1/27
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 31/2022 van 4 maart 2022
Deze beslissing werd vernietigd door het arrest 2022/AR/457
van het Marktenhof dd. 26 oktober 2022
Dossiernummer : DOS-2020-00186
Betreft : Identificatie van nummerplaat naar aanleiding van parkeerbon gevolgd door
aanslagbiljet inzake belasting op het parkeren
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans,
alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene
verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers
op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
.
De klager: De heer X, hierna “de klager”; .
.
De verweerders: Stad Kortrijk, Grote Markt 54, 8500 Kortrijk, vertegenwoordigd door raadslieden Bart
Martel en Anneleen Van de Meulebroucke, hierna “verweerder 1”;
Beslissing ten gronde 31/2022 - 2/27
FOD Mobiliteit en Vervoer, Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid,
Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel, vertegenwoordigd door raadslieden Frederic
Debusseré en Ruben Roex, hierna “verweerder 2”.
I. Feiten en procedure
1. Op 5 november 2020 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen
de verweerders.
Het voorwerp van de klacht betreft de identificatie van de nummerplaat toebehorend aan de klager
naar aanleiding van een vaststelling door een parkeerwachter van Parko op 28 mei 2020 die
resulteerde in een parkeerbon en vervolgens in een aanslagbiljet inzake de belasting op het
parkeren. De klager stelt dat verweerder 1, die sinds 1 januari 2020 zelf bevoegd is voor het
parkeerbeleid, zich weliswaar heeft aangesloten bij beraadslaging FO nr. 14/2016 van 21 januari
20161, maar deze aansluiting2 vond plaats door middel van een overeenkomst die pas werd
afgesloten op 1 september 2020 3 en waarin onder punt 13 is opgenomen dat de overeenkomst
ingaat op 1 januari 2020. Als datum van inwerkingtreding wordt 28 augustus 2020 4 vermeld.
Volgens de klager beschikte verweerder 1 op het ogenblik van de feiten niet over de nodige
machtiging om over te gaan tot de identificatie van zijn nummerplaat.
De veiligheidsconsulent van verweerder 1 die door de klager werd gecontacteerd, verwees naar de
machtiging FO nr. 18/2015 van 28 mei 2015 5 om de identificatie van de nummerplaat te
rechtvaardigen. Deze beraadslaging betreft echter de identificatie en de bestraffing van
overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen en betreft niet een retributie of
belasting. Dit brengt de klager tot de conclusie dat zowel verweerder 1 als verweerder 2, gedurende
een aantal maanden zich op een verkeerde machtiging hebben gebaseerd om de houder van een
nummerplaat te identificeren via de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) waardoor aldus
de bescherming van zijn persoonsgegevens zou zijn geschonden. De klager stelt zich de vraag op
welke rechtsgrond verweerder 1 zich voor de periode van 1 januari 2020 tot 1 september 2020
1
Beraadslaging houdende de eenmalige machtiging om de gemeenten toegang te verlenen tot het repertorium van de DIV voor de
identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn - Herziening van
de beraadslaging FO n° 05/2015 van 19 maart 2015 (AF-MA-2015-099)
2
https://mobilit.belgium.be/nl/wegverkeer/inschrijving_van_voertuigen/gegevensuitwisseling/parkeerbeheer
3
De aansluitingsovereenkomst is terug te vinden via volgende link:
https://mobilit.belgium.be/sites/default/files/DGWVVV/kortrijk_14_2016.pdf
4
https://dt.bosa.be/nl/begunstigden_beraadslaging_fo_nr_142016
5
Beraadslaging over het verlenen van een algemene machtiging aan de Steden en Gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en het
Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap om via elektronische weg de persoonsgegevens te ontvangen van de Directie Inschrijving van
Voertuigen(hierna de "DIV") voor de identificatie en de bestraffing van overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen (AF-
MA-2014-068)
Beslissing ten gronde 31/2022 - 3/27
baseert om persoonsgegevens betreffende de houder van een nummerplaat op te vragen bij
verweerder 2 voor de identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig,
parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn en op welke rechtsgrond verweerder 2
voor diezelfde periode daartoe aan verweerder 1 persoonsgegevens heeft verstrekt 6.
2. Op 18 januari 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van
de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van art. 62, §1 WOG overgemaakt aan de
Geschillenkamer.
3. Op 25 februari 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van art. 95, §1, 1° en art. 98 WOG dat het
dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken partijen in kennis gesteld
van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, alsook van deze in art. 98 WOG. Tevens worden
zij op grond van art. 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te
dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd daarbij
vastgelegd op 8 april 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 29 april 2021 en
deze voor de conclusie van repliek van de verweerders op 20 mei 2021.
4. Op 26 februari 2021 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak,
overeenkomstig artikel 98 WOG.
5. Op 15 maart 2021 vraagt de klager een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), dewelke hem
werd overgemaakt op 23 maart 2021.
6. Op 19 maart 2021 vraagt verweerder 2 een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), dewelke
hem werd overgemaakt op 23 maart 2021. Alsook aanvaardt hij op 7 april 2021 elektronisch alle
communicatie omtrent de zaak, overeenkomstig artikel 98 WOG.
7. Op 25 maart 2021 aanvaardt verweerder 1 elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft
te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig
artikel 98 WOG, alsook wordt een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG) gevraagd, dewelke
wordt overgemaakt op 7 april 2021.
8. Op 6 april 2021 verzoekt verweerder 2 om verlenging van de conclusietermijnen, hetwelk door de
Geschillenkamer wordt toegestaan op 7 april 2021.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd daarbij
vastgelegd op 15 april 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 6 mei 2021 en deze
voor de conclusie van repliek van de verweerders op 27 mei 2021.
6
Zie in dat verband ook Beslissing ten gronde 81/2020 van 23 december 2020.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 4/27
9. Op 15 april 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege verweerder 1.
Vooreerst betwist verweerder 1 de ontvankelijkheid van de klacht en voert aan dat niet de
Gegevensbeschermingsautoriteit, maar wel de Vlaamse toezichtcommissie de bevoegde instantie
is om over de klacht te oordelen. Verder voert zij ook een aantal procedurele punten aan waardoor
de rechten van verdediging zouden zijn geschonden. Aangaande de grond van de zaak laat
verweerder 1 gelden dat zij de rechtsopvolger is van AGB Parko en in die hoedanigheid gebruik kon
maken van de door haar ingeroepen beraadslagingen van het Sectoraal comité voor de Federale
Overheid. Zij voegt er ook aan toe steeds te goeder trouw te hebben gehandeld.
10. Op 15 april 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege verweerder 2
die zich eveneens beroept op de betreffende beraadslagingen van het Sectoraal comité voor de
Federale Overheid en de rechtsopvolging in hoofde van verweerder 1 om ertoe te besluiten dat de
gegevens van de klager in het DIV-repertorium konden worden verstrekt aan verweerder 1.
11. Op 6 mei 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager waarin hij
uiteenzet dat de machtiging op basis waarvan zijn persoonsgegevens werden verwerkt teneinde te
kunnen overgaan tot de heffing van een parkeerbelasting, onjuist is en er geen rechtsgrond was om
zijn persoonsgegevens voor dat doeleinde te verwerken.
12. Op 27 mei 2021 heeft de Geschillenkamer de conclusie van repliek ontvangen van verweerder 1
waarin de verweermiddelen zoals naar voor gebracht in de conclusie van antwoord worden
hernomen, aangevuld met middelen omtrent bijkomende aantijgingen van de klager.
13. Op 27 mei 2021 heeft de Geschillenkamer de conclusie van repliek ontvangen van verweerder 2
waarin hij opnieuw de verweermiddelen aanhaalt zoals in zijn conclusie van antwoord, met de
toevoeging dat hij betwist verwerende partij te zijn in deze procedure en opwerpt dat de beginselen
van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden.
14. Op 8 juli 2021 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 29
oktober 2021.
15. Op 29 oktober 2021 worden de verweerders gehoord door de Geschillenkamer. De klager werd
behoorlijk opgeroepen teneinde aan de hoorzitting deel te nemen, doch is niet verschenen.
16. In aansluiting op de hoorzitting die plaatsvond, verzoekt de Geschillenkamer op 29 oktober 2021
beide verweerders om tegen uiterlijk 16 november 2021 standpunt in te nemen omtrent het
volgende:
Hoe verhouden de beraadslagingen waarnaar is verwezen in de stukken van het geding alsook
tijdens de hoorzitting zich tot de AVG? Meer bepaald, is er na in werking treden van de AVG een
voldoende rechtsgrond voor de Stad Kortrijk om op grond van een beraadslaging gegevens op te
vragen bij de DIV enerzijds, en voor de FOD Mobiliteit en Vervoer, Directoraat-generaal
Beslissing ten gronde 31/2022 - 5/27
Wegvervoer en Verkeersveiligheid om op grond van een beraadslaging gegevens te ontsluiten
anderzijds, dit in het licht van artikel 6.1.e juncto 6.3 AVG (rechtsgrond van publiek belang) en artikel
24 AVG (verantwoordingsplicht (accountability)).
Op dezelfde datum wordt de klager hiervan eveneens in kennis gesteld.
17. Op 8 november 2021 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd.
18. Op 15 november 2021 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder 1 enkele opmerkingen
met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad.
19. Op 16 november 2021 ontvangt de Geschillenkamer vanwege verweerder 2 enkele opmerkingen
met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad.
20. Op 16 november 2021 bezorgt verweerder 2 zijn argumentatie op de door de Geschillenkamer
gestelde vraag zoals deze aan bod kwam tijdens de hoorzitting, alsook in de daaropvolgende brief
d.d. 29 oktober 2021. Deze beperkt er zich in essentie toe te stellen dat zij als federale
overheidsdienst op grond van het feit dat de wetgever vermoed wordt hogere rechtsnormen zoals
het Unierecht niet te hebben willen schenden, en op grond van het rechtszekerheidsbeginsel er
vanuit mag gaan dat de juridische instrumenten die de Belgische wet- en regelgeving haar aanreikt,
in conformiteit met de AVG zijn. Zij acht het niet haar taak of bevoegdheid als FOD Mobiliteit en
Vervoer om die juridische instrumenten in vraag te stellen, te verdedigen of niet toe te passen.
21. Op 15 november 2021 vraagt verweerder 1 verduidelijking omtrent de voormelde vraag van de
Geschillenkamer, alsook wordt om uitstel verzocht om standpunt in te nemen.
22. Op 24 november 2021 licht de Geschillenkamer de reikwijdte van de vraagstelling toe aan
verweerder 1 en staat zij toe dat deze zijn standpunt kenbaar maakt tegen uiterlijk 8 december
2021.
23. Op 8 december 2021 bezorgt verweerder 1 zijn argumentatie op de door de Geschillenkamer
gestelde vraag zoals deze aan bod kwam tijdens de hoorzitting, alsook in de daaropvolgende
brieven d.d. 29 oktober 2021 en 24 november 2021. Verweerder 1 geeft daarin te kennen niet te
kunnen tegemoet komen aan de vraag van de Geschillenkamer tot het verstrekken van een
antwoord waarvoor de volgende redenen worden aangehaald: onverenigbaar met de rechten van
verdediging en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet behorend tot de taak van een
verwerkingsverantwoordelijke om de conformiteit van de Belgische reglementering inzake
verwerking van persoonsgegevens met de AVG na te gaan, en overschrijding van de saisine van de
Geschillenkamer.
24. De hoorzitting d.d. 29 oktober 2021 heeft plaatsgevonden met drie zetelende leden. Tussen de
hoorzitting en de beraadslaging omtrent de beslissing heeft één van de zetelende leden laten
weten zich terug te trekken uit de zaak, met verwijzing naar artikel 43 WOG. Dientengevolge en
Beslissing ten gronde 31/2022 - 6/27
aangezien de WOG een beslissing door twee leden niet toelaat, wordt deze beslissing genomen
door de voorzitter, alleenzetelend (artikel 33, §1, lid 3 WOG).
II. Motivering
a) Bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit
25. De verweerders voeren aan dat de Gegevensbeschermingsautoriteit, met inbegrip van haar
organen en dus ook met inbegrip van de Geschillenkamer, onbevoegd zou zijn in deze zaak. De
verweerders stellen immers dat de Vlaamse Toezichtcommissie bevoegd is om toezicht uit te
oefenen op de naleving van de (grond)wettelijke en andere regelgevende bepalingen inzake
persoonsgegevensbescherming uitgevoerd door een instantie zoals bedoeld in artikel 10/1, §1 van
het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer7 (hierna:
het “decreet van 18 juli 2008”) wanneer dit toezicht kadert in een deelstatelijke bevoegdheid.
26. Zoals reeds in haar beslissing 15/2020 van 15 april 2020 8 is uiteengezet, is de
Gegevensbeschermingsautoriteit (“GBA”) bevoegd om deze zaak te behandelen.
Regelgevende bevoegdheden inzake persoonsgegevensbescherming
27. Vooreerst benadrukt de Geschillenkamer dat de AVG een verordening is die rechtstreeks
toepasselijk is in de Unie en niet door de lidstaten mag worden omgezet in de nationale wetgeving.
Bepalingen uit de AVG mogen ook niet worden gespecificeerd in de nationale regelgeving,
behoudens op de punten waar de AVG dit uitdrukkelijk mogelijk maakt. De gegevensbescherming
is dus in beginsel een Europeesrechtelijke aangelegenheid geworden.9
28. Het uitvaardigen van eventuele regelgevende bepalingen inzake persoonsgegevens door de
federale of een deelstatelijke overheid moet dus gebeuren binnen het kader dat werd vastgelegd
door de AVG. Hieromtrent verwijst de Geschillenkamer naar artikel 22 van de Grondwet en de vaste
rechtspraak hieromtrent van het Grondwettelijk Hof dat stelt dat het recht op eerbiediging van het
privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 22 van de Grondwet (alsook in verdragen), een ruime
7
Cf. artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 “betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer”, zoals ingevoegd bij
artikel 20 van het decreet van 8 juni 2018 “houdende de aanpassing van de decreten aan de verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG
(algemene verordening gegevensbescherming)” (hierna het “AVG-decreet”). B.S. 26 juni 2018.
8
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-15-2020.pdf , §§ 32-35 en 66 en volgende.
Zie ook Beslissing 23/2022, § 6, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/zonder-gevolg-nr.-23-2022.pdf
9
Zie bijv in C. KUNER, L.A. BYGRAVE en C. DOCKSEY (eds.),The EU General Data Protection Regulation: A Commentary, Oxford
University Press, 2020, 54-56.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 7/27
draagwijdte heeft en onder meer de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke
informatie omvat.10
29. Wat betreft het recht op eerbiediging van het privéleven, bepaalt artikel 22 Grondwet het volgende:
“Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen
en onder de voorwaarden onder de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.”
30. Aangezien artikel 22 van de Grondwet dateert van ná de staatshervorming van 1980, wordt met het
woord “wet” in die bepaling een federale wet bedoeld. Beperkingen op de door die
grondwetsbepaling gewaarborgde rechten kunnen in beginsel dus niet door een decreet of een
ordonnantie worden ingesteld. Dit zou betekenen dat een inmenging in het privéleven – waaronder
begrepen de verwerking van persoonsgegevens – niet kan voortvloeien uit decreten of
ordonnanties.11
31. Aangezien een dergelijke interpretatie de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten
zou uithollen, hebben onder meer het Grondwettelijk Hof en de afdeling Wetgeving van de Raad
van State geoordeeld dat het instellen van algemene beperkingen een aan de federale wetgever
voorbehouden materie is. De deelgebieden behouden in dat geval de mogelijkheid om, binnen hun
bevoegdheden, specifieke beperkingen te voorzien, op voorwaarde dat zij de algemene federale
wetgeving hieromtrent respecteren.12
32. Kortom, de Geschillenkamer stelt vast dat de federale overheid en de gemeenschappen en de
gewesten bevoegd zijn om respectievelijk algemene en specifieke regels uit te vaardigen
betreffende de bescherming van het privé- en gezinsleven en dit enkel op de punten waarop de
AVG dit toelaat en binnen de regels van de AVG die rechtstreeks toepasselijk zijn in de Belgische
rechtsorde.13 Ook waar specifieke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens worden
gesteld door de deelstatelijke overheden, binnen de ruimte die de AVG daartoe laat, dienen de
algemene regels voortvloeiend uit federale wetgeving inzake persoonsgegevensbescherming te
worden gerespecteerd.
10 Zie bv. GwH, nr. 29/2018, 15 maart 2018, B.11; nr. 104/2018, 19 juli 2018, B.21; nr. 153/2018, 8 november 2018, B.9.1. Zie ook A. ALEN
en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer 2011, p. 917 e.v.
11
A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 918; K. REYBROUCK en S. SOTTIAUX, De
federale bevoegdheden, Antwerpen, Intersentia, 2019, 122; J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, Y. HAECK, J. GOOSSENS en T. DE
PELSMAEKER, Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2015, 449.
12
Arbitragehof, nr. 50/2003, 30 april 2003, B.8.10; nr. 51/2003, 30 april 2003, B.4.12.; nr. 162/2004, 20 oktober 2004 en 16/2005, 19
januari 2005; GwH, 20 oktober 2004, 14 februari 2008; Adv. RvS nr. 37.288/3 van 15 juli 2004, Parl. St. Vl. Parl. 2005-2006, nr. 531/1:
“[…] de gemeenschappen en de gewesten [zijn] slechts bevoegd […] om specifieke beperkingen van het recht op de eerbiediging van
het privéleven toe te staan en te regelen voor zover ze daarbij de federaal bepaalde basisnormen aanpassen of aanvullen, maar […] ze
[zijn] niet bevoegd […] om die federale basisnormen aan te tasten”.
13
J. VAN PRAET, De latente staatshervorming, Brugge, die Keure, 2011, 249-250.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 8/27
Toezichthoudende overheden in het kader van persoonsgegevensbescherming
33. De verweerder verwijst naar artikel 57, lid 1, f AVG en artikel 51, lid 1, AVG waaruit voortvloeit dat
alle lidstaten bepalen welke overheidsinstantie de toezichthoudende taken zal uitvoeren en dat het
mogelijk is om meer dan één toezichthoudende overheid aan te duiden.
34. In navolging van de AVG werd de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de
Gegevensbeschermingsautoriteit14 (hierna: “WOG”) aangenomen.
De GBA is aldus opgericht op grond van artikel 4, §1, eerste lid WOG. Het klopt dat, zoals artikel 4, §
1, tweede lid WOG uitdrukkelijk bevestigt, ook de deelstaten zelf
gegevensbeschermingsautoriteiten kunnen oprichten, zoals ook reeds aangegeven door de Raad
van State in haar advies nr. 61.267/2/AV van 27 juni 201715 (zie infra). In uitvoering van dit artikel
heeft de Vlaamse wetgever de Vlaamse Toezichtcommissie (hierna: “VTC”) opgericht bij artikel 10/1
van het decreet van 8 juni 2018.16
Toezichthoudende bevoegdheden van de toezichthoudende overheden
35. Gelet op de hierboven uiteengezette concurrerende bevoegdheden inzake
persoonsgegevensbescherming, draagt artikel 141 van de Grondwet de wetgever op een
procedure in te stellen om bevoegdheidsconflicten tussen wetgevende normen te voorkomen. 17
Die taak werd toevertrouwd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Met betrekking tot
de bevoegdheden van de voormelde toezichthoudende overheden verwijst de Geschillenkamer
naar het advies nr. 61.267/2/AV van 27 juni 2017 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State
dat werd uitgevaardigd naar aanleiding van het voorontwerp dat tot de WOG heeft geleid. In dit
advies ging de Raad uitvoerig in op de bevoegdheidsverdelende regels inzake het toezicht op
gegevensbescherming.18
36. De Raad van State stelde in het voormeld voorontwerp dat de federale overheid een
toezichthoudende autoriteit kan oprichten met “een algemene bevoegdheid (…) over alle
14
B.S. 10 januari 2018.
15
Adv.RvS nr. 61.267/2 van 27 juni 2017 over het voorontwerp van wet ‘tot hervorming van de Commissie voor de bescherming van
persoonlijke levenssfeer’, rn. 7.1-7.2. Zie ook bv. Adv.RvS, nr. 66.033/1/AV van 3 juni 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse
Regering van 10 december 2010 ‘tot uitvoering van het decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling, wat betreft de invoering
van een registratieverplichting voor sportmakelaars’, 4; Adv.RvS., nr. 66.277/1 van 2 juli 2019 over een ontwerp van besluit van de
Vlaamse Regering ‘houdende de nadere regels voor de verwerking, de bewaring en de bewijskracht van de elektronische gegevens
betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid’, 6-7.
16
B.S. 26 juni 2018.
17
Artikel 141 Gw.: “De wet stelt de procedure in om de conflicten tussen de wet, het decreet en de in artikel 134 bedoelde regelen,
alsook tussen de decreten onderling, en tussen de in artikel 134 bedoelde regelen onderling te voorkomen.”
18
Ibid., 8,, p. 28-45.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 9/27
verwerkingen van persoonsgegevens, ook die welke plaatsvinden in aangelegenheden waarvoor
de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn”19. Een dergelijke regeling doet geen afbreuk
aan de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten, […]”, aldus de Raad van State. 20
Bijgevolg kunnen de deelstatelijke toezichthoudende autoriteiten volgens de Raad van State enkel
worden gemachtigd om toezicht te houden op de specifieke regels die de zij hebben uitgevaardigd
voor gegevensverwerkingen in het kader van activiteiten die onder hun bevoegdheid vallen, en dit
uiteraard slechts in zoverre de AVG de lidstaten nog toestaat om specifieke bepalingen vast te
stellen en geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van de WOG. Hiermee bevestigt de Raad
van State haar standpunt in advies nr. 37.288/3 van 15 juli 2004, zoals aangehaald in het advies nr.
61.267/2/AV van 27 juni 2017, waarin de Raad van State het volgende overwoog over de
bevoegdheid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de
voorganger van de GBA:
“Terecht gaan de stellers van het ontwerp ervan uit dat de decreetgever geen afbreuk kan doen
aan de bevoegdheden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
opgericht bij de wet van 8 december 1992. Ter uitvoering van de richtlijn heeft de federale wetgever
een toezichtsorgaan in het leven kunnen roepen, dat een algemene bevoegdheid heeft over alle
verwerkingen van persoonsgegevens, ook die welke plaatsvinden in aangelegenheden waarvoor
de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn.”21
37. Kortom, de GBA is, als federale toezichthoudende autoriteit, de bevoegde instantie om toezicht te
houden op de algemene regels, waaronder de dwingende bepalingen van de AVG die geen verdere
nationale uitvoering behoeven.22 Dit is ook het geval indien de gegevensverwerking betrekking
heeft op een materie die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen of de gewesten valt en/of
indien de verwerkingsverantwoordelijke een overheidsinstantie is die onder de gemeenschappen
of de gewesten ressorteert, zoals een gemeente, zelfs al heeft de deelstaat zelf een
toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG opgericht.
38. Gelet op het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat opdat een deelstatelijke
toezichthouder bevoegd zou zijn, het geenszins volstaat dat de gegevensverwerking betrekking
heeft op een deelstatelijke materie, in casu de materie van de aanvullende verkeersreglementen.
De deelstaat in kwestie moet bovendien ook, binnen de ruimte die de AVG de lidstaten nog laat,
19
Ibid., 8, rn. 5, verwijzend naar Adv.RvS, nr. 37.288/3 van 15 juli 2004 over een voorontwerp van decreet ‘betreffende het
gezondheidsinformatiesysteem’, Parl.St. Vl.Parl. 2005-06, nr. 531/1, 153 e.v.
20
Ibid., 8, rn. 6.
21
Adv. Rvs. nr. 37.288/3 van 15 juli 2004.
22
Zie ook bv. Adv.RvS, nr. 66.033/1/AV van 3 juni 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010
‘tot uitvoering van het decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling, wat betreft de invoering van een registratieverplichting
voor sportmakelaars’, 5; Adv.RvS., nr. 66.277/1 van 2 juli 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering ‘houdende de
nadere regels voor de verwerking, de bewaring en de bewijskracht van de elektronische gegevens betreffende de toelagen in het
kader van het gezinsbeleid’, 7.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 10/27
specifieke regels hebben uitgevaardigd voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader
van die materie. Het is enkel het toezicht op de naleving van die specifieke deelstatelijke regels dat
aan de deelstatelijke toezichthouder kan worden toevertrouwd.
39. De Geschillenkamer benadrukt dat de notie ‘specifieke regels’ niet te ruim mag worden opgevat.
Uit het aangehaalde advies van de Raad van State blijkt dat het begrip ‘specifieke regels’ verwijst
naar specifieke beperkingen of bijzondere waarborgen, die afwijken van of verder gaan dan de
algemene bepalingen, waarborgen en beperkingen die zijn opgenomen in, of voortvloeien uit, de
AVG of de federale wetgeving. Met andere woorden, het loutere feit dat de deelstaten (bij decreet
of besluit) een algemene regel implementeren of bevestigen, betekent nog niet dat die regel het
karakter krijgt van een ‘specifieke regel’. Er is pas sprake van een specifieke regel wanneer de
deelstaten, gebruikmakend van de ruimte die de AVG daarvoor laat, bijkomende waarborgen of
beperkingen instellen.
40. Daar komt bij dat eventuele beperkingen van bevoegdheden van een autoriteit voor de
gegevensbescherming ingevolge de AVG slechts mogelijk zou zijn indien op het niveau van een
deelstaat een toezichthouder zou zijn opgericht die voldoet aan alle vereisten die ingevolge de
Europese Verdragen aan de toezichthouder worden gesteld, en die ook alle taken en
bevoegdheden van de toezichthouder heeft verkregen. Verwezen zij in dit verband vooral naar de
artikelen 51 tot en met 59 van de AVG.
41. De Geschillenkamer stelt vast dat de litigieuze verwerkingen uitgevoerd zijn op basis van drie
algemene beraadslagingen23 die werden verleend door het sectoraal comité ingesteld bij de
Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (hierna: “CBPL”). De CBPL en de
sectorale comités werden opgeheven door de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming
van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. 24 De
machtigingen en de betrokken verwerking van persoonsgegevens door de verweerster in het
kader van de desbetreffende machtigingen, te weten de mededeling van gegevens uit de
Kruispuntbank van de voertuigen – met name de kentekenplaat – aan de aanvragende
verwerkingsverantwoordelijke in het kader van haar bevoegdheden inzake aanvullende
parkeerreglementen, dient bijgevolg sinds 25 mei 2018 te worden getoetst aan het nieuw wettelijk
kader, met name de bepalingen van de AVG.
23
Beraadslaging FO nr. 02/2016 van 21 januari 2016, Beraadslaging FO nr. 14/2016 van 21 januari 2016 en Beraadslaging FO nr.
18/2015 van 28 mei 2015.
24
Artikel 280 wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking
van persoonsgegevens.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 11/27
42. Binnen het huidig wettelijk kader, en meer bepaald op grond van artikel 35/1 van de wet van 15
augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator 25 en de wet
van 5 september 2018 tot oprichting van het Informatieveiligheidscomité, is het
Informatieveiligheidscomité (hierna: “IVC”) met name bevoegd beraadslagingen te verlenen
betreffende bepaalde mededelingen van persoonsgegevens, waaronder eveneens de mededeling
van gegevens vervat in de Kruispuntbank van de voertuigen. Artikel 35/1, § 4, van de Wet Federale
Dienstenintegrator preciseert dat “de beraadslagingen van het informatieveiligheidscomité met
redenen [worden] omkleed en een algemene bindende draagwijdte [hebben] tussen partijen en
jegens derden”. Op basis van datzelfde artikel kan de Gegevensbeschermingsautoriteit elke
beraadslaging van het informatieveiligheidscomité te allen tijde, ongeacht wanneer zij werd
verleend, toetsen aan hogere rechtsnormen, zoals de AVG. Bijgevolg is de Geschillenkamer
bevoegd om te beoordelen of de machtigingen en de verwerkingen die op basis hiervan zijn
uitgevoerd voldoen aan de verplichtingen zoals voorzien in de AVG.
43. Gelet op het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat deze zaak geen toetsing betreft
van een gegevensverwerking door een instantie overeenkomstig artikel 10/1, §1 van het decreet
van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer aan een specifieke
regel uitgevaardigd door de deelstatelijke overheid binnen diens deelstatelijke bevoegdheid. Zoals
aangetoond zijn de machtigingen in kwestie algemeen van aard en het toetsen aan de AVG van deze
machtigingen samen met de uitgevoerde persoonsgegevensverwerkingen die op basis daarvan
zijn uitgevoerd komt aldus toe aan de Geschillenkamer.
b) Rechten van verdediging en beginselen van behoorlijk bestuur
De klacht
44. Verweerder 1 laat gelden dat de rechten van verdediging zouden zijn geschonden doordat het niet
duidelijk zou zijn tegen welke klacht zij zich dient te verdedigen. Verweerder 1 houdt voor dat er drie
klachten zouden zijn ingediend door de klager en verwijst daartoe naar de stukken die door de
klager werden overgemaakt op 10 augustus 2020, 5 november 2020 en 7 december 2020.
45. Dienaangaande merkt de Geschillenkamer op dat de klager voor het eerst heeft getracht zijn klacht
in te dienen op 10 augustus 2020, maar aangezien de klacht enkel de laatste pagina van het
klachtformulier betrof – hetwelk enkel de datum van de klacht, de handtekening alsook de naam en
voornaam van de klager bevat – heeft de klager het volledige klachtformulier ingediend op 5
november 2020. Vervolgens werden door de klager op 6 december 2020 stukken bijgebracht ter
staving van zijn klacht ingediend op 5 november 2020. In tegenstelling tot wat verweerder 1
25
B.S. 28 augustus 2012.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 12/27
voorhoudt, heeft de klager aldus één enkele klacht ingediend, namelijk deze die werd ingediend op
volledige wijze d.d. 5 november 2020. Deze klacht werd dan ook bijgevoegd bij de brief die op 25
februari 2021 aan de partijen werd overgemaakt tot vaststelling van de conclusiekalender en met
het verzoek tot het indienen van verweermiddelen. Het is pas nadat de klacht volledig werd
ingediend en de klager de nodige stavingsstukken heeft bezorgd dat de klacht door de
Eerstelijnsdienst kon ontvankelijk worden verklaard, zoals ook is gebeurd. Bovendien heeft
verweerder 1 een kopie van het dossier ontvangen waardoor deze alle elementen ter beschikking
had om zijn verweer te voeren.
Beslissing inzake ontvankelijkheid en beslissing inzake het gereed zijn voor behandeling ten gronde
46. Verweerder 1 haalt aan dat de volgens haar ‘vermeende’ beslissing van de Eerstelijnsdienst geen
verduidelijking bevat van de feiten of de beweerde inbreuken. Ook meent verweerder 1 uit de brief
van de Geschillenkamer d.d. 25 februari 2021 niet te kunnen afleiden welke de vermeende
inbreuken, noch welke de mogelijke sancties zouden zijn. Verweerder 1 voegt daaraan toe dat het
voor haar onbekend is of er nog een eigenlijke beslissing van de Eerstelijnsdienst bestaat, alsook
dat zij niet in kennis werd gesteld van enige beslissing van de Geschillenkamer inzake het gereed
zijn voor behandeling ten gronde. Dit brengt verweerder 1 tot het besluit dat de rechten van
verdediging zijn geschonden, evenals de beginselen van behoorlijk bestuur.
47. De Geschillenkamer verduidelijkt dat de beslissing van de Eerstelijnsdienst tot ontvankelijkheid van
de klacht is opgenomen in een e-mail gericht aan de Geschillenkamer en de betreffende e-mail
integraal deel uitmaakt van het administratief dossier. De Geschillenkamer heeft ingevolge daarvan
de procedure tot behandeling ten gronde aangevat. De Geschillenkamer brengt de partijen (zowel
klager, als verweerders) in één enkele brief op de hoogte van zowel de ontvankelijkheid van de
klacht overeenkomstig artikel 61 WOG – deze bepaling vereist sensu stricto dat enkel de klager in
kennis wordt gesteld van de ontvankelijkheid van zijn klacht –, als het aanvatten van de procedure
ten gronde met daarin alle informatie overeenkomstig artikel 98 WOG juncto artikel 95, §2 WOG.
48. Met betrekking tot de beslissing inzake ontvankelijkheid, alsook de beslissing dat het dossier
gereed is voor behandeling ten gronde, verwijst de Geschillenkamer dan ook naar de e-mail d.d. 25
februari 2021 met de brief en bijhorende documenten die daaraan werd gehecht in bijlage, waarin
partijen uitdrukkelijk in kennis worden gesteld van het feit dat de klacht op 18 januari 2021 door de
Eerstelijnsdienst werd ontvankelijk verklaard en de Geschillenkamer heeft beslist dat het dossier
gereed is voor behandeling ten gronde. Dit betekent aldus dat de brief met conclusiekalender als
dusdanig geldt als kennisgeving aan de partijen, zowel van de beslissing inzake ontvankelijkheid als
inzake het gereed zijn voor behandeling ten gronde, zodat aldus zowel artikel 61 WOG, als artikel
98 WOG juncto artikel 95, § 2 werden gerespecteerd.
In zoverre verweerder 1 opwerpt dat noch de beslissing van de Eerstelijnsdienst inzake
ontvankelijkheid, noch de beslissing van de Geschillenkamer inzake het gereed zijn voor
Beslissing ten gronde 31/2022 - 13/27
behandeling ten gronde aangeven op welke motieven deze steunen, dient de Geschillenkamer erop
te wijzen dat voormelde beslissingen enerzijds van de Eerstelijnsdienst, en anderzijds van de
Geschillenkamer geen eindbeslissingen zijn, maar louter beslissingen die voorafgaan aan de
eindbeslissing van de Geschillenkamer. Enkel de eindbeslissing dient te worden gemotiveerd. De
brief met conclusiekalender bevat alle informatie die is voorgeschreven door artikel 98 WOG en is
er precies op gericht om op basis van de verweermiddelen ingediend door de partijen, met respect
voor de rechten van verdediging, de eindbeslissing van de Geschillenkamer te motiveren. De
huidige beslissing vormt deze eindbeslissing en dient als dusdanig te worden gemotiveerd.
49. Verweerder 1 werpt ook op dat het voor haar onbekend is waarom de Geschillenkamer niet heeft
besloten om de klacht op een andere manier op te volgen. De Geschillenkamer benadrukt dat er
geenszins een negatieve motiveringsplicht geldt, zodat zij er dan ook niet toe is gehouden te
motiveren waarom zij geen gebruik zou hebben gemaakt van de andere mogelijkheden voorzien in
artikel 95, §1 WOG.
50. Voor zover als nodig, benadrukt de Geschillenkamer dat uiteraard de procedurele waarborgen
moeten worden nageleefd en indien er mogelijk al sprake was van enige onduidelijkheid, dit is
opgeheven in het vervolgtraject waardoor een onpartijdige en eerlijke behandeling is verzekerd. De
door verweerder 1 opgeworpen elementen hebben niet tot gevolg dat de rechten van verdediging
zijn geschonden, aangezien de verweerders de kans hebben gekregen om hun argumentatie
volledig naar voor te brengen door middel van de conclusie van antwoord , alsmede replieken.
Daarenboven hebben de verweerders hun recht op tegenspraak ten volle kunnen uitoefenen
tijdens de hoorzitting van de Geschillenkamer. De verweerders hebben dus geen enkel nadeel
ondervonden; hun recht op verdediging is ten volle gerespecteerd.
c) Rechtsgrond
51. De klager stelt zich de vraag op welke rechtsgrond verweerder 1 zich voor de periode van 1 januari
2020 tot 1 september 2020 baseert om persoonsgegevens betreffende de houder van een
nummerplaat op te vragen bij verweerder 2 voor de identificatie van personen die door het gebruik
van een voertuig parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn en op welke rechtsgrond
de verweerder 2 voor diezelfde periode daartoe aan verweerder 1 persoonsgegevens heeft
verstrekt.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 14/27
Beraadslaging en rechtsopvolging
52. Verweerder 1 beroept zich op beraadslaging FO nr. 02/2016 van 21 januari 2016 26, alsook
beraadslaging FO nr. 18/2015 van 28 mei 201527 om te stellen dat zij reeds over een eigen toegang
tot het DIV-repertorium beschikte voor de identificatie van personen die door het gebruik van een
voertuig parkeerbelasting verschuldigd zijn.
53. Zoals verweerder 1 zelf aanhaalt zijn de begunstigden van beraadslaging FO nr. 02/2016 de private
concessiehouders van de Vlaamse steden en gemeenten, evenals de gemeentelijke
verzelfstandigde agentschappen. Als autonoom gemeentebedrijf is AGB Parko een extern
verzelfstandigd agentschap van verweerder 1, en heeft AGB Parko zich in die hoedanigheid op 5
mei 2015 aangesloten bij beraadslaging FO nr. 17/2010, dewelke werd vervangen door
beraadslaging FO nr. 02/2016, maar waarin beraadslaging FO nr. 17/2010 wordt gehandhaafd voor
wat betreft de geldigheid van de goedgekeurde individuele verbintenisverklaringen, waaronder dus
ook deze van AGB Parko. Dit betekent dat AGB Parko een begunstigde is van beraadslaging FO nr.
02/2016 en aldus gemachtigd is om vanwege de Directie Inschrijving Voertuigen (DIV)
identificatiegegevens te ontvangen van de houders van een ingeschreven voertuig die retributie,
belasting verschuldigd zijn. Verweerder 1 kon zelf niet aansluiten bij deze machtiging, aangezien zij
niet valt onder de categorie van mogelijke begunstigden van die bepaalde beraadslaging.
54. Verweerder 1 is daarentegen wel een begunstigde van beraadslaging FO nr. 18/2015, maar deze
betreft de machtiging om vanwege de DIV mededeling te verkrijgen van persoonsgegevens voor
de identificatie en de bestraffing van overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen
in het kader van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties.
Dit houdt in dat verweerder 1 op basis van deze beraadslaging gegevens kan verkrijgen van de DIV,
doch beperkt tot het opleggen van gemeentelijke administratieve sancties en dus niet voor het
heffen van een parkeerbelasting, zoals in voorliggend geval.
55. De Geschillenkamer stelt op basis van deze elementen vast dat verweerder 1 tracht aan te tonen
dat zij op het ogenblik van de feiten die het voorwerp vormen van de klacht over een machtiging tot
toegang tot het DIV-repertorium beschikte voor de identificatie van personen, in casu de klager, die
door het gebruik van een voertuig parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn door
zich te beroepen enerzijds op een beraadslaging waarvan verweerder 1 niet zelf de begunstigde is
(Beraadslaging FO nr. 02/2016) en anderzijds een beraadslaging waarvan verweerder 1 weliswaar
26
Beraadslaging houdende de eenmalige machtiging en tot wijziging, voor wat de private concessiehouders van de Vlaamse steden en
gemeenten en de Vlaamse gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen betreffen, van de beraadslaging FO nr. 17/2010 van 21 oktober
2010
27
Beraadslaging over het verlenen van een algemene machtiging aan de Steden en Gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en
het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap om via elektronische weg de persoonsgegevens te ontvangen van de Directie
Inschrijving van Voertuigen (hierna de "DIV") voor de identificatie en de bestraffing van overtreders van gemeentelijke
reglementen of verordeningen
Beslissing ten gronde 31/2022 - 15/27
begunstigde is, maar hem geen machtiging geeft om vanwege DIV gegevens te verkrijgen voor het
heffen van een parkeerbelasting (Beraadslaging FO nr. 18/2015).
56. Dergelijke argumentatie waarbij verweerder 1 de twee voormelde beraadslagingen combineert om
vervolgens over te gaan tot de stelling dat zij was gemachtigd om de identificatiegegevens van de
klager bij DIV op te vragen teneinde de lastens hem verschuldigde parkeerbelasting te kunnen
heffen, kan evenwel niet worden aanvaard, zoals hierna uiteengezet.
57. In de mate dat verweerder 1 aanvoert dat zij gelet op de ontbinding en vereffening van AGB Parko
met ingang van 1 januari 2020 en de inkanteling ervan in de stadsdiensten, vanaf dat ogenblik de
rechten en verplichtingen, waaronder dus ook deze zoals bepaald in beraadslaging FO nr. 02/2016,
heeft overgenomen als zijnde de rechtsopvolger van AGB Parko, kan de Geschillenkamer
vaststellen op basis van artikel 244, §3 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal
bestuur28 dat verweerder 1 van rechtswege de rechtsopvolger was van AGB Parko, zoals bevestigd
in de beslissing van de gemeenteraad van verweerder 1.
58. Voor wat betreft de rechtsopvolging verwijst verweerder 1 naar het advies nr. 14/2004 29 en de
aanbeveling nr. 03/201530 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
waarin als principe wordt vooropgesteld dat de rechtsopvolger geen nieuwe machtiging dient aan
te vragen mits het doeleinde waarvoor de rechtsopvolger de betreffende persoonsgegevens
verwerkt, ongewijzigd blijft en deze aldus gebruik kan maken van de machtiging zoals die werd
verleend aan zijn rechtsvoorganger.
59. Echter, de Geschillenkamer dient op te merken dat in de aanbeveling nr. 03/2015 als voorwaarde
tot overname van de bestaande machtiging door de rechtsopvolger – dus zonder dat deze een
nieuwe machtiging dient aan te vragen – is opgenomen dat het bevoegde sectorale comité dient te
kunnen beoordelen of de aanvrager die het gebruik van de bestaande machtiging wenst verder te
zetten, wel degelijk de rechtsopvolger is. Bovendien dient het sectoraal comité te kunnen
beoordelen of de rechtsopvolger voldoende waarborgen biedt op het vlak van beveiliging.
Verweerder 1 verwijst in dit verband zelf naar Beraadslaging FO nr. 31/2015 van 10 december
28
Art. 244, § 3. De rechten en verplichtingen van het ontbonden autonoom gemeentebedrijf worden overgenomen door de gemeente.
29
Advies nr. 14/2004 van 25 november 2004 betreffende de adviesaanvraag van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale
Overheidsdienst Personeel en Organisatie met betrekking tot het koninklijk besluit van 29 januari1991 waarbij aan bepaalde
personeelsleden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt toegang tot het Rijksregister van de
natuurlijke personen en machtiging tot het gebruik van het identificatienummer van dat register worden verleend: kan dit koninklijk
besluit volstaan als rechtsbasis om het Directoraat-generaal e-HR van de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie toe te
latentoegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen en het rijksregisternummer
te gebruiken voor het vervullen van de taken met betrekking tot de uitvoering van het koninklijk besluit nr. 141 van 30 december 1982
tot oprichting van een databank betreffende de personeelsleden van de overheidssector.
30
Aanbeveling nr. 03/2015 van 25 februari 2015 betreffende de te volgen werkwijze inzake machtigingen, door zowel de sectorale
comités, de regionale dienstenintegratoren als de regionale administraties in het kader van de bevoegdheidsoverdrachten naar aanleiding
van de Zesde Staatshervorming.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 16/27
201531 waarin wordt verwezen naar het advies nr. 14/2004, maar laat na aan te tonen dat dergelijke
melding van rechtsopvolging is gebeurd waardoor er dan ook geen beoordeling van de hiervoor
vermelde voorwaarden heeft plaatsgevonden. Deze voorwaarden zijn nochtans ook uitdrukkelijk
opgenomen in aanbeveling nr. 03/201532, maar werden niet gerespecteerd door verweerder 1 die
de rechtsopvolging niet heeft gemeld en ook niet heeft aangetoond de nodige
veiligheidswaarborgen te bieden voor wat betreft de beraadslaging FO nr. 02/2016. Hieruit volgt
dat verweerder 1 zich dan ook niet op geldige wijze kan beroepen op beraadslaging FO nr. 02/2016
om gegevens te verkrijgen van verweerder 2 met het oog op het heffen van een parkeerbelasting
lastens de klager.
60. Aangaande het advies nr. 14/2004 en de aanbeveling nr. 03/2015 stelt de Geschillenkamer dat
deze weliswaar geen rechtstreeks juridisch afdwingbaar karakter hebben, maar deze moeten
worden getoetst aan de huidige wettelijke context waardoor dient te worden nagegaan of de
vereisten gesteld door de AVG worden nageleefd, inzonderheid gelet op de transparantieplicht
(artikelen 5. 1, a) AVG33, 12.1 AVG34 en 14.1 a) AVG35) waardoor is vereist dat ten aanzien van de
betrokkene diens persoonsgegevens op transparante wijze worden verwerkt.
61. Uit de feitelijke elementen van het dossier blijkt dat het voor de klager volstrekt onduidelijk was dat
verweerder 1 zijn gegevens heeft opgevraagd aan verweerder 2 louter als zijnde de rechtsopvolger
van AGB Parko, aangezien verweerder 1 niet heeft voorzien in enige vorm van transparantie
daaromtrent waardoor het voor de klager bijgevolg niet mogelijk was om in een eenvoudig
toegankelijke en begrijpelijke vorm kennis te nemen van de verwerking van de hem betreffende
31
Beraadslaging FO nr. 31/2015 van 10 december 2015 betreffende de aanvraag van de Vlaamse Belastingdienst (“VLABEL”) om als
rechtsopvolger van het Departement Financiën en Begroting van de Vlaamse overheid gebruik te kunnen maken van de machtiging die werd
verleend bij beraadslaging FO nrs. 39/2013 en 40/2013 van 12 december 2013:
“Het onderzoek van het comité kan zich bijgevolg beperken tot het nagaan of de aanvrager rechtsopvolger is van het Departement Financiën
en Begroting van de Vlaamse overheid, specifiek voor wat betreft de doeleinden/taken die het voorwerp uitmaakten van beraadslagingen
FO nrs. 39/2013 en 40/2013. Daarnaast onderzoekt het Comité ook of de aanvrager voldoende waarborgen biedt op het vlak van de
beveiliging van de gegevens.”
32
“In het kader van bevoegdheidsoverdracht is het van belang te preciseren welke instantie de bevoegdheid overneemt, of met de overdracht
dezelfde doeleinden worden beoogd dan wel slechts een gedeelte ervan, alsook informatie te verstrekken omtrent de beveiliging.”
33
Artikel 5.1 a) AVG. Persoonsgegevens moeten:
a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid
en transparantie”);
[…]
34
Artikel 12.1. AVG. De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14
bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een
beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder
wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien
dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld,
op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.
35
Artikel 14.1. AVG. Wanneer persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de
betrokkene de volgende informatie:
a) de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de
verwerkingsverantwoordelijke;
[…]
Beslissing ten gronde 31/2022 - 17/27
persoonsgegevens door verweerder 1. Gelet op het totale gebrek aan het verstrekken van de
nodige transparantie ten aanzien van verweerder 1, beschikte verweerder 2 ook niet over de
correcte informatie, zodat deze laatste bijgevolg dan ook op 15 februari 2021 aan de klager heeft
verklaard dat de mededeling door verweerder 2 van de gegevens van de klager aan verweerder 1
gebeurde op grond van beraadslaging 18/2015 inzake gemeentelijke administratieve sancties en
dat verweerder 1 op het moment van de heffing van de parkeerbelasting t.a.v. de klager over geen
rechtsgrondslag voor parkeerbeheer beschikte 36. De Geschillenkamer besluit op basis van het
bovenstaande dat verweerder 1 een inbreuk op artikel 5. 1, a) AVG, artikel 12.1 AVG en artikel 14.1
a) AVG heeft gepleegd doordat de klager niet werd geïnformeerd over enerzijds de
rechtsopvolging van AGB Parko door verweerder 1 waardoor deze laatste de hoedanigheid van
verwerkingsverantwoordelijke heeft verkregen voor wat betreft de gegevensverwerking zoals
beschreven in beraadslaging FO nr. 02/2016, en anderzijds de daaruit voortvloeiende
gegevensverwerking in hoofde van verweerder 1.
Beraadslaging en AVG
62. Daarenboven vestigt de Geschillenkamer de aandacht erop dat de verweerders voorbij gaan aan
het feit dat de beraadslaging(en) als dusdanig geen op zichzelf staande rechtsgrond vormen voor
een gegevensverwerking. Sinds het van toepassing worden van de AVG37 dient elke
verwerkingsverantwoordelijke alle daarin opgenomen beginselen te respecteren. Meer in het
bijzonder dient een verwerkingsverantwoordelijke zich te baseren op één van de zes
rechtsgronden die staan opgesomd in artikel 6 van de AVG. In de publieke sector zal veelal de
rechtsgrond van artikel 6.1.c) (verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke
verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust) of artikel 6.1.e) (verwerking is
noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van
de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen)
worden gebruikt. In dergelijke gevallen dient de verwerking te worden gebaseerd op een wettelijke
bepaling die aan de vereisten van artikel 6.3 AVG voldoet.
63. De beraadslagingen waarop de verweerders zich beroepen, zijn verleend door het Sectoraal comité
van de Federale Overheid, hetwelk is opgehouden te bestaan ingevolge artikel 109 WOG. Dit neemt
weliswaar niet weg dat het overeenkomstig artikel 111 WOG mogelijk blijft om toe te treden tot
voormelde algemene machtigingen, mits diegene die om toetreding verzoekt een geschreven en
ondertekende verbintenisverklaring waarin hij bevestigt zich aan te sluiten bij de voorwaarden van
de desbetreffende beraadslaging, bezorgt aan het Informatieveiligheidscomité, zijnde het orgaan
36
Zie hierna verder onder randnrs. 62 e.v.
37
De AVG is van toepassing sinds 25 mei 2018 (artikel 99.2 AVG).
Beslissing ten gronde 31/2022 - 18/27
dat door de wetgever werd opgericht om beraadslagingen te verlenen met betrekking tot de
uitwisseling van persoonsgegevens of het gebruik van het Rijksregisternummer.
a) Met betrekking tot verweerder 1
64. Verweerder 1 heeft zich alsnog, weliswaar laattijdig – i.e. na de feiten die het voorwerp vormen van
de klacht –, aangesloten bij beraadslaging FO nr. 14/2016 van 21 januari 2016 38 waardoor zij
vanwege verweerder 2 mededeling kan verkrijgen van persoonsgegevens opgenomen in het DIV-
repertorium voor de identificatie van de klager met het oog op het heffen van de parkeerbelasting.
65. Niet alleen vond de toetreding tot beraadslaging FO nr. 14/2016 pas plaats op 28 augustus 2020,
dus ruim nadat verweerder 1 de gegevens van de klager heeft opgevraagd bij verweerder 2 en ook
heeft verkregen. Verweerder 1 meent te kunnen beweren dat de in het kader van deze toetreding
op 1 september 2020 gesloten overeenkomst tussen verweerder 1 en verweerder 2, waarin is
voorzien dat deze met retroactieve werking ingaat op 1 januari 2020, volledig rechtsgeldig is en
beroept zich daartoe opnieuw op beraadslaging FO nr. 02/2016 in haar hoedanigheid van
rechtsopvolger stellend dat de toetredingsovereenkomst bij beraadslaging FO nr. 14/2016 louter
een juridische bevestiging vormt van een feitelijke situatie, aangezien zij sinds 1 januari 2020 als
rechtsopvolger meent rechten te kunnen putten uit beraadslaging FO nr. 02/2016, waarvan zij
beweert dat deze nagenoeg identiek is aan beraadslaging FO nr. 14/2016.
66. De Geschillenkamer kan enkel vaststellen dat op het ogenblik van de feiten verweerder 1 noch op
basis van rechtsopvolging (zie hierboven, randnrs. 52 - 61), noch op basis van beraadslaging FO nr.
14/2016 bij gebrek aan tijdige toetreding daartoe, was gemachtigd om bij verweerder 2 de
persoonsgegevens van de klager op te vragen met het oog op diens identificatie in het kader van
een parkeerbelasting. De retroactieve werking van de toetredingsovereenkomst is daarbij
volstrekt irrelevant. Voor wat betreft de toetredingsovereenkomst moet worden opgemerkt dat
deze, in tegenstelling tot wat verweerder 1 stelt, wel degelijk door de Geschillenkamer kan worden
beoordeeld in de mate dat deze impact heeft op de gegevensverwerking van derden die geen partij
zijn bij die overeenkomst, waaronder in dit geval de klager. Het staat vast dat op het ogenblik van
de feiten die zich hebben voorgedaan op 28 mei 2020, het voor de klager volstrekt onduidelijk was
dat verweerder 1 alsnog in de toekomst op 1 september 2020 een toetredingsovereenkomst zou
sluiten bij beraadslaging FO nr. 14/2016, waardoor de klager op het moment van de feiten niet
beschikte over de informatie waarop hij recht heeft overeenkomstig de artikelen 5. 1, a), 12.1 en 14.1
a) AVG. Hierbij merkt de Geschillenkamer ook op dat beraadslaging FO nr. 14/2016 als dusdanig
zelf ook reeds vereist dat de betrokken personen, waaronder dus de klager, in alle gevallen duidelijk
38
Beraadslaging houdende de eenmalige machtiging om de gemeenten toegang te verlenen tot het repertorium van de DIV voor de
identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn - Herziening
van de beraadslaging FO n° 05/2015 van 19 maart 2015
Beslissing ten gronde 31/2022 - 19/27
dienen te worden geïnformeerd over de naam van de verwerkingsverantwoordelijke, in casu
verweerder 1, het doeleinde van de verwerking, de herkomst van de verzamelde gegevens en het
bestaan van het recht op toegang tot en verbetering van de gegevens. De beraadslaging voegt
daaraan toe dat een duidelijke informatieverstrekking bovendien in het bijzonder van belang is in
situaties waarin het minder tot de redelijke verwachtingen van de betrokkenen behoort dat
zijn/haar persoonsgegevens worden verwerkt. Uit de feiten blijkt onmiskenbaar dat de klager niet
beschikte over deze informatie waardoor hij ook geen kennis had van de rechtsgrond waarop de
verwerking van zijn persoonsgegevens zou zijn gebaseerd. Ook hier is er dus een inbreuk op artikel
5. 1, a) AVG, artikel 6, artikel 12.1 AVG en artikel 14.1 a) AVG.
67. Daarenboven kan een verwerkingsverantwoordelijke, in casu verweerder 1, er niet mee volstaan
om over een machtiging te beschikken en louter op basis van de betreffende beraadslaging uit te
gaan van de veronderstelling recht te hebben op de in die machtiging vastgelegde
persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke is er immers sinds het van toepassing
worden van de AVG toe gehouden de hem daarin opgelegde verplichtingen na te leven en aldus de
beraadslaging waarvan hij gebruik wenst te maken te toetsen aan de hogere rechtsnorm teneinde
na te gaan of de door de betreffende beraadslaging toegelaten mededeling van persoonsgegevens
in overeenstemming is met de AVG. In die zin heeft ook de kamer federale overheid van het
Informatieveiligheidscomité op 28 augustus 2020 verweerder 1 er uitdrukkelijk op gewezen dat
haar toetreding tot beraadslaging FO nr. 14/2016 haar niet ontslaat van haar verplichtingen om de
AVG na te leven.
68. Uit het verweer van verweerder 1 blijkt echter dat zij haar wijze van gegevensverwerking volledig
heeft afgestemd op de betreffende beraadslagingen doordat zij zoals uiteengezet in haar conclusie
volledig is afgegaan op het oordeel van verweerder 2 aangaande de toepassing van de drie
beraadslagingen39 waarop zij zich beroept. Zo geeft verweerder 1 aan dat zij zowel vóór als na de
inkanteling van AGB Parko in de stadsdiensten navraag heeft gedaan bij verweerder 2 of er
bijkomende formaliteiten dienden te worden voldaan. De Geschillenkamer stelt vast dat
verweerder 1 zich inderdaad op 2 december 2019 heeft gericht tot verweerder 2. Verweerder 1 stelt
daarbij dat zij het parkeerbeleid opnieuw zelf opneemt en reeds beschikt over een overeenkomst
met de Kruispuntbank Voertuigen in functie van een identificatie van houders van een
39
Beraadslaging FO nr. 02/2016 van 21 januari 2016 houdende de eenmalige machtiging en tot wijziging, voor wat de private
concessiehouders van de Vlaamse steden en gemeenten en de Vlaamse gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen betreffen, van de
beraadslaging FO nr. 17/2010 van 21 oktober 2010
Beraadslaging FO nr. 18/2015 van 28 mei 2015 over het verlenen van een algemene machtiging aan de Steden en Gemeenten, de
autonome gemeentebedrijven en het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap om via elektronische weg de persoonsgegevens te
ontvangen van de Directie Inschrijving van Voertuigen (hierna de "DIV") voor de identificatie en de bestraffing van
overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen
Beraadslaging FO nr. 14/2016 houdende de eenmalige machtiging om de gemeenten toegang te verlenen tot het repertorium van de
DIV voor de identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig
zijn - Herziening van de beraadslaging FO n° 05/2015 van 19 maart 2015
Beslissing ten gronde 31/2022 - 20/27
nummerplaat die steden en gemeenten, … een parkeerretributie, -belasting of -geld schuldig zijn,
daarbij verwijzend naar beraadslaging FO nr. 18/2015 – zoals volgens verweerder 1 – herzien door
beraadslaging FO nr. 14/2016. De Geschillenkamer dient dienaangaande eveneens vast te stellen
dat verweerder 1 verkeerdelijk een verband legt tussen enerzijds beraadslaging FO nr. 18/2015 die
gemeentelijke administratieve sancties betreft en waartoe zij is toegetreden, en anderzijds
beraadslaging FO nr. 14/2016 die parkeerretributie, -belasting en -geld betreft en waarvan zij op dat
ogenblik niet de begunstigde is. Verweerder 1 geeft dus een onjuiste voorstelling van de feiten door
te stellen dat beraadslaging FO nr. 18/2015 zou zijn herzien door beraadslaging FO nr. 14/2016.
Verweerder 2 merkt dit vervolgens niet op en stelt dat verweerder 1 geen verdere actie dient te
ondernemen. Op 26 juni 2020 bevestigt verweerder 2 opnieuw dat verweerder 1 over toegang tot
het repertorium van de DIV beschikt, evenwel zonder precisering op welke beraadslaging die
toegang is gebaseerd.
69. Verweerder 1 verschuilt zich achter het feit dat zij, in weerwil van twee eerdere bevestigingen
vanwege verweerder 2, niet over de juiste machtiging beschikte voor de raadpleging van het DIV-
repertorium voor het penaliseren van inbreuken op het stedelijk retributiereglement i.v.m.
parkeren, maar dat het ontbreken van de machtiging in kwestie berust op een misverstand. Zij
voegt daaraan toe dat de stad kon en mocht vertrouwen op de juistheid van het bericht uitgaande
van DIV waarin schriftelijk bevestigd werd dat de vereiste machtiging in hoofde van de stad in orde
was40.
70. Het is pas op het ogenblik dat verweerder 2 het aangewezen acht dat verweerder 1 zich aansluit bij
beraadslaging FO nr. 14/2016 dat verweerder 1 dit ook daadwerkelijk doet, dit evenwel geruime tijd
nadat de door de klager voorgelegde feiten zich hebben voorgedaan.
71. Verweerder 1 tracht vervolgens ook haar eigen verantwoordelijkheid af te schuiven op het
Sectoraal comité voor de Federale Overheid en de FOD Beleid en Ondersteuning. Zo beweert
verweerder 1 dat het Sectoraal comité voor de Federale Overheid de indruk heeft gewekt dat zij als
stad was toegetreden tot beraadslaging FO nr. 17/2010 – zoals later herzien door beraadslaging FO
nr. 02/2016 – door de stad als begunstigde te vernoemen in de goedkeuring van de
verbintenisverklaring bij beraadslaging FO nr. 17/2010, alsook doordat de FOD Beleid en
Ondersteuning verweerder 1 zou hebben vermeld in de lijst van de begunstigden op haar website.
72. Deze argumentatie is evenwel geenszins overtuigend, aangezien de mogelijke begunstigden van
beraadslaging FO nr. 17/2010 – later beraadslaging FO nr. 02/2016 – in geen geval de gemeente
zelf kan zijn, maar enkel de private concessiehouders en gemeentelijke verzelfstandigde
agentschappen. De vermelding waar verweerder 1 naar verwijst is: “Parko AGB/Stad Kortrijk”,
40
Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 22 februari 2021 betreffende het bezwaarschift inzake belasting op het
parkeren, zoals ingediend door de klager.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 21/27
waarbij de vermelding van de naam van de stad enkel en alleen een indicatie geeft waar de
werkelijke begunstigde, met name AGB Parko, actief is. Verweerder 1 kan hieruit onmogelijk
afleiden dat zijzelf begunstigde was voor wat betreft deze beraadslaging, gelet op de duidelijk in de
beraadslaging omschreven doelgroep van mogelijke begunstigden, waartoe geen gemeenten
behoren.
73. Uit het geheel van bovenstaande elementen volgt dat de Geschillenkamer een inbreuk op de
artikelen 5.2 en 24 AVG in hoofde van verweerder 1 dient vast te stellen.
b) Met betrekking tot verweerder 1 en verweerder 2
74. Een verwerkingsverantwoordelijke is verplicht de gegevensbeschermingsbeginselen in acht te
nemen en moet kunnen aantonen dat deze beginselen worden nageleefd (verantwoordingsplicht -
artikel 5.2 AVG). Verweerder 1 is een verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de
persoonsgegevens die zij opvraagt en verkrijgt vanwege verweerder 2. Verweerder 2 is zelf ook
een verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft de persoonsgegevens die hij verstrekt aan
verweerder 1. Hoewel verweerder 2 ontkent dat hij verwerende partij is doordat de klacht enkel zou
zijn gericht tegen verweerder 1, is er geen enkel twijfel mogelijk omtrent het feit dat de klager zich
niet alleen richt tegen verweerder 1, maar ook tegen verweerder 2 omwille van de vaststelling dat
de klager uitdrukkelijk aangeeft dat zijn privacy werd geschonden doordat zowel verweerder 1, als
verweerder 2 een verkeerde machtiging hebben gebruikt als basis om hem te identificeren aan de
hand van zijn nummerplaat via het DIV-repertorium waarvoor verweerder 2 de
verwerkingsverantwoordelijke is. Er kan geen twijfel over bestaan dat de klager zich niet alleen richt
tegen verweerder 1, maar ook tegen verweerder 2, vermits de identificatie van de houder van de
nummerplaat enkel mogelijk is indien verweerder 2 daartoe de nodige persoonsgegevens verstrekt
aan verweerder 1. Met andere woorden: de identificatie van de klager aan de hand van diens
nummerplaat is enkel mogelijk indien verweerder 1 de identificatiegegevens opvraagt aan
verweerder 2 én verweerder 2 die identificatiegegevens vervolgens ook verstrekt aan verweerder
1. Zonder de verstrekking door verweerder 2 van de identificatiegegevens betreffende de klager
aan verweerder 1 was een identificatie van de klager op basis van diens nummerplaat
eenvoudigweg niet mogelijk geweest. Het is dan ook in die zin dat de klager, zoals blijkt uit de
stukken van het dossier, zich meermaals wendt tot verweerder 2. De klacht betreft in het bijzonder
de identificatie aan de hand van de nummerplaat van het voertuig dat op naam van de klager is
ingeschreven en is dus ontegensprekelijk gericht tegen zowel verweerder 1 als verweerder 2.
75. Beide verweerders baseren zich in hun conclusies voor de door elk van hen verrichte
gegevensverwerking (verweerder 1 voor wat betreft de verwerking van de opgevraagde en
verkregen gegevens van verweerder 2; verweerder 2 voor wat betreft de verstrekking van de
gegevens aan verweerder 1) op artikel 6.1 e) AVG. Artikel 6.1 AVG dat de concretisering is van het
rechtmatigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 5.1 a) AVG, schrijft voor dat alle verwerkingen
Beslissing ten gronde 31/2022 - 22/27
moeten berusten op een rechtsgrondslag. Dit betekent dat voordat wordt begonnen met de
verwerkingsactiviteiten de verwerkingsverantwoordelijke dient te bepalen welke van de zes
rechtsgronden van toepassing is en met betrekking tot welk specifiek doel 41. Uit het dossier blijkt
niet dat de klager op de hoogte werd gebracht van de rechtsgrond waarop de verweerders zich
thans beroepen in de procedure voor de Geschillenkamer, met name het noodzakelijk zijn van de
verwerking voor de ‘vervulling van een taak van algemeen belang’ (artikel 6.1 e) AVG). Deze
rechtsgrond wordt pas na de feiten ingeroepen en dus nadat de verwerking van de
persoonsgegevens heeft plaatsgevonden. Bijgevolg hebben de verweerders de
persoonsgegevens van de klager verwerkt tegen zijn verwachtingen in en dus zonder enige
informatieverstrekking door de verweerders voorafgaand aan de gegevensverwerking.
Hieromtrent merkt de Geschillenkamer op dat die informatieverstrekking niet enkel de
rechtsgrond betreft (artikel 14.1 c) AVG), maar alle informatie zoals bepaald in artikel 14.1 AVG
teneinde het transparantiebeginsel (artikel 5.1 a) AVG) na te komen.
76. Beide verweerders hebben zich eenvoudig verlaten op de beraadslagingen verleend door het
Sectoraal comité voor de Federale Overheid zonder enige toetsing aan de door de AVG gestelde
vereisten sinds het van toepassing worden ervan.
77. Op basis van de feitelijke elementen van het dossier blijkt dat noch verweerder 1 noch verweerder
2 gevolg heeft gegeven aan zijn verantwoordingsplicht in relatie tot het beginsel van
rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie, hetwelk de Geschillenkamer doet besluiten dat
een inbreuk op de artikelen 5.2 en 24 AVG in hoofde van beide verweerders werd gepleegd.
78. De Geschillenkamer preciseert dat een beraadslaging geen enkele juridische draagwijdte heeft in
het licht van de AVG. Een beraadslaging kan hoogstens worden beschouwd als een advies van het
IVC, zijnde een instantie die is te onderscheiden van de verwerkingsverantwoordelijke die
bestemmeling is van de beraadslaging. Dergelijke beraadslaging ontslaat de
verwerkingsverantwoordelijke, in voorliggend geval zowel verweerder 1 als verweerder 2, niet van
hun verplichtingen op grond van de AVG waaronder in het bijzonder hun verantwoordingsplicht
(artikel 5.2 juncto 24 AVG).
79. Binnen het huidig wettelijk kader, en meer bepaald op grond van artikel 35/1 van de wet van 15
augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator en de wet
van 5 september 2018 tot oprichting van het Informatieveiligheidscomité, is het IVC bevoegd
beraadslagingen te verlenen betreffende bepaalde mededelingen van persoonsgegevens.
41
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder c), en/of artikel 14, lid 1, onder c), moet de verwerkingsverantwoordelijke
de betrokkene hiervan in kennis stellen.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 23/27
80. Artikel 35/1, § 4, van de Wet Federale Dienstenintegrator preciseert dat “de beraadslagingen van
het informatieveiligheidscomité met redenen [worden] omkleed en een algemene bindende
draagwijdte [hebben] tussen partijen en jegens derden”.
81. In de voorbereidende werken van de wet van 5 september 2018 wordt gesteld dat “het cruciaal [is]
dat beslissingen met algemene bindende draagwijdte kunnen worden uitgevaardigd in de vorm van
beraadslagingen [zodat] alle actoren rechtszekerheid [hebben] omtrent het feit dat een
gegevensdeling juridisch toegelaten is indien ze de voorwaarden vervat in de beraadslaging correct
naleven”
82. De Geschillenkamer begrijpt het belang van het verkrijgen van rechtszekerheid door actoren
voorafgaand aan een verwerking van persoonsgegevens. Zij is echter van oordeel dat het
uitvaardigen van bindende beslissingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens in strijd
is met de filosofie en de bepalingen van de AVG. Dit is in het bijzonder van belang aangezien deze
beslissingen rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechten van derden op de bescherming van
hun persoonsgegevens.
83. In het bijzonder wijst de Geschillenkamer op de door de AVG geïntroduceerde
verantwoordingsplicht vervat in artikel 5.2 juncto artikel 24 AVG, dat een van de centrale pijlers van
de AVG vormt en volgens dewelke verwerkingsverantwoordelijken dienen te kunnen aantonen dat
zij persoonsgegevens verwerken conform de beginselen inzake de verwerking van
persoonsgegevens vervat in artikel 5.1 AVG.
84. De Geschillenkamer benadrukt dat een dergelijk systeem bijgevolg een ambigue situatie creëert
voor verwerkingsverantwoordelijken, zoals in casu verweerder 1 en verweerder 2, die verwachten
op grond van een beraadslaging resp. mededeling te kunnen verkrijgen van gegevens, dan wel
gegevens te kunnen verstrekken uit het DIV-repertorium, doch anderzijds op grond van het
verantwoordingsbeginsel ertoe gehouden zijn zelf proactief actie te ondernemen teneinde te
verzekeren dat de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens werden gerespecteerd
en dit ook moeten kunnen aantonen. Een en ander houdt een risico tot deresponsabilisering in van
de verwerkingsverantwoordelijken, hetgeen volstrekt onverenigbaar is met de beginselen van de
AVG en in strijd is met artikelen 5.2 juncto 24 AVG.
85. De Geschillenkamer stelt vast dat een beraadslaging/beraadslagingen op zichzelf geen grondslag
kunnen vormen voor een verwerking. De Geschillenkamer onderstreept daarbij dat een
beraadslaging of een toetreding tot een beraadslaging voor de betrokken
verwerkingsverantwoordelijke nooit een verplichting tot mededeling van persoonsgegevens mag
impliceren. Deze laatste behoudt immers de volledige vrijheid om ter zake zelf een
opportuniteitsoordeel te vellen.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 24/27
86. Verder benadrukt de Geschillenkamer dat na een beraadslaging van het IVC alle beginselen van de
AVG uiteraard van toepassing blijven, waaronder het verantwoordingsbeginsel (artikelen 5.2 juncto
24 AVG).
87. Tot slot wijst de Geschillenkamer erop dat de verweerders de mogelijkheid werd geboden om na
het plaatsvinden van de hoorzitting, standpunt in te nemen expliciet voor wat betreft de onderlinge
verhouding van beraadslagingen tot de AVG, in het bijzonder het verantwoordingsbeginsel, dit met
het oog op het volledige respect voor de rechten van verdediging.
88. Verweerder 2 heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt, maar beperkt er zich toe te stellen dat
zij als federale overheidsdienst op grond van het feit dat de wetgever vermoed wordt hogere
rechtsnormen zoals het Unierecht niet te hebben willen schenden, en op grond van het
rechtszekerheidsbeginsel er vanuit mag gaan dat de juridische instrumenten die de Belgische wet-
en regelgeving haar aanreikt, in conformiteit met de AVG zijn. Zij acht het niet haar taak of
bevoegdheid om die juridische instrumenten in vraag te stellen, te verdedigen of niet toe te passen.
89. Opnieuw dient de Geschillenkamer vast te stellen dat verweerder 2 zich volledig steunt op het
instrument van de beraadslaging en zich daartoe beperkt zonder enige verdere toetsing aan de
AVG, niettegenstaande het IVC ook zelf stelt dat de toetreding tot een beraadslaging de
verwerkingsverantwoordelijke niet ontslaat van zijn verplichtingen om de AVG na te leven. Dit geldt
uiteraard niet alleen voor de toetredende partij, maar voor elke verwerkingsverantwoordelijke, dus
ook verweerder 2.
90. Verweerder 1 heeft ervoor gekozen om niet in te gaan op de vraag van de Geschillenkamer om
standpunt in te nemen op de in de brief van 29 oktober 2021 gestelde vraag zoals eerder reeds
geformuleerd tijdens de hoorzitting, omwille van de naar haar oordeel onverenigbaarheid met de
rechten van verdediging, alsook met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verweerder 1
gaat verder door te stellen dat de Geschillenkamer niet buiten de door de klager vastgestelde
perken van het geding kan treden en geen oordeel ultra petita kan vellen.
91. Niettegenstaande de bijkomende verduidelijking die de Geschillenkamer gaf aan verweerder 1
omtrent de vraag gesteld tijdens de hoorzitting en herhaald in de brief d.d. 29 oktober 2021,
volhardt verweerder 1 in haar weigering om standpunt in te nemen. Verweerder 1 meent
discrepanties te zien tussen de toelichting op de hoorzitting, de vraag in de brief van 29 oktober
2021 en de bijkomende verduidelijking in de brief van 24 november 2021. Het spreekt uiteraard
voor zich dat de Geschillenkamer de vraag die aan bod kwam tijdens de hoorzitting nadien zo
nauwkeurig mogelijk heeft geformuleerd in de brief van 29 oktober 2021, precies met het oog op
het respect voor de rechten van verdediging. Wanneer verweerder 1 nog meer precisering blijkt
nodig te hebben, gaat de Geschillenkamer daarop in teneinde verweerder 1 de kans te bieden zijn
rechten van verdediging ten volle te laten gelden en verwijst de Geschillenkamer naar het eerder
Beslissing ten gronde 31/2022 - 25/27
ingenomen standpunt daaromtrent in beslissing ten gronde 34/2020 van 23 juni 2020 42. Er kan dan
vervolgens niet worden geargumenteerd door verweerder 1 dat omwille van enige beweerde
discrepantie de vraagstelling niet duidelijk zou zijn, noch dat de Geschillenkamer niet zou hebben
aangegeven welke specifieke bezwaren zij zou hebben om een eventuele non-conformiteit te zien.
Verweerder 1 houdt vol dat haar gedurende de aanloop naar de zitting van 29 oktober 2021 geen
enkele indicatie is gegeven dat er mogelijks een tekortkoming zou kunnen zijn i.v.m. de rechtsgrond
voor de gegevensverwerking in het kader van parkeerretributies en -belasting.
92. Volgens verweerder 1 kan van haar niet worden verwacht dat zij een analyse maakt van alle
mogelijke punten en hypothesen die zij maar kan bedenken om de overeenstemming ervan met de
in de brief vermelde artikelen uit de AVG te beoordelen. Welnu, de Geschillenkamer stelt vast dat
verweerder 1 hiermee haar verantwoordingsplicht nogmaals ontkent, dat zij hiermee meteen ook
bevestigt de gegevensverwerking volledig te steunen op de door haar ingeroepen
beraadslaging(en) dewelke zij meent als rechtsgrond te kunnen hanteren (qoud non) en nalaat de
beraadslaging(en) te toetsen aan de vereisten van de AVG. De rechtsgrond vormt van bij aanvang
van de procedure het knelpunt voor de klager en is de rechtstreekse aanleiding geweest voor het
indienen van zijn klacht. De klager heeft bovendien in zijn conclusie van repliek uitdrukkelijk gesteld
dat de verweerders de artikelen 5 en 6 AVG hebben geschonden43. Verweerder 1 kan dus geenszins
aanvoeren dat bij de beoordeling van de rechtsgrond de Geschillenkamer ultra petita uitspraak zou
doen.
93. Nog volgens verweerder 1, die zich aansluit bij het standpunt van verweerder 2, kan een
toezichthoudende autoriteit niet van een administratieve overheid vereisen dat zij de wettigheid
van een regelgevend kader aantoont wanneer zij dit kader niet zelf heeft vastgelegd, maar er louter
een beroep op doet, en wanneer zelfs geen begin van bewijs van een niet-conformiteit wordt
aangevoerd door de klager of de toezichthoudende autoriteit zelf. De Geschillenkamer merkt op
dat verweerder 1 de vraag zoals gesteld door de Geschillenkamer herformuleert als een vraag naar
de conformiteit van de vigerende Belgische reglementering inzake de verwerking van
persoonsgegevens met de AVG, waaromtrent de verweerders stellen dat het niet aan hen toekomt
om de wettigheid van de bestaande Belgische reglementering inzake de verwerking van
persoonsgegevens in vraag te stellen, te verdedigen of (bewust) niet toe te passen.
42
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-34-2020.pdf, inzonderheid randnrs. 67-78.
43
In de conclusie van repliek stelt de klager:
“A fortiori hebben de verweerders onder meer – maar niet uitsluitend – de artikelen 5 en 6 AVG geschonden. Noch op de betalingsuitnodiging
met de vaststelling, noch op het aanslagbiljet naheffing betalend parkeren staat overigens vermeld dat mijn persoonsgegevens verwerkt
werden. Nergens is een spoor te bekennen van de verwerking van persoonsgegevens of naar de privacywetgeving.”
Beslissing ten gronde 31/2022 - 26/27
94. Het is duidelijk dat de Geschillenkamer niet heeft gevraagd naar enige toetsing van de Belgische
reglementering aan de AVG. Er is gevraagd, zoals bij herhaling duidelijk gemaakt, of de verweerders
van oordeel zijn dat zij ermee kunnen volstaan om over een beraadslaging te beschikken om te
kunnen overgaan tot de verwerking van persoonsgegevens van de betrokkenen, en of zij menen
dat zij daarmee over een rechtsgrond beschikken in de zin van artikel 6.1 AVG, dan wel of zij op
grond van hun verantwoordingsplicht ingevolge de AVG nog verplichtingen hebben. Dit punt laten
beide verweerders onbeantwoord, niettegenstaande ze wel degelijk de gelegenheid hebben
gekregen daaromtrent standpunt in te nemen en hun rechten van verdediging te laten gelden. Ze
hebben er echter beiden expliciet voor gekozen om geen stelling in te nemen.
95. In de hoger geschetste omstandigheden, in het bijzonder het feit dat mogelijke onduidelijkheden in
het Belgisch regelgevend kader vooral het gevolg zijn van keuzes van regelgevende aard, is het
evenwel aangewezen voor de verweerders geen andere sanctie op te leggen dan het bevel de
verwerking in overeenstemming te brengen met de AVG, zoals hierna bepaald.
III. Publicatie van de beslissing
96. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens
van de klager rechtstreeks worden bekendgemaakt, echter dit met vermelding van de
identificatiegegevens van de verweerders gelet op het algemeen belang van onderhavige
beslissing, enerzijds, en de onvermijdelijke heridentificatie van de verweerders in geval van
pseudonimisering, anderzijds.
Beslissing ten gronde 31/2022 - 27/27
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om op grond
van art. 100, §1, 9° WOG, de verweerders te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt
gebracht met de artikelen 5.1, a); 12.1. en 14.1 a) AVG, evenals de artikelen 5.2 en 24 AVG, en wel
binnen een termijn van twee maanden, en de Gegevensbeschermingsautoriteit daarover binnen
dezelfde termijn te informeren.
Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een
termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
(Get). Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer