kader
van de FATCA-overeenkomst worden verstrekt, aan de IRS door te geven. De ID
benadrukt dat het SCFO bij deze gelegenheid de toelaatbaarheid van de fiscale
doeleinden van de verwerking, evenals de evenredigheid van de gegevens en de
veiligheid van de verwerking heeft beoordeeld. Het SCFO had de verweerder
bovendien op grond van het transparantiebeginsel opgedragen om de burger via een
toegankelijke en begrijpelijke tekst op zijn website te informeren over de
omstandigheden waarin zijn persoonsgegevens (met inbegrip van financiële gegevens)
aan de IRS kunnen worden doorgegeven. De ID stelt in dit verband vast dat er op de
website van de verweerder een webpagina over "FATCA" beschikbaar is. De ID
herinnert er ten slotte aan dat overeenkomstig artikel 111 van de WOG 17 de
vergunningen die vóór de inwerkingtreding van deze wet door de sectorale comités van
de CBPL (zoals het SCFO) zijn verleend, in principe hun rechtsgeldigheid behouden 18.
33. De ID verwerpt de toepasselijkheid van het “Schrems II”-arrest19 van het HvJ-EU. Hij wijst erop
dat dit arrest het Privacy Shield ongeldig verklaart, dat betrekking had op de doorgifte van
persoonsgegevens naar de Verenigde Staten voor commerciële doeleinden (en niet voor
fiscale doeleinden zoals in het onderhavige geval). De ID verwijst ook naar artikel 17 20 van de
16
Artikel 36bis van de WVP bepaalde dat elke elektronische mededeling van persoonsgegevens door een federale
overheidsdienst of door een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid die onder de federale overheid ressorteert, een
principiële toestemming vereist van het Sectoraal Comité van de Federale Overheid (SCFO), tenzij de doorgifte al het voorwerp
uitmaakte van een principiële toestemming van een ander sectoraal comité dat binnen de CBPL is opgericht. Het SCFO heeft
tot taak na te gaan of de doorgifte in overeenstemming is met de wettelijke en reglementaire bepalingen.
17
Artikel 111 van de WOG: “Onverminderd de controlebevoegdheden van de Gegevensbeschermingsautoriteit, behouden de
machtigingen verleend door de sectorale comités van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
voor de inwerkingtreding van deze wet rechtsgeldigheid. Na de inwerkingtreding van deze wet is een toetreding tot een bij een
beraadslaging van een sectoraal comité verleende algemene machtiging slechts mogelijk mits de aanvrager een geschreven
en ondertekende verbintenis overzendt aan de Gegevensbeschermingsautoriteit waarin hij bevestigt zich aan te sluiten bij de
voorwaarden van de desbetreffende beraadslaging en dit onverminderd de controlebevoegdheden die de
Gegevensbeschermingsautoriteit na ontvangst van de verbintenis kan uitoefenen. Behoudens andere wettelijke bepalingen,
worden lopende machtigingsaanvragen van voor de inwerkingtreding van de wet behandeld door de functionaris van de
gegevensbescherming van de instellingen betrokken bij de gegevensuitwisseling.”
18
De Geschillenkamer zal zich niet in het algemeen uitspreken over de geldigheid van deze toestemmingen. Zij zal de relevantie
van het beroep op de door de verweerder aangevoerde toestemming onderzoeken in het specifieke kader van de klacht die
tot deze beslissing heeft geleid.
19
Arrest van het HvJ-EU van 16 juli 2020, C-311/18, Facebook Ireland en Schrems (Schrems II), ECLI:EU:C:2020:559.
20
Artikel 17 van de wet van 16 december 2015: § 1. De inlichtingen die aan een aan rapportering onderworpen rechtsgebied
worden doorgegeven, zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake vertrouwelijkheid en aan de andere
beschermingsmaatregelen die zijn bepaald in het verdrag inzake belastingaangelegenheden dat de automatische uitwisseling
van inlichtingen tussen België en dat rechtsgebied mogelijk maakt en in het administratief akkoord dat die uitwisseling
organiseert, daaronder begrepen de bepalingen die het gebruik van de uitgewisselde inlichtingen beperken. § 2.
Niettegenstaande de bepalingen van een verdrag inzake belastingaangelegenheden is het evenwel zo dat de Belgische
Beslissing ten gronde 79/2025 —15 /99
wet van 16 december 2015, dat met name de geheimhoudingsplicht met betrekking tot de
uitgewisselde informatie en het beperkte gebruik ervan vastlegt. Dit artikel verwijst zowel naar
de FATCA-overeenkomst als naar de overeenkomsten waarnaar deze laatste zelf verwijst,
namelijk het reeds genoemde OESO-verdrag.
34. Na afloop van zijn onderzoek concludeert de ID dat, gelet op het bovenstaande en
overeenkomstig artikel 64.2 van de WOG21, het niet opportuun is om zijn onderzoek voort te
zetten en dat hij, zoals reeds vermeld (punt 31), geen "duidelijke inbreuk op de AVG" vaststelt.
I.2.4. Het aanvullend onderzoek van de Inspectiedienst (ID)
35. Op 24 juni 2021 verzoekt de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 96.2 van de WOG om een
aanvullend onderzoek door de ID.
36. Bij het onderzoek van het verslag van 26 mei 2021 (punten 32 e.v.) constateert de
Geschillenkamer inderdaad een gebrek aan informatie over bepaalde elementen die door de
klagers ter ondersteuning van hun klacht naar voren zijn gebracht, waaronder:
- Het al dan niet bestaan van passende waarborgen met betrekking tot de doorgiften
naar de Verenigde Staten;
- Het al dan niet bestaan van verdere verwerking(en) voor andere doeleinden en het al
dan niet bestaan van waarborgen, in voorkomend geval;
- De bewaartermijn van de gegevens, rekening houdend met eventuele verdere
verwerking;
- De precieze gegevens die worden doorgegeven en de omvang van deze gegevens per
betrokkene, alsmede het aantal betrokkenen in België;
- Het al dan niet bestaan van een wederkerigheidsclausule en, in vookomend geval, de
concrete toepassing ervan in de praktijk;
- De vraag of een GEB in de zin van artikel 35 van de AVG is uitgevoerd (of zal worden
uitgevoerd), in welke vorm en op welke datum;
bevoegde autoriteit : - over het algemeen, en op voorwaarde van wederkerigheid, kan toestaan dat een rechtsgebied waaraan
de inlichtingen worden doorgegeven die inlichtingen als bewijsmiddel gebruikt voor de strafrechtelijke rechtbanken wanneer
die inlichtingen bijdragen tot het instellen van strafvervolgingen inzake fiscale fraude; - onder voorbehoud van wat is bepaald
onder het eerste streepje, niet kan toestaan dat een rechtsgebied waaraan de inlichtingen worden doorgegeven, die
inlichtingen gebruikt voor andere doeleinden dan het vestigen of het invorderen van de in het verdrag vermelde belastingen,
de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van die belastingen, de beslissing in beroepszaken die betrekking hebben op die
belastingen, of het toezicht daarop; en - niet kan toestaan dat een rechtsgebied waaraan de inlichtingen worden doorgegeven
die inlichtingen meedeelt aan een derde rechtsgebied.
21
Artikel 64.2 van de WOG: Bij de uitoefening van de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden zorgen de inspecteur-generaal
en de inspecteurs ervoor dat de middelen die zij aanwenden passend en noodzakelijk zijn.
Beslissing ten gronde 79/2025 —16 /99
- De vraag of de eerste klager sinds de indiening van zijn klacht andere beroepen met
hetzelfde of een soortgelijk voorwerp heeft ingesteld bij andere (gerechtelijke,
administratieve) instanties en, in voorkomend geval, wat de uitkomst daarvan was.
37. Op 9 juli 2021, tijdens het onderzoek, verzoeken de klagers de ID om de doorgifte van de
gegevens uit de "FATCA"-reporting voor het jaar 2020 aan de IRS tijdelijk op te schorten als
voorlopige maatregel op basis van de WOG, totdat de Geschillenkamer een definitieve
beslissing heeft genomen en ten minste tot 30 september 2021. De klagers voeren aan dat de
aangeklaagde doorgiften, zodra ze plaatsvinden, hen ernstige, onmiddellijke en moeilijk
herstelbare schade kunnen berokkenen.
38. Op 10 augustus 2021 antwoordt de ID de klagers dat het nemen van voorlopige maatregelen
een van de onderzoeksbevoegdheden is die hem door de WOG zijn toegekend en dat het geen
verplichting is, maar een mogelijkheid die hij volledig naar eigen goeddunken kan uitoefenen.
De ID herinnert er ook aan dat hij er overeenkomstig artikel 64.2 van de WOG op toeziet dat de
nodige en passende middelen worden gebruikt voor het onderzoek. Hij voegt eraan toe dat hij
van niemand instructies te ontvangen heeft over de te nemen onderzoeksmaatregelen, en
wijst daarmee het verzoek van de klagers af.
39. Op 14 september 2021 wordt het aanvullend onderzoek van de ID afgesloten, het verslag aan
het dossier toegevoegd en het dossier door de inspecteur-generaal doorgestuurd naar de
voorzitter van de Geschillenkamer (art. 91.1 en 91.2 van de WOG).
40. In zijn aanvullend verslag constateert de ID dat er geen aanwijzingen zijn voor een gebrek
aan waarborgen met betrekking tot de bescherming van de doorgegeven gegevens of een
gebrek aan wederkerigheid van de uitwisselingen. De ID geeft aan dat hij alleen maar kan
vaststellen dat er een vrij robuust juridisch kader bestaat (dit zijn de bewoordingen van het
verslag) voor de doorgifte van fiscale gegevens van Amerikaanse onderdanen door de
verweerder aan de IRS. Hij verwijst in dit verband naar de beschrijving van de waarborgen rond
deze doorgiften, opgesteld door de functionaris voor gegevensbescherming (hierna "DPO")
van de verweerder, naar de parlementaire werkzaamheden met betrekking tot de wet tot
goedkeuring van de FATCA-overeenkomst en naar de artikelen 3.722 en 3.823 van de
overeenkomst zelf. De ID verwijst ook naar het reeds genoemde arrest van 19 juli 2019 van de
Franse Raad van State, dat was ingesteld door de Franse zustervereniging van de tweede
22
Artikel 3.7 van de FATCA-overeenkomst: "All information exchanged shall be subject to the confidentiality and other
protections provided for in the Convention, including the provisions limiting the use of the information exchanged.”
“Convention” verwijst naar het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van 25 januari 1988.
23
Artikel 3.8. van de FATCA-overeenkomst: "Following the entry int force of this Agreement, each Competent Authority shall
provide written notification to the other Competent Authority when it is satisfied that the jurisdiction of the other Competent
Authority has in place (i) appropriate safeguards to ensure that the information received pursuant to this Agreement shall
remain confidential and be used solely for tax purposes, and (ii) the infrastructure for an effective exchange relationship
(including established processes for ensuring timely, accurate, and confidential information exchanges, effective and reliable
communications and demonstrated capabilities to promptly resolve questions and concerns about exchanges or requests for
exchanges and to administer the provisions of Article 5 of this Agreement). The Competent Authority shall endeavor in good
faith to meet, prior to September 2015, to establish that each jurisdiction has such safeguards and infrastructure in place.”
Beslissing ten gronde 79/2025 —17 /99
klager, waarin het middel dat was gebaseerd op schending van artikel 46 van de AVG met name
werd verworpen24. Het verslag van de ID geeft bovendien de argumenten weer die de
verweerder heeft aangevoerd om het ontbreken van een GEB te rechtvaardigen.
I.2.5. Onderzoek ten gronde door de Geschillenkamer
41. Op 20 januari 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95.1 1° en artikel 98 van de
WOG dat klachten nr. 1 en nr. 2 ten gronde kunnen worden behandeld.
42. Op dezelfde datum worden de partijen per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de
bepalingen zoals opgenomen in artikel 95.2 en artikel 98 van de WOG. De Geschillenkamer
besluit in deze brief om de klachten nrs. 1 en 2, die betrekking hebben op dezelfde verwerking
van persoonsgegevens (gegevens die verband houden met dezelfde feiten), samen te voegen,
aangezien beide klachten tegen de verweerder zijn ingediend en dezelfde grieven tegen hem
worden aangevoerd. De Geschillenkamer is van mening dat deze klachten zo nauw met elkaar
verbonden zijn dat het voor de samenhang van haar beslissingen wenselijk is ze tegelijkertijd te
behandelen en er een beslissing over te nemen.
43. In dezelfde brief kent de Geschillenkamer de partijen de volgende termijnen toe om hun
conclusies in te dienen: 17 maart en 16 mei 2022 voor de verweerder en 15 april 2022 voor de
klagers.
44. Uitgaande van de klacht en de verslagen van de ID identificeert de Geschillenkamer ook de
grieven waarover zij de partijen verzoekt hun argumenten uiteen te zetten:
- De onrechtmatigheid van de doorgifte van gegevens aan de IRS door de verweerder in
het licht van de artikelen 45 en 49 van de AVG en het ontbreken van een wettelijke
basis;
- De niet-naleving van de beginselen van doelbinding, evenredigheid en minimale
gegevensverwerking (artikel 5.1.b) en c) van de AVG) en een schending van het beginsel
van opslagbeperking van gegevens (artikel 5.1.e) van de AVG);
24
De Franse Raad van State had van de Association française des Américains accidentels een verzoek tot nietigverklaring
ontvangen wegens machtsmisbruik van de beslissingen waarbij haar verzoeken tot intrekking van een decreet en een
ministerieel besluit tot organisatie van de verzameling en doorgifte van persoonsgegevens aan de Amerikaanse autoriteiten
waren afgewezen. In zijn arrest concludeert de Franse Raad van State dat, gezien de specifieke waarborgen die de “FATCA”-
overeenkomst van 14 november 2013 (overeenkomst gesloten met Frankrijk) de betwiste verwerking biedt en gezien het
beschermingsniveau dat wordt geboden door de in de Verenigde Staten geldende wetgeving inzake persoonsgegevens die
het mogelijk maken de fiscale situatie van belastingplichtigen vast te stellen (de Franse Raad van State verwijst naar de
Amerikaanse federale wet van 1974 inzake de bescherming van persoonsgegevens en naar de federale belastingwet), moet
het middel dat is ontleend aan de schending van artikel 46 van de AVG en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de
grondrechten van de EU worden afgewezen (punten 23 e.v. van het arrest). Franse Raad van State, arrest van 19 juli 2019, nr.
424216 ECLI:FR:CEASS:2019:424216.20190719:
https://www.legifrance.gouv.fr/ceta/id/CETATEXT000038801233?isSuggest=true
Beslissing ten gronde 79/2025 —18 /99
- De niet-naleving van het transparantiebeginsel en de informatieplicht (artikelen 5.1.a),
12 en 14 van de AVG);
- De schending van artikel 16 van de AVG (recht op rectificatie) doordat de procedures
van de verweerder geen mogelijkheid bieden voor de betrokkenen om hun status met
betrekking tot de FATCA-wetgeving te laten corrigeren;
- De schending van de verplichting om een GEB uit te voeren in de zin van artikel 35 van
de AVG;
- De schending van de artikelen 5.2 en 24 van de AVG in combinatie met de hierboven
genoemde schendingen;
- De niet-naleving van artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 (WVG).
45. De Geschillenkamer verzoekt de partijen ook om te concluderen over artikel 96 van de
AVG, waarin de verweerder zich in zijn brief van 4 oktober 2021 (punt 19) beroept.
46. Op 31 januari en 8 februari 2022 vraagt de verweerder om een kopie van het dossier (art.
95.2.3° WOG), die hem op 9 februari 2022 wordt toegezonden.
47. Op 16 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de
verweerder.
48. Op 30 maart 2022 richt de Geschillenkamer een aanvullend verzoek aan de partijen met
betrekking tot het beroep dat door de tweede klager bij de (Belgische) RvS is ingesteld over
de problematiek van de doorgifte van gegevens van toeval-Amerikanen naar de Verenigde
Staten (punt 19). Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de RvS en de GBA,
verzoekt de Geschillenkamer de tweede klager om in zijn toekomstige conclusie van
antwoord of in een afzonderlijk document, naar keuze van laatstgenoemde, duidelijkheid te
verschaffen over het voorwerp van dit beroep bij de RvS en, indien mogelijk, over het
tijdschema daarvoor.25 De Geschillenkamer wijst erop dat deze informatie bedoeld is om te
kunnen beoordelen of (de uitkomst van) dit beroep van invloed kan zijn op de lopende
procedure voor de GBA en/of op haar toekomstige beslissing in deze zaak.
49. Op 15 april 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klagers.
50. Op 16 mei 2022 ontvangt de Geschillenkamer de syntheseconclusie van de verweerder.
51. Op 17 augustus 2022 staat de Geschillenkamer bij wijze van uitzondering de partijen toe om
aanvullend te concluderen over de verwijzing naar het arrest van 9 maart 2017 van het
Grondwettelijk Hof die de verweerder in zijn bovengenoemde syntheseconclusie maakt.
25
In het klachtenformulier wordt de klagers gevraagd om de GBA op de hoogte te brengen van eventuele klachten die bij
andere instanties zijn ingediend. Aangezien dit beroep bij de Raad van State nog niet was ingesteld op het moment dat de
klacht bij de GBA werd ingediend, werd de tweede klager verzocht de Geschillenkamer hierover te informeren.
Beslissing ten gronde 79/2025 —19 /99
52. Op 17 augustus 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting op 13
september zal plaatsvinden. Deze hoorzitting wordt vervolgens uitgesteld tot 7 november
2022 en vervolgens tot 10 januari 2023.
53. Op 31 augustus 2022 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de
klagers met betrekking tot het bovengenoemde arrest van het Grondwettelijk Hof van 9
maart 2017.
54. Op 21 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de
verweerder over hetzelfde arrest.
55. Op 23 september 2022 sturen de klagers twee documenten naar de Geschillenkamer die zij
omschrijven als "nieuwe stukken" in het dossier. Het gaat meer bepaald om een advies van
23 augustus 2022 van de Slowaakse gegevensbeschermingsautoriteit (en de niet-officiële
vertaling daarvan in het Frans) over de FATCA-overeenkomst waarin wordt geconcludeerd
dat enerzijds de FATCA-overeenkomst en anderzijds het geactualiseerde rapport "FATCA
legislation and its application at international and EU level – an update" van september 2022,
dat in opdracht van het Europees Parlement is opgesteld, niet in overeenstemming zijn met
de AVG.
56. Hierna volgt een briefwisseling tussen de partijen over de ontvankelijkheid van deze
documenten, die buiten de gestelde termijn voor het indienen van hun respectieve
conclusies en stukken zijn overgelegd.
57. Op 3 oktober 2022 deelt de Geschillenkamer de partijen mee dat zij hen aan het begin van
de hoorzitting de gelegenheid zal geven om zich over deze documenten uit te spreken.
I.2.6. De hoorzitting van de partijen van 10 januari 2023
58. Op 10 januari 2023 worden de partijen door de Geschillenkamer gehoord. Tijdens de
hoorzitting, en zoals weergegeven in het proces-verbaal, geeft de Geschillenkamer aan dat
zij gemachtigd is om kennis te nemen van alle relevante stukken. Geen enkel stuk wordt uit
de procedure geweerd, op voorwaarde dat de uitoefening van de rechten van de verdediging
ten aanzien daarvan mogelijk wordt gemaakt, hetzij tijdens de hoorzitting, hetzij, indien
nodig, na afloop daarvan. De partijen komen niet meer op dit punt terug.
59. Op 27 januari 2023 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen
voorgelegd. De Geschillenkamer ontvangt geen opmerkingen van de partijen over dit
proces-verbaal. De partijen geven respectievelijk op 29 januari 2023 (voor de klagers) en 3
februari 2023 (voor de verweerder) uitdrukkelijk aan de Geschillenkamer door dat dit
proces-verbaal een getrouwe weergave is van de besprekingen tijdens de hoorzitting.
Beslissing ten gronde 79/2025 —20 /99
I.3. Beslissing 61/2023
60. Op 24 mei 2023 neemt de Geschillenkamer, bestaande uit de heer Hielke Hijmans,
voorzitter, de heer Yves Poullet en de heer Christophe Boeraeve, leden, beslissing 61/2023.
61. In deze beslissing beslist de Geschillenkamer:
- Op grond van artikel 100.1.8° van de WOG, de verwerking door de verweerder te
verbieden van de persoonsgegevens van de eerste klager en van Belgische toeval-
Amerikanen in toepassing van de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december
2015 tot regeling van de mededeling van inlichtingen betreffende financiële
rekeningen door de Belgische financiële instellingen en de FOD Financiën, in het kader
van een automatische uitwisseling van inlichtingen op internationaal niveau en voor
belastingdoeleinden.
- Op grond van artikel 100.1.5° van de WOG, de verweerder een berisping te geven met
betrekking tot artikel 14.1-2 in combinatie met artikel 12.1 van de AVG, vergezeld
van een bevel tot naleving op basis van artikel 100.1.9° van de WOG, namelijk het
verstrekken van AVG conforme informatie op zijn website;
- Op grond van artikel 100.1.5° van de WOG, de verweerder een berisping te geven met
betrekking tot de inbreuk op artikel 35.1 van de AVG, vergezeld van een bevel tot
naleving op grond van artikel 100.1.9° van de WOG, bestaande uit het uitvoeren van
een GEB in de zin van artikel 35 van de AVG;
- De bewijsstukken die aantonen dat aan de opgelegde maatregelen is voldaan, moeten
binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing aan de Geschillenkamer
worden meegedeeld;
- Op grond van artikel 100.1.5° van de WOG, de verweerder een berisping te geven
wegens de inbreuk op de artikelen 5.2 en 24 van de AVG.
I.4. Het beroep tegen beslissing 61/2023 voor het Marktenhof
62. Bij verzoekschrift van 14 juni 2023 tekent de verweerder beroep aan bij het Marktenhof tot
opschorting en nietigverklaring van beslissing 61/2023. De GBA is de verweerder in het
kader van dit beroep.
63. Op 27 juni 2023 dienen de klagers een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in.
64. In het kader van haar verdediging voor het Marktenhof voert de GBA verschillende middelen
aan ter ondersteuning van haar verzoek aan het Marktenhof om het beroep van de
verweerder ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.
Beslissing ten gronde 79/2025 —21 /99
65. Zij verzoekt het hof ook, voor zover het twijfels heeft over een of meer van de aan de orde
gestelde punten, de volgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ-EU:
- 1°) "Kan nationale wetgeving die een internationale overeenkomst tussen een lidstaat
en een derde staat goedkeurt, een "algemeen belang" in de zin van artikel 26.1.d) van
Richtlijn 95/46/EG vormen indien die derde staat geen daadwerkelijke wederkerigheid
garandeert?";
- 2°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat
op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de
betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.b) van
Richtlijn 95/46/EG, voor zover de doeleinden van de verwerking van de
persoonsgegevens, zoals die uit de overeenkomst in kwestie blijken, in vage
bewoordingen zijn geformuleerd, zoals "de naleving van internationale belastingregels"
of "de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Amerikaanse "FATCA"-
wet ter bestrijding van belastingontduiking door Amerikaanse onderdanen?"”;
- 3°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat
op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de
betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.b) van
Richtlijn 95/46/EG, voor zover de derde staat geen passende waarborgen heeft
ingesteld om te voorkomen dat de betrokken gegevens voor andere dan de in de
overeenkomst voorziene doeleinden worden gebruikt?";
- 4°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat
op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de
betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.c) van
Richtlijn 95/46/EG, voor zover de nationale wetgeving en de internationale
overeenkomst in kwestie geen bepalingen en criteria bevatten die een expliciet
verband leggen tussen de doorgifte van persoonsgegevens betreffende financiële
rekeningen en mogelijke belastingfraude of belastingontduiking?";
- 5°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat
op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de
betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.e) van
Richtlijn 95/46/EG, voor zover er geen adequate waarborgen zijn om te voorkomen dat
de betrokken gegevens langer worden bewaard dan nodig is voor het bereiken van de
nagestreefde doeleinden, zodra de gegevens zijn doorgegeven aan de belastingdienst
van die derde staat?";
- 6°) "Moeten in het geval van een internationale overeenkomst tussen een lidstaat en
een derde staat betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan de
Beslissing ten gronde 79/2025 —22 /99
belastingdienst van die derde staat, de "voldoende waarborgen" in de zin van artikel
26.2 van Richtlijn 95/46/EG in de internationale overeenkomst zelf worden
opgenomen?";
- 7°) "Moet artikel 96 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de
Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer
van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening
gegevensbescherming), afzonderlijk of in combinatie met artikel 4, lid 3, van het
Verdrag betreffende de Europese Unie en/of artikel 351 van het Verdrag betreffende
de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn
hun uiterste best te doen om de internationale verdragen waarbij zij partij zijn en die niet
in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze verordening, te wijzigen, te
vervangen of in te trekken?
- Zo ja, kan een lidstaat die in 2023 niet alles in het werk heeft gesteld om een
internationaal verdrag waarbij hij partij is en dat niet in overeenstemming is met de
bepalingen van Verordening (EU) 2016/679, te wijzigen, te vervangen of in te trekken,
zich beroepen op artikel 96 van die verordening om gedrag te rechtvaardigen dat
onverenigbaar is met die verordening?”
I.5. De arresten van het Marktenhof van 28 juni en 20 december 2023
66. Op 28 juni 2023 wijst het Marktenhof een interlocutoir arrest (2023/AR/801) waarbij het de
tenuitvoerlegging26 van beslissing 61/2023 van de Geschillenkamer met onmiddellijke
ingang opschort, totdat het zich ten gronde uitspreekt over het ingestelde beroep tot
vernietiging.
67. Op 20 december 2023 wijst het Marktenhof een arrest (2023/AR/801) waarin het beslissing
63/2021 van de Geschillenkamer vernietigt en uitspreekt dat de zaak naar de “anders
samengestelde” Geschillenkamer wordt verwezen, zodat deze opnieuw, op gemotiveerde
wijze, ten gronde uitspraak kan doen, rekening houdend met de overwegingen in zijn arrest.
68. Wat deze overwegingen betreft, verwijt het Marktenhof de Geschillenkamer dat zij haar
beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, wat in strijd is met de artikelen 2 en 3 van de wet
van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve handelingen. Meer
bepaald wijst het Marktenhof erop dat niet aan deze motiveringsvereiste is voldaan,
aangezien "niets erop wijst dat bij de genoemde beslissing rekening is gehouden met de
26
Overeenkomstig artikel 108.1, tweede lid, van de WOG zijn de beslissingen van de Geschillenkamer namelijk, behoudens
uitzonderingen, voorlopig uitvoerbaar: "Behoudens de bij de wet voorziene uitzonderingen of tenzij de Geschillenkamer bij met
redenen omklede beslissing anders beslist, is de beslissing voorlopig uitvoerbaar, niettegenstaande beroep. De beslissing tot
verwijdering van gegevens overeenkomstig artikel 100, § 1, 10°, is niet voorlopig uitvoerbaar."
Beslissing ten gronde 79/2025 —23 /99
verslagen van de algemene inspectie en de concrete analyse die door deze dienst is
uitgevoerd; zij motiveert niet waarom zij afwijkt van de vaststellingen die daarin werden
gedaan met betrekking tot de rechtmatigheid van de gegevensverwerking door de FOD
Financiën" (punt 35 van het arrest) (vrije vertaling). Het hof stelt in dit verband dat de
soevereine beoordeling van de Geschillenkamer gepaard moet gaan met een versterkte
motiveringsplicht wanneer zij afwijkt van de vaststellingen van de ID. Aangezien de
Geschillenkamer om een onderzoeksverslag heeft verzocht, mogen de betrokken partijen
terecht verwachten dat dit verslag door de Geschillenkamer in haar beoordeling in
aanmerking wordt genomen. Bijgevolg moet de Geschillenkamer de redenen motiveren
waarom zij de vaststellingen of conclusies van de ID niet volgt (punt 30 van het arrest).
69. Het Marktenhof wijst met name op het volgende:
- Wat de naleving van het beginsel van doelbinding betreft, is de beslissing uitsluitend (§
164) gebaseerd op een passage uit het WP 234-rapport van de Groep artikel 29 en op
een artikel over rechtsleer, geschreven door de voorzitter van de Geschillenkamer zelf
over een analyse van het HvJ-EU, d.w.z. op algemene en theoretische verwijzingen. Zo
houdt beslissing 61/2023 geen rekening met de concrete analyse van de ID, waarin
werd opgemerkt (1) dat de CBPL in haar twee adviezen de legitimiteit van de
belastingdoeleinden en de noodzaak van de doorgifte van gegevens aan derde landen
had kunnen beoordelen op grond van een zwaarwegend algemeen belang van België
en gezien de wederkerigheid van de uitwisselingen; (2) dat het SCFO eveneens de
verweerder had gemachtigd om de gevraagde gegevens aan de IRS door te geven en
bij die gelegenheid de toelaatbaarheid van de belastingdoeleinden van de verwerking,
de evenredigheid van de verwerkte gegevens en de veiligheid van de verwerking had
kunnen beoordelen; en (3) dat overeenkomstig artikel 111, lid 1, van de WOG de door de
sectorale comités van de CBPL verleende machtigingen in principe hun
rechtsgeldigheid behouden.
- In zijn onderzoek van de beginselen van noodzaak en minimale gegevensverwerking
wijst het hof ook op het te algemene karakter van de Europese bronnen (advies van de
Groep artikel 29, studie van het Europees Parlement) die door de Geschillenkamer zijn
gebruikt. Het concludeert dat deze laatste geen rekening heeft gehouden met de
analyse van de ID, waarin werd opgemerkt dat zowel de CBPL als het SCFO de
noodzaak en evenredigheid van de gegevensdoorgiften gunstig hadden beoordeeld.
Het hof is ook van mening dat in de beslissing geen rekening is gehouden met de
concrete antwoorden van de DPO van de verweerder op de vragen 6, 7 en 8 in het
aanvullend verslag van de ID, die juist betrekking hadden op de concrete beoordeling
van het beginsel van minimale gegevensverwerking.
Beslissing ten gronde 79/2025 —24 /99
- Ten slotte merkt het Marktenhof met betrekking tot het kader voor de doorgifte van
gegevens aan de IRS op dat, wat betreft de "passende waarborgen" bedoeld in artikel
46.2.a) van de AVG, beslissing 61/2023 bepaalt dat deze in de internationale
overeenkomst zelf moeten zijn opgenomen en onderzoekt het hof deze in het licht van
de richtsnoeren 02/2020 van de EDPB. Het hof merkt daarbij op dat de
Geschillenkamer geen rekening houdt met de waarborgen die door de ID zijn genoemd,
met name in zijn aanvullend verslag:
o Artikel 3.7 van de FATCA-overeenkomst verwijst naar "de
geheimhoudingsverplichtingen en andere waarborgen waarin het multilaterale
verdrag van de OESO voorziet (artikelen 21 en 22 – bladzijde 3/22 van het
aanvullend verslag van de ID;
o Artikel 3.8 van de FATCA-overeenkomst bepaalt dat elke bevoegde autoriteit
de andere schriftelijk op de hoogte stelt wanneer zij ervan overtuigd is dat deze
laatste passende waarborgen heeft ingevoerd (pagina 3/22 van het aanvullend
verslag van de ID);
o De antwoorden van de DPO van de FOD Financiën op de vragen 1 tot en met 4
van het ID met betrekking tot de ingevoerde waarborgen en met name de
kennisgeving van de Belgische belastingdienst aan de Amerikaanse
belastingdienst over de invoering van de waarborgen (antwoord op vraag 2).
70. Wat eventuele prejudiciële vragen betreft, vermeldt het hof in het dictum van zijn arrest dat
"er in dit stadium geen reden is om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen"
(pagina 52 van het arrest).
I.6. Voorgeschiedenis van de hervatting van de procedure die tot de onderhavige beslissing
heeft geleid
I.6.1. De beslissing van 20 maart 2024 over de samenstelling
71. Naar aanleiding van het arrest van het Marktenhof van 20 december 2023 beslist de
voorzitter van de Geschillenkamer, H. Hijmans 27, op 20 maart 2024 de hervatting van de
procedure in deze zaak toe te vertrouwen aan een kamer bestaande uit de volgende drie
leden: Yves Poullet als voorzitter van de kamer, Christophe Boeraeve en Jelle Stassijns.
27
De Geschillenkamer verstaat hieronder de voorzitter die door de Kamer van volksvertegenwoordigers is aangewezen
overeenkomstig hoofdstuk 3 van de WOG, meer bepaald artikel 39.
Beslissing ten gronde 79/2025 —25 /99
72. Deze beslissing is gebaseerd op artikel 43 van het RIO van de GBA 28, dat de voorzitter van
de Geschillenkamer de bevoegdheid geeft om de zaken over zijn leden te verdelen en te
beslissen of de Geschillenkamer in een bepaalde zaak met drie leden zitting neemt.
73. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd:
- "er zijn grondbeginselen van de bescherming van persoonsgegevens in het geding,
zodat de zaak moet worden behandeld door een kamer bestaande uit drie leden": op te
merken valt dat de woorden “grondbeginselen van de bescherming van
persoonsgegevens" specifiek verwijzen naar artikel 43 van het RIO;
- de proceduretaal in deze zaak is het Frans: in overeenstemming met de beginselen van
behoorlijk bestuur en in de geest van de wetgeving inzake het gebruik van talen
verdient het de voorkeur dat de meerderheid van de kamer, met inbegrip van de
voorzitter, deel uitmaakt van de Franstalige rol van de Geschillenkamer;
- een van de Franstalige leden heeft – of kan worden geacht te hebben – een
belangenconflict in de zin van artikel 58 van het RIO van de GBA." 29
74. Op basis van deze elementen concludeert voorzitter H. Hijmans dat de vernieuwing van de
samenstelling van de zetel van de Geschillenkamer noodzakelijkerwijs slechts
gedeeltelijk kan zijn.
I.6.2. De hervatting van het onderzoek ten gronde
75. Op 30 mei 2024 stelt de Geschillenkamer de partijen in kennis van de hervatting ab ovo van
het onderzoek ten gronde van de klacht en nodigt hen daartoe uit om te concluderen met
betrekking tot de hieronder vermelde grieven. Zij herinnert daarbij aan de samenvoeging van
klacht nr. 1 en nr. 2 die zij in haar brief van 20 januari 2022 heeft uitgevoerd. De definitieve
kalender voor het uitwisselen van argumenten tussen de partijen wordt, na wijziging per e-
mail van 11 juni 202430, als volgt vastgesteld: 7 augustus en 4 oktober 2024 voor de
verweerder en 5 september 2024 voor de klagers.
28
Art. 43 van het RIO: De bij de geschillenkamer aanhangig gemaakte dossiers worden door haar voorzitter verdeeld onder de
leden van de geschillenkamer. Het lid aan wie het dossier is toegewezen, zetelt alleen. De geschillenkamer zetelt met drie leden
indien de voorzitter daartoe beslist. Hij neemt die beslissing rekening houdend met de aard van de klacht en de inbreuk op de
grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens. Het lid aan wie een dossier is toegewezen kan, rekening
houdend met de omstandigheden, omschreven in het vorige lid, evenwel aan de voorzitter vragen om te zetelen met drie leden.
De voorzitter zorgt voor ondersteuning door aanduiding van ambtenaren van de administratie van de GBA, die deel uitmaken
van het secretariaat van de geschillenkamer.
29
Uit artikel 58 van het RIO blijkt dat de bevoegdheid om te beslissen of een lid van de Geschillenkamer een belangenconflict
heeft, bij de voorzitter van de Geschillenkamer berust. Een belangenconflict wordt daarin als volgt gedefinieerd: "Een
belangenconflict doet zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functie/van het lidmaatschap of de
naleving van de principes van eerlijke concurrentie, niet-discriminatie en gelijke behandeling in het gedrang komen omwille
van een belang dat gedeeld wordt met een persoon of instantie vermeld in het te behandelen dossier".
30
Deze e-mail volgt op een verzoek van de verweerder om de termijnen te wijzigen. De Geschillenkamer heeft daarentegen
geen gevolg gegeven aan het verzoek van de verweerder om slechts één ronde van conclusies te organiseren, beginnend met
de klagers en eindigend met de verweerder.
Beslissing ten gronde 79/2025 —26 /99
76. De grieven waartegen de partijen zich moeten verdedigen, zijn identiek aan die welke door
de Geschillenkamer in haar brief van 20 januari 2022 (punten 41 e.v.) zijn geformuleerd, met
uitzondering van de grief betreffende de niet-naleving van artikel 20 van de WVG, waarvoor
de Geschillenkamer de partijen verzoekt zich te verdedigen "voor zover deze grief door de
klagers wordt gehandhaafd, aangezien zij deze hebben laten vallen tijdens de uitwisseling
van conclusies die heeft geleid tot beslissing 61/2023 van de Geschillenkamer, die door het
Marktenhof is vernietigd".
77. De Geschillenkamer verzoekt de partijen bovendien haar duidelijkheid te verschaffen over
de toepasselijkheid van artikel 96 van de AVG en over het bestaan van passende
waarborgen met betrekking tot de doorgifte van gegevens aan de IRS, met vermelding van
de precieze bepalingen waarop zij zich baseren, ongeacht of deze bepalingen zijn gebaseerd
op bepalingen van Richtlijn 95/46/EG, de AVG of aan andere teksten die van toepassing
waren op het moment van de aangeklaagde feiten en op dit moment.
78. Ten slotte verzoekt de Geschillenkamer de partijen in het bijzonder om in hun respectieve
argumentatie rekening te houden met de overwegingen van het Marktenhof in zijn
vernietigingsarrest van 20 december 2023 met betrekking tot de vaststellingen van de ID,
met name die welke door het hof in punt 34 van zijn arrest worden genoemd.
79. Op 30 mei 2024 delen de klagers de Geschillenkamer mee dat zij na de uitwisseling van
conclusies willen worden gehoord overeenkomstig artikel 98 van de WOG juncto de
artikelen 48 tot en met 54 van het RIO van de GBA.
80. Op 5 augustus 2024 ontvangt de Geschillenkamer de hoofdconclusie van de verweerder.
81. Op 3 september 2024 deelt de Geschillenkamer de partijen de beslissing mee die op 20
maart 2024 door de heer Hielke Hijmans is genomen met betrekking tot de vernieuwde
samenstelling van de Geschillenkamer, waarvan sprake in punt 72.
82. Op 5 september 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van de klagers.
- De klagers stellen vast dat de Geschillenkamer anders is samengesteld dan gevraagd
door het Marktenhof in zijn arrest van 20 december 2023.
- De klagers stellen dat de banken geen partij zijn in de zaak (zie de kritiek van de
verweerder hierover hieronder) niet "vanwege een belangenconflict met de raadsman
van de klager", maar omdat het niet de financiële instellingen zijn die verantwoordelijk
zijn voor de verwerking van de persoonsgegevens die aan de IRS worden doorgegeven.
- Wat artikel 96 van de AVG betreft, zijn de klagers van mening dat niet aan de
voorwaarden voor de toepassing ervan is voldaan en dat geen van de teksten die de
verweerder heeft aangevoerd om aan te tonen dat de FATCA-overeenkomst in
overeenstemming is met het op 24 mei 2016 toepasselijke Unierecht, de toetsing
Beslissing ten gronde 79/2025 —27 /99
doorstaat, met name gezien de voorrang die moet worden gegeven aan de rechtspraak
van het HvJ-EU in zijn arrest C-175/22.
- De klagers zijn van mening dat de FATCA-overeenkomst niet de minimale waarborgen
bevat die vereist zijn op grond van artikel 46.2.a) van de AVG. Zij wijzen er ook op dat
artikel 49.1.d), dat aanvankelijk door de verweerder werd aangevoerd, in casu niet kan
worden toegepast.
- De klagers stellen ook dat de verweerder haar informatieplicht niet nakomt, wat in strijd
is met artikel 14 van de AVG en het transparantiebeginsel.
- De klagers zijn van mening dat de verweerder artikel 35 van de AVG heeft geschonden
door geen GEB uit te voeren.
- De klagers zijn ook van mening dat in deze zaak artikel 5.2 en artikel 24 van de AVG zijn
geschonden.
83. Op 4 oktober 2024 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de
verweerder die geldt als syntheseconclusie. De verweerder heeft een tweede aanvullende
conclusie ingediend die geldt als syntheseconclusie; zijn argumentatie wordt hieronder in
punt 86 samengevat.
84. Op 18 oktober 2024 richt de Geschillenkamer zich tot de partijen en merkt op dat de
aanvullende conclusie en de syntheseconclusie van de verweerder een aantal verzoeken
bevatten die rechtstreeks aan de klagers en hun raadslieden zijn gericht 31. Om over een
degelijk dossier te beschikken, beslist de Geschillenkamer de klagers een laatste termijn tot
4 november 2024 te geven om hierop te reageren. Zij voegt eraan toe dat indien de klagers
reageren, aan de verweerder eenzelfde termijn wordt gegeven voor een laatste repliek.
85. Op 4 november 2024 dienen de klagers een aanvullende conclusie in.
86. Op 19 november 2024 ontvangt de Geschillenkamer de tweede aanvullende conclusie die
geldt als syntheseconclusie van de verweerder.
- De verweerder betwist dat de Geschillenkamer "anders is samengesteld" zoals
gevraagd door het Marktenhof in zijn arrest van 20 december 2023.
- De verweerder verzoekt om opschorting van de zaak in afwachting van de tussenkomst
van de financiële instellingen in de procedure. Hun afwezigheid is volgens hem een
inbreuk op het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, aangezien noch de verweerder, noch de GBA bevoegd zijn om hen te
31
De verweerder verzoekt om de overlegging van specifieke stukken (zie hieronder). Hij verzoekt ook om de terugtrekking van
de raadslieden van de klagers wegens een belangenconflict.
Beslissing ten gronde 79/2025 —28 /99
dwingen aan de zaak deel te nemen, terwijl zij een essentiële rol spelen in de
verwerkingsketen die leidt tot de betwiste doorgiften aan de IRS.
- De verweerder verzoekt de klagers om overlegging van het besluit van de CNIL van 23
mei 2022, waarbij deze laatste een klacht afsluit die vergelijkbaar is met de klacht die
tot de onderhavige beslissing heeft geleid. Zoals in punt 91 zal worden uiteengezet, is
dit stuk op 29 november 2024 door de klagers overgelegd.
- De verweerder is van mening dat aan de voorwaarden van artikel 96 van de AVG is
voldaan en dat de FATCA-overeenkomst, gelezen in combinatie met de wet van 16
december 2015 die er onlosmakelijk mee verbonden is, in overeenstemming is met het
op 24 mei 2016 toepasselijke EU-recht. De betwiste doorgiften aan de IRS, waarvan hij
niet ontkent dat hij verwerkingsverantwoordelijke is, zijn dus niet onrechtmatig en
kunnen worden uitgevoerd.
- De verweerder voert aan dat, onverminderd de toepassing van artikel 96 van de AVG,
de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met de AVG en dat op basis daarvan
en op basis van de wet van 16 december 2015 de doorgiften aan de IRS rechtmatig zijn.
- De verweerder ontkent elke schending van de informatieplicht die volgens hem op de
banken rust. Hij informeert de betrokkenen niettemin op adequate wijze via zijn
website.
- De verweerder is van mening dat hij niet verplicht was een GEB uit te voeren, gezien de
voorafgaande analyse die hij had uitgevoerd.
- De verweerder is van mening dat hij het in de artikelen 5.2 en 24 van de AVG
vastgelegde beginsel van “accountability” niet heeft geschonden.
I.6.3. De uitnodiging voor de hoorzitting en de hoorzitting van de partijen
87. Op 28 november 2024 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting is
vastgesteld op 11 december 2024.
88. De Geschillenkamer vermeldt in haar uitnodigingsbrief dat zij ingaat op het verzoek van de
klagers om een hoorzitting en roept derhalve de partijen op. De Geschillenkamer verwerpt
dus het verzoek van de verweerder in punt 75 van zijn tweede aanvullende conclusie die
geldt als syntheseconclusie, om het verzoek van de klagers om te worden gehoord af te
wijzen, omdat deze hoorzitting zinloos zou zijn aangezien de Geschillenkamer nog steeds
bestaat uit twee leden, waaronder de waarnemend voorzitter, die de hoorzitting van 10
januari 2023 hebben bijgewoond in het kader van de procedure die heeft geleid tot
beslissing 61/2023.
Beslissing ten gronde 79/2025 —29 /99
89. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat zij op de dag van verzending en bij de huidige
stand van het dossier overigens geen gevolg geeft aan het verzoek om opschorting van de
zaak in afwachting van de tussenkomst van de financiële instellingen dat eveneens door de
verweerder is geformuleerd in het dispositief van zijn tweede aanvullende conclusie die als
syntheseconclusie geldt. De Geschillenkamer merkt op dat de financiële instellingen op de
datum van de uitnodiging geen partij zijn in de procedure en evenmin zijn tussengekomen.
90. Wat ten slotte het verzoek van de verweerder betreft om de zaak op te schorten in
afwachting van de overlegging door de klagers van de beslissing van de voorzitter van de
CNIL van 23 mei 2022, merkt de Geschillenkamer op dat de klagers, in antwoord op het
verzoek van de verweerder aan hen in zijn aanvullende en syntheseconclusie van 2 oktober
2024, aangeven dat zij niet over deze beslissing beschikken en dat zij ook niet de
geadresseerden ervan zijn. De Geschillenkamer stelt meer in het algemeen vast dat de door
de verweerder in zijn conclusie gevraagde stukken niet door de klagers zijn overgelegd aan
het einde van de aanvullende termijn voor de uitwisseling van conclusies die met name voor
dit doel was vastgesteld. Zonder op de datum van verzending en in de huidige stand van het
dossier het verzoek tot opschorting van de verweerder om deze reden in te willigen, kent de
Geschillenkamer de klagers een laatste termijn toe voor het overleggen van de documenten
tot 5 december 2024, omdat zij van oordeel is dat zij over alle stukken moet beschikken
die mogelijk relevant zijn voor de beslechting van het geschil (of daar in ieder geval niet
van verstoken mag zijn).
91. Op 29 november 2024 produceren de klagers de beslissing van de voorzitter van de CNIL
van 23 mei 2022.32
92. Op 11 december 2024 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. Na afloop van
de hoorzitting besluit de Geschillenkamer de zaak voort te zetten in afwachting van de
overlegging door de verweerder van het document "Notification of adequacy of data
safeguards and infrastructure", dat zowel door de verweerder als door de IRS is
ondertekend. Het genoemde document in het dossier van de verweerder was namelijk
alleen ondertekend door de Belgische autoriteiten op 10 januari 2017. De Geschillenkamer
geeft aan dat de zaak in beraad zal worden genomen zodra het document is ontvangen.
32
Deze beslissing verklaart de afsluiting door de Commission Nationale Informatique et Libertés (CNIL), de Franse
gegevensbeschermingsautoriteit, van de klacht van de Association française des Américains accidents tot opschorting van
de automatische doorgifte van fiscale gegevens tussen Frankrijk en de Verenigde Staten op grond van de internationale
overeenkomst die op 14 november 2013 tussen de regering van de Franse Republiek en de regering van de Verenigde Staten
van Amerika is gesloten (de “FATCA-overeenkomst”). De CNIL stelt dat de Franse Raad van State zich reeds over deze kwestie
heeft uitgesproken in een arrest van 19 juli 2019 (zie supra voetnoot 24), waarin zij concludeerde dat de “FATCA”-
overeenkomst verenigbaar is met de AVG. De CNIL geeft aan dat zij na bestudering van de argumenten van de klacht van
mening is dat er geen reden is om het standpunt van de hoogste administratieve rechterlijke instantie van Frankrijk in twijfel
te trekken.
Beslissing ten gronde 79/2025 —30 /99
93. Op 17 december 2024 produceert de verweerder de door beide partijen (de IRS enerzijds en
de verweerder anderzijds) ondertekende kopie van de "Notification of adequacy of data
safeguards and infrastructure, waarvan hierboven sprake.
94. Op 24 december 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen
voorgelegd. Beide partijen delen de Geschillenkamer mee (respectievelijk op 20 januari
2025 voor de verweerder en op 23 januari 2025 voor de klagers) dat dit proces-verbaal van
de hoorzitting geen aanleiding tot opmerkingen geeft van hun kant.
II. Motivering
II.1. Wat betreft de bevoegdheid van de Geschillenkamer van de GBA
95. De AVG heeft de gegevensbeschermingsautoriteiten ("toezichthoudende autoriteiten") van
de EU met name de taak toevertrouwd om de bij hen ingediende klachten te behandelen
(artikel 57.1.f) van de AVG).
96. Bij de behandeling van klachten moeten de gegevensbeschermingsautoriteiten bijdragen
tot de coherente toepassing van de AVG in de hele EU.
97. In dit geval is het in artikel 56 van de AVG voorziene één-loketmechanisme niet van
toepassing, gelet op artikel 55.2 van de AVG, dat bepaalt: “In het geval van verwerking door
overheidsinstanties of door particuliere organen die handelen op grond van artikel 6, lid 1,
onder c) of e), is de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat in kwestie competent. In
dergelijke gevallen is artikel 56 niet van toepassing.”
98. De klacht die ter beoordeling aan de Geschillenkamer is voorgelegd, heeft betrekking op de
mededeling (doorgifte) (d.w.z. een verwerking in de zin van artikel 4.2 van de AVG) van
persoonsgegevens (in de zin van artikel 4.1 van de AVG) door een Belgische
overheidsinstantie (de verweerder) aan een buitenlandse overheidsinstantie (de IRS) ter
uitvoering van de FATCA-overeenkomst en de Belgische wet van 16 december 2015.
99. Wanneer dus moet worden beoordeeld of een bilaterale intergouvernementele FATCA-
overeenkomst in overeenstemming is met de regels inzake gegevensbescherming, zelfs als
deze overeenkomst qua inhoud vergelijkbaar is met andere bilaterale FATCA-
overeenkomsten die door de Verenigde Staten met andere EU-lidstaten zijn gesloten, is de
GBA als enige bevoegd op grond van artikel 55 van de AVG en artikel 4 van de WOG.
Hetzelfde geldt voor elke andere gegevensbeschermingsautoriteit in de EU die met
dezelfde kwestie wordt geconfronteerd.
100. In tegenstelling tot wat geldt wanneer het één-loketmechanisme van toepassing is, hebben
de gegevensbeschermingsautoriteiten van de EU in dit geval geen recht van inzage in het
ontwerpbesluit van de GBA (artikel 60.1-3 van de AVG). In het geval van meningsverschillen
Beslissing ten gronde 79/2025 —31 /99
over de toepassing van de AVG kan er geen relevant en gemotiveerd bezwaar in de zin van
artikel 60.4 van de AVG door een andere gegevensbeschermingsautoriteit worden
ingediend tegen het ontwerpbesluit van de GBA en kan geen bindend besluit 33 worden
genomen overeenkomstig artikel 65 van de AVG door het Europees Comité voor
gegevensbescherming (hierna "EDPB") in geval van onenigheid tussen de
gegevensbeschermingsautoriteiten over de toepassing van de AVG in het betreffende
geval. Deze vaststelling geldt zowel voor het besluit van de GBA als voor de besluiten die in
het verleden zijn genomen of in de toekomst zullen worden genomen door andere
gegevensbeschermingsautoriteiten in de EU over dezelfde problematiek.
101. Tot de bevoegdheden van de EDPB behoort ook het uitbrengen van adviezen op grond van
artikel 64.2 van de AVG34,. Het verzoek om een dergelijk advies moet echter betrekking
hebben op een kwestie van algemene toepassing en niet op een specifiek dossier/een
specifieke verwerking.
102. Het feit dat het één-loketmechanisme niet van toepassing is en dat de EDPB niet bevoegd
is om te beslissen over de vraag of de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met de
toepasselijke gegevensbeschermingsregelgeving in de EU, ontslaat de GBA er niet van om
de AVG zo coherent mogelijk toe te passen, integendeel.
103. Hiervoor zal de Geschillenkamer het grootste belang hechten aan de relevante arresten
van het HvJ-EU.
104. De Geschillenkamer zal ook zoveel mogelijk rekening houden met de relevante
richtsnoeren en adviezen die zijn aangenomen en openbaar gemaakt door zowel de Groep
artikel 29 als de EDPB, waarvan zij lid was/is en aan de goedkeuring waarvan zij als
(administratieve) gegevensbeschermingsautoriteit heeft deelgenomen. Wat de EDPB
betreft, blijkt uit de taken die hem krachtens artikel 70 van de AVG zijn toevertrouwd, dat hij
een essentiële rol te vervullen heeft met betrekking tot de coherente toepassing van de
regels die de AVG voorschrijft ten aanzien van grensoverschrijdende gegevensstromen,
met name door de vaststelling van richtsnoeren (zie ook overweging 139). 35 De richtsnoeren
33
Artikel 65, lid 1, van de AVG: Om te zorgen voor de correcte en consequente toepassing van deze verordening in individuele
gevallen, stelt het Comité een bindend besluit vast in de volgende gevallen:
a) wanneer in een geval als bedoeld in artikel 60, lid 4, een betrokken toezichthoudende autoriteit een relevant en gemotiveerd
bezwaar heeft ingediend tegen een ontwerpbesluit van de leidende toezichthoudende autoriteit of de leidende
toezichthoudende autoriteit dit bezwaar heeft afgewezen als zijnde irrelevant of ongemotiveerd. Het bindend besluit heeft
betrekking op alle aangelegenheden die onderwerp van het relevante en gemotiveerde bezwaar zijn, en met name op de vraag
of inbreuk op de onderhavige verordening wordt gemaakt;
34
Artikel 64, lid 2, van de AVG: Een toezichthoudende autoriteit, de voorzitter van het Comité of de Commissie kunnen elk
verzoeken dat aangelegenheden van algemene strekking of met rechtsgevolgen in meer dan één lidstaat worden onderzocht
door het Comité teneinde advies te verkrijgen, met name wanneer een bevoegde toezichthoudende autoriteit haar
verplichtingen tot wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 61, of tot gezamenlijke werkzaamheden overeenkomstig artikel
62, niet nakomt..
35
Zie in dit verband, naast de verwijzing naar zijn adviesfunctie ten aanzien van de Europese Commissie met betrekking tot het
beschermingsniveau in derde landen, artikel 70, onder c), i), j) en s), van de AVG en artikel 64, onder e) en f), van de AVG, die alle
specifiek betrekking hebben op de rol van de EDPB met betrekking tot dergelijke stromen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —32 /99
van de EDPB zijn weliswaar niet juridisch bindend, althans niet voor degenen tot wie zij zijn
gericht. Zij zijn echter wel bindend voor de gegevensbeschermingsautoriteiten die ze
hebben aangenomen, die er niet zonder duidelijke reden van kunnen afwijken, omdat dit
rechtsonzekerheid zou creëren voor degenen voor wie ze zijn bestemd, namelijk zowel de
betrokkenen als de verwerkingsverantwoordelijken die zich eraan houden (in
overeenstemming met het standpunt van de gegevensbeschermingsautoriteiten
waaronder deze verwerkingsverantwoordelijken vallen, onverminderd de bevoegdheid van
de rechterlijke instanties). De Geschillenkamer moet zich er dus op beroepen wanneer zij
deze relevant acht in het licht van de klacht die haar is voorgelegd. Hetzelfde geldt voor de
adviezen van de Groep artikel 29.36
105. De Geschillenkamer voegt eraan toe dat zij zich ervan bewust is dat andere
gegevensbeschermingsautoriteiten en andere administratieve rechtbanken, in
voorkomend geval beroepsinstanties voor de genoemde
gegevensbeschermingsautoriteiten, zich al in diverse zin hebben uitgesproken over
dezelfde problematiek van de doorgifte van persoonsgegevens aan de IRS ter uitvoering
van FATCA-overeenkomsten. Aangezien elke gegevensbeschermingsautoriteit exclusief
bevoegd blijft, beoordeelt zij in alle onafhankelijkheid de gegrondheid van de bij haar
ingediende klacht en is zij niet gebonden aan de standpunten van haar Europese
tegenhangers, louter op grond van het feit dat deze eerder met soortgelijke klachten zijn
geconfronteerd. Zoals reeds vermeld, moet niettemin naar coherentie worden gestreefd.
106. In dit verband, en zelfs indien zij een beroep doet op de arresten van het HvJ-EU en op de
richtsnoeren die door de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten onder auspiciën van
de Groep artikel 29 en de EDPB zijn aangenomen, wijst de Geschillenkamer erop, voor zover
nodig, dat zij niet bevoegd is om prejudiciële vragen aan het HvJ-EU voor te leggen (artikel
267 VWEU), zelfs indien zij, zoals zij in haar eerste beslissing heeft gedaan, van oordeel zou
zijn dat een door het HvJ-EU vastgestelde uitlegging van een bepaling van de AVG
noodzakelijk is voor de beslechting van het bij haar aanhangige geschil en om uiteenlopende
toepassingen van de AVG met betrekking tot soortgelijke klachten te voorkomen.
36
Artikel 30.1.a) van Richtlijn 95/46/EG belastte de Groep artikel 29 met het onderzoeken van alle kwesties die verband houden
met de uitvoering van de nationale bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld, teneinde bij te dragen tot
een homogene toepassing ervan. Overeenkomstig artikel 30.1.b) was de Groep artikel 29 belast met het uitbrengen van advies
aan de Europese Commissie over het beschermingsniveau in derde landen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —33 /99
II.2. Wat betreft de samenstelling van de Geschillenkamer
107. Zoals uiteengezet in punt 71, neemt de voorzitter van de Geschillenkamer, H. Hijmans, op
20 maart 2024 een beslissing over de samenstelling van de Geschillenkamer voor de
hervatting van de zaak, op basis van artikel 43 van het RIO37 .
108. Deze beslissing is door voorzitter H. Hijmans genomen met inachtneming van artikel 43 van
het RIO, aangezien de WOG in artikel 33.2 38 verwijst naar het RIO voor alles wat betreft de
samenstelling van de Geschillenkamer.
109. Wat die samenstelling betreft, merkt de Geschillenkamer op dat de verweerder van mening
is dat de twee leden die reeds zitting hadden bij de aanneming van beslissing 61/2023 in een
belangenconflict verkeren, dat zij de meerderheid van de vernieuwde zetel vormen en dat
een van hen (de heer Y. Poullet) bovendien voorzitter is, wat des te meer kritiek verdient. De
verweerder voegt er ook aan toe dat de benoeming van de voorzitter een voorrecht is van
de Kamer van volksvertegenwoordigers. Samenvattend is de verweerder van mening dat
deze samenstelling, die slechts één nieuw lid telt, niet voldoet aan de voorwaarde van een
'anders samengestelde Geschillenkamer' zoals geformuleerd door het Marktenhof in zijn
arrest van 20 december 2023, en eveneens in strijd is met het beginsel van onpartijdigheid.
110. In het dispositief van zijn tweede aanvullende conclusie die als syntheseconclusie geldt,
verzoekt de verweerder de Geschillenkamer "te verklaren dat de heer Yves Poullet de
bevoegdheden waarop hij zich beroept niet aantoont, dat de Geschillenkamer het arrest van
het Marktenhof van 20 december 2023 niet naleeft omdat zij niet anders is samengestel, en
dat de heer Yves Poullet zich moet terugtrekken". Hij verzoekt "de zaak opnieuw te
behandelen met een anders samengestelde Geschillenkamer".
111. De klager concludeert dat de Geschillenkamer inderdaad "anders is samengesteld"
overeenkomstig het verzoek van het Marktenhof en vertrouwt in dit verband op de
bevoegdheid van de Geschillenkamer.
112. Zoals aangegeven in de beslissing van 20 maart 2024 (punten 71 e.v.), is de samenstelling
van de Geschillenkamer voor de hervatting van dit dossier gebaseerd op een aantal
overwegingen, die hieronder worden toegelicht.
37
De Geschillenkamer heeft de beslissing van 20 maart 2024 op 3 september 2024 aan de partijen meegedeeld. De
Geschillenkamer is van oordeel dat haar niet kan worden verweten dat zij deze beslissing pas op die datum heeft meegedeeld.
Zij is namelijk niet verplicht om de samenstelling van haar zetel vooraf aan de partijen mee te delen en het stuk was opgenomen
in het procesdossier dat de partijen konden opvragen, zoals was aangegeven in de brief van de Geschillenkamer van 30 mei
2024. In ieder geval, zelfs indien zij daartoe verplicht zou zijn geweest, wat niet het geval is, heeft het feit dat deze beslissing
niet op 30 mei 2024 aan de partijen is meegedeeld, geen invloed op de geldigheid ervan.
38
Artikel 33 van de WOG: 1. (...) De voorzitter of één van de leden van de geschillenkamer zetelt alleen tenzij de voorzitter van
de geschillenkamer beslist om met drie leden te zetelen, overeenkomstig de bepalingen van het reglement van interne orde.
§ 2. Voor het overige bepaalt het reglement van interne orde nader alles wat betreft de samenstelling van de geschillenkamer
bij zittingen en de werkwijze.
Beslissing ten gronde 79/2025 —34 /99
113. Wat betreft de beslissing om met drie leden te zetelen: de conformiteit met de AVG van de
doorgifte van persoonsgegevens door een overheidsinstantie in uitvoering van een
intergouvernementele overeenkomst inzake de automatische uitwisseling van fiscale
inlichtingen, gesloten met de Verenigde Staten, is een belangrijke kwestie, aangezien het
gaat om de bescherming van persoonsgegevens die worden doorgegeven aan een derde
land buiten de Europese Unie, die bovendien verband houdt met een algemeen belang van
de staat, zoals het Marktenhof met name in zijn arrest van 28 juni 2023 heeft benadrukt.
Deze kwestie heeft, zoals bepaald in artikel 43 van het reeds genoemde RIO, de eerste zetel
met drie leden gerechtvaardigd. Aangezien de eerste beslissing met een dergelijke zetel is
genomen, leek het de voorzitter (H. Hijmans) van de Geschillenkamer niet relevant om de
zetel tot één lid te beperken. Deze samenstelling met drie leden past in de praktijk 39 van de
Geschillenkamer (gebaseerd op haar RIO, zoals zojuist vermeld), die er, op enkele
uitzonderingen na, toe strekt om zaken ten gronde te behandelen, d.w.z. zaken die van groot
belang zijn en waarover conclusies moeten worden uitgewisseld, met een zetel van drie
leden.40
114. Zelfs indien de Geschillenkamer van haar praktijk zou zijn afgeweken en voor een zetel met
één lid zou hebben gekozen, zou dit lid noodzakelijkerwijs tot de Franstalige rol van de
Geschillenkamer hebben moeten behoren, aangezien de proceduretaal in deze zaak het
Frans is (zie hieronder). Er zouden zich dan twee scenario's hebben voorgedaan: (1)
aangezien het enige Franstalige lid dat niet aanwezig was bij de aanneming van beslissing
61/2023 een belangenconflict had of dat dit als zodanig kon worden beschouwd (zie
hieronder), zou een van de twee Franstalige leden die al aanwezig waren, alleen hebben
gezeteld; of (2) aangezien voorzitter H. Hijmans het enige lid van de Geschillenkamer was dat
als tweetalig41 werd beschouwdof niet uitsluitend tot de ene of de andere taalrol behoorde,
was het enige alternatief geweest dat voorzitter H. Hijmans alleen zou zetelen. Deze opties
zouden dus niet in overeenstemming zijn geweest met de door het Marktenhof gestelde
voorwaarde van een "anders samengestelde Geschillenkamer", aangezien in beide gevallen
het lid dat alleen zou zetelen, al had gezeteld bij de aanneming van beslissing 61/2023.
115. Wat betreft de taal van deze procedure, staat vast dat dit het Frans is. De klacht werd in het
Frans ingediend (de ter ondersteuning daarvan ingediende stukken, met inbegrip van de
briefwisseling met de verweerder, waren eveneens in het Frans) en daarop volgde een
39
Deze praktijk is bekend bij het publiek, aangezien de beslissingen van de Geschillenkamer op haar website worden
gepubliceerd en de beslissingen ten gronde bovendien kunnen worden geselecteerd aan de hand van zoekcriteria op basis
van het type beslissing.
40
Beslissingen ten gronde zijn beslissingen die, in tegenstelling tot die welke worden genomen ter uitvoering van artikel 95.1
van de WOG, de partijen betrekken bij een uitwisseling van conclusies en waarbij de in artikel 100.1 van de WOG genoemde
corrigerende maatregelen en sancties kunnen worden opgelegd, d.w.z. alle corrigerende maatregelen en sancties waarin de
AVG voorziet, met inbegrip van een verbod op verwerking, een berisping of een boete, terwijl overeenkomstig artikel 95.1 van
de WOG de corrigerende maatregelen en sancties die kunnen worden opgelegd, beperkt zijn.
41
Artikel 40.1, eerste lid, van de WOG: "Het directiecomité telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden, de voorzitter
van de geschillenkamer uitgezonderd.”
Beslissing ten gronde 79/2025 —35 /99
briefwisseling van de Geschillenkamer in het Frans, een onderzoek van de ID in het Frans en
conclusies van beide partijen in het Frans. De partijen hebben zich tijdens de hoorzittingen
ook in deze taal uitgedrukt en beslissing 61/2023 is eveneens in het Frans aangenomen.
116. Wat betreft de beslissing om een kamer te handhaven die voornamelijk uit Franstalige leden
is samengesteld42 (namelijk 2 op 3), heeft de Geschillenkamer, met inachtneming van het
beginsel van rechtszekerheid, de praktijk gevolgd die zij tot dan toe heeft gehanteerd en
waartoe zij zich publiekelijk heeft verbonden in haar nota over het talenbeleid43 . Deze
praktijk bestaat erin de zaak toe te wijzen aan een kamer die bij voorkeur bestaat uit leden
die behoren tot de taalrol van de taal van de zaak in het geval van een kamer met drie leden,
waarbij de voorzitter – zoals reeds vermeld – wordt beschouwd als niet specifiek behorend
tot een van deze rollen of tot beide. De Geschillenkamer heeft deze nota van 1 januari 2021
tot 17 december 2024 op haar website gepubliceerd. 44 Op het moment dat op 20 maart
2024 een beslissing werd genomen over de vernieuwde samenstelling van de
Geschillenkamer in deze zaak, was deze nota dus al meer dan drie jaar openbaar beschikbaar.
De voorzitter van de Geschillenkamer (H. Hijmans) heeft de hieronder weergegeven inhoud
ervan toegepast, omdat hij van mening was dat er geen redenen waren om hiervan af te
wijken.45
42
Artikel 40.1, vierde lid, van de WOG: "De zes leden bij de geschillenkamer worden in een gelijk aantal benoemd per taalrol en
minstens een lid moet functionele kennis hebben van het Duits.” Deze zes leden (drie behorend tot de Franstalige taalrol, drie
tot de Nederlandstalige taalrol) omvatten niet de voorzitter.
43
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-talenbeleid-gehanteerd-door-de-geschillenkamer.pdf.
44
Deze nota is vandaag van de website van de GBA verwijderd naar aanleiding van arrest 144/2024 van het Grondwettelijk Hof
van 28 november 2024 (rolnummer 8110: In zake: de prejudiciële vragen betreffende artikel 57 van de wet van 3 december
2017 "tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit", gesteld door het Hof van Beroep te Brussel.
45
Zie in dit verband het arrest van het Marktenhof van 19 maart 2025 (2024/AR/1690): in dit arrest verwijt het Marktenhof de
Geschillenkamer dat zij haar eigen beleidsnota, die zij op haar website publiceert, niet heeft gevolgd. In die zin schrijft het hof:
"die (lees: de bestreden beslissing) derhalve niet in lijn is met de eigen beleidsnota die de GBA op haar website vermeldt. Het
hof voegt hieraan toe: "Aansluiting kan hier worden gezocht bij rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het
rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een administratieve overheid (zoals de GBA) niet zonder objectieve en redelijke
verantwoording mag afwijken van haar eigen beleidslijnen die zij bij de toepassing van de reglementering aanhoudt" (punt 22)
Beslissing ten gronde 79/2025 —36 /99
117. De toepassing van het RIO op dit punt biedt dus in het geval van een procedure in het Frans,
zoals in dit geval, de volgende mogelijkheden:
- ofwel bestaat de Geschillenkamer uit voorzitter H. Hijmans (tweetalig), een Franstalig
lid en een derde lid dat ofwel Franstalig ofwel Nederlandstalig is (optie 1);
- ofwel bestaat de Geschillenkamer, bij afwezigheid van voorzitter H. Hijmans, uit twee
Franstalige leden en een derde lid dat ofwel Franstalig, ofwel Nederlandstalig is (optie
2).
118. De toepassing van deze twee scenario's leidde in deze zaak, gezien het belangenconflict (of
de perceptie van een dergelijk conflict) bij het derde Franstalige lid van de Geschillenkamer,
dat als enige niet aanwezig was bij de aanneming van beslissing 61/2023 (punten 73 en 122),
tot de volgende opties:
- een Geschillenkamer bestaande uit voorzitter H. Hijmans, die reeds zitting heeft gehad
bij beslissing 61/2023, een Franstalig lid dat reeds zitting heeft gehad bij beslissing
61/2023 en een derde nieuw lid: ofwel een kamer bestaande uit twee leden die reeds
zitting hadden gehad, waaronder voorzitter H. Hijmans (optie 1);
- een Geschillenkamer bestaande uit twee Franstalige leden die reeds zitting hebben
gehad bij beslissing 61/2023 en een derde nieuw lid dat noodzakelijkerwijs
Nederlandstalig is, aangezien een derde Franstalig lid uitgesloten is wegens
belangenconflict: ofwel, zoals in optie 1, een kamer bestaande uit twee leden die reeds
zitting hebben gehad, maar zonder voorzitter H. Hijmans (optie 2).
119. Bij gebrek aan specifieke bepalingen hierover heeft voorzitter H. Hijmans ervoor gekozen
zich terug te trekken. Deze beslissing valt onder zijn discretionaire bevoegdheid en is niet
meer aanvechtbaar dan de beslissing om te blijven zetelen. Er is dus gekozen voor optie 2,
die, net als optie 1 dat zou hebben gedaan, heeft geleid tot een noodzakelijkerwijze
gedeeltelijke vernieuwing van de samenstelling van de Geschillenkamer.
120. Wat betreft de hoedanigheid van voorzitter van de heer Y. Poullet in de vernieuwde
samenstelling, is de Geschillenkamer van mening dat, indien men de kritiek van de
verweerder volgt dat de functie van voorzitter een voorrecht is van de Kamer van
volksvertegenwoordigers, de samenstelling van de Kamer altijd voorzitter H. Hijmans zou
moeten omvatten. Dit standpunt is niet houdbaar, aangezien de voorzitter verhinderd of
afwezig kan zijn, situaties die zowel in het RIO 46 als in de reeds genoemde nota over het
talenbeleid47 zijn voorzien.
46
Zie artikel 44 van het RIO: " In geval van afwezigheid of verhindering wordt de voorzitter van de geschillenkamer, wanneer
hij moet zetelen, vervangen door een ander lid, daartoe door hem aangewezen.”
47
Het in punt 117 hierboven aangehaalde uittreksel uit de nota over het talenbeleid van de Geschillenkamer vermeldt
uitdrukkelijk: "Indien de voorzitter niet zetelt, (...).
Beslissing ten gronde 79/2025 —37 /99
121. Wat betreft het feit dat het inderdaad een lid is dat eerder zetelde, dat nu de kamer voorzit
(de heer Y. Poullet), heeft de Geschillenkamer ook hier haar nota over het talenbeleid
gevolgd. Hieruit volgt namelijk dat het voorzitterschap van de kamer toekomt aan ofwel de
tweetalige voorzitter H. Hijmans, ofwel, bij zijn afwezigheid, aan een lid dat behoort tot de
taalkundige rol waarin de zaak wordt verwerkt 48. Aangezien de proceduretaal in deze zaak
het Frans is, komt het voorzitterschap van de vernieuwde kamer dus toe aan een Franstalig
lid – dat om de zojuist uiteengezette redenen al eerder zetelde.
122. Wat betreft het belangenconflict van het enige Franstalige lid dat niet zetelde bij de
aanneming van beslissing 61/2023, wijst de Geschillenkamer erop dat het aan de voorzitter
van de Geschillenkamer is om te beslissen of een lid van de Geschillenkamer wegens een
belangenconflict moet worden uitgesloten (artikel 58 van het reeds genoemde RIO).
123. Concluderend, aangezien de Geschillenkamer slechts twee Franstalige leden telt die
mogelijk zitting kunnen nemen – namelijk de leden die reeds hadden gezeteld bij de
aanneming van beslissing 61/2023 –, had voorzitter H. Hijmans, met inachtneming van de
bepalingen van de WOG, het RIO en de nota over het talenbeleid van de Geschillenkamer,
geen andere keuze dan hen aan te wijzen, aangezien zij onmisbaar waren voor een 'anders
samengestelde' Geschillenkamer met drie leden, waarvan twee Franstalige leden,
aangezien de proceduretaal het Frans is. Een derde lid dat noodzakelijkerwijs
Nederlandstalig moest zijn, is eraan toegevoegd.
124. Zoals aangegeven in de beslissing van 20 maart 2024, volgt hieruit dat de wijziging van de
samenstelling van de Geschillenkamer die deze beslissing neemt, noodzakelijkerwijs
gedeeltelijk is49 en dat de Geschillenkamer niet kan worden verweten dat zij geen gevolg
heeft gegeven aan het verzoek van het Marktenhof tot een 'anders samengestelde
Geschillenkamer'.
125. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat, in ieder geval en onverminderd het
bovenstaande, wanneer zij met drie leden zetelen, de leden – tegen wie in deze zaak geen
concrete klacht wegens gebrek aan onpartijdigheid is ingebracht – een collegiale beslissing
nemen. Deze collegialiteit beantwoordt aan de eis van het Marktenhof om de beslissing op
een sterke motivering te baseren, en nergens is bepaald dat de stem van de voorzitter van
de zetel doorslaggevend is.
126. Derhalve is er op grond van het bovenstaande geen reden om het verzoek van de
verweerder om de zaak opnieuw te laten behandelen door een anders samengestelde
48
Het uittreksel uit de nota over het talenbeleid van de Geschillenkamer, aangehaald in punt 116 hierboven, vermeldt
uitdrukkelijk: "Indien de voorzitter niet zetelt, wordt hij– als alleen zetelend lid – vervangen door een lid behorende tot de taalrol
waarin de procedure behandeld wordt.”
49
In een arrest van 22 februari 2023 (2022/AR/,889) heeft het Marktenhof er reeds rekening mee gehouden dat de volledige
vernieuwing van de samenstelling van de Geschillenkamer niet kon worden doorgevoerd gezien het beperkte aantal leden dat
tot de ene of de andere taalrol behoort.
Beslissing ten gronde 79/2025 —38 /99
Geschillenkamer, en het verzoek om de heer Yves Poullet te laten terugtreden, in te
willigen.
II.3. Wat betreft de afwezigheid van financiële instellingen in de procedure
127. De verweerder bekritiseert "de afwezigheid van tussenkomende partijen in de zaak" (titel
6.2 van zijn tweede aanvullende conclusie die als syntheseconclusie geldt), waarmee hij
verwijst naar de financiële instellingen. Zoals reeds vermeld (punt 86), verzoekt de
verweerder de Geschillenkamer zelfs om de behandeling van de klacht op te schorten in
afwachting van de aanwezigheid van deze laatsten.
128. Gezien hun rol in de verwerkingsketen die leidt tot de doorgifte van gegevens aan de IRS, is
de verweerder van mening dat "het aan de klagers was om hun klachten tegen de financiële
instellingen te richten" (punt 12 van de tweede aanvullende conclusie die als
syntheseconclusie geldt), terwijl hij erkent dat de procedure voor de GBA niet voorziet in
gedwongen interventie, "zodat alleen de klagende partijen hun klacht kunnen richten tegen
de partijen die zij willekeurig kiezen". De verweerder voegt hieraan toe dat hij hierdoor niet
op dezelfde wijze zijn rechten van verdediging kan uitoefenen als de klagers, die hun doelwit
kunnen kiezen, waardoor hij niet de mogelijkheid heeft om andere partijen in de zaak te
betrekken. Volgens de verweerder is er dus sprake van een inbreuk op de artikelen 10 en 11
van de Grondwet.
129. De klagers concluderen dat de financiële instellingen geen partij zijn in de zaak, niet "wegens
een belangenconflict met de raadsman van de klagers", zoals de verweerder beweert
(punten 136-137), maar omdat niet de financiële instellingen verwerkingsverantwoordelijke
zijn voor de aangeklaagde verwerking, namelijk het doorgeven van de gegevens aan de IRS.
130. Zoals uiteengezet in de punten 87 e.v. heeft de Geschillenkamer in haar uitnodigingsbrief
voor de hoorzitting van 28 november 2024, gezien de stand van het dossier op die datum,
geen gevolg gegeven aan het verzoek tot opschorting van de verweerder. Na de vaststelling
dat de financiële instellingen geen partij waren in de zaak en zich er evenmin in hadden
gemengd, heeft de Geschillenkamer de partijen opgeroepen, hen gehoord en de zaak in
beraad genomen.
131. De Geschillenkamer kan namelijk niet eisen dat partijen zich in de procedure mengen. In
de huidige stand van de wetgeving voorziet haar procedure (die, behalve uitzonderingen die
hier niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot de berekening van bepaalde
termijnen, niet onder het Gerechtelijk Wetboek valt) niet in een mechanisme voor
gedwongen tussenkomst dat vergelijkbaar is met dat van de gerechtelijke instanties. De
Geschillenkamer stelt ook vast dat de ID, aan wie zij om een onderzoek heeft verzocht, de
reikwijdte van zijn onderzoek niet heeft uitgebreid door de financiële instellingen in de
Beslissing ten gronde 79/2025 —39 /99
zaak te betrekken, zoals deze op grond van zijn eigen beoordelingsbevoegdheid gerechtigd
is te doen op grond van artikel 72 van de WOG. Het feit dat de financiële instellingen niet zijn
betrokken bij de zaak, is dus een autonome keuze van de ID, die niet aan de Geschillenkamer
kan worden toegerekend50. De Geschillenkamer is overigens niet bevoegd om kennis te
nemen van de door de verweerder aangevoerde grieven wegens schending van de artikelen
10 en 11 van de Grondwet en dus om de grondwettigheid van haar procedure te toetsen,
zoals ingesteld door de wetgever met betrekking tot deze bepalingen. Deze toetsing valt
buiten haar materiële bevoegdheid, die wordt begrensd door de WOG en de AVG.
132. De Geschillenkamer is van mening dat het feit dat alleen de verweerder in het geding is
betrokken, met uitsluiting van de financiële instellingen, in geen geval de relevantie uitsluit
van de behandeling van de klacht en het nemen van een beslissing ten aanzien van deze
laatste aan het einde van de onderhavige procedure, die is gevoerd in overeenstemming
met de beginselen van onpartijdigheid, onafhankelijkheid en tegenspraak en die niet is
aangetast door de afwezigheid van de banken in de zaak.
133. In het volgende deel over de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke van de
verweerder (titel II.4) toont de Geschillenkamer aan dat de verweerder in zijn hoedanigheid
van verwerkingsverantwoordelijke bepaalde verplichtingen heeft met betrekking tot de
verwerking die hij uitvoert, namelijk de doorgifte van persoonsgegevens aan de IRS (een
hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke die de verweerder overigens uitdrukkelijk
erkent). Het feit dat ook de banken een aantal verplichtingen hebben die voortvloeien uit hun
hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot het verzamelen van
gegevens en het doorgeven daarvan aan de verweerder, ontslaat de verweerder niet ipso
facto van zijn eigen verantwoordelijkheden en doet daar ook niets aan af. Indien dit het
geval zou zijn, houdt de Geschillenkamer hiermee rekening in haar beslissing 51.
134. Meer in het algemeen is het niet aan de GBA om alle gelieerde actoren in een kwestie in
het geding te betrekken. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het Marktenhof, dat
beroep tegen haar beslissingen behandelt, de procedurele keuze van de klager of de
autoriteit om niet alle gelieerde partijen in te schakelen en niet voor alle partijen een
onderzoek door de ID te vragen, niet sanctioneert. Het Marktenhof is daarentegen van
oordeel dat vervolging en sancties moeten worden gericht tegen een partij die als
verwerkingsverantwoordelijke wordt erkend, wat in deze zaak het geval is voor de
verweerder.
50
Voor zover nodig voegt de Geschillenkamer hieraan toe dat zij niet kan eisen dat het ID ambtshalve een nieuw onderzoek
instelt waarbij de financiële instellingen worden betrokken.
51
Zie in dit verband de motivering van de Geschillenkamer met betrekking tot de informatieplicht in titel II.6.3. De
Geschillenkamer houdt, overeenkomstig de AVG (artikel 14), rekening met de mate waarin de betrokkene de informatie reeds
heeft ontvangen, in dit geval van de financiële instellingen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —40 /99
135. In een arrest van 13 december 2024 heeft de administratieve rechtbank van het
Groothertogdom Luxemburg, die zich moest buigen over een beroep tegen een beslissing
van de administratie van de directe belastingen (ACD - Administration des Contributions
Directe) die eveneens betrekking had op de verzending van persoonsgegevens aan de IRS
in toepassing van de FATCA-overeenkomst en de relevante Luxemburgse wetgeving, in
dezelfde zin het volgende aangegeven52 :
"In deze zaak betwisten de appellanten in wezen de rechtmatigheid van de
doorgifte van gegevens aan de Verenigde Staten van Amerika (cf. "deze doorgifte
van gegevens is in strijd met verschillende belangrijke beginselen van het recht op
bescherming van persoonsgegevens" in het verzoek van de appellanten aan de
ACD), maar niet de verstrekking van diezelfde gegevens door de Luxemburgse
financiële instellingen aan de ACD. Gezien artikel 3, paragraaf (3), van de
bovengenoemde wet van 24 juli 2015 is het echter de ACD, als auteur van de
doorgifte van de verzamelde gegevens naar de Verenigde Staten, die als
verwerkingsverantwoordelijke moet worden beschouwd.
Het verwijt van de staat dat de Luxemburgse financiële instellingen die betrokken
zijn bij het verzamelen van de gegevens die worden doorgegeven, niet in het geding
zijn betrokken, moet derhalve als ongegrond worden afgewezen, aangezien de
verwerking van persoonsgegevens door deze instellingen niet het voorwerp
uitmaakt van de kritiek van de appellanten. Hieraan moet worden toegevoegd dat
de staat zich niet heeft uitgesproken over de juridische gevolgen die hij aan deze
kritiek wilde verbinden en dat er in dit geval hoe dan ook geen verplichting bestaat
voor de burgers om alle mogelijke verantwoordelijken voor de door hen
aangevoerde schending te vervolgen.” (vrije vertaling)
136. Omdat de verweerder dit in zijn conclusie naar voren heeft gebracht, voegt de
Geschillenkamer nog het volgende toe. De verweerder wijst erop dat tijdens de hoorzitting
voor de Geschillenkamer van 10 januari 2023 (die voorafging aan de aanneming van
beslissing 61/2023) de raadsman van de klagers heeft aangegeven dat de klagers geen
klacht hadden ingediend tegen de financiële instellingen vanwege een belangenconflict,
omdat zijn kantoor of hijzelf raadsman was van verschillende van deze financiële
instellingen. Bijgevolg concludeert de verweerder dat het, met inachtneming van het
52
Deze beslissing volgt op een beroep tegen een vonnis van de administratieve rechtbank van het Groothertogdom
Luxemburg van 29 september 2023, waarin deze rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het subsidiaire
beroep tot herziening tegen een beslissing van de directeur van de administratie van de directe belastingen (ACD) van 22 maart
2021, waarbij een verzoek tot stopzetting van de automatische uitwisseling van informatie tussen de belastingdienst van het
Groothertogdom Luxemburg en die van de Verenigde Staten op grond van de met het Groothertogdom ondertekende
"FATCA"-overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 24 juli 2015, werd afgewezen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —41 /99
beginsel van onafhankelijkheid en loyaliteit, gerechtvaardigd is om de tussenkomst van de
raadslieden van de klagers in deze zaak te beëindigen.
137. De Geschillenkamer merkt op dat dit verzoek rechtstreeks is gericht aan de raadslieden van
de klagers, die ondanks dit verzoek hun tussenkomst in deze zaak hebben voortgezet. Voor
zover nodig wijst de Geschillenkamer erop dat zij niet bevoegd is om te oordelen over het al
dan niet bestaan van een belangenconflict bij de advocaten van de klagers, ongeacht het
meningsverschil tussen de partijen over de uitspraken tijdens de hoorzitting van 10 januari
2023 in verband hiermee53 . De vraag of de advocaten van de klagers zich in deze zaak
moeten terugtrekken, valt niet onder haar bevoegdheid, evenmin als het geven van een
bevel aan de raadslieden van de klagers om zich terug te trekken. Het lijkt de
Geschillenkamer in ieder geval niet dat het bestaan van een belangenconflict bij de
raadslieden van de klagers deze beslissing onwettig zou maken, aangezien de afwezigheid
van de financiële instellingen deze beslissing niet onwettig maakt, zoals hierboven
uiteengezet.
138. Concluderend is de Geschillenkamer van oordeel dat zij de behandeling van de klacht
terecht niet opschort, gezien de afwezigheid van de financiële instellingen in de zaak, en
dat zij de onderhavige beslissing alleen ten aanzien van de verweerder neemt.
II.4. Wat betreft de hoedanigheid van de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke
139. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder gedurende de hele procedure aangeeft
dat hij de verwerkingsverantwoordelijke is wat betreft de doorgifte van
persoonsgegevens aan de IRS, op grond van artikel 13.2 van de wet van 16 december 2015,
waarin hij uitdrukkelijk als zodanig wordt aangemerkt (zie met name punt 17 van zijn tweede
aanvullende en syntheseconclusie).
140. Aangezien het hier gaat om een kwalificatie die bepalend is ten aanzien van de AVG en de
daaruit voortvloeiende verplichtingen, zal de Geschillenkamer hieronder nagaan of de
verweerder de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke heeft, ook al heeft deze
laatste dit erkend met betrekking tot de doorgifte aan de IRS.54.
141. De Geschillenkamer stelt vast dat artikel 13.2 van de wet van 16 december 2015 bepaalt dat:
"§ 2. Voor de toepassing van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees
Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van
53
De Geschillenkamer beperkt zich ertoe op te merken dat in het proces-verbaal van de hoorzitting van 10 januari 2023 het
volgende wordt vermeld: "In reactie op de opmerking van mr. van Gyseghem over de reden waarom de banken niet betrokken
zijn geweest bij de ingediende klachten, legt mr. Wellens uit dat dit niet het geval was vanwege een belangenconflict, aangezien
zijn kantoor ook adviseur is van banken" (pagina 5 van het proces-verbaal) (vrije vertaling). De Geschillenkamer herinnert er
ook aan, zoals vermeld in punt 59, dat de raadsman van de klagers geen voorbehoud of opmerkingen heeft gemaakt over dit
proces-verbaal.
54
Hof van Beroep Brussel, sectie Marktenhof, Kamer 19A, Kamer voor marktzaken, arrest van 23 februari 2022 - 2021/AR/65.
Beslissing ten gronde 79/2025 —42 /99
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG, en de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke
personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, worden elke
rapporterende financiële instelling en de FOD Financiën beschouwd als
'verantwoordelijke voor de verwerking' van 'persoonsgegevens' wat de door deze
wet beoogde inlichtingen aangaande natuurlijke personen betreft. 55
142. De verweerder wordt dus uitdrukkelijk aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke in de
zin van de wet van 16 december 2015. Sinds de wijziging door de wet van 20 november 2022
wordt daarin uitdrukkelijk verwezen naar de AVG.
143. Artikel 4.7 van de AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke "een natuurlijke
persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan [is]
die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van
persoonsgegevens vaststelt". Artikel 4.7 voegt hieraan toe dat "wanneer de doelstellingen
van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden
vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens
welke criteria deze wordt aangewezen”56. Dit is het geval voor de verweerder
overeenkomstig artikel 13.2 van de bovengenoemde wet van 16 december 2015.
144. Zoals de EDPB in zijn richtsnoeren over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en
“verwerker' in de AVG57 benadrukt, is de Geschillenkamer van oordeel dat wanneer de
verwerkingsverantwoordelijke specifiek bij wet is aangewezen, deze aanwijzing bepalend is
voor het vaststellen wie als verwerkingsverantwoordelijke optreedt. Dit veronderstelt
immers dat de wetgever de entiteit die daadwerkelijk in staat is om controle uit te oefenen,
als verwerkingsverantwoordelijke heeft aangewezen. De Geschillenkamer kan daarentegen
niet instemmen met het argument van de klagers dat de Belgische staat, aangezien hij de
FATCA-overeenkomst heeft onderhandeld, verantwoordelijk is voor de verwerkingen die
daaruit voortvloeien. Net als in het geval van de Belgische wet van 16 december 2015 vloeit
de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke van de verweerder voort uit het feit dat
de FATCA-overeenkomst hem (in zijn hoedanigheid van "Competent Authority") de
verwerking toevertrouwt die bestaat in de doorgifte van gegevens aan de IRS.
145. In zijn verdediging wijst de verweerder erop geen toegang te hebben tot de inhoud van het
"pakket" gegevens dat hij van de financiële instellingen (in dit geval van de bank Z van de
klager) ontvangt met het oog op de doorgifte van deze gegevens aan de IRS, als
55
Onderstreept door de Geschillenkamer.
56
Onderstreept door de Geschillenkamer.
57
Europees Comité voor gegevensbescherming (ECGB), Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen
“verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG, https://www.edpb.europa.eu/system/files en?file=2023-
10/edpb guidelines 202007 controllerprocessor final nl.pdf (punt 23).
Beslissing ten gronde 79/2025 —43 /99
organisatorische maatregel om de veiligheid en integriteit van de gegevens te
waarborgen58, waardoor zijn rol beperkt blijft tot een logistieke rol van "voorbereiding" van
de verzending. Zoals reeds vermeld, erkent de verweerder niettemin zijn hoedanigheid van
verwerkingsverantwoordelijke (punt 139). Hij kan zich niet onttrekken aan zijn
verplichtingen als verwerkingsverantwoordelijke om reden van het feit dat hij geen
toegang heeft tot de genoemde gegevens.
146. Voor zover nodig herinnert de Geschillenkamer eraan dat het feit dat de verweerder geen
toegang heeft tot de verstrekte gegevens geen invloed heeft op zijn hoedanigheid van
verwerkingsverantwoordelijke, zoals het HvJ-EU heeft verduidelijkt in zijn arrest Google
Spain en Google van 13 mei 2014 en in zijn IAB-arrest van 7 maart 2024.59
147. Concluderend, en op grond van de gecombineerde lezing van artikel 4.7 van de AVG en
artikel 13.2 van de wet van 16 december 2015, bevestigt de Geschillenkamer dat de
verweerder verwerkingsverantwoordelijke is met betrekking tot de door de klagers
betwiste gegevensverwerking, namelijk de mededeling (doorgifte) van
persoonsgegevens aan de IRS.
148. Wat de financiële instellingen betreft (zoals in dit geval de bank Z van de klager), deze zijn,
zoals reeds vermeld, geen partij in de procedure (titel II.3). Zij spelen niettemin een
belangrijke rol in de keten van gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader van de
uitvoering van de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december 2015. Zoals de
verweerder benadrukt (zie punt 17 van zijn tweede aanvullende conclusie die als
syntheseconclusie geldt), zijn zij het die in eerste instantie de status controleren van de
rekeninghouders die onder de verplichting tot gegevensverstrekking aan de verweerder
vallen. Zij zijn het die de vereiste gegevens verzamelen overeenkomstig artikel 2.2 van de
FATCA-overeenkomst en artikel 5 van de wet van 16 december 2015 en deze vervolgens
58
Dit blijkt met name uit de tweede aanvullende conclusie die is ingediend in het kader van de hervatting van de zaak die tot
de onderhavige beslissing heeft geleid (bijvoorbeeld punt 61), en uit het proces-verbaal van de hoorzitting van 11 december
2024.
59
Arrest van het HvJ-EU van 13 mei 2014, C-131/12, Google Spain en Google, ECLI:EU:C:2014:317, punten 22 – 41, en in het
bijzonder de punten 22 en 34:
"22. Volgens Google Spain en Google Inc. kan de activiteit van zoekmachines niet worden geacht een verwerking te vormen
van de gegevens die zijn gepubliceerd op de webpagina’s van derden die in de zoekresultatenlijst worden weergegeven, daar
deze zoekmachines de via het internet toegankelijke informatie in hun geheel behandelen zonder daarbij een onderscheid te
maken tussen persoonsgegevens en andere informatie. Bovendien kan de exploitant van een zoekmachine, gesteld al dat
deze activiteit als „verwerking van gegevens” moet worden gekwalificeerd, niet worden geacht de „verantwoordelijke” voor
deze verwerking te zijn daar hij deze gegevens niet kent en niet controleert.”
„34. Overigens moet worden vastgesteld dat het niet enkel in strijd zou zijn met de duidelijke bewoordingen, maar tevens met
de doelstelling van deze bepaling, die erin bestaat een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te
verzekeren via een ruime omschrijving van het begrip „verantwoordelijke”, indien de exploitant van een zoekmachine van die
omschrijving zou worden uitgesloten omdat hij geen controle uitoefent over de op webpagina’s van derden gepubliceerde."
Zie ook arrest C-25/17 van het HvJ-EU, Jehovan Todistajat, EU:C:2018:551, punt 69, en arrest C-210/16 van het HvJ-EU,
Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein, C‑210/16, EU:C:2018:388, punt 38, alsmede de reeds genoemde richtsnoeren
7/2020 van de EDPB over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG, punt 45.
Zie ook het arrest van het HvJ-EU van 7 maart 2024, C-604/22, IAC t. Gegevensbeschermingsautoriteit, ECLI:EU:C:2024:214,
punt 69.
Beslissing ten gronde 79/2025 —44 /99
doorgeven aan de verweerder, die op zijn beurt de gegevens doorgeeft aan de IRS. In dit
verband worden de financiële instellingen door de Belgische wetgever ook aangemerkt als
verwerkingsverantwoordelijken in het kader van de wet van 16 december 2015. Zoals
uiteengezet in punt 133 houdt de Geschillenkamer, met inachtneming van de AVG, rekening
met de eventuele verdeling van de wettelijke verplichtingen tussen de financiële instellingen
enerzijds en de verweerder anderzijds, en met de gevolgen daarvan. Met andere woorden,
indien er voor de verweerder gevolgen zouden zijn in de zin van verplichtingen die
voortvloeien uit de specifieke verplichtingen van financiële instellingen, houdt de
Geschillenkamer hiermee rekening in de onderhavige beslissing.
II.5. Wat betreft artikel 96 van de AVG
149. Artikel 96 van de AVG staat onbetwistbaar centraal in de discussie over de rechtmatigheid
van de door de klagers aan de kaak gestelde doorgifte van persoonsgegevens aan de IRS.
150. De ID stelt dan ook de toepasselijkheid van artikel 96 van de AVG aan de orde en besluit zijn
onderzoek niet voort te zetten bij gebrek aan een duidelijke inbreuk op de AVG, waarbij hij,
zoals reeds uiteengezet in de punten 31 e.v., vaststelt dat de CBPL en het SCFO de wet van
16 december 2015 gunstig hebben beoordeeld en de gegevensdoorgifte hebben
toegestaan.
151. De verweerder voert op basis van artikel 96 van de AVG en in overeenstemming met de
hierboven genoemde vaststellingen van de ID aan dat de FATCA-overeenkomst, die
onlosmakelijk verbonden is met de wet van 16 december 2015, in overeenstemming is
met het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-recht. De verweerder is dan ook van mening dat
hij, overeenkomstig artikel 96 van de AVG, gerechtigd is om op basis van deze teksten (punt
86) de gegevens van de eerste klager en die van de toeval-Amerikanen die door de tweede
klager wordt vertegenwoordigd, aan de IRS door te geven.
152. Gelet op de vaststellingen van de ID, de argumenten van de verweerder ter ondersteuning
van dit artikel en de betwisting daarvan door de klagers, acht de Geschillenkamer het
noodzakelijk om het doel, de reikwijdte en de toepassingsvoorwaarden van artikel 96 van de
AVG te onderzoeken. Zij doet dit in de volgende paragrafen.
153. Artikel 96 van de AVG luidt als volgt:
"Internationale overeenkomsten betreffende de doorgifte van persoonsgegevens
aan derde landen of internationale organisaties die door de lidstaten zijn gesloten
vóór 24 mei 2016, en die in overeenstemming zijn met het vóór die datum
Beslissing ten gronde 79/2025 —45 /99
toepasselijke Unierecht, blijven van kracht totdat zij worden gewijzigd, vervangen
of ingetrokken."60
154. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de Europese medewetgevers, door te kiezen voor
een verordening (de AVG) ter vervanging van een richtlijn (Richtlijn 95/46/EG), hebben
gekozen voor een verdere harmonisatie van de regels inzake de bescherming van
persoonsgegevens in de EU. In tegenstelling tot de richtlijn is de verordening namelijk
rechtstreeks van toepassing in de interne rechtsorde van elke lidstaat. De AVG heeft ook tot
doel het recht op gegevensbescherming, dat inmiddels door het Handvest van de
grondrechten van de EU van 7 december 2000 (artikel 8) tot grondrecht is verheven,
effectiever te maken.
155. Door te bepalen dat de AVG op 25 mei 2018 van toepassing wordt, twee jaar na de
inwerkingtreding ervan op 24 mei 2016 (artikel 99 van de AVG), en Richtlijn 95/46/EG op
dezelfde datum (artikel 94 van de AVG) in te trekken, hebben de Europese medewetgevers
niet alleen een overgangstermijn van twee jaar toegekend voor het in overeenstemming
brengen met de nieuwe verplichtingen van de AVG, maar ook duidelijk aangegeven dat
vanaf 25 mei 2018 alle lopende verwerkingen van gegevens aan alle bepalingen van de AVG
moeten voldoen. Overweging 171 van de AVG illustreert deze doelstelling en bepaalt in dit
verband: "Verwerkingen die al gaande zijn op de datum van toepassing van deze
verordening, dienen overeenkomstig deze verordening te worden gebracht binnen twee jaar
na de inwerkingtreding ervan."61
156. Dit in overeenstemming brengen is essentieel voor het bereiken van de doelstelling van
sterke harmonisatie die met de AVG wordt nagestreefd en voor het versterken van de
bescherming van het grondrecht dat daarmee wordt geïmplementeerd. Als verwerkingen
die vóór de toepassing van de AVG gaande waren, niet in overeenstemming zouden worden
gebracht met de AVG, zouden er twee beschermingsregelingen naast elkaar bestaan. Dit
zou in wezen in strijd zijn met de aard zelf van de verordening en a fortiori met die van een
grondrecht.
157. De regeling van artikel 96 van de AVG vormt in dit opzicht een uitzondering, aangezien zij
toestaat dat internationale overeenkomsten die vóór 24 mei 2016 zijn gesloten (op
voorwaarde dat zij in overeenstemming zijn met het op die datum toepasselijke EU-recht)
van kracht blijven totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken, zelfs indien zij niet
in overeenstemming zijn met de AVG.
60
Overweging 102 van de AVG: "Deze verordening doet geen afbreuk aan internationale overeenkomsten die de Unie en derde
landen met elkaar hebben gesloten om de doorgifte van persoonsgegevens te regelen en waarin passende waarborgen voor
de betrokkenen zijn opgenomen.”
61
De Geschillenkamer verduidelijkt voor zover nodig dat zij hier niet zegt dat artikel 96 van de AVG slechts voor een periode
van twee jaar geldt.
Beslissing ten gronde 79/2025 —46 /99
158. De Geschillenkamer is van mening dat de regeling van artikel 96 van de AVG moet worden
begrepen in het licht van de ratio legis van de AVG in haar geheel, en met name van de
hierboven genoemde overgangsbepalingen (artikelen 94 en 99), zowel wat betreft het
materiële toepassingsgebied (rationae materiae) als wat betreft de toepassing in de tijd en
uiteindelijk ook wat betreft de beoordeling van de vervulling van de essentiële voorwaarde
die daarin wordt gesteld, namelijk "de overeenstemming met het recht van de Unie op 24
mei 2016".
159. Wat het materiële toepassingsgebied betreft, heeft artikel 96 van de AVG alleen betrekking
op de inhoud van de door de lidstaat gesloten internationale overeenkomst, waarvan de
bewoordingen ondubbelzinnig verwijzen naar "internationale overeenkomsten betreffende
de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen".
160. Onverminderd de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken in termen van
conformiteit, is de FATCA-overeenkomst, die bijvoorbeeld geen specifieke bepaling bevat
met betrekking tot de informatieplicht, noodzakelijkerwijs uitgesloten van het
toepassingsgebied van artikel 96 van de AVG. De verweerder is dus gehouden aan de
artikelen 12 en 14 van de AVG (aangezien het om indirecte verzameling gaat – zie hieronder
titel II.6.3). Wat betreft de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 35 van de AVG (GEB) en
de artikelen 5.2 en 24 (“accountability”), gaat het om nieuwe verplichtingen die volledig van
toepassing zullen zijn. Zij zijn namelijk niet opgenomen in de FATCA-overeenkomst van 2014
en vloeien voort uit de verplichtingen die sinds 24 mei 2018 op de verweerder rusten in zijn
hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke.
161. Met andere woorden, de toepassing van artikel 96 van de AVG is beperkt tot de inhoud van
de overeenkomst alleen. De letter van artikel 96 is op dit punt duidelijk en deze interpretatie
is bovendien in overeenstemming met de ratio legis van artikel 96, dat, zoals de
Geschillenkamer hieronder zal uiteenzetten, tot doel heeft de door derde landen op grond
van de genoemde overeenkomsten verworven rechten te behouden, en niet om de
verweerder te ontslaan van zijn autonome verplichtingen uit hoofde van de AVG.
162. De Geschillenkamer stelt hier meteen dat het beginsel van “accountability” (dat inhoudt dat
de verwerkingsverantwoordelijke technische en organisatorische maatregelen moet
treffen om aan de vereisten van de AVG te voldoen en daarover verslag moet uitbrengen)
voor de verweerder de verplichting inhoudt om aan te tonen dat hij voldeed aan de
voorwaarden om een beroep te doen op de toepassing van artikel 96 van de AVG,
aangezien het beginsel van “accountability” betrekking heeft op de gehele tekst van de AVG.
163. De Geschillenkamer zal dus nagaan of de verweerder terecht concludeert dat de FATCA-
overeenkomst in overeenstemming is met het op 24 mei 2016 geldende EU-recht en dit
aantoont. De Geschillenkamer is van oordeel dat zij in de eerste plaats moet nagaan of de
FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-
Beslissing ten gronde 79/2025 —47 /99
recht. Alleen als zij tot de conclusie komt dat dit niet het geval is, zal zij de overeenstemming
van de door de verweerder verrichte doorgiften met de AVG onderzoeken, en daarmee het
recht van de verweerder om deze doorgiften in uitvoering van de overeenkomst voort te
zetten. De Geschillenkamer is van oordeel dat deze interpretatie de enige is die recht doet
aan de wens van de Europese medewetgevers om de lidstaten meer tijd te geven om zich
aan hun internationale verplichtingen te conformeren, zoals blijkt uit de voorbereidende
werkzaamheden voor de AVG (zie hieronder).
164. De Geschillenkamer onderschrijft dus niet de analyse van de Franse Raad van State, die, na
een beroep tegen een beslissing van de CNIL naar aanleiding van een klacht die eveneens
betrekking had op de FATCA-overeenkomst, in een arrest van 19 juli 2019 een andere
interpretatie van artikel 96 van de AVG heeft gegeven:62:
"Uit deze bepalingen blijkt duidelijk dat de opstellers van de verordening de
voorwaarden voor de relatie tussen het recht van de Europese Unie en de vóór de
ondertekening ervan gesloten overeenkomsten die de doorgifte van
persoonsgegevens naar derde landen inhouden, volledig hebben bepaald. Voor de
toepassing van dit artikel (namelijk artikel 96 van de AVG) moet in eerste instantie
worden onderzocht of de overeenkomst van 14 november 2013 voldoet aan de
bepalingen van de verordening van 27 april 2016, die rechtstreeks van toepassing
zijn, en alleen indien dat niet het geval is, moet in de tweede plaats worden
nagegaan of deze overeenkomst voldoet aan het recht van de Europese Unie zoals
dat van toepassing was vóór de ondertekening van de verordening.” (vrije vertaling)
165. De Geschillenkamer onderschrijft evenmin de interpretatie die de verweerder zelf geeft in
zijn besluit van 4 oktober 2021. Nadat hij de klager op 30 maart 2021 had meegedeeld dat
het aan hem was om aan te tonen dat de FATCA-overeenkomst in strijd was met Richtlijn
95/46/EG " (punt 16), neemt de verweerder in zijn besluit van 4 oktober 2021 de
bewoordingen over van het bovengenoemde arrest van de Franse Raad van State van 19 juli
2019, volgens welke eerst moet worden nagegaan of de FATCA-overeenkomst in
overeenstemming is met de AVG (punt 18). De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder
zijn interpretatie echter opnieuw heeft gewijzigd in de conclusie die in deze procedure is
ingediend en nu de interpretatie deelt die Geschillenkamer in punt 163 hierboven uiteenzet.
166. Deze uiteenlopende interpretaties tonen aan dat artikel 96 van de AVG, hoewel het duidelijk
geformuleerd lijkt en een heel specifieke regeling vaststelt, niet uniform wordt
geïnterpreteerd of toegepast. Dit is niet onbelangrijk, aangezien volgens de ene of de andere
interpretatie de referentietekst ofwel Richtlijn 95/46/EG (die zeven jaar geleden is
ingetrokken) ofwel de AVG (een verordening die een versterkte bescherming biedt) is,
62
Zie voetnoot 24.
Beslissing ten gronde 79/2025 —48 /99
waarbij Richtlijn 95/46/EG de leemtes zou opvullen indien deze niet volledig zou worden
nageleefd.
167. Voor zover zij voldoen aan het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-recht, blijven internationale
overeenkomsten die betrekking hebben op de doorgifte van persoonsgegevens naar derde
landen van kracht "totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken", zelfs als zij, zoals
reeds is benadrukt, niet in overeenstemming zijn met de AVG.
168. De Geschillenkamer is echter van mening dat het om de hieronder uiteengezette redenen in
strijd zou zijn met het Unierecht om te stellen dat de regeling van artikel 96 voor onbepaalde
tijd van toepassing is.
169. Artikel 96 van de AVG heeft tot doel de rechten van derde landen te beschermen: het staat
vast dat het onderhandelen over een internationale overeenkomst tijd kost en dat de
rechten die een derde land dat partij is bij een internationale overeenkomst heeft verworven,
niet zonder meer onmiddellijk kunnen worden ingetrokken door de inwerkingtreding van
nieuwe wetgeving, wanneer die overeenkomst op het moment van sluiting in
overeenstemming was met het EU-recht. In de voorbereidende werkzaamheden van de
Raad, waarnaar de verweerder overigens verwijst, wordt uiteengezet dat artikel 96
“rechtszekerheid biedt aan verwerkingsverantwoordelijken en onnodige administratieve
lasten voor de lidstaten voorkomt. Het houdt ook rekening met het feit dat de lidstaten
afhankelijk zijn van de medewerking van het betrokken derde land of de betrokken
internationale organisatie om bestaande overeenkomsten te wijzigen”. (vrije vertaling)
170. Onverminderd het bovenstaande zijn de lidstaten van de EU verplicht zich in
overeenstemming te brengen met het EU-recht. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 4.3
van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), waarin met name het beginsel van
loyale samenwerking tussen de lidstaten is vastgelegd63. Artikel 4.3 VEU is bindend voor de
lidstaten, met inbegrip van hun onafhankelijke gegevensbeschermingsautoriteiten die
belast zijn met taken op grond van het toepasselijke Europese recht (artikel 8.3 van het
Handvest van de grondrechten van de Unie en artikel 51 e.v. van de AVG). 64
171. Artikel 96 van de AVG sluit in dit opzicht aan bij artikel 351 van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie (VWEU) 65, waarover het HvJ-EU reeds heeft geoordeeld dat:
63
Artikel 4.3 VEU: Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en steunen zij
elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten treffen alle algemene en bijzondere
maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie
voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. De lidstaten vergemakkelijken de vervulling van de taak van de Unie en
onthouden zich van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.
64
Zie in dit verband het arrest van het HvJ-EU van 15 juni 2021, Facebook Ireland e.a. t. Gegevensbeschermingsautoriteit, C-
645/19, ECLI:EU:C:2021:483, punt 60.
65
Artikel 351 VWEU: De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de
toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding gesloten tussen één of meer lidstaten enerzijds en één of meer derde
staten anderzijds, worden door de bepalingen van de Verdragen niet aangetast Voor zover deze overeenkomsten niet
Beslissing ten gronde 79/2025 —49 /99
- Enerzijds worden " de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit een overeenkomst
die vóór de datum van toetreding van een lidstaat is gesloten tussen deze laatste en
een derde staat, door de bepalingen van het Verdrag niet […] aangetast. Deze bepaling
beoogt overeenkomstig de volkenrechtelijke beginselen te preciseren dat de
toepassing van het Verdrag de verbintenis van de betrokken lidstaat om de uit een
oudere overeenkomst voortvloeiende rechten van derde landen te eerbiedigen en de
daarmee samenhangende verplichtingen na te komen, niet aantast."66
- Anderzijds moeten de praktijken in overeenstemming worden gebracht met het
Europese recht, waarbij de betrokken lidstaat verplicht is alle passende middelen aan
te wenden om de vastgestelde onverenigbaarheden weg te nemen, "tenzij deze praktijk
noodzakelijk is om te waarborgen dat de betrokken lidstaat zijn verplichtingen jegens
derde staten nakomt die voortvloeien uit een eerder gesloten overeenkomst.”67
172. Uit dit standpunt van het HvJ-EU volgt: “The meaning of the two paragraphs [lees van artikel
351 VWEU] have been reconciled, and it is now safe to affirm that art. 351(1) TFEU provides
temporary protection to allow the Member States not to incur international responsibility
while the ultimate goal established by art. 351(2) TFEU (that is, the removal of all
incompatibilities) is achieved in a sustainable (for the Member State involved) and lawful
(from an international law perspective) manner 68 ".
173. De Geschillenkamer kan zich dan ook niet aansluiten bij een interpretatie volgens welke
artikel 96 van de AVG zonder enige tijdsbeperking de handhaving toestaat van
internationale overeenkomsten die vóór 24 mei 2016 zijn gesloten – ook al waren deze op
die datum in overeenstemming met het EU-recht – zonder dat zij verder in
overeenstemming zijn gebracht met de AVG. Volgens een dergelijke interpretatie zouden
de medewetgevers, in strijd met de hierboven aangehaalde rechtspraak van het HvJ-EU,
hebben ingestemd met het naast elkaar bestaan, zonder tijdslimiet, van internationale
overeenkomsten die in overeenstemming zijn met het recht van de Unie zoals dat op 24 mei
2016 gold (met inbegrip van Richtlijn 95/46/EG, die overigens op 24 mei 2018 is
verenigbaar zijn met de Verdragen, maakt de betrokken lidstaat of maken de betrokken lidstaten gebruik van alle passende
middelen om de vastgestelde onverenigbaarheden op te heffen.
66
HvJ-EU, arrest van 3 maart 2009, C-205/06, ECLI:EU:C:2009:118, Commissie/Oostenrijk, punt 33. Dit arrest heeft betrekking
op artikel 307, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (ingetrokken bij artikel 351 VWEU). Artikel
307: "De rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten,
vóór de datum van hun toetreding gesloten tussen één of meer lidstaten enerzijds en één of meer derde staten anderzijds,
worden door de bepalingen van de Verdragen niet aangetast. Voor zover deze overeenkomsten niet verenigbaar zijn met de
Verdragen, maakt de betrokken lidstaat of maken de betrokken lidstaten gebruik van alle passende middelen om de
vastgestelde onverenigbaarheden op te heffen."
67
HvJ-EU, arrest van 28 maart 1995, C-324/93 The Queen / Secretary of State for the Home Department, ex parte Evans
Medical en Macfarlan Smith, ECLI:EU:C:1995:84, blz. 33.
68
Onderstreept door de Geschillenkamer: https://www.europeanpapers.eu/europeanforum/court-of-justice-finally-rules-on-
analogical-application-art-351-tfeu .
Beslissing ten gronde 79/2025 —50 /99
ingetrokken) enerzijds, en internationale overeenkomsten die na die datum zijn gesloten en
die verplicht in overeenstemming moeten zijn met de AVG anderzijds.
174. De Geschillenkamer merkt verder op dat artikel 49.5 van de AVG dezelfde bewoordingen
bevat: "totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken". Artikel 45.9 bepaalt dan ook:
"De besluiten die de Commissie op grond van artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG heeft
vastgesteld, blijven van kracht, totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken bij een
overeenkomstig lid 3 of lid 5 van dit artikel vastgesteld besluit van de Commissie."69
175. De Europese Commissie – die als enige bevoegd is om een adequaatheidsbesluit te nemen
– heeft niettemin de elf bestaande adequaatheidsbesluiten opnieuw getoetst aan de AVG.
In haar verslag van 15 januari 202470 besluit de Commissie de adequaatheidsbesluiten voor
de elf betrokken landen en gebieden te handhaven, met de vaststelling dat uit haar evaluatie
is gebleken dat de in deze landen en gebieden geldende kaders voor gegevensbescherming
verder zijn geconvergeerd naar het EU-kader en de bescherming van de persoonsgegevens
waarop zij van toepassing zijn, hebben versterkt. Zij merkt op dat de AVG aanleiding heeft
gegeven tot positieve veranderingen, zoals de invoering van nieuwe rechten voor
betrokkenen en de versterking van de onafhankelijkheid en de bevoegdheden van de
gegevensbeschermingsautoriteiten.
176. De Europese Commissie benadrukt ook dat "de adequaatheidsbesluiten [waarvan sommige
op de datum van inwerkingtreding van de AVG meer dan 20 jaar oud waren (Canada,
Zwitserland)] niet zozeer een “eindpunt” als wel de basis [zijn] voor nauwere samenwerking
en verdere afstemming van de regelgeving tussen de EU en gelijkgestemde partners. Door
het vrije verkeer van persoonsgegevens mogelijk te maken, hebben deze besluiten
handelskanalen geopend voor EU-bedrijven, onder meer door de voordelen van
handelsovereenkomsten aan te vullen en te versterken en de samenwerking met
buitenlandse partners op een groot aantal regelgevingsgebieden te vergemakkelijken."
177. De analogie met artikel 96 van de AVG is niet perfect. De inhoud van artikel 45.9 van de AVG
enerzijds en deze evaluatie van de adequaatheidsbesluiten door de Europese Commissie
anderzijds, – ook al creëren deze adequaatheidsbesluiten ook in zekere zin een kader dat al
jaren bestaat en dat de doorgifte van persoonsgegevens vanuit de Unie naar derde landen
vergemakkelijkt – zijn echter indicatoren. Zij geven aan dat het uiteindelijke doel – ondanks
de tolerantieperiode die zowel in artikel 45.9 als in artikel 96 van de AVG is toegekend – de
afschaffing is van het naast elkaar bestaan van twee verschillende beschermingsregelingen.
Het was aan de Europese Commissie (die bevoegd is voor adequaatheidsbesluiten) om
69
Onderstreept door de Geschillenkamer.
70
Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de eerste evaluatie van de adequaatheidsbesluiten
die zijn vastgesteld op grond van artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG COM/2024/7 final. https://eur-lex.europa.eu/legal-
content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52024DC0007
Beslissing ten gronde 79/2025 —51 /99
hieraan bij te dragen, wat zij onmiddellijk heeft gedaan door de adequaatheidsbesluiten die
zij eerder had genomen te toetsen aan de vereisten van de AVG. Het is aan de lidstaten om
dit ook actief te doen met betrekking tot de internationale overeenkomsten die zij hebben
gesloten.
178. De Geschillenkamer is zich ervan bewust dat de Belgische staat als onderhandelaar geen
partij is in deze procedure. Zij merkt echter op dat naarmate de tijd verstrijkt, de inertie van
de lidstaten in dit verband steeds minder aanvaardbaar wordt. Reeds in 2021 hebben de
gegevensbeschermingsautoriteiten – waaronder de GBA – de lidstaten van de EU dan ook
verzocht hun internationale overeenkomsten te herzien in het licht van de AVG. 71 Op de
datum van aanneming van de onderhavige beslissing zijn bijna 9 jaar verstreken sinds de
inwerkingtreding van de AVG, en 7 jaar sinds de daadwerkelijke toepassing ervan. De
Geschillenkamer merkt in dit verband op dat de verweerder haar in het kader van deze zaak
geen enkele aanwijzing heeft gegeven dat de Belgische regering van plan is om een
herziening van de FATCA-overeenkomst te vragen, en dat de verweerder, die de
bevoorrechte gesprekspartner van de IRS is, op geen enkel moment een dergelijke evaluatie
heeft uitgevoerd om de Belgische regering te helpen een verzoek tot herziening in te dienen.
179. Wat de gegevensbeschermingsautoriteiten zoals de GBA betreft, zou een lezing van artikel
96 van de AVG die de toepassing ervan zonder tijdslimiet toestaat, in combinatie met het
ontbreken van enige heronderhandeling van de overeenkomst, ook betekenen dat de GBA
de conformiteit van deze internationale overeenkomsten met het op 24 mei 2016
toepasselijke EU-recht vele jaren na die datum beoordeelt, met name in het licht van Richtlijn
95/46/EG, die al een aantal jaren is ingetrokken, en dat aantal zal in de loop der tijd alleen
maar toenemen. De Geschillenkamer is in dit verband van mening dat naarmate de tijd
verstrijkt, het minder aanvaardbaar is dat de gegevensbeschermingsautoriteiten worden
beperkt in de uitoefening van de taak die hun sinds 25 mei 2018 door de AVG is
toevertrouwd, namelijk, zoals eerder benadrukt, bij te dragen tot de effectieve en uniforme
toepassing van de AVG. In het reeds genoemde “Schrems II”-arrest72 benadrukt het HvJ-EU
71
Verklaring 04/2021 van 13 april 2021 over internationale overeenkomsten, waaronder die betreffende doorgifte:
https://www.edpb.europa.eu/system/files/2022-
05/edpb statement042021 international agreements including transfers nl.pdf.
De EDPB (European Data Protection Board) verklaart hierin: "Om ervoor te zorgen dat het door de AVG en de richtlijn
gegevensbescherming bij rechtshandhaving gewaarborgde beschermingsniveau van natuurlijke personen niet wordt
ondermijnd wanneer persoonsgegevens vanuit de Unie naar een land buiten de Unie worden doorgegeven, is de EDPB van
mening dat moet worden overwogen deze overeenkomsten in overeenstemming te brengen met de vereisten van de AVG (…)
inzake gegevensdoorgiften, indien die overeenkomsten nog niet in overeenstemming zijn met de vereisten van de AVG (…). De
EDPB verzoekt de lidstaten derhalve hun internationale overeenkomsten betreffende de internationale doorgifte van
persoonsgegevens, zoals die met betrekking tot belastingen (bv. de automatische uitwisseling van persoonsgegevens voor
belastingdoeleinden(…) die vóór 24 mei 2016 (als de overeenkomsten relevant zijn voor de AVG) zijn gesloten (…) De EDPB
beveelt aan dat de lidstaten bij deze herziening rekening houden met de AVG (…), met de betrokken richtsnoeren van de EDPB
die van toepassing zijn op internationale doorgifte, alsook met de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, waaronder
het Schrems II-arrest van 16 juli 2020.”
72
De Geschillenkamer preciseert dat zij dit arrest aanhaalt om er lering uit te trekken met betrekking tot het belang van het
regelen van grensoverschrijdende gegevensstromen en de rol van de beschermingsautoriteiten in dit verband, ook wanneer
de doeleinden van de gegevensstromen niet commercieel zijn.
Beslissing ten gronde 79/2025 —52 /99
in dit verband het volgende met betrekking tot de bevoegdheid van de toezichthoudende
autoriteiten zoals vastgelegd in artikel 8.3 van het Handvest en artikel 57.1.a) van de AVG:
"(...) Elk van hen is derhalve bevoegd om na te gaan of bij doorgifte van
persoonsgegevens vanuit de lidstaat waaronder zij valt naar een derde land is
voldaan aan de vereisten van deze verordening. De uitoefening van deze taak is van
bijzonder belang in de context van de doorgifte van persoonsgegevens naar een
derde land aangezien het, zoals blijkt uit de bewoordingen zelf van overweging 116
van die verordening, “[b]ij grensoverschrijdend verkeer van persoonsgegevens
naar landen buiten de Unie […] voor natuurlijke personen moeilijker [kan] worden
hun gegevensbeschermingsrechten uit te oefenen, met name teneinde zich te
beschermen tegen onrechtmatig gebruik of onrechtmatige openbaarmaking van
die informatie.” (punten 107 en 108 van het arrest)
180. Het feit dat de lidstaten hun verplichting tot samenwerking niet nakomen, heeft bijgevolg
een negatieve invloed op de effectiviteit van het recht op gegevensbescherming (via
controle door een onafhankelijke gegevensbeschermingsautoriteit, zoals gewaarborgd
door het Handvest van de grondrechten van de EU in artikel 8.373 ), terwijl het HvJ-EU
bijzonder veeleisend is wat betreft de bescherming die internationale overeenkomsten
moeten bieden enerzijds en de rol van de gegevensbeschermingsautoriteiten anderzijds.
- Het HvJ-EU stelt zeer strenge voorwaarden aan internationale overeenkomsten die een
impact hebben op de uitoefening van het recht op privacy en de bescherming van
persoonsgegevens, zoals vastgelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest. Meer in
het bijzonder volgt uit advies 1/15 van het HvJ-EU over het ontwerp van PNR-
overeenkomst tussen Canada en de EU 74 (alsook uit arrest C-817/19 van 21 juni 202275)
en uit het “Schrems II”-arrest dat " […]de mededeling van persoonsgegevens aan een
derde, zoals een openbare instantie76 , een inmenging [vormt] in het in artikel 7 van het
Handvest verankerde grondrecht, ongeacht het latere gebruik van de aldus
meegedeelde gegevens. Dit geldt ook voor het bewaren van persoonsgegevens en
voor de toegang tot die gegevens met het oog op het gebruik ervan door openbare
instanties. In dit verband is het van weinig belang of de gegevens betreffende het
privéleven al dan niet gevoelig zijn en of de betrokkenen door die inmenging enig nadeel
hebben ondervonden"77 .
73
Artikel 8.3 van het Handvest van de grondrechten van de EU: op de naleving van deze regels (namelijk het recht op
gegevensbescherming zoals vastgelegd in de leden 1 en 2) wordt toegezien door een onafhankelijke autoriteit.
74
HvJ-EU, advies 1/15 van 26 juli 2017 (PNR-overeenkomst EU-Canada), ECLI:EU:C:2017:592.
75
HvJ-EU, arrest C-817/19 van 21 juni 2022, Ligue des droits humains, ECLI:EU:C:2022:491.
76
Onderstreept door de Geschillenkamer.
77
Advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 juli 2017 (PNR-overeenkomst EU-Canada), ECLI:EU:C:2017:592,
punten 123 en 124 en de aangehaalde arresten: zie in die zin de arresten van 20 mei 2003, Österreichischer Rundfunk e.a., C-
Beslissing ten gronde 79/2025 —53 /99
- Elke beperking van de in het Handvest vastgelegde grondrechten (waaronder het
grondrecht op gegevensbescherming van artikel 8) moet voldoen aan de voorwaarden
van artikel 52.1 van het Handvest, waarin staat: "Beperkingen op de uitoefening van de
in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de
wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het
evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij
noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende
doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten
en vrijheden van anderen."
181. Het zou te simplistisch zijn om te stellen dat de vraag naar de toepassing in de tijd van artikel
96 van de AVG alleen aan de orde zou zijn als de GBA (via haar Geschillenkamer) of andere
gegevensbeschermingsautoriteiten zouden concluderen dat de FATCA-overeenkomst in
overeenstemming was met het recht van de Unie zoals van toepassing op 24 mei 2016. Als
zodanig beperkt artikel 96 de effectieve uitoefening door de
gegevensbeschermingsautoriteiten, in dit geval de GBA, van de taken die hun/haar door de
AVG zijn toevertrouwd.
182. In zijn reeds genoemde arrest van 13 december 2024 betreffende de kwalificatie van de
verwerkingsverantwoordelijke past de administratieve rechtbank van het Groothertogdom
Luxemburg artikel 96 van de AVG toe en kwalificeert het dit artikel uitdrukkelijk als een
overgangsbepaling.
"De bepaling van artikel 96 van de AVG is in wezen een overgangsbepaling die de
lidstaten in staat stelt om internationale overeenkomsten die voorzien in de
doorgifte van beschermde persoonsgegevens naar derde staten en die zij vóór 24
mei 2016, de datum van inwerkingtreding van de AVG, zelfs als de in deze
overeenkomsten overeengekomen voorwaarden niet voldoen aan de normen van
de AVG, om te voorkomen dat de voortzetting van de uitvoering van deze
overeenkomsten in strijd is met nieuwe of strengere eisen van de nieuwe
communautaire verordening. De vrijstelling van de naleving van de AVG die door
deze bepaling wordt toegestaan, is echter afhankelijk van de naleving van het
"recht van de Unie zoals dat vóór [24 mei 2016] van toepassing [was]", d.w.z. de
normen die vóór 24 mei 2016 van toepassing waren. Bovendien geldt deze
vrijstelling slechts totdat deze eerdere internationale overeenkomsten worden
gewijzigd, vervangen of ingetrokken.” (vrije vertaling)
465/00, C-138/01 en C-139/01, EU:C:2003:294, punten 74 en 75; van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a., C-293/12 en C-
594/12, EU:C:2014:238, punten 33 tot en met 35, en van 6 oktober 2015, Schrems, C-362/14, EU:C:2015:650, punt 87).
Beslissing ten gronde 79/2025 —54 /99
183. Deze passage uit het arrest en met name de kwalificatie van artikel 96 als
overgangsbepaling brengt de Geschillenkamer tot de volgende vraag: als artikel 96 van de
AVG inderdaad een overgangsbepaling is, is het dan aanvaardbaar dat deze
overgangsperiode mogelijk voor onbepaalde tijd duurt en de betrokkenen de facto de
versterkte bescherming ontzegt die de AVG biedt? Is het ontbreken van een tijdslimiet voor
een overgangsregeling niet in strijd met de algemene beginselen van het overgangsrecht,
dat weliswaar wordt gekenmerkt door de niet-retroactiviteit van de norm, maar zonder dat
dit tot gevolg heeft (en dus toestaat) dat de betrokkenen voor onbepaalde tijd een
versterkte bescherming wordt ontzegd? Als artikel 96 van de AVG potentieel voor
onbepaalde tijd als overgangsbepaling geldt, vormt het dan niet een regelrechte en
permanente afwijking van de AVG, waarvan de verenigbaarheid met het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie in twijfel moet worden getrokken? Elke bepaling van
een verordening van de Unie, in dit geval artikel 96 van de AVG, moet zelf verenigbaar zijn
met het genoemde Handvest.
184. Ongeacht de vraag of artikel 96 in de tijd van toepassing is, ontslaat de rol en
verantwoordelijkheid van de Belgische staat (zoals die van elke andere lidstaat die een
FATCA-overeenkomst heeft ondertekend, vergelijkbaar met de overeenkomst die door de
Belgische staat is ondertekend), de verwerkingsverantwoordelijke die, zoals de
verweerder, zich op artikel 96 van de AVG wil beroepen, in geen geval van de verplichting
om na te gaan of aan de voorwaarden voor het inroepen van artikel 96 is voldaan en om
aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit (in dit geval de GBA) aan te tonen dat dit
het geval is. Het inroepen van artikel 96 van de AVG houdt namelijk intrinsiek in, door de
voorwaarde die het oplegt (naleving van het EU-recht zoals van toepassing op 24 mei
2016), dat de verwerkingsverantwoordelijke deze beoordeling uitvoert.
185. "Het recht van de Unie zoals van toepassing op 25 mei 2016" omvat het primaire recht zoals
artikel 16 VWEU en de artikelen 778, 8 en 4779 van het Handvest van de grondrechten van de
EU, evenals Richtlijn 95/46/EG. Voor zover nodig verduidelijkt de Geschillenkamer dat het
gebruik van de woorden "zoals van toepassing op 25 mei 2016" niet betekent dat dit recht
in zijn interpretatie op 25 mei 2016 vastligt. Artikel 96 verleent vrijstelling van de naleving
van de AVG (onder voorwaarden) door geen nieuwe regelgeving inzake
gegevensbescherming toe te voegen aan die welke op 24 mei 2016 van toepassing was, met
78
Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de EU – De eerbiediging van het privé-leven en van het familie- en
gezinsleven: Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn
communicatie.
79
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een
onpartijdig gerecht: Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft
recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft
recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig
gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en
vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken,
voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —55 /99
het doel, zoals reeds vermeld, de rechten te behouden die de derde staat waarmee de
overeenkomst is gesloten, uit de overeenkomst ontleent. Het ontslaat echter niet van de
verplichting om bij de beoordeling van de naleving van het EU-recht op 24 mei 2016 rekening
te houden met de eventueel evoluerende interpretatie door het HvJ-EU van de belangrijkste
begrippen op het gebied van gegevensbescherming, met inbegrip van de AVG wanneer het
gaat om begrippen die in beide teksten voorkomen.
186. Kortom, het verduidelijken van de reikwijdte van artikel 96 van de AVG sluit naadloos aan bij
de eis van eenvormigheid en rechtszekerheid, in een context waarin deze bepaling binnen
de Unie op uiteenlopende wijze wordt geïnterpreteerd, terwijl de AVG juist beoogt een
geharmoniseerde toepassing van het recht op gegevensbescherming te waarborgen en het
HvJ-EU duidelijk heeft verklaard dat gegevensdoorgiften naar derde landen moeten voldoen
aan de artikelen 7, 8 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Artikel 96 betekent niet dat verwerkingsverantwoordelijken die gegevens doorgeven aan
derde landen in uitvoering van internationale overeenkomsten die vóór 24 mei 2016 zijn
gesloten, volledig of voor onbepaalde tijd vrijgesteld zijn van de AVG. Artikel 96 AVG vormt
slechts een in wezen tijdelijke afwijking die strikt afhankelijk is van de naleving van het vóór
24 mei 2016 toepasselijke Unie-recht. Het artikel moet noodzakelijkerwijs restrictief worden
geïnterpreteerd en voorziet in een voorwaardelijke overgangsregeling, met als doel
enerzijds "een alomvattende en consequente bescherming van persoonsgegevens in de
Unie te waarborgen" en anderzijds elke rechtsleemte te voorkomen 80. Het voorkomen van
deze rechtsleemte betekent om de hierboven door de Geschillenkamer uiteengezette
redenen niet dat de naleving van het EU-recht moet worden beoordeeld zoals dat op de
vaste datum van 24 mei 2016 werd geïnterpreteerd. De verwerkingsverantwoordelijke die,
zoals de verweerder, zich op artikel 96 van de AVG wil baseren, moet dus rekening houden
met de relevante ontwikkelingen in de rechtspraak van het HvJ-EU in zijn beoordeling van
de voorwaarde van de naleving van het EU-recht op 24 mei 2016. Hij moet kunnen aantonen
dat het na deze grondige, gedocumenteerde en geactualiseerde beoordeling
gerechtvaardigd is om zich te baseren op artikel 96 van de AVG. Deze beoordeling ontslaat
hem overigens niet, zoals de Geschillenkamer in de beslissing nog nader zal toelichten, van
de verplichting om een GEB uit te voeren, noch van zijn voortdurende “accountability”. Op
die manier zou de verwerkingsverantwoordelijke bovendien kunnen bijdragen aan het
80
Dit doel wordt uitdrukkelijk vermeld in overweging 95 van Richtlijn 2016/680/EU, met betrekking tot artikel 61 van die
richtlijn, dat identiek is aan artikel 96 van de AVG.
Artikel 61 - Verhouding tot eerder gesloten internationale overeenkomsten inzake justitiële samenwerking in strafzaken en
politiële samenwerking: "Internationale overeenkomsten betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen
of internationale organisaties die door de lidstaten zijn gesloten vóór 6 mei 2016 en die in overeenstemming zijn met het
vóór die datum van toepassing zijnde Unierecht, blijven van kracht totdat zij worden gewijzigd, vervangen of herroepen.”
Overweging 95 bepaalt: "Teneinde een alomvattende en consequente bescherming van persoonsgegevens in de Unie te
waarborgen, dienen internationale overeenkomsten die de lidstaten vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn
hebben gesloten en die stroken met het vóór die datum toepasselijke Unierecht van kracht te blijven totdat zij worden
gewijzigd, vervangen of ingetrokken." (Onderstreept door de Geschillenkamer).
Beslissing ten gronde 79/2025 —56 /99
proces van heronderhandeling van de overeenkomst. De lidstaten, waaronder de Belgische
staat, zijn hiertoe verplicht uit hoofde van hun plicht tot loyale samenwerking
overeenkomstig artikel 4.3 VEU, toegepast in het licht van artikel 351 VWEU en artikel 8 van
het Handvest van de grondrechten van de EU.
II.6. Wat betreft de aangevoerde grieven
187. Zoals uiteengezet in de voorgeschiedenis van de procedure, wijst het Marktenhof erop dat
de Geschillenkamer in haar beslissing 63/2021 onvoldoende rekening heeft gehouden met
de vaststellingen van de ID.
188. Zoals het Marktenhof in zijn arrest van 20 december 2023 benadrukt, moet de
Geschillenkamer, aangezien zij ervoor heeft gekozen om de ID in het onderhavige geval in te
schakelen, rekening houden met diens vaststellingen en, indien zij daarvan afwijkt, de
redenen daarvoor motiveren. De Geschillenkamer is van oordeel dat zij slechts van de
materiële vaststellingen van de ID kan afwijken wanneer daarvoor tegenbewijs bestaat. Zij
blijft echter vrij om haar gemotiveerde juridische beoordeling in de plaats te stellen van die
van de ID, en wel op basis van de materiële vaststellingen die de ID in het kader van de
uitoefening van zijn onderzoeksbevoegdheden heeft gedaan.
189. Zoals hieronder zal worden uiteengezet, laat de Geschillenkamer noch de adviezen 61/2014
en 28/2015 van de CBPL, noch de machtiging 52/2016 van het SCFO, noch de overige
elementen die de ID in het kader van zijn onderzoek heeft verzameld, buiten beschouwing.
Bij de uitoefening van haar bevoegdheid om, in haar hoedanigheid van administratief
geschillenorgaan van de GBA, te oordelen over de naleving van de AVG, hanteert de
Geschillenkamer haar eigen interpretatie en zal zij, al naargelang het geval, op gemotiveerde
wijze andere juridische conclusies trekken.
190. De Geschillenkamer merkt op dat het eerste verslag van de ID niet tot de conclusie komt dat
de FATCA-overeenkomst vóór 24 mei 2016 in overeenstemming was met het Unierecht. De
ID is, op basis van de bovengenoemde teksten, van oordeel dat het niet opportuun is om zijn
onderzoek voort te zetten, verwijst daarbij uitdrukkelijk naar artikel 64.2 van de WOG, en
besluit dat er geen sprake is van een "duidelijke inbreuk op de AVG".
191. In zijn aanvullend onderzoeksverslag concludeert de ID dat er geen aanwijzingen zijn voor
een gebrek aan waarborgen met betrekking tot de bescherming van de doorgegeven
gegevens of een gebrek aan wederkerigheid van de uitwisselingen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —57 /99
II.6.1. Kan de verweerder zich beroepen op artikel 96 van de AVG?
II.6.1.1. Inleiding
192. De Geschillenkamer onderzoekt de conformiteit van de door de klagers aan de kaak
gestelde doorgiften, rekening houdend met artikel 96 van de AVG. Zij gaat na of, zoals de
verweerder beweert, de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met het op 24 mei
2016 toepasselijke Unierecht, en of die overeenkomst de verweerder toestond de gegevens
van de eerste klager aan de IRS door te geven en hem nog steeds toestaat dergelijke
doorgiften voort te zetten met betrekking tot de persoonsgegevens van de door de tweede
klager vertegenwoordigde toeval-Amerikanen.
193. Zoals de Geschillenkamer zojuist heeft uiteengezet, houdt de voorwaarde van artikel 96 niet
alleen de naleving van Richtlijn 95/46/EG in, maar meer in het algemeen de naleving van het
EU-recht, met inbegrip van artikel 8 van het Handvest van de grondrechten.
194. Wat de naleving van Richtlijn 95/46/EG betreft, benadrukt de Geschillenkamer allereerst
dat een gegevensexporteur die, zoals de verweerder, persoonsgegevens doorgeeft aan een
derde land, niet alleen de regels inzake het specifieke kader voor grensoverschrijdende
gegevensstromen moet naleven, maar ook alle overige toepasselijke verplichtingen en
beginselen inzake gegevensbescherming. De verweerder mag dus geen gegevens
doorgeven voor een doeleinde dat niet voldoet aan de vereisten van artikel 6.1.b) van
Richtlijn 95/46/EG, noch persoonsgegevens doorgeven die, gelet op dat doeleinde, niet
toereikend, niet ter zake dienend en bovenmatig zijn, want daarmee zou hij artikel 6.1.c) van
die richtlijn schenden.
195. Overweging 102 van de AVG verduidelijkt met betrekking tot artikel 96 dat de
overeenkomst passende waarborgen voor de betrokkenen moet bevatten81.
196. De verweerder betwist niet dat artikel 96 van de AVG alleen van toepassing is op de FATCA-
overeenkomst. Hij voegt er echter aan toe dat de wet van 16 december 2015 daar
onlosmakelijk mee verbonden is en dat bijgevolg "een analyse van de FATCA-overeenkomst
in het kader van artikel 96 van de AVG een analyse van die wet vereist" (punt 24 van zijn
tweede aanvullende en syntheseconclusie; vrije vertaling). Hij voert aan dat de FATCA-
overeenkomst in overeenstemming is met het op 24 mei 2016 toepasselijke Unierecht en
dat bijgevolg zowel de overeenkomst als de wet van 16 december 2015 van kracht blijven
overeenkomstig artikel 96. Volgens de verweerder vloeit deze naleving voort, zoals de ID
vaststelt, uit de analyses die de CBPL in haar adviezen 61/2014 en 28/2015 heeft uitgevoerd,
81
Overweging 102: "Deze verordening [AVG] doet geen afbreuk aan internationale overeenkomsten die de Unie en derde
landen met elkaar hebben gesloten om de doorgifte van persoonsgegevens te regelen en waarin passende waarborgen voor
de betrokkenen zijn opgenomen." De Geschillenkamer onderstreept.
Beslissing ten gronde 79/2025 —58 /99
alsook uit de beraadslaging 52/2016 van het SCFO. De verweerder beroept zich ook op het
arrest van de Franse Raad van State van 19 juli 2019, waaruit blijkt dat de FATCA-
overeenkomst niet in strijd is met de AVG, alsook op een beraadslaging van 17 september
2015 van de CNIL, waarbij toestemming werd gegeven voor een gegevensverwerking
bestaande uit een doorgifte aan de IRS van gegevens die zijn verzameld in het kader van de
uitvoering van de Franse FATCA-overeenkomst, waarvan de inhoud vergelijkbaar is met die
van de door de Belgische staat ondertekende overeenkomst. Hij baseert zich ook op de
reeds genoemde beslissing van de CNIL van 23 mei 2022, waarmee een klacht van de
Franse AAA wordt afgesloten die tot doel had de doorgifte van gegevens aan de IRS in
uitvoering van de Franse FATCA-overeenkomst op te schorten. Ten slotte baseert de
verweerder zich op het arrest van het Grondwettelijk Hof van 9 maart 2017, waarin het
beroep tot vernietiging van de wet van 16 december 2015 wordt verworpen. Volgens de
verweerder bewijzen al deze teksten dat de FATCA-overeenkomst, gelezen in samenhang
met de wet van 16 december 2015, in overeenstemming is met het op 24 mei 2016
toepasselijke Unierecht.
197. De Geschillenkamer is om de hierna uiteengezette redenen van oordeel dat de FATCA-
overeenkomst, zelfs wanneer zij in samenhang met de wet van 16 december 2015 wordt
gelezen en toegepast, niet in overeenstemming is met het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-
recht. Zij strookt niet met de beginselen van doelbinding en evenredigheid, ondanks de
vaststellingen van de ID en de argumenten van de verweerder. De overeenkomst bevat,
naast de waarborgen voor de naleving van de beginselen van doelbinding en evenredigheid,
evenmin de andere waarborgen die vereist zijn krachtens Richtlijn 95/46/EG, zoals specifiek
uiteengezet in 2015 door de Groep artikel 29 met betrekking tot de doorgifte van gegevens
aan een derde land in het kader van de automatische uitwisseling van gegevens 82. Zij
concludeert dan ook dat de FATCA-overeenkomst niet in overeenstemming is met het
Unierecht zoals dat op 24 mei 2016 van toepassing was in de zin van artikel 96 van de
AVG.
198. De Geschillenkamer merkt op dat niet wordt betwist dat de adviezen 61/2014 en 28/2015
van de CBPL betrekking hadden op het wetsontwerp dat zou leiden tot de toekomstige wet
van 16 december 2015. Het gaat dus niet om adviezen over de FATCA-overeenkomst als
zodanig, wat de CBPL overigens uitdrukkelijk betreurt in haar advies 61/2024 (punt 8 van
het advies)83. Wat betreft de beraadslaging 56/2015 van het SCAF: die machtigt, onder
82
Groep artikel 29, Richtsnoeren voor de lidstaten inzake de criteria voor het waarborgen van de naleving van
gegevensbeschermingsvereisten in het kader van de automatische uitwisseling van persoonsgegevens voor
belastingdoeleinden, WP 234 van 16 december 2015. De Geschillenkamer onderstreept.
83
Het SCFO vermeldt ook dat de CBPL niet is geraadpleegd over de FATCA-overeenkomst in punt 8 van zijn beraadslaging
52/2016.
Beslissing ten gronde 79/2025 —59 /99
voorwaarden, de doorgiften aan de IRS in uitvoering van de wet van 16 december 2015, maar
spreekt zich niet uit over de FATCA-overeenkomst zelf.
199. De verweerder verwijt de GBA dat zij de FATCA-overeenkomst kunstmatig loskoppelt van
de wet van 2015. Dat is niet het geval. De GBA moet onderzoeken of aan de voorwaarde van
artikel 96 van de AVG, namelijk dat de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met
het op 24 mei 2016 toepasselijke Unierecht, is voldaan en of dat is aangetoond. De hele ratio
legis van artikel 96 houdt verband met het feit dat een internationale overeenkomst moeilijk
te wijzigen is en dat de staten afhankelijk zijn van de goede wil van de derde staat. Het gaat
dus wel degelijk om de FATCA-overeenkomst, en niet om de wet van 16 december 2015 die
de derde staat, in dit geval de Verenigde Staten, niet bindt. De verbintenissen moeten
worden aangegaan door de partijen bij de overeenkomst. Als in de wet van 16 december
2015 bepaalde waarborgen inzake gegevensbescherming zijn opgenomen, dan binden die
in principe enkel de verweerder en niet noodzakelijk de derde staat waaraan de gegevens
worden doorgegeven; de verbintenissen van die derde staat moeten in de overeenkomst
zijn vastgelegd. De Geschillenkamer zal dus de conformiteit van de door de verweerder
uitgevoerde doorgifte onderzoeken in het licht van de relevante bepalingen van de FATCA-
overeenkomst en de wet van 16 december 2015, voor zover deze relevant zijn.
II.6.1.2. Wat betreft het doelbindingsbeginsel
200. Het doelbindingsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 6.1.b) van Richtlijn 95/46/EG, bepaalt
dat gegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde
doeleinden moeten worden verzameld en niet verder mogen worden verwerkt (ook niet bij
doorgifte aan een derde land) op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. Dit
beginsel is ook vastgelegd in artikel 8.2 van het Handvest van de grondrechten 84 en moet
worden toegepast met inachtneming van de vereisten van artikel 52 van het Handvest.
201. Het "doeleinde" is de voldoende welbepaalde, specifieke en uiteraard gerechtvaardigde
reden waarom de gegevens worden verwerkt: de doelstelling of de bedoeling van de
gegevensverwerking. Het "belang" is echter een ruimer begrip en ziet op de waarde voor de
verwerkingsverantwoordelijke van de verwerking of het voordeel dat de
verwerkingsverantwoordelijke – of de maatschappij – bij de verwerking kan hebben, zoals
een betere toepassing van de belastingwetgeving of de bestrijding van
belastingontduiking85.
84
Artikel 8.2 van het Handvest van de grondrechten van de EU: "Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor
bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin
de wet voorziet. Eenieder heeft recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan."
85
Zie Groep artikel 29, Advies 06/2014 over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking
verantwoordelijke" in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, WP 217 van 9 april 2014, titel III.3.1 (p. 29).
Beslissing ten gronde 79/2025 —60 /99
202. Of een doeleinde voldoende nauwkeurig is omschreven, bepaalt of kan worden beoordeeld
en geconcludeerd dat de verwerking van persoonsgegevens daadwerkelijk noodzakelijk is
voor de verwezenlijking van dat doeleinde, zoals vereist door het evenredigheidsbeginsel
dat is neergelegd in artikel 6.1.c) van Richtlijn 95/46/EG. Een algemeen of ruim geformuleerd
doeleinde – zelfs als de rechtmatigheid ervan buiten kijf staat – laat de
verwerkingsverantwoordelijke te veel speelruimte en verhindert een effectieve toepassing
van zowel het doelbindingsbeginsel als het evenredigheidsbeginsel.
203. In 2015 stelde de Groep artikel 29, waarvan de CBPL lid was, in zijn document WP 234, dat
specifiek gewijd was aan de vereisten op het gebied van gegevensbescherming in het kader
van de automatische uitwisseling van gegevens, het volgende: "(…) […] in elke internationale
overeenkomst [zou] duidelijk moeten worden vermeld voor welke doeleinden de gegevens
worden verzameld en op geldige wijze worden gebruikt. De bewoording van het doel
("belastingontduiking"/"verbetering van de naleving van fiscale wet- en regelgeving")
kan bijvoorbeeld vaag en onvoldoende duidelijk zijn, waardoor de bevoegde autoriteit te
veel flexibiliteit wordt toegestaan."
➢ Het doeleinde in de FATCA-overeenkomst
204. Wat de FATCA-overeenkomst betreft, stelt de Geschillenkamer vast dat de "doeleinden"
van de automatische uitwisseling van gegevens, zoals vermeld in de inleiding van de
overeenkomst, als volgt zijn geformuleerd: (a) de verbetering van de internationale
belastingregels – een formulering die in het bovenstaande advies als te ruim wordt
beschouwd – en (b) de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Amerikaanse
FATCA-wet86.
205. Dergelijke formuleringen drukken hoogstens een algemeen – weliswaar rechtmatig – doel
uit. Zij vormen echter geen specifiek(e) en welbepaald(e) doeleinde(n) – in de zin van artikel
6.1.b) van Richtlijn 95/46/EG – voor de verwerkingen van persoonsgegevens die bedoeld zijn
om dat doel te verwezenlijken.
206. In dit verband is de Geschillenkamer zich ervan bewust dat de FATCA-overeenkomst, zoals
zij in de uiteenzetting van de feiten heeft vermeld, deel uitmaakt van andere internationale
verbintenissen van de Belgische staat, waaronder de bestrijding van belastingfraude en
belastingontduiking, waarvoor de automatische uitwisseling van gegevens is opgezet en
waarnaar de FATCA-overeenkomst overigens verwijst (zie hieronder). Deze context, en
meer in het algemeen deze andere verbintenissen, hebben echter niet tot gevolg dat de
86
Zie de volgende overwegingen van de FATCA-overeenkomst: "Whereas the Government of the Kingdom of Belgium and
the Government of the United States of America (…) desire to conclude an agreement to improve international tax compliance
through mutual assistance in tax matters based on an effective infrastructure for the automatic exchange of information" en
"Whereas, the Parties desire to conclude an agreement to improve tax compliance and provide for the implementation of
FATCA based on domestic reporting and reciprocal automatic exchange pursuant to the Convention [lees the Convention on
mutual administrative assistance in tax matters done in Strasburg on January, 25, 1988](…)".
Beslissing ten gronde 79/2025 —61 /99
FATCA-overeenkomst noodzakelijkerwijs in overeenstemming zou zijn met het op 24
mei 2016 toepasselijke EU-recht.
207. Artikel 3.7 van de FATCA-overeenkomst bepaalt het volgende: "All information exchanged
shall be subject to the confidentiality and other protections provided for in the Convention,
including the provisions limiting the use of the information exchanged." "Convention"
verwijst naar het reeds genoemde OESO-verdrag inzake wederzijdse bijstand in fiscale
aangelegenheden. De Geschillenkamer stelt vast dat dit artikel van de FATCA-
overeenkomst als zodanig niet preciseert wat het specifieke en welbepaalde doeleinde is
van de betrokken gegevensverwerkingen, in dit geval de doorgifte aan de IRS. Het verwijst
naar het OESO-verdrag, waarvan de doeleinden door de GBA als onvoldoende nauwkeurig
zijn beoordeeld87. Deze indirecte verwijzing is onduidelijk en onvoorspelbaar voor de
betrokkenen.
208. Artikel 3.8 van de FATCA-overeenkomst bepaalt het volgende: "Following the entry into
force of this Agreement, each Competent Authority shall provide written notification to the
other Competent Authority when it is satisfied that the jurisdiction of the other Competent
Authority has in place (i) appropriate safeguards to ensure that the information received
pursuant to this Agreement shall remain confidential and be used solely for tax purposes,
and (ii) the infrastructure for an effective exchange relationship (including established
processes for ensuring timely, accurate, and confidential information exchanges, effective
and reliable communications and demonstrated capabilities to promptly resolve questions
and concerns about exchanges or requests for exchanges and to administer the provisions
of Article 5 of this Agreement). The Competent Authority shall endeavor in good faith to
meet, prior to September 2015, to establish that each jurisdiction has such safeguards and
infrastructure in place."
209. Uit deze bepaling blijkt dat de partijen bij de FATCA-overeenkomst elkaar moeten
bevestigen dat zij waarborgen hebben ingesteld om ervoor te zorgen dat de ontvangen
informatie vertrouwelijk blijft en alleen voor "tax purposes" wordt verwerkt. De
Geschillenkamer kan alleen maar vaststellen dat dit "doeleinde" vaag is, zoals de CBPL ook
had gedaan in haar advies 61/2024, toen zij met betrekking tot de eerste versie van het
wetsontwerp dat zou leiden tot de wet van 16 december 2015, had aangegeven dat de
loutere vermelding in het wetsontwerp van de automatische uitwisseling van inlichtingen
"voor belastingdoeleinden" niet voldeed aan de vereisten van het doelbindingsbeginsel
(punt 11 e.v. van het advies, punt 9 van advies 28/2015). De verweerder kan dus, net zomin
als de ID, beweren dat de CBPL van mening zou zijn geweest dat de doeleinden van de
87
Zij opgemerkt dat de Autorisatie- en Adviesdienst van de GBA sindsdien een bijzonder kritisch advies 51/2024 heeft
uitgebracht met betrekking tot de doeleinden van het OESO-verdrag, die niet als voldoende welbepaald werden beschouwd:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-51-2024.pdf.
Beslissing ten gronde 79/2025 —62 /99
FATCA-overeenkomst als zodanig in overeenstemming zouden zijn met de vereisten van
artikel 6.1.b) van Richtlijn 95/46/EG en artikel 8.2 van het Handvest van de grondrechten.
➢ Het doeleinde in de wet van 16 december 2015
210. In haar advies 61/2014 over het wetsontwerp dat zou leiden tot de wet van 16 december
2015, benadrukt de CBPL duidelijk dat de loutere vermelding van een uitwisseling "voor
belastingdoeleinden" niet voldoet aan de vereisten van het doelbindingsbeginsel. De CBPL
vraagt daarin dat de doeleinden van strafonderzoek en strafvervolging op fiscaal vlak
uitdrukkelijk worden uitgesloten (punt 11 e.v. van het advies, in het bijzonder punt 12).
211. Volgens het advies van de CBPL sluit het OESO-verdrag, waarnaar wordt verwezen in de
artikelen 3.7 en 3.8 van de FATCA-overeenkomst, het gebruik van doorgegeven gegevens
voor doeleinden van strafonderzoek en strafvervolging niet uit, maar stelt het dit gebruik
afhankelijk van de toestemming van de partij die de gegevens verstrekt. Artikel 17.2 van de
wet van 16 december 2015 in ontwerp is op verzoek van de CBPL gewijzigd en bepaalt in zijn
definitieve versie dat "de Belgische bevoegde autoriteit niet kan toestaan dat een
rechtsgebied waaraan de inlichtingen worden doorgegeven, die inlichtingen gebruikt voor
andere doeleinden dan het vestigen of het invorderen van de in het verdrag vermelde
belastingen, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van die belastingen, de beslissing in
beroepszaken die betrekking hebben op die belastingen, of het toezicht daarop" (punt 9 e.v.
van advies 28/2015). Deze paragraaf schept iets meer duidelijkheid over de doeleinden van
de doorgifte aan de IRS. Echter, wat onder "vervolging" moet worden verstaan in de
Verenigde Staten, waarnaar de gegevens worden doorgegeven, blijft volgens de
Geschillenkamer onduidelijk.
212. De Geschillenkamer beroept zich daarbij op het feit dat het SCFO in beraadslaging 52/2016
het volgende stelt (punt 30 van de beraadslaging): "Het Comité oordeelt bijgevolg dat artikel
17 van de wet van 16 december 2015 moet geïnterpreteerd worden in die zin dat (de
toelating voor) het hergebruik (door andere dan fiscale rechtsgebieden in de Verenigde
Staten) van gegevens ingezameld voor niet-fiscale doeleinden (bijvoorbeeld juridische
samenwerking in strafzaken, witwaspraktijken, corruptie of de strijd tegen terrorisme), of
voor doorgifte aan landen zonder passend gegevensbeschermingsniveau a priori
uitgesloten zijn (…)."
➢ Conclusie
213. Bij wijze van conclusie stelt de Geschillenkamer vast dat het "doeleinde" van de
gegevensverwerkingen die voortvloeien uit de FATCA-overeenkomst, noch specifiek,
noch voldoende welbepaald is in de FATCA-overeenkomst zelf (punt 209). Volgens de wet
van 16 december 2015 wordt het slechts "gepreciseerd" door de verwijzing in artikel 3.7
van de overeenkomst naar het OESO-verdrag – waarvan de verwerkingsdoeleinden door de
Beslissing ten gronde 79/2025 —63 /99
GBA in haar advies 51/2024 niet als voldoende specifiek en welbepaald werden beschouwd
– evenals door artikel 17.2 van de wet, waarvan de precieze draagwijdte onduidelijk blijft.
214. De Geschillenkamer is, in tegenstelling tot de conclusies van de CBPL in haar advies
28/2015 en de machtiging 52/2016 van het SCFO, van oordeel dat, in omstandigheden
waarin het doeleinde van de doorgiften van persoonsgegevens aan de IRS enerzijds noch
specifiek noch welbepaald is in de FATCA-overeenkomst, en waarin dit doeleinde anderzijds
zeer indirect wordt vermeld en onnauwkeurig blijft in de wet van 16 december 2015, de
doorgifte door de verweerder aan de IRS niet voldoet aan de vereisten van het beginsel
van een welbepaald en specifiek doeleinde in de zin van artikel 6.1.b) van Richtlijn
95/46/EG. Noch de Geschillenkamer, noch de betrokkene wiens gegevens naar de IRS
worden gestuurd, is in staat het/de doeleinde(n) te identificeren waarvoor de gegevens aan
de IRS worden verstrekt en waarvoor zij kunnen worden verwerkt zodra zij in handen zijn van
de IRS88.
215. Om in te gaan op de opmerking van het Marktenhof ter zake, stelt de Geschillenkamer vast
dat noch de adviezen van de CBPL, noch de machtiging van het SCFO zich hebben
uitgesproken over het doeleinde van de FATCA-overeenkomst als zodanig. Integendeel, de
CBPL en het SCFO hebben benadrukt dat de overeenkomst niet aan hen was voorgelegd.
Wat betreft de gunstige beoordeling door haar voorgangers met betrekking tot de wet van
16 december 2015, is de Geschillenkamer, met name op basis van een grondig onderzoek
van de doeleinden van het OESO-verdrag waarnaar wordt verwezen, van oordeel dat deze
niet voldoende welbepaald zijn, ook niet met betrekking tot de verdere verwerkingen van de
gegevens nadat deze zijn doorgegeven.
216. Wat meer bepaald de machtiging 52/2016 van het SCFO betreft, merkt de Geschillenkamer
op dat artikel 111 van de WOG, zoals het Hof benadrukt, vermeldt dat "[…] de machtigingen
verleend door de sectorale comités van de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer (CBPL) voor de inwerkingtreding van deze wet rechtsgeldigheid
[behouden]". Dit artikel 111 voegt er echter aan toe dat dit behoud "onverminderd de
controlebevoegdheden van de Gegevensbeschermingsautoriteit" geldt. Bijgevolg is de
Geschillenkamer bevoegd om, in het kader van het onderzoek van de klacht die tot deze
beslissing heeft geleid, deze machtiging opnieuw te onderzoeken en er indien nodig van af
te wijken. In ieder geval werd deze machtiging verleend onder voorwaarden, waarvan de
Geschillenkamer verderop in de beslissing zal vaststellen dat zij sinds 2016 niet meer zijn
vervuld (zie punten 233 en 300).
88
Hoewel de verweerder overigens de schriftelijke kennisgeving overlegt die zowel door de Belgische staat als door de IRS
is ondertekend en waarin elke partij (de Belgische staat enerzijds en de Verenigde Staten anderzijds) erkent dat zij haar
respectieve verplichtingen op het gebied van vertrouwelijkheid nakomt, kan dit document de vaststelling van de
Geschillenkamer niet in twijfel trekken.
Beslissing ten gronde 79/2025 —64 /99
217. Zonder afbreuk te doen aan het voorgaande oordeelt de Geschillenkamer bovendien dat
deze zeer indirecte "bepaling" hoe dan ook kwetsbaar is, omdat zij afhankelijk is van teksten
die losstaan van de FATCA-overeenkomst als zodanig – terwijl enkel die tekst de partijen
wederzijds bindt – en dus enkel standhoudt zolang die teksten en hun inhoud van toepassing
blijven.
II.6.1.3. Wat betreft het evenredigheidsbeginsel
218. De Geschillenkamer herinnert eraan dat overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel van
artikel 6.1.c) van Richtlijn 95/46/EG alleen gegevens mogen worden verwerkt die
toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig zijn voor het bereiken van het doeleinde.
Het is niet voldoende dat gegevens alleen nuttig zijn, en er moet rekening worden gehouden
met minder ingrijpende alternatieven om aan dit beginsel te voldoen.
219. Zoals de klagers benadrukken, is de doorgifte van gegevens aan de IRS in het kader van de
uitvoering van de FATCA-overeenkomst een systeem van automatische en jaarlijkse
doorgifte van gegevens op basis van het criterium van Amerikaanse nationaliteit en te
rapporteren bankrekeningen (artikel 2 van de FATCA-overeenkomst en artikel 5 van de wet
van 16 december 2015), zonder dat er enige aanwijzing is dat een belastingwet zou zijn
overtreden. Het gaat dus niet om een systeem van gegevensdoorgifte op ad-hocbasis,
uitgevoerd op verzoek van de Amerikaanse autoriteiten en gebaseerd op aanwijzingen die
een dergelijke gegevensdoorgifte noodzakelijk maken gelet op de nagestreefde
doeleinden.
220. De Geschillenkamer is van mening dat dit systeem, zoals het in de FATCA-overeenkomst is
vastgelegd, niet voldoet aan het evenredigheidbeginsel, met name op basis van de
rechtspraak van het HvJ-EU, dat al meerdere malen, onder meer in prejudiciële vragen,
heeft aangegeven hoe dit beginsel moest worden toegepast met betrekking tot
verwerkingen die vergelijkbaar zijn met die welke door de klagers aan de kaak zijn gesteld.
221. Zo oordeelde het HvJ-EU in een arrest van 8 april 2014 dat de bewaring van gegevens die
zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare
communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken onevenredig was,
aangezien deze verplichting zelfs van toepassing was op "personen voor wie er geen enkele
aanwijzing bestaat dat hun gedrag – zelfs maar indirect of van ver – een verband vertoont
met zware criminaliteit"89. Het concludeerde dat de wetgever van de EU de door het
evenredigheidsbeginsel gestelde grenzen had overschreden die hij in het licht van de
89
HvJ-EU, arrest van 8 april 2014, C-293/12 en C-594/12, Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a., ECLI:EU:C:2014:238, punt 58:
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/PDF/?uri=CELEX:62012CJ0293.
Beslissing ten gronde 79/2025 —65 /99
artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de EU in acht dient te
nemen, en verklaarde Richtlijn 2006/24/EG op die grond ongeldig.
222. In aansluiting op dit arrest hebben de gegevensbeschermingsautoriteiten, waaronder
destijds de CBPL, verenigd in de Groep artikel 29, eind 2015 het reeds genoemde advies
WP 234 aangenomen. Daarin motiveert de Groep dat er geen enkele reden is om de
overwegingen van het HvJ-EU uitsluitend te beperken tot de maatregelen die in het kader
van de strijd tegen terrorisme zijn getroffen. Ook andere beleidsmaatregelen die andere
doeleinden nastreven, met name via het verzamelen van persoonsgegevens, vallen onder
hetzelfde evenredigheidsbeginsel van artikel 6.1.c) van Richtlijn 95/46/EG, die toen van
toepassing was.
223. De gegevensbeschermingsautoriteiten benadrukken de noodzaak om dit beginsel na te
leven, ook in de context van de FATCA-overeenkomst, in de volgende bewoordingen:
"Hoewel die zaak voornamelijk betrekking had op de noodzakelijkheid en evenredigheid van
bepaalde terrorismebestrijdingsmaatregelen, is de Groep artikel 29 van mening dat de door
het arrest van het Hof vereiste afweging van toepassing is op elk overheidsbeleid
(waaronder beleid inzake samenwerking op het gebied van belastingen) dat gevolgen heeft
voor het recht op bescherming van persoonsgegevens. Daarom zou in
samenwerkingsovereenkomsten in belastingzaken de noodzakelijkheid van de voorziene
gegevensuitwisseling moeten worden aangetoond, en zou tevens moeten worden
aangetoond dat de gevraagde gegevens de minimaal benodigde gegevens zijn om het
verklaarde doel te kunnen verwezenlijken."90
224. De Groep artikel 29 verduidelijkt verder het volgende: "Als gevolg hiervan zouden
samenwerkingsovereenkomsten in belastingzaken bepalingen en criteria moeten bevatten
die informatie-uitwisseling, en in het bijzonder de rapportage van persoonsgegevens in
verband met financiële rekeningen, uitdrukkelijk in verband brengen met mogelijke
belastingontduiking en die rekeningen met een laag risico uitsluiten van de rapportage. In dit
verband zouden deze criteria vooraf van toepassing moeten zijn om te bepalen welke
rekeningen (en welke informatie) moet worden gerapporteerd."
225. In 2017 zegt de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) 91 in wezen
hetzelfde wanneer hij in zijn Gids voor de beoordeling van de noodzaak van maatregelen die
90
Groep artikel 29, Richtsnoeren voor de lidstaten inzake de criteria voor het waarborgen van de naleving van
gegevensbeschermingsvereisten in het kader van de automatische uitwisseling van persoonsgegevens voor
belastingdoeleinden, WP 234 van 16 december 2015. De Geschillenkamer onderstreept.
91
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS voor European Data Protection Supervisor) is het
equivalent van een nationale gegevensbeschermingsautoriteit voor de instellingen van de Europese Unie. Zie Verordening
(EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr.
1247/2002/EG.
Beslissing ten gronde 79/2025 —66 /99
het grondrecht op bescherming van persoonsgegevens beperken92 benadrukt dat "niet alle
maatregelen die nuttig kunnen zijn voor het bereiken van een bepaald doeleinde, wenselijk
zijn of in een democratische samenleving als noodzakelijk kunnen worden beschouwd. Het
volstaat niet dat de maatregel gewoonweg geschikt of rendabel is." (vrije vertaling) De EDPS
wees er ook op dat het jaarlijkse karakter van de mededeling in uitvoering van de FATCA-
overeenkomst op zichzelf aantoont dat de mededeling niet gebaseerd is op aanwijzingen
voor ontduiking of fraude, maar systematisch gebeurt. 93
226. Op 24 februari 2022 heeft het HvJ-EU een arrest94 gewezen waarin het uitdrukkelijk stelt dat
een algemene en ongedifferentieerde verzameling van persoonsgegevens door een
belastingautoriteit met het oog op de bestrijding van belastingfraude niet is toegestaan. De
betrokken autoriteit moet zich onthouden van het verzamelen van gegevens die niet strikt
noodzakelijk zijn voor de doeleinden van de verwerking (punt 74 van het arrest). De autoriteit
moet ook nagaan of haar verzoeken niet gerichter kunnen worden op basis van specifiekere
criteria.95 Zelfs bij de vervulling van de taak van algemeen belang waarmee de
verwerkingsverantwoordelijke is belast, preciseert het HvJ-EU dus dat hij niet op algemene
en ongedifferentieerde wijze gegevens mag verzamelen en dat hij moet nagaan of hij zijn
verzoeken meer kan toespitsen aan de hand van specifieke criteria (punten 74-76 van het
arrest).
227. Uit dit arrest blijkt overigens dat de ontvanger van het verzoek om gegevens verplicht is om
de gegrondheid ervan te onderzoeken en om na te gaan of hij wettelijk bevoegd is om erop
92
https://www.edps.europa.eu/sites/default/files/publication/17-06-01 necessity toolkit final fr.pdf (Franse versie);
https://www.edps.europa.eu/sites/default/files/publication/17-06-01 necessity toolkit final en.pdf (Engelse versie).
93
Zie ook een studie uit 2018 in opdracht van het Europees Parlement, waarin wordt gesteld dat de rapportageverplichtingen
die voortvloeien uit de FATCA-overeenkomst onvoldoende zijn afgebakend in verhouding tot het risico op
belastingontduiking. In de studie staat dat "de beperkingen die via de FATCA binnen de Europese Unie zijn ingevoerd door
middel van intergouvernementele akkoorden, in het huidige stadium en onder bepaalde omstandigheden, noch noodzakelijk
noch evenredig lijken, aangezien zij de rapportageverplichtingen niet beperken tot personen die verdacht worden van
belastingfraude. Daarentegen zouden deze door de FATCA ingevoerde beperkingen als "noodzakelijke en evenredige
maatregelen" kunnen worden beschouwd, op voorwaarde dat de Verenigde Staten per geval bewijzen aanleveren dat
Amerikaanse expats het financiële systeem van de Unie gebruiken om zich in het buitenland schuldig te maken aan
belastingfraude. Bij gebrek aan dergelijk bewijs lijken de beperkingen van de FATCA verder te gaan dan wat strikt noodzakelijk
is om het doeleinde van de bestrijding van belastingfraude in het buitenland te bereiken." (vrije vertaling) De bijgewerkte versie
van deze studie komt tot dezelfde conclusie:
https://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2022/734765/IPOL IDA(2022)734765 EN.pdf.
94
HvJ-EU, arrest van 24 februari 2022, C-175/20, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale
doeleinden), ECLI:EU:C:2022:124. Zie ook arrest C-817/19, Ligue des droits humains (PNR), reeds aangehaald, van 21 juni 2022:
"115. Wat de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel betreft, vereist de bescherming van het grondrecht op
eerbiediging van het privéleven op het niveau van de Unie volgens vaste rechtspraak van het Hof dat de uitzonderingen op de
bescherming van de persoonsgegevens en de beperkingen ervan binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven.
Bovendien kan een doelstelling van algemeen belang niet worden nagestreefd zonder rekening te houden met het feit dat
deze doelstelling moet worden verzoend met de door de maatregel aangetaste grondrechten, zulks via een evenwichtige
afweging tussen de doelstelling en de op het spel staande rechten."
95
Het HvJ-EU formuleert deze overwegingen naar aanleiding van het verzoek van de Letse belastingautoriteit aan een
marktdeelnemer om, voor een bepaalde periode, gegevens te verstrekken over de advertenties voor de verkoop van
personenauto's die op zijn website zijn geplaatst, en om de permanente toegang tot de gegevens van deze advertenties te
herstellen en, indien dit niet mogelijk is, haar maandelijks de gegevens over deze advertenties te verstrekken (punten 14-16
van het arrest).
Beslissing ten gronde 79/2025 —67 /99
te reageren. Doet hij dat niet, dan riskeert de ontvanger van het verzoek zijn eigen
verplichtingen uit hoofde van het recht op gegevensbescherming te schenden.
228. De verweerder is van oordeel dat deze rechtspraak niet relevant is, omdat er in het
onderhavige geval geen sprake zou zijn van een algemene en ongedifferentieerde
verzameling van gegevens, noch van latere doorgiften die als zodanig kunnen worden
beschouwd. In uitvoering van de FATCA-overeenkomst hebben de gegevensverwerkingen
volgens de verweerder betrekking op een specifieke categorie van personen, namelijk
personen met de Amerikaanse nationaliteit, en zelfs onder hen zijn sommigen niet
betrokken wanneer het bedrag op hun bankrekening de rapportagedrempel niet bereikt. De
verweerder wijst er bovendien op dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 9 maart 2017
(zie hieronder) specifiek het volgende heeft geoordeeld: "De inzameling van de gegevens [in
uitvoering van de FATCA-overeenkomst] is evenredig in zoverre de wet in de bijlagen ervan
de criteria definieert waarmee rekening wordt gehouden om te bepalen welke gegevens
moeten worden meegedeeld (...)." Volgens de verweerder is het arrest van het
Grondwettelijk Hof dus in overeenstemming met het arrest van het HvJ-EU van 2022, waarin
dezelfde termen "evenredigheid" en "criteria" worden gebruikt.
229. De Geschillenkamer is van oordeel dat, in het verlengde van de hiervoor aangehaalde
rechtspraak van het HvJ-EU uit 2014, de lessen uit dit arrest C-175/2020 wel zeer relevant
zijn. Toegepast op het onderhavige geval volgt hieruit voor de Geschillenkamer dat – zoals
de gegevensbeschermingsautoriteiten kort na het arrest van 8 juni 2014 hadden benadrukt
–, om het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen bij een gegevensuitwisseling die
bovendien automatisch gebeurt en zonder enig concreet vermoeden van
belastingontduiking, ten minste als criterium de categorieën van personen of rekeningen
moeten worden uitgesloten die vrijgesteld kunnen worden van de meldingsplicht krachtens
de FATCA-overeenkomst, evenals die welke een zeer gering risico op ontduiking vertonen.
Als de beoogde personen in werkelijkheid niet belastbaar zijn in de Verenigde Staten
volgens het belastingstelsel dat van toepassing is op niet-ingezetenen, voor zover hun
inkomsten in het buitenland de vastgestelde drempel niet overschrijden, is de doorgifte van
hun persoonsgegevens niet evenredig. Deze situatie kan van toepassing zijn op toeval-
Amerikanen, aangezien zij juist niet-ingezetenen zijn.
230. De doorgifte van gegevens aan de IRS betreft, in tegenstelling tot een specifieke verwerking
op ad-hocverzoek, a priori alle personen met de Amerikaanse nationaliteit. Het algemene
karakter van de verwerking moet worden beoordeeld in het licht van de doelgroep van de
norm zelf, die een geïdentificeerde groep kan vormen. Wanneer het opgegeven doeleinde
de bestrijding van belastingontduiking is (waarbij de beoordeling van de evenredigheid hoe
dan ook bemoeilijkt wordt door het ontbreken van een voldoende nauwkeurig doeleinde, zie
hierboven) op basis van de Amerikaanse nationaliteit, en de verwerking betrekking heeft op
Beslissing ten gronde 79/2025 —68 /99
de gegevens – ook al zijn die opgesomd – van alle Amerikanen die in het buitenland verblijven
(in dit geval in België), dan gaat het om een algemene verwerking. Net zoals het HvJ-EU heeft
geoordeeld dat de verstrekking van gegevens over de advertenties van alle verkopers van
tweedehandsvoertuigen of de permanente beschikbaarheid van deze gegevens via internet
een algemene verzameling vormde, is ook de doorgifte van persoonsgegevens van alle
Amerikanen die in België wonen algemeen.
231. Volgens de Geschillenkamer is de doorgifte aan de IRS overigens nauwelijks
gedifferentieerd, aangezien zij alle Amerikanen treft, ongeacht of er enig verband bestaat
met het doeleinde van die doorgifte, namelijk de bestrijding van belastingontduiking,
behalve de "uitzondering" die geldt voor de te rapporteren rekeningen. De Geschillenkamer
benadrukt dat het feit dat de te verzamelen en vervolgens door te geven persoonsgegevens
worden opgesomd, naar haar mening geen relevant en voldoende "criterium" vormt om de
betrokken Amerikanen met het oog op dit doeleinde van elkaar te onderscheiden.
232. De enige uitzondering met betrekking tot te rapporteren rekeningen, zoals bedoeld in punt
A van deel I van bijlage II bij de FATCA-overeenkomst, is in werkelijkheid geen echte
uitzondering, aangezien banken zich hiervan kunnen vrijstellen. Daarin wordt namelijk
gepreciseerd dat "rekeningen met een geringe waarde, in dit geval minder dan 50.000
Amerikaanse dollar, niet onder de rapporteringsprocedures vallen, tenzij de rapporterende
financiële instelling anders beslist" (vrije vertaling).
233. Deze mogelijkheid bestaat omdat het versturen van gegevens over deze rekeningen niet
echt noodzakelijk is in de zin van artikel 6.1.b) van Richtlijn 95/46/EG. In beraadslaging
52/2016 van het SCFO werd in dit verband al het volgende gesteld (punt 16 van de
beraadslaging): "Het Comité stelt hier dus het optionele karakter vast van deze drempel. De
aanvrager deelde evenwel mee dat sommige financiële instellingen hadden bevestigd
hiervan gebruik te maken. Om te vermijden dat een overmatig aantal rekeningen wordt
meegedeeld aan de Verenigde Staten, verzoekt het Comité de financiële instellingen de
drempel van 50 000 US dollar toe te passen (…) om de proportionaliteit van de
gegevensverwerking te waarborgen." Hoewel het SCFO zich tot de banken richt, is de
beraadslaging niettemin ook aan de verweerder gericht, die hiervan op de hoogte was. In dit
verband kan de verweerder zich, a priori gezien beraadslaging 52/2016, niet verschuilen
achter het gedrag van de banken die geen gebruik zouden maken van de hun geboden
mogelijkheid, zoals hij in zijn conclusie doet. Het is namelijk zijn taak als
verwerkingsverantwoordelijke om alleen ter zake dienende en niet bovenmatige (dus
noodzakelijke) gegevens aan de IRS door te geven en de financiële instellingen aan deze
plicht te herinneren.
234. In het kader van de automatische uitwisseling werd meteen al, vanaf het OESO-verdrag,
vastgesteld dat er een risico bestond dat niet ter zake dienende gegevens zouden worden
Beslissing ten gronde 79/2025 —69 /99
ontvangen en dat dit risico moest worden vermeden . In bijlage II van de FATCA-
96
overeenkomst is daarom bepaald dat de categorieën van personen en/of te rapporteren
rekeningen (gelet op het maximumbedrag) die een laag risico op belastingontduiking
inhouden, regelmatig moeten worden herzien en moeten worden uitgesloten van de
automatische uitwisseling van hen betreffende gegevens97. Gelet op deze vereiste is het des
te meer discutabel dat de verweerder persoonsgegevens doorgeeft van houders van niet te
rapporteren rekeningen op grond van het feit dat de banken deze gegevens zouden
verzamelen en/of dat hij geen toegang zou hebben tot de inhoud van de gegevens. Hoe kan
de verweerder dan, zoals hij met name tegenover de ID betoogt, garanderen dat het beginsel
van minimale gegevensverwerking wordt nageleefd?
235. Voor zover nodig merkt de Geschillenkamer op dat dit arrest weliswaar dateert van na 24
mei 2016, net als sommige andere documenten waarnaar zij hierboven heeft verwezen. Om
de redenen die zij in titel II.5 heeft uiteengezet, waaronder de ex tunc-uitwerking van
arresten die naar aanleiding van prejudiciële vragen worden gewezen, houdt de
Geschillenkamer rekening met de wijze waarop de belangrijkste begrippen op het gebied
van gegevensbescherming door het HvJ-EU worden geïnterpreteerd, met inbegrip van de
interpretatie die wordt gegeven aan de begrippen van de AVG die ook in Richtlijn 95/46/EG
voorkomen, en des te meer wanneer, zoals in het onderhavige geval, het slechts gaat om een
bevestiging, ditmaal in een fiscale context, van rechtspraak die reeds sinds 2014 bestaat.
236. Op basis van de hierboven uiteengezette rechtspraak van het HvJ-EU, toegepast op het
onderhavige geval, stelt de Geschillenkamer vast dat het evenredigheidsbeginsel, zoals
neergelegd in artikel 6.1.b) van Richtlijn 95/46/EG, niet wordt nageleefd. De verweerder
toont niet aan dat uitsluitend toereikende, ter zake dienende en niet bovenmatige
persoonsgegevens, ook al zijn deze gegevens opgesomd (hetzij in de FATCA-overeenkomst
(artikel 2.2), hetzij in de wet van 16 december 2015 (artikel 5)), worden doorgegeven aan de
IRS, aangezien de doorgifte ervan in bepaalde omstandigheden niet geschikt is om het
96
Uittreksel uit het toelichtend rapport bij het OESO-verdrag (artikel 6; vrije vertaling): "62. Een kenmerk van de automatische
uitwisseling van inlichtingen is dat deze betrekking heeft op een grote hoeveelheid specifieke inlichtingen van dezelfde aard,
die doorgaans verband houden met betalingen uit de staat die de inlichtingen verstrekt en met bronbelastingen die in die staat
worden ingehouden. Dit soort inlichtingen kan periodiek worden verkregen in het kader van het eigen systeem van die staat
en systematisch en regelmatig worden doorgestuurd. De automatische uitwisseling van inlichtingen maakt het mogelijk de
naleving te verbeteren en fraude op te sporen die anders onopgemerkt zou zijn gebleven. De staten moeten ernaar streven de
inlichtingen zo efficiënt mogelijk uit te wisselen, gezien de omvang ervan.
63. Wanneer belastingplichtigen kennis hebben van een dergelijke regeling, en dus van de aard van de uitgewisselde
inlichtingen, kan dit leiden tot een betere naleving, en zullen zowel het aantal gevallen als het bedrag aan niet-aangegeven
inkomsten na enkele jaren waarschijnlijk afnemen. Er kunnen echter manieren zijn om de doeltreffendheid te vergroten en de
kosten te beperken, bijvoorbeeld door de automatische uitwisseling te beperken tot domeinen waarin de naleving het laagst
is, door de aard van de uitgewisselde inlichtingen na enkele jaren te wijzigen en door gebruik te maken van gestandaardiseerde
formulieren (zie ook punt 66 hieronder)."
97
Zie in dit verband bijlage II bij de FATCA-overeenkomst: "This Annex II may be modified by a mutual written decision entered
into between the Competent Authorities of Belgium and the United States: (1) to include additional Entities and accounts that
present a low risk of being used by U.S. Persons to evade U.S. tax and that have similar characteristics to the Entities and
accounts described in this Annex II as of the date of signature of the Agreement."
Beslissing ten gronde 79/2025 —70 /99
nagestreefde doeleinde te bereiken (onverminderd de overwegingen van de
Geschillenkamer met betrekking tot het doeleinde).
237. Gelet op de voorrang in rechte van deze rechtspraak van het HvJ-EU98 met betrekking tot
het evenredigheidsbeginsel, kan de Geschillenkamer alleen maar vaststellen dat de
adviezen van de CBPL, de beraadslaging van het SCFO, de beraadslagingen van de CNIL of
zelfs het arrest van de Franse Raad van State van 19 juli 2019 geen grond konden vormen
voor de overtuiging van de verweerder dat de FATCA-overeenkomst daadwerkelijk in
overeenstemming was met het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-recht. De verweerder kan
zich hierop niet beroepen, aangezien de conclusies ervan, in het bijzonder wat betreft de
evenredigheid, in strijd zijn met wat het HvJ-EU verwacht in termen van naleving van dit
beginsel. Dit geldt ook voor het arrest van het Grondwettelijk Hof van 9 maart 2017, waarop
de verweerder zich in het bijzonder baseert. In dit verband merkt de Geschillenkamer op dat
dit arrest in ieder geval geen grond kon vormen voor de overtuiging van de verweerder dat
de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december 2015 in overeenstemming zijn met
het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-recht. Gelet op het middel dat het Grondwettelijk Hof
moest beoordelen99, is de Geschillenkamer van oordeel dat niet kan worden afgeleid dat het
Hof, door te oordelen dat de inmenging voldeed aan de voorwaarden van artikel 8, § 2, van
het EVRM – zonder zich uit te spreken over artikel 8 van het Handvest van de grondrechten,
hoewel dit in het middel was aangevoerd100 –, daarmee ook zou hebben geconcludeerd dat
zowel de wet van 16 december 2015 als de FATCA-overeenkomst volledig in
overeenstemming waren met zowel Richtlijn 95/46/EG als het Handvest van de
grondrechten van de EU.
238. De Geschillenkamer merkt ook op dat het Grondwettelijk Hof concludeert dat dit middel niet
gegrond is, met name op grond van de volgende overweging: "de inzameling van de
gegevens maakt het mogelijk het doel van de wet te bereiken en is evenredig in zoverre de
wet in de bijlagen ervan de criteria definieert waarmee rekening wordt gehouden om te
bepalen welke gegevens moeten worden meegedeeld (punt A van deel I van bijlage II)" (vrije
98
Zie bijvoorbeeld met betrekking tot deze voorrang: HvJ-EU, arrest van 14 september 2017, C-628/75, The Trustees of the
BT Pension Scheme en de aangehaalde referenties: ECLI:EU:C:2017:687.
99
In zijn arrest van 9 maart 2017 reageert het Grondwettelijk Hof met name op een vijfde middel: "Een vijfde middel is afgeleid
uit de schending, door artikel 12 van de bestreden wet [de wet van 16 december 2015], van artikel 8 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens, van de artikelen 7, 8 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,
alsook van artikel 4, derde lid, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte
van de verwerking van persoonsgegevens." In dit verband luidt artikel 4, § 1, 3°, als volgt: "Persoonsgegevens dienen
toereikend, ter zake dienend en niet overmatig te zijn, uitgaande van de doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor
zij verder worden verwerkt."
100
Wat de toetsing aan het Handvest van de grondrechten van de EU betreft, stelt de Geschillenkamer vast dat hiervan in het
arrest geen spoor te vinden is. Nochtans biedt artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de EU een ruimere
bescherming dan artikel 8 van het EVRM, aangezien het zowel het beginsel van doelbinding (8.2) als de vereiste van
onafhankelijk toezicht (8.3) omvat. Artikel 52.3 van het Handvest van de grondrechten bepaalt het volgende: "Voor zover dit
Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die
welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere
bescherming biedt."
Beslissing ten gronde 79/2025 —71 /99
vertaling). Volgens de Geschillenkamer is het doel van de wet niet gelijk te stellen aan een
verwerkingsdoeleinde, en vormen de opgesomde gegevens geen criterium (punt 236). Wat
de verwijzing naar de reeds genoemde bijlage II betreft, gaat het, zoals reeds vermeld,
slechts om een mogelijkheid (punten 232-233). De Geschillenkamer is zich ervan bewust dat
vernietigingsarresten van het Grondwettelijk Hof waarbij het beroep tot vernietiging wordt
verworpen, bindend zijn voor de rechtbanken wat betreft de rechtsvragen die in deze
arresten worden beslecht. Zoals reeds vermeld, moet dit echter wijken voor de voorrang van
het EU-recht (met inbegrip van de rechtspraak van het HvJ-EU).
II.6.1.4. Andere waarborgen ten gunste van de betrokkenen
239. Naast het feit dat de gegevensverwerkingen waarin de overeenkomst voorziet, moeten
voldoen aan de reeds besproken beginselen van doelbinding en evenredigheid, moet de
FATCA-overeenkomst, om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 96 van de AVG en
zoals bepaald in overweging 102, een aantal andere waarborgen ten gunste van de
betrokkenen bevatten. Alleen al de niet-naleving van de beginselen van doelbinding en
evenredigheid maakt de doorgifte op grond van de FATCA-overeenkomst en de wet van 16
december 2015 onrechtmatig. De Geschillenkamer stelt echter vast, zonder in dit verband
exhaustief te zijn, dat andere in de overeenkomst vereiste waarborgen ontbreken.
240. In het reeds genoemde advies WP 234 heeft de Groep artikel 29 de waarborgen
geïdentificeerd die voortvloeien uit de toepassing van Richtlijn 95/46/EG met betrekking tot
automatische doorgiften van gegevens voor belastingdoeleinden.
241. Naast de beginselen van doelbinding en evenredigheid vermeldt het advies WP 234 ook de
vereiste van evenredigheid met betrekking tot de bewaartermijnen (artikel 6.1). De
Geschillenkamer zal de naleving van dit beginsel ook toetsen aan de AVG, en haar
overwegingen in punt 259 gelden ook voor Richtlijn 95/46/EG, aangezien de AVG de
vereisten van dit beginsel niet heeft gewijzigd. In de FATCA-overeenkomst is geen
bewaartermijn vastgelegd, zelfs niet onder verwijzing naar relevante parameters. Er is geen
enkele verbintenis van de IRS op dat punt.
242. Het advies WP 234 bevat ook een transparantievereiste. In de overeenkomst moet
informatie worden opgenomen die in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van
Richtlijn 95/46/EG101. Ook hier verwijst de Geschillenkamer naar haar beoordeling van dit
punt in het licht van de AVG (punt 262 e.v.). Hoewel de door Richtlijn 95/46/EG vereiste
informatie beperkter is dan die welke door artikel 14 van de AVG wordt vereist, bevat de
101
"Duidelijke en passende informatie moet betrokkenen in staat stellen te begrijpen wat er met hun persoonsgegevens
gebeurt en hoe ze hun rechten kunnen uitoefenen, zoals voorzien in de artikelen 10 en 11 van de richtlijn."
Beslissing ten gronde 79/2025 —72 /99
FATCA-overeenkomst geen enkele waarborg op het gebied van informatie, in het bijzonder
van de kant van de IRS.
II.6.1.5. Conclusie over de overeenstemming met het EU-recht dat op 24 mei
2016 van toepassing was
243. Op basis van het voorgaande is de Geschillenkamer van mening dat de door de verweerder
aangevoerde argumenten ter ondersteuning van de overeenstemming van de FATCA-
overeenkomst met het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-recht hem niet in staat stelden te
concluderen dat hij op grond van artikel 96 van de AVG gegevens kon blijven doorgeven aan
de IRS. De verweerder toont niet aan dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel
96 was en is voldaan, noch dat de FATCA-overeenkomst op zichzelf, en zelfs in combinatie
met de wet van 16 december 2015, in overeenstemming is met het op 24 mei 2016
toepasselijke Unierecht.
II.6.2. Doorgiften aan de IRS en naleving van de AVG
II.6.2.1. Beginselen
244. Uit het voorgaande volgt dat de FATCA-overeenkomst op dit moment niet meer in
overeenstemming is met de AVG dan zij vóór 24 mei 2016 was met het EU-recht, gelet
op de beginselen van doelbinding en minimale gegevensverwerking die zijn neergelegd in
de artikelen 5.1.b) en 5.1.c) van de AVG, en die in de AVG de beginselen van doelbinding en
evenredigheid van de artikelen 6.1.b) en 6.1.c) van Richtlijn 95/46/EG weerspiegelen. De
Geschillenkamer heeft immers geconcludeerd dat de gegevensdoorgiften in het kader van
de FATCA-overeenkomst niet in overeenstemming waren met de artikelen 6.1.b) en 6.1.c)
van Richtlijn 95/46/EG, noch met de artikelen 8 en 52 van het Handvest van de
grondrechten van de EU (titels II.6.1.3 en II.6.1.4).
245. De doorgifte van gegevens aan de IRS voldoet evenmin aan de vereisten van het kader
voor grensoverschrijdende gegevensstromen naar derde landen 102 zoals de Verenigde
Staten, zoals vereist door hoofdstuk V van de AVG.
246. Zoals de partijen in hun respectieve conclusies benadrukken, voorziet hoofdstuk V van de
AVG in een cascadesysteem van verschillende instrumenten die door een
verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker kunnen worden ingezet om
persoonsgegevens naar een derde land door te geven.103 Dit systeem sluit aan bij de regeling
102
Onder derde landen worden alle landen verstaan die geen lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER). De doorgifte
van de persoonsgegevens van de eerste klager door de verweerder aan de IRS vormt een doorgifte naar een derde land in de
zin van de AVG.
103
Zie Kuner, in Kuner a.o. The EU General Data Protection Regulation: A Commentary, OUP 2020, p. 846.
Beslissing ten gronde 79/2025 —73 /99
voor gegevensdoorgiften waarin Richtlijn 95/46/EG voorziet. 104
Bij ontstentenis van een
adequaatheidsbesluit in de zin van artikel 45 van de AVG mag een doorgifte van
persoonsgegevens aan een derde land door een verwerkingsverantwoordelijke dus alleen
plaatsvinden mits hij passende waarborgen biedt en betrokkenen over afdwingbare rechten
en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken in de zin van artikel 46.1 van de AVG. Deze
passende waarborgen kunnen verschillende vormen aannemen, waaronder die van een
juridisch bindend instrument (artikel 46.2.a) van de AVG). Ten slotte kan, bij ontstentenis van
een adequaatheidsbesluit en passende waarborgen, een doorgifte van gegevens aan een
derde land slechts plaatsvinden indien een van de in artikel 49 van de AVG genoemde
afwijkingen van toepassing is. Indien niet aan de vereisten van de artikelen 45 tot en met 49
van de AVG wordt voldaan, is de doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land buiten
de EER verboden.
247. Het staat buiten kijf dat er geen adequaatheidsbesluit bestaat voor de doorgifte van de
gegevens van de eerste klager (en meer in het algemeen van Belgische toeval-Amerikanen
(waarvan de tweede klager de belangen behartigt) aan de IRS in de Verenigde Staten,
aangezien het "privacyschild"-besluit105 – dat overigens door het HvJ-EU in het reeds
genoemde Schrems II-arrest ongeldig is verklaard – niet van toepassing is op dit soort
doorgiften, evenmin als het adequaatheidsbesluit van 10 juli 2023 106, hetgeen door de
partijen niet wordt betwist.
II.6.2.2. Toepassing van de artikelen 46.1 en 46.2.a) van de AVG
248. Zoals reeds vermeld, beroept de verweerder zich in het onderhavige geval, onverminderd
artikel 96 van de AVG waarop hij zich in hoofdzaak baseert, op artikel 46.2.a) van de AVG,
aangezien de doorgifte van gegevens door de verweerder aan de IRS gebaseerd is op een
juridisch bindend en afdwingbaar instrument tussen hem en de IRS waarvoor geen
toestemming van de GBA vereist is, namelijk de FATCA-overeenkomst enerzijds en de wet
van 16 december 2015 anderzijds.
249. Uit artikel 46.2.a) van de AVG blijkt dat de passende waarborgen in het juridisch bindend
instrument moeten zijn opgenomen.107 Artikel 46.2.a) luidt namelijk als volgt: "de (…)
passende waarborgen kunnen worden geboden door (...) een juridisch bindend en
104
Voor een vergelijking tussen Richtlijn 95/46/EG en de AVG, Kuner, in Kuner a.o. The EU General Data Protection Regulation:
A Commentary, OUP 2020, p. 758.
105
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1250 van de Commissie van 12 juli 2016 overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het
Europees Parlement en de Raad betreffende de gepastheid van de door het EU-VS-privacyschild geboden bescherming, PB
2016, L 207/1.
106
Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/1795 van de Commissie van 10 juli 2023 overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad inzake het passende niveau van bescherming van persoonsgegevens krachtens het EU-VS-
kader voor gegevensbescherming, PB van 20 september 2023, L 231/118.
107
Zie ook de reeds genoemde Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB, p. 19 e.v.
Beslissing ten gronde 79/2025 —74 /99
afdwingbaar instrument tussen overheidsinstanties of -organen"108. Zij kunnen gebaseerd
zijn op een bindende nationale rechtsnorm, maar daar moet uitdrukkelijk naar worden
verwezen109.
250. Hoewel deze passende waarborgen als zodanig niet worden genoemd in artikel 46 van de
AVG of in overweging 108 daarvan, moeten zij van dien aard zijn dat zij ervoor zorgen dat
personen van wie persoonsgegevens naar een derde land worden doorgegeven, een
beschermingsniveau genieten dat in grote lijnen overeenkomt met het
beschermingsniveau dat binnen de EU door de AVG wordt gewaarborgd, en dat dit
beschermingsniveau niet wordt ondermijnd110.
251. In zijn Richtsnoeren 02/2020111 somt de EDPB, rekening houdend met artikel 44 van de AVG
en met de rechtspraak van het HvJ-EU, in het bijzonder het reeds genoemde Schrems II-
arrest, de minimale waarborgen op die moeten worden opgenomen in het juridisch bindend
instrument (artikel 46.2.a) van de AVG).
252. Deze versterken die welke de Groep artikel 29 reeds in 2015 in het document WP 234 had
uiteengezet. Het gaat hier niet louter om aanbevelingen, maar om minimale waarborgen
die in de internationale overeenkomst moeten zijn opgenomen ter uitvoering van artikel
46.2.a), en waarvan het aan de verweerder is om aan te tonen dat zij daadwerkelijk zijn
ingevoerd en voortdurend doeltreffend zijn. De EDPB noemt ook de afdwingbare rechten
en de doeltreffende rechtsmiddelen, die vereist zijn krachtens artikel 46.1 van de AVG.
253. Deze minimumvereisten hebben in het bijzonder betrekking op (1) de definities van de
basisbegrippen, (2) de basisbeginselen op het gebied van gegevensbescherming, (3) de
rechten van de betrokkenen, (4) de beperking van de verdere doorgifte en het delen van
gegevens, (5) de doeltreffende rechtsmiddelen, (6) de toezichtsmechanismen en (7) de
verantwoordingsplicht of "accountability".
254. De Geschillenkamer zal niet alle minimale waarborgen die door de FATCA-overeenkomst
moeten worden geboden, uitvoerig onderzoeken. Het ontbreken van een aantal van deze
waarborgen volstaat namelijk om te concluderen dat de op basis daarvan uitgevoerde
doorgiften onrechtmatig zijn.
255. Definitie van de basisbegrippen (punt 2.2 van de richtsnoeren van de EDPB): het is van
essentieel belang dat de partijen het eens zijn over de betekenis van de kernbegrippen die
108
De Geschillenkamer onderstreept.
109
Zie punt 14 van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB.
110
Zie in dit verband het arrest van het HvJ-EU van 16 juli 2020, C-311/18, Facebook Ireland en Maximilian Schrems (Schrems
II-arrest), punten 92 en 96; Richtsnoeren 2/2020 van de EDPB, punten 6 en 12.
111
EDPB, Richtsnoeren 2/2020 van 15 december 2020 betreffende artikel 46, lid 2, punt a), en lid 3, punt b), van Verordening
2016/679 inzake doorgiften van persoonsgegevens tussen overheidsinstanties en overheidsorganen binnen en buiten de
EER: https://www.edpb.europa.eu/system/files/2021-
06/edpb guidelines 202002 art46guidelines internationaltransferspublicbodies v2 nl.pdf (punt 12).
Beslissing ten gronde 79/2025 —75 /99
betrekking hebben op de gegevensverwerkingen waarin de overeenkomst tussen hen
voorziet, en dat deze begrippen daarin ook worden gedefinieerd. Bij gebrek daaraan kan de
doeltreffendheid van alle andere waarborgen in het gedrang komen. De EDPB somt daarom
de definities van de volgende kernbegrippen op: "persoonsgegevens", "verwerking van
persoonsgegevens", "verwerkingsverantwoordelijke", "verwerker", "ontvanger" en
"gevoelige gegevens"112.
256. De Geschillenkamer stelt vast dat de FATCA-overeenkomst geen van deze definities bevat.
Hoewel artikel 1 van de overeenkomst uitsluitend gewijd is aan definities (1, onder a) tot en
met z) + onder aa) tot en met mm)), heeft geen enkele daarvan betrekking op begrippen
inzake gegevensbescherming, terwijl de kern van de overeenkomst juist berust op een
reeks verwerkingen van persoonsgegevens. De overeenkomst heeft het over
"inlichtingen", wat aantoont hoe belangrijk het is om overeenstemming te bereiken over wat
in voorkomend geval onder persoonsgegevens wordt verstaan. Hoewel de verweerder
uiteraard gebonden is aan de definities in de AVG (en de wet van 16 december 2015), geldt
dit niet voor de IRS, die de gegevens zal ontvangen. De overeenkomst verwijst evenmin naar
Amerikaanse wetgeving waarin deze begrippen worden gedefinieerd.
257. Doelbindingsbeginsel (punt 2.3.1 van de richtsnoeren van de EDPB)113: op dit punt verwijst
de Geschillenkamer naar haar conclusies in titel II.6.1.3 hierboven. Bovendien vermeldt de
FATCA-overeenkomst niet welke soorten verwerkingen plaatsvinden met de gegevens die
krachtens de overeenkomst worden doorgegeven en verwerkt 114.
258. Beginselen van gegevensminimalisering en juistheid (punt 2.3.2 van de richtsnoeren van
de EDPB)115, 116: wat de naleving van het gegevensminimaliseringsbeginsel betreft, verwijst
de Geschillenkamer naar haar conclusies hierboven (titel II.6.1.4).
112
Punt 16 van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB.
113
Zie p. 6 van WP 234 en punt 18 van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB: de internationale overeenkomst moet het
toepassingsgebied ervan omschrijven, moet de doeleinden preciseren waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt
(doorgegeven), met inbegrip van de verenigbare doeleinden voor verdere verwerking, en moet waarborgen dat de gegevens
niet verder worden verwerkt voor onverenigbare doeleinden.
114
Zie titel 2.1 van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB.
115
Zie p. 6 van WP 234 en punt 21 e.v. van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB: de categorieën van persoonsgegevens die
overeenkomstig de overeenkomst worden doorgegeven en verwerkt, moeten duidelijk in de internationale overeenkomst
worden vermeld, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat deze vermelding alleen betrekking heeft op gegevens die
toereikend zijn, ter zake dienend zijn en beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden
doorgegeven en verder verwerkt. In de praktijk leidt de naleving van dit beginsel tot het voorkomen van de doorgifte van
ontoereikende of buitensporige gegevens. Bovendien moeten de doorgegeven gegevens juist en up-to-date zijn, gelet op de
doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Het is daarom van belang dat in de internationale overeenkomst wordt bepaald dat
de partij die de gegevens doorgeeft, garandeert dat de in het kader van de overeenkomst doorgegeven persoonsgegevens
juist en, waar van toepassing, up-to-date zijn.
116
Bovendien moet in de overeenkomst worden bepaald dat, wanneer een van de partijen verneemt dat onjuiste of verouderde
gegevens zijn doorgegeven of worden verwerkt, die partij de andere daarvan onverwijld in kennis stelt. Tot slot moet de
overeenkomst waarborgen dat, zodra is bevestigd dat de doorgegeven of verwerkte gegevens onjuist zijn, elke partij die de
gegevens verwerkt alle redelijke maatregelen treft om deze gegevens te corrigeren of te wissen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —76 /99
259. Opslagbeperkingsbeginsel (punt 2.3.3 van de richtsnoeren van de EDPB)117, 118: de
Geschillenkamer merkt op dat de FATCA-overeenkomst geen enkele verbintenis bevat met
betrekking tot de beperkte bewaring van de gegevens die in uitvoering van de
overeenkomst worden verwerkt en doorgegeven, noch een maximale bewaartermijn. Zoals
de verweerder in zijn conclusie benadrukt, voorziet de wet van 16 december 2015 voor hem
weliswaar in een bewaartermijn van 7 jaar (artikel 15.3 van de genoemde wet). Deze in de
Belgische wetgeving vastgestelde termijn is echter alleen bindend voor de verweerder. Dit
bewijst niet dat de IRS ook gehouden is tot een evenredige bewaartermijn voor de
doorgegeven gegevens. Nochtans moeten de gegevens ook na hun doorgifte aan de
Verenigde Staten beschermd blijven, en het is, zoals eerder vermeld, aan de verweerder om
zich daarvan te vergewissen. In zijn conclusie legt de verweerder een tabel voor met een
aantal bewaartermijnen die van toepassing zijn op de IRS en die hij zelf als "richtlijnen"
omschrijft, waaronder een termijn die volgens hem "doorgaans" 5 jaar bedraagt (punt 66 van
de tweede aanvullende en syntheseconclusie van de verweerder). Afgezien van het feit dat
hierover niets in de overeenkomst zelf staat vermeld, kan de Geschillenkamer niet
beoordelen of deze termijnen evenredig zijn aan de doeleinden van de verwerkingen.
260. Rechten van de betrokkenen119: overeenkomstig artikel 46.1 van de AVG en overweging
108 moet de internationale overeenkomst afdwingbare en doeltreffende rechten voor de
betrokkene waarborgen. Dit betekent dat de overeenkomst alle rechten moet omvatten die
de betrokkenen genieten, met inbegrip van de specifieke verbintenissen die de partijen zijn
aangegaan om deze rechten te garanderen. Om deze rechten effectief te laten zijn, moet de
internationale overeenkomst mechanismen bevatten die ervoor zorgen dat ze in de praktijk
worden toegepast. Bovendien moet elke inbreuk op de rechten van een betrokkene
gekoppeld worden aan een passend rechtsmiddel120.
117
Zie p. 6 en7 van WP 234 en punt 24 van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB: de internationale overeenkomst moet een
clausule in verband met de gegevensbewaring bevatten. In die clausule moet specifiek zijn opgenomen dat de
persoonsgegevens slechts gedurende de periode die noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens werden
doorgegeven en vervolgens verwerkt, worden bijgehouden in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen te
identificeren. Wanneer er nog geen maximale bewaringsperiode is vastgelegd in de nationale wetgeving van de partijen, moet
die maximale bewaringsperiode worden vastgelegd in de tekst van de overeenkomst.
118
Over het belang van het vaststellen van een passende bewaartermijn, zie Advies 2/2015 van de Europese Toezichthouder
voor gegevensbescherming (EDPS) inzake de overeenkomst tussen de EU en Zwitserland betreffende de automatische
uitwisseling van fiscale informatie (vrije vertaling): "Door een expliciete bewaartermijn voor verzamelde en uitgewisselde
persoonsgegevens vast te stellen, zou ervoor kunnen worden gezorgd dat de gegevens slechts zo lang worden bewaard als
strikt noodzakelijk is om de legitieme beleidsdoelstellingen te verwezenlijken en dat zij daarna worden verwijderd, waardoor
de individuele rechten volledig worden hersteld. Als dat niet het geval is, zou de grootschalige en voortdurende uitwisseling
van fiscale informatie over burgers leiden tot omvangrijke archieven die moeilijk te controleren zijn en schadelijk kunnen zijn
voor de burgers." https://www.edps.europa.eu/sites/default/files/publication/15-07-08 eu switzerland exsum nl.pdf en
https://www.edps.europa.eu/sites/default/files/publication/15-07-08 eu switzerland fr.pdf (Franse versie) /
https://www.edps.europa.eu/sites/default/files/publication/15-07-08 eu switzerland en.pdf (Engelse versie).
119
Zie p. 8 van WP 234 en titel 2.4, punt 27 e.v. van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB.
120
In dit verband preciseert de EDPB dat de internationale overeenkomst de transparantieverplichtingen van de partijen in
duidelijke bewoordingen moet omschrijven (titel 2.4.1 van de richtsnoeren van de EDPB). De overeenkomst moet bovendien
waarborgen dat de betrokkene het recht heeft om informatie te verkrijgen over alle persoonsgegevens die worden verwerkt
en om inzage te krijgen in deze gegevens. Ten slotte moet de overeenkomst een clausule bevatten waarin is vastgelegd dat
het ontvangende orgaan geen geautomatiseerde individuele beslissingen zal nemen – waaronder profilering – die voor de
Beslissing ten gronde 79/2025 —77 /99
261. De Geschillenkamer stelt vast dat de FATCA-overeenkomst geen melding maakt van de
rechten van de betrokkene, of het nu gaat om het recht op informatie, het recht van inzage,
het recht op rectificatie, het recht op gegevenswissing, het recht op beperking of het recht
van bezwaar. Evenmin bevat zij enige aanwijzing over wanneer deze rechten kunnen worden
ingeroepen en hoe zij kunnen worden uitgeoefend.
262. Wat het recht op informatie betreft, dat in de FATCA-overeenkomst ontbreekt, kan de
verweerder niet aanvoeren dat deze informatieplicht voor hem voortvloeit uit de wet van 16
december 2015 of uit de AVG, aangezien zijn standpunt er juist in bestaat dat hij van deze
plicht is vrijgesteld omdat deze uitsluitend bij de banken zou liggen (zie titel II.6.3). De
minimale waarborg die vereist is op grond van artikel 46.2.a) van de AVG, luidt echter als
volgt: "het overheidsorgaan dat de doorgifte verricht [in dit geval de verweerder], moet
individuele informatie aan de betrokkenen bezorgen overeenkomstig de
kennisgevingsvoorschriften die zijn bepaald in de artikelen 13 en 14 AVG", waarbij in dit
verband wordt aangestipt dat "een algemene informatieve vermelding op de website van
dat overheidsorgaan niet zal volstaan".
263. Ook de IRS, waaraan de gegevens worden doorgegeven ter uitvoering van de
overeenkomst, zou onder een informatieplicht moeten vallen. In dit verband toont de
verweerder niet aan dat aan deze vereiste is voldaan, en zoals eerder vermeld, blijkt deze
informatieplicht niet uit de overeenkomst.
264. Wat de andere rechten betreft, kan de Geschillenkamer alleen maar tot de vaststelling
komen dat deze niet in de overeenkomst zijn opgenomen en evenmin blijken uit de teksten
waarnaar de overeenkomst zou verwijzen. De Geschillenkamer merkt op dat de klagers erop
wijzen dat de website van de IRS, die nochtans betrekking heeft op de FATCA-
overeenkomst, geen informatie bevat over deze rechten. Wat het recht van inzage betreft
(een pijler van het recht op gegevensbescherming), zou de internationale overeenkomst
moeten preciseren dat personen het recht hebben om het ontvangende overheidsorgaan te
vragen te bevestigen of hen betreffende persoonsgegevens worden verwerkt en, indien dit
het geval is, inzage te krijgen van deze gegevens en van specifieke informatie over de
verwerking, met inbegrip van het doeleinde, de categorieën van gegevens, de ontvangers
van de gegevens, de bewaartermijnen en de rechtsmiddelen. Dit is niet het geval.
265. Wat meer in het bijzonder de vereiste verwijzing naar artikel 22 van de AVG betreft, voert de
verweerder aan dat hij geen verwerkingen uitvoert die onder deze bepaling vallen. Zelfs
indien dit zou worden bevestigd, doet dit niet ter zake. Waar het in dit verband om gaat, is
betrokkene rechtsgevolgen hebben of hem in aanmerkelijke mate treffen, wanneer die beslissingen uitsluitend zijn gebaseerd
op geautomatiseerde verwerkingen in de zin van artikel 22 van de AVG. Wanneer het doeleinde van de doorgifte de
mogelijkheid voor het ontvangende orgaan omvat om dergelijke beslissingen te nemen, moeten de voorwaarden voor een
dergelijke besluitvorming in de overeenkomst worden vastgelegd en in overeenstemming zijn met artikel 22, lid 2-4, van de
AVG.
Beslissing ten gronde 79/2025 —78 /99
dat de overeenkomst een waarborg moet bevatten waarin de partijen – met inbegrip van de
ontvanger van de gegevens (namelijk de IRS) – zich ertoe verbinden dit soort verwerkingen
niet uit te voeren (daarom is het, zoals eerder vermeld, van belang dat de soorten
verwerkingen worden geïdentificeerd, zoals uiteengezet in punt 257). Een dergelijke
waarborg ontbreekt in de overeenkomst.
266. Aangezien de rechten van de betrokkenen niet zijn vastgelegd in of voortvloeien uit de
FATCA-overeenkomst, wordt niet voldaan aan artikel 46.1 van de AVG, dat vereist dat
"betrokkenen over afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken". De
verweerder toont niet aan dat deze rechten daadwerkelijk afdwingbaar en doeltreffend zijn.
267. Wat de rechtsmiddelen betreft121: om te waarborgen dat deze rechten afdwingbaar en
doeltreffend zijn, moet de overeenkomst voorzien in een systeem dat de betrokkenen ook
na de doorgifte van hun gegevens naar een land buiten de EER in staat stelt gebruik te blijven
maken van verhaalmechanismen. Deze verhaalmechanismen moeten de betrokkenen wier
rechten zijn geschonden, in staat stellen een klacht in te dienen en daarover een beslissing
te verkrijgen.
268. De Geschillenkamer kan op dit punt alleen maar vaststellen dat de verweerder niet aantoont
dat dergelijke verhaalmechanismen bestaan ten behoeve van de personen die betrokken
zijn bij de betwiste verwerkingen nadat de gegevens zijn doorgegeven, waaronder de
Belgische toeval-Amerikanen.
269. Toezichtsmechanisme122: om te garanderen dat alle verplichtingen van de internationale
overeenkomst worden nageleefd, moet de overeenkomst voorzien in onafhankelijk toezicht
om te controleren of zij correct wordt toegepast en om inbreuken op de in deze
overeenkomst vastgelegde rechten te monitoren. De Geschillenkamer stelt vast dat de
verweerder op dit punt geen enkel element heeft aangevoerd, behalve een verwijzing naar
een peerreviewsysteem (antwoord op vraag 2 van de ID – aanvullend onderzoeksverslag),
dat niet de vereiste waarborgen biedt. Een dergelijk mechanisme blijkt niet uit de
overeenkomst.
II.6.2.3. Conclusie
270. Wat de "voldoende waarborgen" betreft, zoals hij die omschrijft, baseert de verweerder zich
op de adviezen van de CBPL, de machtiging van het SCFO en het arrest van het
Grondwettelijk Hof van 9 maart 2017, die de Geschillenkamer reeds heeft verworpen tijdens
de bespreking van de beginselen van doelbinding en evenredigheid. Deze verweermiddelen
zijn dan ook niet van dien aard dat zij afbreuk doen aan de vaststelling van de
121
Punt 50 e.v. van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB.
122
Punt 56 e.v. van de Richtsnoeren 02/2020 van de EDPB.
Beslissing ten gronde 79/2025 —79 /99
Geschillenkamer dat een aantal van de door artikel 46.2.a) van de AVG vereiste waarborgen
ontbreken, aangezien deze waarborgen juist de naleving van het evenredigheidsbeginsel
omvatten en niet is aangetoond dat aan de voorwaarde van artikel 46.1 van de AVG
(doeltreffende en afdwingbare rechten, vergezeld van rechtsmiddelen) is voldaan.
271. Zoals de ID benadrukt (pagina 3/22 van zijn aanvullend verslag), verwijst artikel 3.7 van de
FATCA-overeenkomst naar vertrouwelijkheidsverplichtingen en andere waarborgen waarin
het OESO-verdrag voorziet (artikelen 21 en 22). De ID merkt verder op dat artikel 3.8 van de
FATCA-overeenkomst bepaalt dat elke bevoegde autoriteit de andere schriftelijk in kennis
moet stellen wanneer zij ervan overtuigd is dat die laatste passende waarborgen heeft
ingesteld (pagina 3/22 van het aanvullend onderzoeksverslag van de ID).
272. De verweerder heeft dit document, getiteld "Notification of adequacy of Datasafeguards
and infrastructure", overgelegd. Het is zowel door hemzelf als door de IRS ondertekend,
respectievelijk op 10 januari 2017 door de verweerder en op 24 januari 2017 door de IRS.
Deze kennisgeving luidt als volgt (vrije vertaling):
"Dit document vormt de kennisgeving die vereist is krachtens artikel 3.8 van de
overeenkomst tussen de Regering van de Verenigde Staten van Amerika en het
Koninkrijk België met het oog op de verbetering van de naleving van de
internationale belastingverplichtingen en de uitvoering van de FATCA ("de
Overeenkomst"), en dient, zodra het is ondertekend, om de andere partij ervan in
kennis te stellen dat onze respectieve rechtsgebieden voorzien in (i) passende
waarborgen om ervoor te zorgen dat de krachtens de Overeenkomst ontvangen
inlichtingen vertrouwelijk blijven en uitsluitend voor belastingdoeleinden worden
gebruikt, en (ii) de nodige infrastructuur voor een effectieve uitwisselingsrelatie,
met inbegrip van vastgestelde procedures om te zorgen voor tijdige, accurate en
vertrouwelijke uitwisselingen van inlichtingen, effectieve en betrouwbare
communicatie, en bewezen capaciteiten om vragen en bezorgdheden met
betrekking tot uitwisselingen of verzoeken om uitwisselingen snel op te lossen en
om de bepalingen van artikel 5 van de Overeenkomst uit te voeren."
273. De Geschillenkamer stelt vast dat deze kennisgeving is ondertekend in 2017 en dat aan de
Geschillenkamer geen enkele aanwijzing werd verstrekt waaruit blijkt dat de in deze meer
dan acht jaar oude kennisgeving aangegane verbintenissen worden gehandhaafd en
bijgewerkt. Bovenal blijkt uit de inhoud van deze kennisgeving niet dat er waarborgen
worden geboden die gelijkwaardig zijn aan die welke vereist zijn door artikel 46.1 en artikel
46.2.a) van de AVG. Wat de eerbiediging van het doelbindingsbeginsel betreft, heeft de
Geschillenkamer in ieder geval betwist dat de "belastingdoeleinden" waarnaar in de tekst
wordt verwezen en waarvoor de gegevens na de doorgifte kunnen worden verwerkt,
voldoende specifiek en welbepaald zijn (zoals ook gepreciseerd in artikel 17 van de wet van
Beslissing ten gronde 79/2025 —80 /99
16 december 2015). De "vertrouwelijkheid" (zonder dat nader wordt toegelicht wat daar
precies onder wordt verstaan), de verbintenissen met betrekking tot de "infrastructuur" en
de verwijzing naar artikel 5 van de overeenkomst hebben weliswaar betrekking op
verbintenissen inzake beveiliging 123, maar niet op de waarborgen waarvan de
Geschillenkamer heeft vastgesteld dat zij ontbreken in de FATCA-overeenkomst, zoals de
opslagbeperking, de erkenning van rechten, de rechtsmiddelen of het
toezichtsmechanisme. Het aan de ID genoemde "Competent Authority Arrangement" en
het "Data Safeguard Workbook" (eveneens genoemd aan de ID in verband met de
voorafgaande beoordeling bedoeld in titel II.6.4, en waarvan hij zelf aangeeft dat het
betrekking heeft op beveiliging), die verband houden met artikel 3.8, zijn niet van dien aard
dat zij het standpunt van de Geschillenkamer kunnen wijzigen. Zij geven namelijk – zonder
dat hun bindende karakter is aangetoond – uitvoering aan artikel 3.8, waarvan de inhoud
onvoldoende in overeenstemming wordt geacht met de waarborgen die worden vereist
door de artikelen 46.1 en 46.2.a) van de AVG.
274. Bij wijze van conclusie stelt de Geschillenkamer, op basis van het voorgaande en
overeenkomstig de eerdere vaststellingen van de Slowaakse
gegevensbeschermingsautoriteit124, vast dat de verweerder niet aantoont dat de passende
waarborgen, zoals vereist op grond van artikel 46.2.a) van de AVG (en artikel 46.1), waarop
hij zich beroept, worden geboden door de FATCA-overeenkomst. Bijgevolg stelt de
Geschillenkamer een inbreuk vast op de artikelen 46.1 en 46.2.a) door de verweerder.
II.6.2.4. Wat betreft artikel 49 van de AVG
275. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder zich in het besluit van 4 oktober 2021
baseerde op artikel 49.1.d) van de AVG (punt 18). In de onderhavige procedure beroept hij
zich daarentegen op artikel 46.2.a) van de AVG. Waar hij aanvankelijk een beroep deed op
de uitzondering van artikel 49.1.d) van de AVG, die veronderstelt dat er geen waarborgen
zijn, zoals hierboven uiteengezet met betrekking tot het cascadesysteem van de AVG,
beroept de verweerder zich nu op artikel 46.2.a) van de AVG en stelt hij dat alle vereiste
passende waarborgen aanwezig zijn. Hij concludeert in fine dat artikel 49.1.d) van de AVG in
werkelijkheid niet van toepassing kan zijn in deze zaak (punt 50 van de tweede
syntheseconclusie van de verweerder).
123
Zie in dit verband advies 51/2024 van de GBA, reeds genoemd in voetnoot 87.
124
Advies van de Slowaakse gegevensbeschermingsautoriteit van 23 augustus 2022 aan het ministerie van Financiën van de
Slowaakse Republiek (niet-officiële vertaling in het Nederlands). Dit advies volgt op het verzoek van de EDPB in zijn verklaring
04/2021 om de overeenstemming van internationale overeenkomsten inzake de uitwisseling van fiscale informatie met de
AVG te beoordelen. De Slowaakse gegevensbeschermingsautoriteit concludeert in dit verband dat wat de doorgifte aan de
Amerikaanse autoriteiten betreft, niet wordt voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk V van de AVG. De passende
waarborgen zoals vastgesteld door de EDPB in zijn Richtsnoeren 02/2020 zijn niet opgenomen in de FATCA-overeenkomst,
zoals vereist door artikel 46.2.a) van de AVG.
Beslissing ten gronde 79/2025 —81 /99
276. Voor zover nodig wijst de Geschillenkamer de toepassing van artikel 49.1.d) van de AVG in
het onderhavige geval af. Zij herinnert eraan dat deze afwijking – die noodzakelijkerwijs strikt
moet worden geïnterpreteerd – alleen van toepassing is wanneer de doorgiften zijn
toegestaan wegens gewichtige redenen van algemeen belang in een geest van
wederkerigheid, waarbij deze doorgiften echter niet op grote schaal en systematisch mogen
plaatsvinden, zoals hier het geval is. Het algemene beginsel dat afwijkingen van artikel
49.1.d) in de praktijk niet "de regel" mogen worden, maar beperkt moeten blijven tot
specifieke situaties125, moet namelijk worden geëerbiedigd. Elke gegevensexporteur moet
er overigens voor zorgen dat de doorgifte voldoet aan de toets van strikte
noodzakelijkheid/minimalisering. De Geschillenkamer concludeerde in titel II.6.1.3 dat de
doorgifte door de verweerder aan de IRS niet aan deze toets voldeed.
II.6.3. Wat betreft de naleving van de informatieplicht
277. Om de redenen die hierboven in punt 160 zijn uiteengezet en op basis van de vaststelling in
punt 242, is de Geschillenkamer van oordeel dat artikel 14 van de AVG van toepassing is op
de verweerder, ongeacht artikel 96 van de AVG.
278. Aangezien het in dit geval gaat om persoonsgegevens die de verweerder niet rechtstreeks
van de eerste klager heeft verkregen – aangezien hij deze ontvangt van financiële
instellingen (er is dus sprake van een onrechtstreekse verzameling) – moet de verweerder
zich, in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, houden aan artikel 14 van de
AVG, in combinatie met de vereisten van artikel 12 van de AVG, voor wat betreft de doorgifte
van persoonsgegevens aan de IRS, tenzij hij zich op een uitzondering kan beroepen.
279. De informatie die overeenkomstig artikel 14 van de AVG moet worden verstrekt, is de
volgende126: de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en,
in voorkomend geval, van zijn vertegenwoordiger (artikel 14.1.a)); in voorkomend geval, de
contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming (DPO) (artikel 14.1.b)); de
verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, en de rechtsgrond
voor de verwerking (artikel 14.1.c)); de betrokken categorieën van persoonsgegevens
(artikel 14.1.d)); in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de
persoonsgegevens (artikel 14.1.e)); in voorkomend geval, dat de
verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven
125
EDPB, Richtsnoeren 2/2018 van 25 mei 2018 inzake afwijkingen op grond van artikel 49 van Verordening 2016/679:
https://www.edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb guidelines 2 2018 derogations nl.pdf.
126
De gegevensbeschermingsautoriteiten zijn het er in dit verband over eens dat alle informatie bedoeld in artikel 14 van de
AVG, ongeacht of die wordt vereist door § 1 of § 2, aan de betrokkene moet worden meegedeeld wanneer die informatie
relevant is in het licht van de verwerking. Groep artikel 29, Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening
(EU) 2016/679, WP 260 (punt 23): https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/622227. Deze richtsnoeren zijn
overgenomen door de EDPB tijdens zijn inaugurele vergadering op 25 mei 2018:
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/news/endorsement of wp29 documents.pdf.
Beslissing ten gronde 79/2025 —82 /99
aan een ontvanger in een derde land of aan een internationale organisatie; of er al dan niet
een adequaatheidsbesluit van de [Europese] Commissie bestaat; of, in het geval van de in
artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de
passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of
waar ze kunnen worden geraadpleegd (artikel 14.1.f)); de periode gedurende welke de
persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om
die termijn te bepalen (artikel 14.2.a)); de gerechtvaardigde belangen van de
verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6.1.f) is
gebaseerd (artikel 14.2.b)); dat de betrokkene het recht heeft de
verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of wissing van
persoonsgegevens of om beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht
tegen verwerking van bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid
(artikel 14.2.c)); wanneer verwerking op artikel 6.1.a) of artikel 9.2.a) is gebaseerd, dat de
betrokkene het recht heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit
afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de toestemming vóór
de intrekking daarvan (artikel 14.2.d)); dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen
bij een toezichthoudende autoriteit (artikel 14.2.e)); de bron waar de persoonsgegevens
vandaan komen, en in voorkomend geval, of zij afkomstig zijn van openbare bronnen (artikel
14.2.f)) en het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel
22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over
de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking
voor de betrokkene (artikel 14.2.g)).
280. Op grond van artikel 14.1 van de wet van 16 december 2015 127 concludeert de verweerder
dat het wettelijk gezien aan de banken was om de eerste klager te informeren, niet aan
hemzelf. Hij merkt op dat bank Z dit ook heeft gedaan. De verweerder voegt daaraan toe dat
hij, hoewel hij daartoe niet verplicht is, de betrokkenen via zijn website informeert over de
doorgiften aan de IRS.
281. De Geschillenkamer is van oordeel dat de informatieplicht van de banken de verweerder niet
ipso facto ontslaat van zijn verplichting met betrekking tot de verwerking die hij op zijn beurt
uitvoert in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke, in het bijzonder de
doorgifte van gegevens aan de IRS. Zelfs als bank Z wettelijk verplicht is de eerste klager te
informeren overeenkomstig artikel 14.1 van de wet van 16 december 2015, betekent dat nog
niet dat Z alle informatie moet verstrekken die de verweerder zelf moet communiceren over
zijn eigen verwerking.
127
Artikel 14.1 van de wet van 16 december 2015 verplicht de rapporterende instellingen (d.w.z. de banken) om de betrokken
personen ervan in kennis te stellen "dat de in de wet bedoelde inlichtingen aan de Belgische bevoegde autoriteit zullen
medegedeeld worden".
Beslissing ten gronde 79/2025 —83 /99
282. De vrijstelling van informatieverstrekking zoals voorzien in artikel 14.5.a) van de AVG,
volgens welke de verantwoordelijke de betrokkene niet hoeft te informeren "wanneer en
voor zover" deze reeds over die informatie beschikt, moet bovendien binnen de strikte
grenzen van de tekst worden toegepast.128 Het spreekt voor zich dat artikel 14.5.a) van de
AVG alleen kan worden ingeroepen als de informatie reeds is verstrekt met betrekking tot
dezelfde verwerking.
283. Om een beroep te kunnen doen op artikel 14.5.a) van de AVG, moet de verweerder dus
aantonen dat de banken informatie verstrekken over de elementen van zijn eigen
verwerking, namelijk de doorgifte aan de IRS, EN dat alle relevante elementen van artikel 14
van de AVG met betrekking tot deze verwerking zijn gedekt (a priori zijn alleen de elementen
van artikel 14.2.b) en 14.2.d) automatisch uitgesloten).
284. In dit verband stelt de Geschillenkamer vast dat artikel 14.1 van de wet van 16 december
2015 niet alle door artikel 14.1-2 van de AVG vereiste elementen bevat. De elementen die in
artikel 14.1 van de wet van 16 december 2015 worden opgesomd, zijn vrij beperkt: a) de
doeleinden van de mededeling van de persoonsgegevens, b) de eindbestemmeling of de
eindbestemmelingen van de persoonsgegevens, c) de te rapporteren rekeningen waarvoor
persoonsgegevens worden medegedeeld, d) het bestaan van een recht om, op verzoek,
ingelicht te worden van de specifieke gegevens die medegedeeld zijn of zullen worden
aangaande een te rapporteren rekening en de toepassingsregels voor de uitoefening van
dat recht, en e) het bestaan van een recht op verbetering van de persoonsgegevens die hem
aanbelangen en de toepassingsregels voor de uitoefening van dat recht.
285. Het argument van de verweerder dat enkel de banken informatie moeten verstrekken (ook
al vloeit hun verplichting voort uit de wet van 16 december 2015), kan dus niet worden
aanvaard.
286. Wat betreft de informatie die in casu aan de klager is verstrekt, stelt de Geschillenkamer op
basis van de overgelegde stukken vast dat bepaalde informatie inderdaad aan de klager is
meegedeeld (punten 11-13), maar dat deze niet alle vereiste elementen van artikel 14.1-2 van
de AVG bevat met betrekking tot de doorgifte aan de IRS. Zo worden de waarborgen voor
de doorgifte aan de IRS niet vermeld door bank Z (artikel 14.1.f) van de AVG), evenmin als de
contactgegevens van de DPO van de verweerder (artikel 14.1.b)), het recht om een klacht in
te dienen bij de GBA (artikel 14.2.e)), of de modaliteiten voor de uitoefening of de
beperkingen van het recht van inzage (artikel 14.2.c)). De Geschillenkamer merkt eveneens
op dat in een van de brieven voor meer informatie wordt verwezen naar de FOD Financiën,
128
Deze vrijstelling kan in die zin slechts betrekking hebben op bepaalde informatie-elementen. Dit blijkt uit het
ondubbelzinnige gebruik van de woorden "voor zover". Groep artikel 29, Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig
Verordening (EU) 2016/679, WP 260 (punt 56): https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/622227. Deze richtsnoeren
zijn overgenomen door de EDPB tijdens zijn inaugurele vergadering op 25 mei 2018:
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/news/endorsement of wp29 documents.pdf.
Beslissing ten gronde 79/2025 —84 /99
wat haaks staat op het standpunt van de verweerder dat alleen de banken informatie
moeten verstrekken (punt 11) en wat getuigt van de weliswaar beperkte maar zekere rol van
de verweerder en, in ieder geval, op basis van klachten van de betrokkenen, de rol om erop
toe te zien dat de banken hun informatieplicht nakomen.
287. Artikel 14.5.c) van de AVG (waarvan de toepasselijkheid door de klagers wordt betwist,
zonder dat de verweerder zich erop beroept) bepaalt ook dat de in lid 1 en 2 genoemde
informatie-elementen niet aan de betrokkene hoeven te worden verstrekt wanneer "het
verkrijgen of verstrekken van de gegevens uitdrukkelijk is voorgeschreven bij Unie- of
lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is en dat recht
voorziet in passende maatregelen om de gerechtvaardigde belangen van de betrokkene te
beschermen".
288. In het arrest "Mäsdi" C-169/23 van 28 november 2024 heeft het HvJ-EU verduidelijkt en
beslist dat het verkrijgen of verstrekken van "gegevens" door het nationaal recht moet
worden geregeld (en niet het verkrijgen of verstrekken van "informatie" uit artikel 14.1-2,
zoals de Franse bewoording van artikel 14.5.c) van de AVG zou kunnen doen vermoeden). 129
289. De Geschillenkamer is van oordeel dat artikel 14.5.c) van de AVG in dit geval niet van
toepassing is, aangezien niet aan de voorwaarden voor de toepassing ervan is voldaan, ook
al is de verwerking voorzien in de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december 2015.
Deze uitzondering van artikel 14.5.c) van de AVG kan namelijk alleen worden ingeroepen als
in de genoemde regelgeving passende maatregelen zijn opgenomen om de
gerechtvaardigde belangen van de betrokkenen te beschermen, wat door de verweerder
niet is aangetoond. Hoewel de verweerder zich niet op deze bepaling beroept, reageert hij
evenmin op het argument van de klagers dat deze uitzondering in geen geval van toepassing
zou zijn.
290. Aangezien er geen vrijstelling van informatieverstrekking van toepassing is, zal de
Geschillenkamer onderzoeken in hoeverre de verweerder volledig voldoet aan zijn
informatieplicht, zoals hij beweert te doen via zijn website, zonder daartoe verplicht te zijn,
door middel van "meer theoretische uitleg, nieuwsberichten, links naar relevante
documenten en een FAQ" (punt 68 van zijn tweede aanvullende en syntheseconclusie; vrije
vertaling). De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat deze informatie overeenkomstig
artikel 12.1 van de AVG beknopt, transparant, begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijk moet
zijn en in duidelijke en eenvoudige taal moet worden geformuleerd. Zonder afbreuk te doen
129
Zie ECLI:EU:C:2024:988, punten 40 tot en met 43: https://eur-lex.europa.eu/legal-
content/nl/TXT/PDF/?uri=CELEX:62023CJ0169. Er bestaat namelijk een taalkundig verschil tussen de Franse en bijvoorbeeld
de Nederlandse versie van artikel 14.5.c) van de AVG. In de Franse versie staat: "lorsque et dans la mesure où l’obtention ou la
communication des informations sont expressément prévues par le droit de l’Union ou de l’Etat membre". De Nederlandse
versie vermeldt: "wanneer en voor zover het verkrijgen of verstrekken van de gegevens129 uitdrukkelijk is voorgeschreven bij
Unierecht of lidstatelijk recht".
Beslissing ten gronde 79/2025 —85 /99
aan de opmerking die zij in dit verband zal maken, benadrukt de Geschillenkamer dat dit des
te meer geldt wanneer, zoals zij uiteenzet, de verweerder niet beschikt over de identiteit van
de betrokken Amerikanen om hen individuele informatie te bezorgen. De Geschillenkamer
herinnert eraan dat de EDPB om individuele informatieverstrekking vraagt (zie supra)130.
291. De Geschillenkamer heeft het volgende vastgesteld:
292. https://financien.belgium.be/nl/E-services/fatca131: dit is een algemene pagina die het
principe van de FATCA-overeenkomst in algemene termen beschrijft, zoals hieronder, en
die ook een aantal technische nieuwtjes bevat:
293. https://financien.belgium.be/nl/E-services/fatca/opmaak van fatca-xml-bestanden132: dit
is de pagina "Opmaak van FATCA-XML-bestanden", waarop wordt uitgelegd hoe FATCA-
XML-bestanden moeten worden opgemaakt overeenkomstig het XSD-schema dat is
gedefinieerd door de Amerikaanse belastingdienst (IRS). De pagina is dus bedoeld voor
financiële instellingen (banken) en verwijst naar verschillende gebruikershandleidingen en
pagina's van de IRS, die uitsluitend in het Engels beschikbaar zijn. Alleen de nota over het
correctieproces en de richtlijnen voor de gebruikers bestaan bijvoorbeeld in het Nederlands.
130
De Geschillenkamer is van mening dat deze individuele informatieverstrekking de vorm kan aannemen van een expliciete
verwijzing naar de website van de FOD Financiën via de individuele informatie die de financiële instellingen aan de betrokkenen
moeten verstrekken.
131
Raadpleging van de website door de Geschillenkamer op 23 april 2025.
132
Idem.
Beslissing ten gronde 79/2025 —86 /99
294. https://financien.belgium.be/nl/E-services/fatca/versturen van fatca-xml-bestanden133:
deze pagina beschrijft het proces voor het versturen van bestanden naar de verweerder en
is dus ook bedoeld voor financiële instellingen.
295. https://financien.belgium.be/nl/E-services/fatca/faq en documentatie135: deze rubriek
"FAQ en documentatie" bevat een lijst met talrijke links naar verschillende documenten die
relevant zijn in het kader van de doorgifte of de belastingheffing door buitenlandse
belastingautoriteiten (niet uitsluitend de FATCA), grotendeels in het Engels.
296. https://financien.belgium.be/nl/E-services/fatca/faq en documentatie/faq/algemeen 136: de
FAQ "Algemeen" verwijst bijvoorbeeld naar een aantal vragen (die door de verweerder in zijn
conclusie worden aangehaald als onderdeel van de vervulling van zijn informatieplicht).
133
Idem.
134
Idem.
135
Idem.
136
Idem.
Beslissing ten gronde 79/2025 —87 /99
297. De Geschillenkamer stelt vast dat de elementen op de website van de verweerder
informatie verschaffen over de FATCA-overeenkomst, met name over de verplichtingen die
op Belgische banken rusten en over de wijze waarop die laatsten gegevens moeten
verstrekken aan de verweerder, die ze op zijn beurt doorgeeft aan de IRS. Deze informatie is
zowel algemeen als technisch van aard en is grotendeels gericht op de financiële instellingen
en niet rechtstreeks op de potentieel betrokken burger. Bovendien zijn veel documenten
alleen in het Engels beschikbaar.
298. Op basis van de voorgaande punten stelt de Geschillenkamer vast dat deze informatie niet
voldoet aan de informatie die actief moet worden verstrekt aan de betrokkenen in de zin van
artikel 14.1-2 van de AVG. De Geschillenkamer is van oordeel dat dit een bijzonder ernstige
schending is, aangezien het recht op informatie een hoeksteen vormt van het recht op
gegevensbescherming. Zonder informatie kan de betrokkene zich niet bewust zijn van de
verwerking van zijn gegevens. Bovendien wordt hem de mogelijkheid ontnomen om
controle uit te oefenen over deze gegevens, zoals voorzien door de AVG, via de uitoefening
van rechten waarvan hij noch het bestaan, noch de uitoefeningsmodaliteiten kent (zie artikel
14.2.e) en artikel 14.2.c) van de AVG).
299. Bovendien zijn de verschillende informatie-elementen, ook al zijn ze in een of ander
document opgenomen, quod non, niet gemakkelijk toegankelijk en nog minder begrijpelijk
voor de betrokkenen, zoals vereist door artikel 12.1 van de AVG.
300. Deze vaststellingen van de Geschillenkamer sluiten aan bij die welke, zoals de ID benadrukt,
reeds in 2016 door het SCFO in zijn beraadslaging 52/2016 zijn geformuleerd:
301. Op basis van het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat er sprake is van een
schending van artikel 14.1-2, in combinatie met artikel 12.1 van de AVG, door de
verweerder, zowel omdat hij de eerste klager niet heeft geïnformeerd over de doorgifte van
zijn persoonsgegevens aan de IRS, als wegens de ontoereikende informatie die hij ter
beschikking stelt aan de betrokkenen, waaronder de Belgische toeval-Amerikanen die door
de klager worden vertegenwoordigd.
Beslissing ten gronde 79/2025 —88 /99
II.6.4. Wat betreft het niet-nakomen van de verplichting om een GEB uit te voeren
302. Om de in punt 160 hierboven uiteengezette redenen is de Geschillenkamer van oordeel dat
artikel 35 van de AVG van toepassing is op de verweerder, ongeacht artikel 96 van de AVG,
en dit onverminderd het feit dat de Groep artikel 29 reeds in 2015 had aanbevolen om een
GEB uit te voeren met betrekking tot gegevensverwerkingen die plaatsvinden in het kader
van de automatische uitwisseling van gegevens voor belastingdoeleinden137.
303. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke een van de in artikel 35.3 van de AVG genoemde
verwerkingen uitvoert138, is hij verplicht een GEB uit te voeren. Hetzelfde geldt wanneer de
beoogde verwerking is opgenomen in de lijst van verwerkingen waarvoor een GEB vereist
is, die door de GBA is vastgesteld ter uitvoering van artikel 35.4 van de AVG139. De
verwerkingen waarop de klacht betrekking heeft, vallen niet onder deze twee leden van
artikel 35.
304. Deze uitsluiting ontslaat de verwerkingsverantwoordelijke niet van de verplichting om na te
gaan of hij niet onder de toepassingsvoorwaarden van artikel 35.1 van de AVG valt, waarin
het volgende wordt bepaald: "Wanneer een soort verwerking, in het bijzonder een
verwerking waarbij nieuwe technologieën worden gebruikt, gelet op de aard, de omvang, de
context en de doeleinden daarvan waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en
vrijheden van natuurlijke personen voert de verwerkingsverantwoordelijke vóór de
verwerking een beoordeling uit van het effect van de beoogde verwerkingsactiviteiten op
de bescherming van persoonsgegevens. Eén beoordeling kan een reeks vergelijkbare
verwerkingen bestrijken die vergelijkbare hoge risico's inhouden."
305. Deze verplichting moet worden begrepen in het kader van de algemene verplichting van de
verwerkingsverantwoordelijke om de risico's van de door hem uitgevoerde verwerkingen
van persoonsgegevens op passende wijze te beheren. Zij maakt dus deel uit van zijn
verantwoordingsplicht (artikelen 5.2 en 24 van de AVG).
306. De verweerder had derhalve moeten nagaan of de doorgifte van persoonsgegevens aan de
IRS vereiste dat hij een GEB uitvoerde, en dit vanaf 25 mei 2016 om uiterlijk op 25 mei 2018
in overeenstemming te zijn, en vervolgens waakzaam moeten blijven ten aanzien van elke
137
Zie het reeds genoemde document WP 234 van de Groep artikel 29: "Elke lidstaat zou moeten overwegen een
overeengekomen privacyeffectbeoordeling ten uitvoer te leggen om ervoor te zorgen dat de
gegevensbeschermingswaarborgen adequaat worden toegepast en dat voor de samenwerkingsovereenkomsten in
belastingzaken door alle EU-lidstaten een consistente norm wordt toegepast."
138
Artikel 35.3 van de AVG bepaalt dat een GEB vereist is in de volgende drie gevallen: (a) een systematische en uitgebreide
beoordeling van persoonlijke aspecten van natuurlijke personen, die is gebaseerd op geautomatiseerde verwerking,
waaronder profilering, en waarop besluiten worden gebaseerd waaraan voor de natuurlijke persoon rechtsgevolgen zijn
verbonden of die de natuurlijke persoon op vergelijkbare wijze wezenlijk treffen, (b) grootschalige verwerking van bijzondere
categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9.1 of van gegevens met betrekking tot strafrechtelijke
veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10, en (c) stelselmatige en grootschalige monitoring van openbaar
toegankelijke ruimten.
139
De lijst van verwerkingen die volgens de GBA een GEB vereisen overeenkomstig artikel 35.4 van de AVG is hier te vinden:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-nr.-01-2019-van-16-januari-2019.pdf.
Beslissing ten gronde 79/2025 —89 /99
feitelijke of juridische wijziging die een herbeoordeling van de risico’s noodzakelijk zou
kunnen maken.
307. In dit verband voert de verweerder ter verdediging aan dat zijn DPO, toen hij hierover op 30
juni 2021 door de ID werd ondervraagd, heeft verklaard dat op basis van een voorafgaande
effectbeoordeling werd geconcludeerd dat een GEB niet noodzakelijk was, gelet op het feit:
- dat de wet rekening had gehouden met de opmerkingen die door de CBPL waren
geformuleerd in de twee adviezen over het wetsontwerp;
- dat het SCFO een beraadslaging had uitgebracht waarbij de doorgifte van gegevens
aan de Amerikaanse belastingdienst werd toegestaan en dat aan de voorwaarden van
deze beraadslaging werd voldaan;
- dat de verwerking voldoet aan de vereisten van de AEOI-norm inzake vertrouwelijkheid
en gegevensbescherming, alsook aan het informatiebeveiligingsbeleid van de
verweerder, dat gebaseerd is op de ISO27001-norm: de doorgifte van inlichtingen
wordt dubbel beveiligd, zowel op het niveau van de versleutelde en ondertekende
bestanden als op het niveau van het kanaal waarlangs de informatie wordt verstrekt
(het beveiligde MyMinfin-platform voor de doorgifte van gegevens door Belgische
banken en het beveiligde IDES-platform voor de doorgifte aan de IRS);
- dat de Amerikaanse autoriteiten ook verplicht zijn de nodige beveiligingsmaatregelen
te treffen om ervoor te zorgen dat de informatie vertrouwelijk blijft en in een beveiligde
omgeving wordt opgeslagen, zoals bepaald in het "FATCA Data Safeguard Workbook".
308. De ID heeft geen opmerkingen gemaakt over dit antwoord en heeft zich in zijn aanvullend
onderzoeksverslag beperkt tot het overnemen van het antwoord van de DPO van de
verweerder. In zijn conclusie verwijst de ID niet specifiek naar de GEB zoals voorzien in de
AVG, maar beperkt hij zich tot een algemene conclusie over de aanwezigheid van
waarborgen met betrekking tot de bescherming van de doorgegeven gegevens en de
wederkerigheid van de uitwisselingen.
309. De klagers zijn van oordeel dat er een GEB had moeten worden uitgevoerd.
310. De Geschillenkamer stelt meteen vast dat de DPO van de verweerder niet vermeldt op welke
datum deze voorafgaande beoordeling is uitgevoerd. Hoewel de ID tijdens het onderzoek
uitdrukkelijk had gevraagd om deze beoordeling te ontvangen, heeft de verweerder dit tot
nu toe nagelaten. Deze voorafgaande beoordeling is niet opgenomen in het dossier en de
verweerder heeft dus niet kunnen aantonen dat deze in de genoemde periode is uitgevoerd.
311. De Geschillenkamer is in ieder geval van oordeel dat de argumentatie van de verweerder op
basis van deze voorafgaande beoordeling om de volgende redenen niet kan worden
gevolgd.
Beslissing ten gronde 79/2025 —90 /99
312. De Geschillenkamer herinnert aan artikel 35.10 van de AVG, dat het volgende bepaalt:
"Wanneer verwerking uit hoofde van artikel 6, lid 1, onder c) of e), haar rechtsgrond heeft in
het Unierecht of in het recht van de lidstaat dat op de verwerkingsverantwoordelijke van
toepassing is, de specifieke verwerking of geheel van verwerkingen in kwestie daarbij wordt
geregeld, en er reeds als onderdeel van een algemene effectbeoordeling in het kader van de
vaststelling van deze rechtsgrond een gegevensbeschermingseffectbeoordeling is
uitgevoerd, zijn de leden 1 tot en met 7 niet van toepassing, tenzij de lidstaten het
noodzakelijk achten om voorafgaand aan de verwerkingen een dergelijke beoordeling uit te
voeren."140
313. De Belgische wetgever heeft in die zin in artikel 23 van de WVG bepaald dat, zelfs indien een
effectbeoordeling is uitgevoerd in het kader van de vaststelling van de rechtsgrond die de
rechtmatigheid van de verwerking bepaalt (artikel 6.1.c) of artikel 6.1.e) van de AVG), de
verwerkingsverantwoordelijke niet is vrijgesteld van het uitvoeren van een GEB in de zin van
artikel 35.1 van de AVG wanneer aan de toepassingsvoorwaarden ervan is voldaan.
314. De Belgische wetgever heeft dus uitdrukkelijk bepaald dat de GEB die in het kader van het
parlementaire werk wordt uitgevoerd, de verwerkingsverantwoordelijke niet ontslaat van
de verplichting om een GEB in de zin van artikel 35 van de AVG uit te voeren voordat de
betreffende verwerkingen operationeel worden141. De adviezen van de CBPL en de
machtiging van het SCFO met betrekking tot de naleving van Richtlijn 95/46/EG zijn niet
relevant in het kader van de GEB in de zin van artikel 35.10 van de AVG. Het zou in ieder
geval in strijd zijn met artikel 23 van de WVG, gelezen in het licht van artikel 35.10 van de
AVG, om aan te nemen dat een voorafgaande beoordeling die zich op deze teksten
baseert om te concluderen dat de verwerkingsverantwoordelijke niet verplicht is een
GEB uit te voeren, als vrijstelling mag gelden. De Geschillenkamer verwijst ten slotte naar
haar conclusies met betrekking tot deze adviezen en beraadslagingen (titel II.6).
140
De Geschillenkamer onderstreept.
141
Zie de voorbereidende werkzaamheden van de WVG met betrekking tot artikel 23: "Het is de bedoeling dat vóór de
uitvoering van de verwerkingsactiviteit een gegevensbeschermingseffectbeoordeling wordt uitgevoerd, ook al werd reeds
een effectbeoordeling uitgevoerd bij de opstelling van de wet of de reglementering die haar uitvoert teneinde te zorgen voor
een efficiënte en tijdige analyse wanneer alle elementen onder de aandacht van de verwerkingsverantwoordelijke worden
gebracht. Alle elementen van de impactanalyse worden voorzien in artikel 35 van Verordening. De analyse moet op zijn minst
een systematische beschrijving van de verwerkingshandelingen bevatten, evenals de doeleinden, met desgevallend inbegrip
van het nagestreefde rechtmatig belang, een beoordeling van de noodzaak en de proportionaliteit van de
verwerkingshandelingen tegenover de doeleinden, een risicobeoordeling voor de rechten en vrijheden van de betrokken
personen, de beoogde maatregelen om tegemoet te komen aan die risico’s, met inbegrip van de garanties, maatregelen en
mechanismen voor de veiligheid met het oog op het verzekeren van de bescherming van de persoonsgegevens en om het
bewijs van naleving van de Verordening te leveren, rekening houdend met de rechten en rechtmatige belangen van de
betrokken personen en de andere getroffen personen. Bij de uitwerking van de rechtsgrondslag is het vaak moeilijk om in
detail te weten welke praktische en technische veiligheidsmaatregelen en -mechanismen het best beantwoorden op de
gedetecteerde risico’s in de analyse. Ook bij het opstellen van de verwerking kan het voorkomen dat de opgestelde
maatregelen en mechanismen bijkomende risico’s met zich meebrengen waarbij geen rekening gehouden werd in de eerste
analyse.": https://www.lachambre.be/FLWB/PDF/54/3126/54K3126001.pdf (Kamer van volksvertegenwoordigers, Parl. St.,
54 3126/001, p. 48).
Beslissing ten gronde 79/2025 —91 /99
315. Het feit dat de voorafgaande beoordeling ook gebaseerd is op het bestaan van andere
normen is evenmin relevant. Deze normen, die hoofdzakelijk een bepaald beveiligingsniveau
garanderen, volstaan op zich niet om de verweerder vrij te stellen, zoals hieronder zal worden
aangetoond.
316. De Geschillenkamer is namelijk van oordeel dat de doorgifte van gegevens aan de IRS een
verwerking is die waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van de
betrokkenen in de zin van artikel 35.1 van de AVG, waarvoor een GEB noodzakelijk was.
317. Verschillende criteria die worden genoemd in overweging 75 van de AVG en in de
richtsnoeren van de EDPB inzake de GEB142 wijzen in dit geval op een waarschijnlijk hoog
risico.
318. De Geschillenkamer neemt het volgende in aanmerking:
- de "stelselmatige monitoring"143, aangezien de betrokken gegevens, behoudens "de
uitzondering" in verband met "de rapportagedrempel" voor bankrekeningen, jaarlijks
systematisch aan de IRS worden doorgegeven, ongeacht of er aanwijzingen zijn voor
belastingontduiking (titel II.6.1.3);
- de aan de IRS doorgegeven gegevens zijn financiële gegevens die vallen onder de
categorie "gegevens van zeer persoonlijke aard"144 in de zin van de bovengenoemde
richtsnoeren;
- de gegevens worden "op grote schaal" 145 verwerkt, aangezien zij, a priori, behoudens
beperkte uitzonderingen, betrekking hebben op de gegevens van alle personen met de
Amerikaanse nationaliteit die bankrekeningen in België hebben. Bij de beoordeling van
het "grootschalige" karakter van de verwerking spelen zowel de reikwijdte van de
142
Groep artikel 29, Richtsnoeren voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en bepaling of een verwerking
"waarschijnlijk een hoog risico inhoudt" in de zin van Verordening 2016/679, WP 248:
https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/611236. De EDPB heeft deze richtsnoeren op 25 mei 2018 overgenomen in
het besluit dat u hier kunt vinden:
https://www.edpb.europa.eu/sites/default/files/files/news/endorsement of wp29 documents.pdf.
143
In de richtsnoeren van de EDPB inzake de GEB wordt onder "monitoring" het volgende verstaan: gegevensverwerkingen
die worden gebruikt om betrokkenen te observeren, monitoren of controleren, met inbegrip van de verzameling van gegevens
via netwerken bijvoorbeeld. "Monitoring" is dus niet beperkt tot bijvoorbeeld cameratoezicht. "Stelselmatig" kan overigens een
of meer van de volgende betekenissen hebben: plaatsvindend volgens een systeem; vooraf geregeld, georganiseerd of
methodisch; plaatsvindend in het kader van een algemeen plan voor gegevensverzameling; uitgevoerd als onderdeel van een
strategie, wat hier het geval is.
144
In de richtsnoeren van de EDPB inzake de GEB wordt gepreciseerd dat, naast de artikelen 9 en 10 van de AVG, sommige
categorieën van gegevens kunnen worden beschouwd als categorieën die het mogelijke risico voor de rechten en vrijheden
van natuurlijke personen verhogen. Zij worden beschouwd als "gevoelig", zoals deze term algemeen wordt begrepen.
Financiële gegevens behoren hiertoe, zeker wanneer de verstrekking ervan bedoeld is om schendingen te bestrijden die aan
de betrokkenen kunnen worden toegeschreven.
145
Om te bepalen of een verwerking "op grote schaal" plaatsvindt, beveelt de EDPB in zijn richtsnoeren inzake de GEB aan om
in het bijzonder rekening te houden met de volgende factoren: het aantal betrokkenen, het volume van gegevens en/of het
bereik van verschillende gegevensitems die worden verwerkt; de duur, of het permanente karakter, van de
verwerkingsactiviteit; en de geografische omvang van de verwerkingsactiviteit.
Beslissing ten gronde 79/2025 —92 /99
verplichting als het terugkerende karakter ervan, zelfs op jaarbasis, een rol, naast het
aantal betrokkenen en de omvang van de doorgegeven gegevens (zie ook titel II.6.1.3);
- de betrokkenen kunnen worden aangemerkt als "kwetsbare betrokkenen"
(overweging 75), aangezien er een onevenwichtige relatie kan worden vastgesteld
tussen hen en de verweerder, en nog meer tussen hen en de IRS, de ontvanger van de
gegevens. Dit onevenwicht vloeit niet alleen voort uit het feit dat deze doorgifte aan de
betrokkenen wordt opgelegd zonder dat zij zich daartegen kunnen verzetten, maar
vooral uit de complexiteit van het juridisch kader, met inbegrip van het bestaan van
mogelijke rechtsmiddelen voor de uitoefening van hun rechten;
- het nagestreefde doeleinde (in ieder geval de bestrijding van belastingontduiking) en
de verdere verwerkingen die in de Verenigde Staten kunnen plaatsvinden, houden
volgens de Geschillenkamer een potentiële "matching of samenvoeging van datasets"
in, wat een ander criterium vormt uit de reeds genoemde richtsnoeren.
319. Ten slotte, zonder dat dit een van de negen door de EDPB genoemde criteria is, vindt de
doorgifte plaats naar een derde land buiten de EER waarvan het niveau van
gegevensbescherming niet als passend wordt beschouwd, althans wat de betwiste
verwerking betreft. De verweerder kan dit niet negeren, en deze situatie vereist volgens de
Geschillenkamer bijzondere aandacht en een bijzonder grondige risicobeoordeling.
320. De Geschillenkamer preciseert dat de EDPB van oordeel is dat de
verwerkingsverantwoordelijke in de meeste gevallen kan aannemen dat een verwerking die
aan twee van de negen in zijn richtsnoeren genoemde criteria voldoet, een GEB vereist. In
het algemeen is de EDPB van mening dat hoe meer criteria op een verwerking van
toepassing zijn, hoe waarschijnlijker het is dat deze een hoog risico inhoudt voor de rechten
en vrijheden van de betrokkenen, en dus een GEB noodzakelijk maakt, ongeacht de
maatregelen die de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is te nemen.
321. Gezamenlijk genomen duidt de aanwezigheid van de vijf in punt 318 geïdentificeerde
criteria op een hoog risiconiveau van de aan de kaak gestelde doorgifte aan de IRS. Dit hoge
risiconiveau rechtvaardigde volgens de Geschillenkamer dat de verweerder een GEB in de
zin van artikel 35.1 zou uitvoeren, zoals overigens reeds sinds 2015 wordt aanbevolen (punt
302). Bovendien had een beoordeling door de verweerder van de overeenstemming van de
FATCA-overeenkomst met de AVG het mogelijk gemaakt om, in voorkomend geval, de
Belgische overheidsinstanties te waarschuwen en een herziening van de overeenkomst in
gang te zetten. Deze beoordeling is, zoals erkend door de verweerder, niet uitgevoerd om
redenen die de Geschillenkamer in de voorgaande punten heeft verworpen.
322. De Geschillenkamer concludeert bijgevolg dat de verweerder artikel 35.1 van de AVG heeft
geschonden met betrekking tot de door de klagers aan de kaak gestelde verwerkingen.
Beslissing ten gronde 79/2025 —93 /99
II.6.5. Wat betreft de schending van artikel 20 van de WVG
323. De Geschillenkamer herinnert eraan dat, aangezien de klacht betrekking had op de niet-
naleving van artikel 20 van de WVG, zij de partijen in haar brief van 30 mei 2024 heeft
verzocht zich met betrekking tot deze grief te verdedigen "voor zover deze grief door de
klagers wordt gehandhaafd, aangezien zij deze hebben laten vallen tijdens de uitwisseling
van conclusies die heeft geleid tot beslissing 61/2023 van de Geschillenkamer, die door het
Marktenhof is vernietigd" (punt 76).
324. De Geschillenkamer neemt er akte van dat de partijen in het kader van de hervatting van de
zaak die tot deze beslissing heeft geleid, geen conclusies meer hebben ingediend over deze
grief. Zij stelt vast dat het voorwerp van de klacht deze grief niet langer omvat en spreekt
zich hierover niet uit.
II.6.6. Wat betreft de schending van de "accountability"
325. In toepassing van het beginsel van verantwoording of "accountability" was de verweerder,
rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking,
alsmede met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en
vrijheden van natuurlijke personen, verplicht om passende technische en organisatorische
maatregelen te treffen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in
overeenstemming met de AVG wordt uitgevoerd (artikel 24 van de AVG).
326. In het onderhavige geval vormden de aard, de omvang en het doel van de verwerking
ongetwijfeld een risico voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen (zoals de
Geschillenkamer heeft aangetoond in titel II.6.4 hierboven, gewijd aan de verplichting om
een GEB uit te voeren).
327. De Geschillenkamer oordeelt dat de verweerder de risico's voor de rechten en vrijheden van
de eerste klager en de Belgische toeval-Amerikanen, wier belangen door de tweede klager
worden verdedigd, niet correct heeft ingeschat en evenmin passende maatregelen heeft
getroffen om deze risico's te beperken.
328. De verweerder kon niet volledig voorbijgaan aan de herhaalde oproepen (waarvan sommige
dateren van na de adviezen en machtigingen die hij aanvoert) van met name verschillende
gegevensbeschermingsautoriteiten, waaronder de GBA, die verenigd waren in de Groep
artikel 29 en vervolgens in de EDPB, om een internationale overeenkomst zoals de FATCA-
overeenkomst te toetsen aan de AVG. Hoewel sommige van deze beleidsoproepen
rechtstreeks gericht waren aan de Belgische staat als "onderhandelaar", die in deze zaak niet
als zodanig optreedt, waren andere, meer technische oproepen, bijvoorbeeld in de vorm van
de in deze beslissing genoemde richtsnoeren, rechtstreeks gericht aan de
verwerkingsverantwoordelijken, zoals de verweerder.
Beslissing ten gronde 79/2025 —94 /99
329. Overeenkomstig zijn verantwoordingsplicht moest de verweerder, die als enige
verantwoordelijk was voor de gegevensstroom naar de IRS, voortdurend toezien op de
naleving van de verschillende waarborgen die de doorgifte aan de IRS moesten omkaderen,
met name de evenredigheid en de informatieverstrekking aan de betrokkenen – twee
aspecten waarop de voorwaardelijke machtiging 52/2016 van het SCFO de nadruk legde –,
zonder te proberen zich van deze/zijn verplichtingen te onttrekken door zich te verschuilen
achter het feit dat hij slechts een logistieke tussenpersoon zou zijn (ook al vloeit dit voort uit
een internationale consensus over de wijze van gegevensdoorgifte, zoals de verweerder
tijdens de hoorzitting van 11 december 2024 heeft aangegeven) – terwijl hij de
verwerkingsverantwoordelijke is. Zijn verantwoordelijkheid kan namelijk niet worden
beperkt tot het waarborgen van een veilige doorgifte van gegevens aan de IRS.
330. Gelet op de verschillende schendingen die zijn vastgesteld in de titels II.6.2, II.6.3 en II.6.4,
stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder zijn verantwoordingsplicht niet is
nagekomen. Zij concludeert op grond van het bovenstaande dat de verweerder de artikelen
5.2 en 24 van de AVG ("accountability") heeft geschonden met betrekking tot de door de
klagers aan de kaak gestelde verwerkingen.
III. Corrigerende maatregelen en sancties
331. Overeenkomstig artikel 100, § 1, van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te
oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving
ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
Beslissing ten gronde 79/2025 —95 /99
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of
een internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die
het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van
de Gegevensbeschermingsautoriteit.
332. Op basis van de stukken in het dossier en haar analyse concludeert de Geschillenkamer dat
de doorgifte van persoonsgegevens van de eerste klager door de verweerder aan de IRS
onrechtmatig is, aangezien deze doorgifte in strijd is met het doelbindingsbeginsel, het
beginsel van minimale gegevensverwerking en de regels van hoofdstuk V van de AVG, in het
bijzonder artikel 46.2.a) van de AVG. De Geschillenkamer heeft ook aangetoond dat deze
onrechtmatigheid meer in het algemeen ook betrekking heeft op de doorgifte van
persoonsgegevens van Belgische toeval-Amerikanen, die door de tweede klager worden
verdedigd.
333. In het reeds genoemde Schrems II-arrest stelt het HvJ-EU het volgende: "Artikel 58, lid 2,
onder f) en j), van verordening 2016/679 moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde
toezichthoudende autoriteit, tenzij de Europese Commissie op geldige wijze een
adequaatheidsbesluit heeft vastgesteld, ertoe verplicht is om de doorgifte van gegevens
naar een derde land op basis van door de Commissie vastgestelde standaardbepalingen
inzake gegevensbescherming op te schorten of te verbieden, wanneer deze
toezichthoudende autoriteit, gelet op alle omstandigheden van die doorgifte, van oordeel is
dat die bepalingen in dat derde land niet worden of niet kunnen worden nageleefd en dat de
bescherming van de doorgegeven gegevens, zoals vereist door het Unierecht, inzonderheid
door de artikelen 45 en 46 van deze verordening en door het Handvest van de grondrechten,
niet kan worden gewaarborgd met andere middelen, indien de in de Unie gevestigde
verwerkingsverantwoordelijke of zijn in de Unie gevestigde verwerker niet zelf de doorgifte
heeft opgeschort of beëindigd." (punt 121 van het arrest)120
334. Aangezien deze verwerkingen kaderen in een internationale verbintenis van de Belgische
staat, spreekt de Geschillenkamer geen verbod uit, maar geeft zij, op grond van artikel
58.2.d) van de AVG en artikel 100.1.9° van de WOG, de voorkeur aan een termijn van één
jaar vanaf de datum van deze beslissing, waarbinnen de verweerder de doorgifte van
gegevens aan de IRS in overeenstemming moet brengen, rekening houdend met de
overwegingen van de Geschillenkamer omtrent het doelbindingsbeginsel, het
evenredigheidsbeginsel en de passende waarborgen die aan die doorgifte verbonden
moeten zijn.
Beslissing ten gronde 79/2025 —96 /99
335. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan een
inbreuk op artikel 14.1-2 in combinatie met artikel 12.1 van de AVG, aangezien hij de eerste
klager onvoldoende heeft geïnformeerd en hij de Belgische toeval-Amerikanen en meer in
het algemeen de betrokkenen bij de gegevensverwerkingen ter uitvoering van de FATCA-
overeenkomst (titel II.6.3), onvoldoende informeert.
336. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder zich ook schuldig heeft gemaakt aan een
inbreuk op artikel 35.1 van de AVG, aangezien hij geen GEB heeft uitgevoerd met
betrekking tot de door de klagers aan de kaak gestelde verwerkingen (titel II.6.4).
337. De Geschillenkamer stelt ten slotte vast dat de verweerder zich ook schuldig heeft gemaakt
aan een inbreuk op de artikelen 5.2 en 24 van de AVG, aangezien hij zijn
verantwoordingsplicht met betrekking tot de aan de kaak gestelde verwerkingen niet is
nagekomen ("accountability") (titel II.6.6).
338. Voor deze schendingen geeft de Geschillenkamer de verweerder een berisping op grond
van artikel 58.2.b) van de AVG en artikel 100.1.5° van de WOG. Deze berisping gaat gepaard
met een bevel tot naleving op grond van artikel 58.2.d) van de AVG en artikel 100.1.9° van
de WOG, met de volgende verplichtingen, te vervullen binnen een termijn van één jaar vanaf
de kennisgeving van deze beslissing:
- de doorgiften van persoonsgegevens ter uitvoering van de FATCA-overeenkomst in
overeenstemming brengen met de AVG, rekening houdend met de overwegingen van
de Geschillenkamer in deze beslissing omtrent het evenredigheidsbeginsel, het
doelbindingsbeginsel en de vereisten van hoofdstuk V van de AVG (artikelen 5.1.b) en
5.1.c) van de AVG; artikelen 46.1 en 46.2.a) van de AVG);
- op de website volledige, duidelijke en toegankelijke informatie verstrekken over de
doorgifte van persoonsgegevens naar de IRS in het kader van de FATCA-
overeenkomst (artikelen 12.1 en 14 van de AVG);
- een GEB uitvoeren overeenkomstig artikel 35 van de AVG. In dit verband is de
Geschillenkamer zich ervan bewust dat de AVG geen verplichting oplegt om de GEB te
publiceren en dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke wordt overgelaten om al
dan niet tot publicatie over te gaan. De verweerder zou echter ten minste een
gedeeltelijke publicatie, in de vorm van een samenvatting of een conclusie van zijn GEB,
kunnen beogen. Een dergelijke praktijk zou nuttig zijn om vertrouwen te wekken in de
doorgiften die hij als overheidsinstantie verricht en om de betrokkenen garanties te
bieden inzake verantwoordelijkheid en transparantie146.
146
Zie de richtsnoeren van de EDPB inzake de GEB op pagina 22 van de Nederlandstalige versie.
Beslissing ten gronde 79/2025 —97 /99
IV. Publicatie van de beslissing
339. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces en de
beslissingen van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website
van de GBA. Tot op heden heeft de Geschillenkamer er doorgaans voor gekozen haar
beslissingen te publiceren met weglating van de rechtstreekse identificatiegegevens van de
klager(s) en van de genoemde personen, zowel natuurlijke als rechtspersonen, evenals die
van de verweerder(s).
340. In het onderhavige geval beslist de Geschillenkamer om deze beslissing te publiceren met
identificatie van de partijen, met uitzondering van de eerste klager.
341. De Geschillenkamer preciseert dat deze publicatie met identificatie van zowel de tweede
klager als de verweerder verschillende doelen nastreeft.
342. Wat de verweerder betreft, beoogt zij een doel van algemeen belang, omdat deze
beslissing betrekking heeft op de verantwoordelijkheid van een federale overheidsdienst
(de verweerder) die onderworpen is aan verplichtingen die voortvloeien uit een
internationale overeenkomst (de FATCA) die is gesloten met een derde land buiten de
EU/EER. De identificatie van de verweerder is overigens noodzakelijk voor het goede
begrip van de beslissing en dus voor de verwezenlijking van het doel van transparantie dat
wordt nagestreefd met het beleid van de Geschillenkamer om haar beslissingen te
publiceren147.
343. Wat de tweede klager betreft, is het voor het goede begrip van de beslissing eveneens
noodzakelijk dat zijn identiteit wordt bekendgemaakt, aangezien hij een specifieke en
geïdentificeerde categorie van betrokkenen verdedigt. Bovendien is de Geschillenkamer
zich ervan bewust, zonder dat dit een doorslaggevend argument is, dat de klacht die de
tweede klager tegen de verweerder heeft ingediend, op initiatief van een van zijn
raadslieden door de pers is overgenomen en dus openbaar is gemaakt.
344. Ten slotte draagt de publicatie van de identiteit van de tweede klager en de verweerder ook
bij tot een coherente en geharmoniseerde toepassing van de AVG. Zoals uiteengezet in titel
II.2, diende de klacht niet te worden behandeld in het kader van het in de AVG voorziene één-
loketmechanisme. De FATCA-kwestie is echter nog steeds actueel en baart ook buiten de
Belgische grenzen zorgen. Het is dan ook niet uitgesloten dat, zoals reeds het geval was,
andere gegevensbeschermingsautoriteiten in de EU/EER in de toekomst soortgelijke
klachten zullen moeten behandelen; voor de behandeling van deze klachten kan kennisname
147
Zie https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beleid-van-de-geschillenkamer-inzake-de-publicatie-
van-de-beslissingen.pdf.
Beslissing ten gronde 79/2025 —99 /99
bevatten 148
. Dit verzoek op tegenspraak moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W. 149, of via het e-Deposit informaticasysteem
van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(Get.) Yves Poullet
Voorzitter van de Geschillenkamer
148
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn
rijksregisternummer of ondernemingsnummer;
3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
149
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief
gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.