1/33
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 112/2024 van 6 september 2024
Dossiernummer : DOS-2020-03924
Betreft : seponering van een klachtdossier inzake doorgifte van persoonsgegevens naar
de Verenigde Staten omwille van een gebrek in de vertegenwoordigingsopdracht, onder
art. 80.1 AVG.
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Christophe Boeraeve en Dirk Van Der Kelen, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 20191;
Gelet op de stukken van het dossier;
1
Het nieuwe Reglement van Interne Orde (“RIO”), na de wijzigingen die zijn aangebracht door de wet van 25 december 2023
tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) zijn van kracht
geworden op 1 juni 2024.
In overeenstemming met artikel 56 van de wet van 25 december 2023 is het nieuwe RIO alleen van toepassing op klachten,
bemiddelingen, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die op of na die datum zijn gestart:
https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde-van-de-
gegevensbeschermingsautoriteit.pdf
Zaken ingeleid vóór 1 juni 2024, zoals in voorliggend geval, zijn onderworpen aan de bepalingen van de WOG zoals deze niet
gewijzigd werden door de wet van 25 december 2023 en het RIO zoals dat vóór die datum bestond:
https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde.pdf.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 2/33
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, vertegenwoordig door Noyb – European Center for Digital Rights),
hierna “de klager” of “klagende partij”;
De verweerders: Roularta Media Group N.V., vertegenwoordigd door Mr. Tom DE CORDIER en
Mr. Valeska DE PAUW, hierna “de eerste verweerder”;
Google LLC, vertegenwoordigd door Mr. Jan CLINCK, Mr. Florence
NIEUWBOURG, Mr. Pierre ANTOINE en Mr. Gerrit VANDENDRIESSCHE, hierna
“de tweede verweerder”.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 3/33
I. Feiten en procedure
1. Het voorwerp van de klacht betreft het vermeende tracken van de klager door de tweede
verweerder bij het bezoeken van een website (flair.be) van de eerste verweerder. Daarbij zou
via de website van eerste verweerder “HTML code” (voor de tool Google Analytics) zijn
geplaatst (‘embedded’) die gelinkt kan worden met het account van de klager bij de tweede
verweerder. Gerelateerde persoonsgegevens zouden in dit kader, aldus de klacht, illegaal
zijn doorgezonden naar de Verenigde Staten van Amerika. 2
2. Op 18 augustus 2020 dient de klager via diens vertegenwoordiger een klacht in bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de verweerders. De klacht wordt neergelegd in het
Frans.
3. Op 26 augustus 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 25 september 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 63, 2° en 94, 1°
WOG een onderzoek te vragen aan de Inspectiedienst.
5. Vervolgens wordt op 25 september 2020 overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek
van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de
Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken. Gezien de eerste
verweerder zich in eentalig Nederlandstalig rechtsgebied bevindt, en de tweede verweerder
in de Verenigde Staten van Amerika is gevestigd, wordt de procedure overeenkomstig
artikel 57 WOG in het Nederlands gevoerd. Zo vindt het onderzoek van de Inspectiedienst
in het Nederlands plaats, en wordt het verslag van de Inspectiedienst neergelegd in het
Nederlands.
6. Op 13 oktober 2022 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het
verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal
overgemaakt aan de voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG). In dit
onderzoeksverslag worden een aantal problematieken in verband met het indienen van de
klacht aan de kaak gesteld.3
7. In haar verslag stelt de Inspectiedienst ten eerste dat Noyb in de klacht niet toont “wat het
‘voldoende en concrete belang’ is van de betrokkene (een natuurlijke persoon wonend te
Wenen, Oostenrijk) om een klacht in te dienen tegen de specifieke website . . . Aanvullend
merkt de Inspectiedienst op dat de website […] een Nederlandstalige/Franstalige website
2
Klacht in DOS-2020-03924, p. 2: “Le transfert des données du plaignant vers les États-Unis est illégal”; vrij vertaald : “De
doorgifte van gegevens van de klager naar de Verenigde Staten is illegaal.”
3
Onderzoeksverslag Inspectiedienst in DOS-2020-03924, blz. 18-24.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 4/33
betreft . . . terwijl de betrokkene . . . de Nederlandse taal niet machtig is”.4 Verder stelt de
Inspectiedienst: “Gelet op de voormelde procedurele bezwaren kan de Inspectiedienst het
verzoek van Noyb – European Center for Digital Rights als een geldige ‘klacht’ naar nationaal
recht in vraag stellen.”5
8. Ten tweede stelt het onderzoeksverslag dat bij de door Noyb “behandelde verzoeken die in
augustus 2020 werden ingediend bij de GBA een semiautomatische ‘bulk’ werkwijze werd
toegepast. . . De verschillende ingediende verzoeken tot onderzoek in augustus 2020
hadden een gelijkvormige opmaak en ondertekening. Het nasturen van aanvullende stukken
gebeurde in een gekoppelde e-mail[…] Voor de verschillende verzoeken komt dezelfde
betrokkene steeds terug die een volmacht gaf aan Noyb – European Center for Digital
Rights.” 6
9. Ten derde wijst de Inspectiedienst erop dat de werkwijze “moet voldoen aan de gebruikelijke
basisvoorwaarden van elk volmacht . . .dit wil zeggen duidelijk formuleren tegen wie men een
klacht indient.”7 Hierna verwijst de Inspectiedienst naar “de volmacht” in kwestie, dat tot
doel heeft “gebruikt te worden ten aanzien van de Ierse Toezichthouder en niet ten aanzien
van de Belgische toezichthouder” en dat louter refereert naar (op dat moment interne)
dossiernummers (van Noyb) voor wat betreft de identiteit van de eerste verweerder. De
Inspectiedienst besluit: “Uit de inhoud van de volmacht blijkt ook dat Noyb – European
Center for Digital Rights niet behoorlijk werd gemandateerd” nu verschillende elementen in
de mandatering niet, onduidelijk of ambigu geformuleerd waren.
10. Ten vierde wijst de Inspectiedienst erop dat de klager “werkzaam” was als stagiair bij Noyb
ten tijde van de volmacht van deze organisatie als vertegenwoordiger. De Inspectiedienst
wijst in dit kader op meerdere persoonlijke communicaties die de klager op het publieke
forum (via sociale media) deed, waarbij de persoon verwees naar diens werkzaamheden in
verband met het project van Noyb. Zo haalt de persoon op één moment aan dat deze blij is
op het project te hebben “gewerkt”.8 De Inspectiedienst “heeft geen motivering van een
persoonlijk belang van de betrokkene kunnen vaststellen.” 9 De Inspectiedienst stelt verder:
“Bij gebrek aan transparantie over de werkwijze van Noyb . . . wordt dus minstens de
perceptie geschapen dat Noyb . . . haar medewerkers gebruikt om in het belang van Noyb . .
. verzoeken/klachten in te dienen in plaats van […] een persoonlijk belang van een klager.” En
verder: “ . . . bevestigt de aanwijzing dat dit een oneigenlijk gebruik vormt van de procedure
onder artikel 80 AVG. De Inspectiedienst merkt op dat stagiairs . . . voor de voormelde
4
Ibid., onderzoeksverslag blz. 19.
5
Ibid., onderzoeksverslag blz. 20.
6
Ibid., onderzoeksverslag blz. 21.
7
Ibid., onderzoeksverslag blz. 21.
8
Ibid., onderzoeksverslag, blz. 24.
9
Ibid., onderzoeksverslag, blz. 24.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 5/33
verzoeken van 2021 systematisch werden opgevoerd als “klager’ in de activiteiten van Noyb
– European Center for Digital Rights. Voorgaande kan mogelijks een aanwijzing zijn van het
vermengen van belangen.”10
11. De inhoudelijke vaststellingen van de Inspectiedienst worden, in functie van de leesbaarheid
van de beslissing, hernomen onder sectie III van deze beslissing.
12. Op 13 maart 2024 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis
gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG.
Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun
verweermiddelen in te dienen.
13. In de art. 98 WOG brief wordt aan de partijen gevraagd in deze fase van de procedure enkel
het standpunt toe te lichten met betrekking tot de wettelijkheid van de indiening van de
klacht en de manier waarop het mandaat door de klager aan de vertegenwoordiger in een
bepaalde (door de Inspectiedienst onderzochte en uiteengezette) context werd verleend,
specifiek in het licht van artikelen 80.1 en 77.1 AVG. Daarnaast verzocht de Geschillenkamer
de partijen standpunt in te nemen omtrent de vraag of het eventuele onwettelijke karakter
van de totstandkoming van het mandaat het dossier als geheel ‘impacteert’.
14. Op 10 mei 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de twee
verweerders voor wat betreft deze procedurele aspecten.
15. Op 29 mei 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager, voor
wat betreft deze procedurele aspecten.
16. Op 21 juni 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerder
voor wat betreft deze procedurele aspecten.
17. Op 12 juni 2024 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal
plaatsvinden op 1 juli 2024.
18. Op 1 juli 2024 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. Ingevolge een verzoek
hiertoe vanwege de klagende partij, en het navolgende uitdrukkelijke akkoord van beide
verwerende partijen, vindt de hoorzitting in hybride vorm plaats. Er is één persoon van Noyb
fysiek aanwezig, en één persoon van dezelfde vereniging via videoverbinding vanuit
Oostenrijk.
19. Op 8 juli 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd.
20. Op 12 juli 2024 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klagende partij, op 16 juli 2024
vanwege de tweede verweerder, en op 17 juli 2024 vanwege de eerste verweerder,
10
Ibid., onderzoeksverslag, blz. 24-5; de Geschillenkamer benadrukt en onderlijnt in de eerste zin.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 6/33
opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in
haar beraad.
II. Motivering
II.1. Preliminaire punten
21. Een eerste preliminaire kwestie betreft een stuk neergelegd door de vertegenwoordiger
van de klager na het beëindigen van de conclusierondes. Drie dagen voorafgaand aan het
plaatsvinden van de hoorzitting wordt een stuk neergelegd door de vertegenwoordiger van
de klager. De verwerende partijen verzetten zich beiden tegen de toelaatbaarheid van dit
stuk, nu het stuk na de conclusierondes werd ingediend. Er wordt door de klagende partij ter
hoorzitting niet verduidelijkt of er gegronde redenen zijn voor de laattijdige neerlegging.
Gelet op het verzet van de verwerende partijen, wordt het stuk dd. 28 juni 2024 integraal uit
de debatten geweerd, en niet meegenomen in de beraadslaging voor dit dossier.
22. Een tweede preliminaire kwestie betreft nieuwe stukken die worden neergelegd ter
hoorzitting door de vertegenwoordiger van de klager. Beide verweerders verzetten zich
tegen de neerlegging van deze stukken en de toevoeging ervan aan het dossier. Gezien het
uitermate laattijdige karakter van de neerlegging van de stukken, het verzet van de
verwerende partijen tegen de neerlegging, alsook bij gebreke van het aandragen van enige
gegronde reden voor het laattijdige karakter van de neerlegging, worden de stukken
integraal uit de debatten geweerd, en worden ze niet meegenomen in de beraadslaging van
de Geschillenkamer.
23. De Geschillenkamer wijst er in verband met deze twee eerste preliminaire punten op dat zij
als orgaan van een toezichthoudende autoriteit rekening moet kunnen houden met alle
elementen die haar ter kennis zijn gekomen, teneinde een hoog niveau van
gegevensbescherming te kunnen waarborgen. Dit neemt niet weg dat de procedure moet
voldoen aan eisen van tegenspraak en gelijkheid van partijen. De procedure voorzien onder
de onderafdeling “beraadslaging en beslissing ten gronde” in art. 98 e.v. WOG beoogt net
een procedure op tegenspraak te voorzien. In het administratief recht moet daarbij in het
bijzonder rekenschap genomen worden van de hoorplicht en de rechten van verdediging.11
24. Een derde preliminaire punt betreft de rechtsgeldige verschijning van de persoon die voor
de vertegenwoordiger van de klager (fysiek) verschijnt op de hoorzitting. Bij het
plaatsvinden van de hoorzitting geven beide verweerders aan dat ze vragen hebben bij de
11
Opdebeek I. en De Somer S., Algemeen Bestuursrecht: grondslagen en beginselen, Ed. 2, Antwerpen, 2019 Intersentia,
specifiek deel V, Hoofdstuk III, Afdeling 7 m.b.t. de hoorplicht.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 7/33
mandatering van de persoon om voor Noyb op te treden overeenkomstig de statuten van
deze vereniging.
25. Er zij hierbij op gewezen dat Noyb zich heeft gemeld als vertegenwoordiger bij de
Geschillenkamer, door berichtgeving via een specifiek e-mailadres. Voor de aanwezigheid
op de hoorzitting van de persoon in kwestie is er voorafgaand aan het plaatsvinden van de
hoorzitting vanwege de vertegenwoordiger via het e-mailadres gemeld dat de medewerker
van Noyb aanwezig zou zijn als vertegenwoordiger. De Geschillenkamer is niet verplicht om
ambtshalve of op verzoek van partijen te onderzoeken hoe de aanduiding van deze
medewerker in concreto verliep. De melding door de organisatie Noyb per e-mail van de
identiteit van de betreffende medewerker volstaat. Aldus is deze medewerker rechtsgeldig
verschenen ter hoorzitting voor de vertegenwoordiger van de klager.
26. Als vierde en laatste preliminaire punt: op de hoorzitting stelt de klagende partij, voor het
eerst en zonder voorafgaande kennisgeving, doch niet in limine litis, in haar pleidooien de
“onafhankelijkheid” van de voorzitter van de Geschillenkamer in vraag voor de behandeling
van deze zaak. Bovendien vraagt de klagende partij aan de voorzitter van de
Geschillenkamer om zich terug te trekken. De klagende partij verwijst hiervoor naar
anonieme “bronnen” die in privégesprekken zouden gehoord hebben dat er een strategie
was om klachten “van Noyb” te verwerpen, en naar een publiek evenement waar de
voorzitter van de Geschillenkamer aanwezig was. Er worden geen verdere concrete
elementen aangedragen die het gebrek aan “onafhankelijkheid” van het zetelend lid staven.
27. Uit de bewoordingen van de klagende partij begrijpt de Geschillenkamer dat het eerder (of
minstens óók) gaat om de onpartijdigheid dan de onafhankelijkheid van de
Geschillenkamer. 12
Met zulke ‘wrakingsverzoeken’ moet in elk geval omzichtig en
nauwkeurig worden omgesprongen door de verzoekende partijen.13 Ongenoegen uiten
omtrent (de uitkomst of het verloop van) een procedure is nog iets anders dan
wrakingsverzoeken opwerpen ten aanzien van leden van openbare instellingen, wiens
legitimiteit juist is gestoeld op hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid. 14
28. Specifiek voor wat betreft het mondelinge verzoek van de klagende partij tot terugtrekking
van de voorzitter, beslist de voorzitter niet in te gaan op dit verzoek om de volgende redenen.
12
L. Van Den Eynde, “Partijdigheid en belangenconflicten bij het actief bestuur: de sluipweg van het gelijkheidsbeginsel”, TBP,
2024, Ed. 4, 215-230, specifiek sectie 2.1 “soorten (on)partijdigheid en bewijs”; Vergelijk omtrent de begripsverwarring in het
kader van de rechterlijke macht: Ooms A., “De rechterlijke onpartijdigheid is niet steeds wat ze lijkt. Een historische en
prospectieve analyse of de grens tussen objectieve en subjectieve onpartijdigheid.”, Croniques de droit public, 14(2010)4, p.
499-524; Opdebeek I. en De Somer S., Algemeen Bestuursrecht: grondslagen en beginselen, Ed. 2, Antwerpen, 2019
Intersentia, specifiek deel V, Hoofdstuk III, Afdeling 8 m.b.t. het onpartijdigheidsbeginsel voor de administratie.
13
Vergelijk art. 835 Ger. W. voor wrakingsverzoeken ten aanzien van de leden van de rechterlijke orde, die onder meer stelt dat
zulke wrakingsverzoeken met de redenen voor de wraking in een formeel document ter griffie dienen te worden neergelegd,
en dat enkel door advocaten met meer dan 10 jaar ervaring bij de balie.
14
Hieromtrent verankert de wetgever in art. 44 WOG een aantal maatregelen.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 8/33
29. Eerst en vooral was bij de klagende partij genoegzaam gekend dat de voorzitter dit dossier
(mede) behandelde, minstens zo recent als op 13 maart 2024 toen de partijen werden
uitgenodigd hun verweermiddelen in dit dossier in te dienen in een brief ondertekend door
die voorzitter. De klagende partij heeft de kans gehad de nodige stappen te ondernemen.
Het laattijdige karakter van het verzoek tot terugtrekking volstaat op zich al om niet in te
gaan op dit verzoek.
30. Daarnaast kan worden verwezen naar de volgende feiten. De bemerkingen met betrekking
tot het (proces-)belang van de klager en de mandatering, werden uit eigen beweging
opgeworpen door de Inspectiedienst van de GBA. De Inspectiedienst werkt als afzonderlijk
en autonoom orgaan binnen de GBA en heeft op deze manier de mogelijke problemen
inzake het mandaat en het (proces-)belang in het voetlicht gesteld, niet de Geschillenkamer,
noch haar voorzitter.15 Het is dus feitelijk niet correct een vooringenomenheid te suggereren
die terug te leiden is tot een persoon of een strategie van de Geschillenkamer of haar
voorzitter.
31. Van de Geschillenkamer kan vervolgens niet gevraagd worden dat niet wordt ingegaan op
de vaststellingen van die Inspectiedienst, én op de argumenten van de partijen. Meer nog,
het is juist de taak van de Geschillenkamer om in te gaan op de aangedragen middelen en
argumenten, die per zaak dienen te worden beoordeeld.16
32. De partijen hebben na de vaststellingen door de Inspectiedienst ter zake van de
Geschillenkamer de kans gekregen om in functie van het efficiënte procesverloop eerst hun
argumenten aan te dragen met betrekking tot deze procedurele elementen.
33. De Geschillenkamer oordeelt uiteraard op een onafhankelijke en onpartijdige wijze, zonder
vrees of gunst voor de ene dan wel de andere partij.
34. In de loop van deze procedure en gerelateerde procedures heeft de Geschillenkamer
samengewerkt met andere toezichthouders binnen de Europese Economische Ruimte,
overeenkomstig Hoofdstuk VII van de AVG. Dit is publiek gekende informatie.17 Het feit dat
in het kader van de confidentieel18 georganiseerde samenwerking en het loyaal delen van
informatie binnen en tussen toezichthoudende autoriteiten, 19 informatie zou kunnen worden
15
Zie ook Geschillenkamer, beslissing 22/2024 van 24 januari 2024, beschikbaar via:
https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-22-2024.pdf, §§ 11 en 35.
16
Vgl. Arrest Hof van Beroep Brussel (Sectie Marktenhof) van 16 september 2020, 2020/AR/1160, §5.7: “Het past niet in een
rechtstaat dat de Geschillenkamer van de GBA zou kunnen ‘kiezen’ op welk argument zij al dan niet een antwoord verstrekt.”
17
Europees Comité voor Gegevensbescherming, EDPB promotes consistent approach for 101 NOYB data transfers
complaints, 19 april 2023.
Uit stuk 4 bij de syntheseconclusie van eerste verweerder blijkt ook dat net deze informatiedeling “à charge” door Noyb – in
het licht van onder meer onderhavig dossier – publiek als positief werd aangemerkt.
18
Vgl. artikel 54.2 AVG en art. 48 § 1 WOG.
19
Zie in het bijzonder art. 70.1.u AVG.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 9/33
verstrekt die kritische juridische vragen zou stellen bij een bepaalde kwestie is een inherent
element van de samenwerkingsprocedure in Hoofstuk VII van de AVG.20
35. In een geloofwaardig contentieux komt men op een bedachtzame manier tot
waarheidsvinding op basis van feiten en kwalitatieve argumenten. In dit kader moeten
uiteraard (juridische) vragen kunnen gesteld worden zonder dat zulks op zich een
partijdigheid zou meebrengen.
36. Het loutere feit dat een eerdere zaak21 voor de Geschillenkamer met gelijkaardige
omstandigheden, een eventueel nadelige uitkomst voor eenzelfde partij of diens
vertegenwoordiger meebrengt, rechtvaardigt uiteraard op zich niet het recuseren van een
zetelend lid in een andere (i.e. deze) zaak.
37. Wanneer een partij niet akkoord gaat met een beslissing van een autoriteit, staat het haar
onder artikel 78 AVG vrij om een voorziening in te stellen tegen die beslissing. In de
Belgische rechtsorde kan dat overeenkomstig art. 108, §3 WOG bovendien ook door elke
derde-belanghebbende bij het Marktenhof. Wanneer Noyb dus meent belang 22 te hebben
om beroep in te stellen tegen een dergelijke beslissing, heeft zij desgevallend dergelijke
rechtstoegang. Het feit dat in een eerdere zaak geen beroep kon ingesteld worden omdat
de betrokken klager dit niet wenste – zoals opgeworpen ter hoorzitting – is geen argument
dat verwijtbaar is aan de Geschillenkamer (of de GBA) en verder niet van belang.
II.2. De neergelegde klacht onder art. 80.1 AVG
38. Artikel 80 AVG luidt als volgt:
Vertegenwoordiging van betrokkenen
1. De betrokkene heeft het recht een orgaan, organisatie of vereniging zonder
winstoogmerk dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht,
waarvan de statutaire doelstellingen het openbare belang dienen en dat of die actief is op
het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband
met de bescherming van diens persoonsgegevens, opdracht te geven de klacht namens
hem in te dienen, namens hem de in artikelen 77, 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen
en namens hem het in artikel 82 bedoelde recht op schadevergoeding uit te oefenen, indien
het lidstatelijke recht daarin voorziet.
20
Het onpartijdigheidsbeginsel kan hierbij niet contra legem worden toegepast in verband met de omstandigheden van
internationaal delen van informatie, vgl. Arrest Raad van State van 23 juni 2020, Lossau, nr. 224.038; bespreking in L. Van Den
Eynde, “Partijdigheid en belangenconflicten bij het actief bestuur: de sluipweg van het gelijkheidsbeginsel”, TBP, 2024, Ed. 4,
(215)219, §11.
21
Er wordt in die zin in de conclusies en pleidooien door verschillende partijen verwezen in de procedure naar Beslissing
22/2024 van 24 januari 2024 van de Geschillenkamer, waartegen geen beroep werd ingesteld bij het Marktenhof.
22
Bij de opmerkingen van de klagende partij bij het Proces-Verbaal van de hoorzitting, wordt geschreven: “. . . nu het niet
instellen van beroep tegen deze beslissing niet in het belang van noyb zelf was.”
Beslissing ten gronde 112/2024 — 10/33
2. De lidstaten kunnen bepalen dat een orgaan, organisatie of vereniging als bedoeld in lid 1
van dit artikel, over het recht beschikt om onafhankelijk van de opdracht van een
betrokkene in die lidstaat klacht in te dienen bij de overeenkomstig artikel 77 bevoegde
toezichthoudende autoriteit en de in de artikelen 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen,
indien het/zij van mening is dat de rechten van een betrokkene uit hoofde van deze
verordening zijn geschonden ten gevolge van de verwerking.
In het licht hiervan is ook overweging 142 van de preambule relevant:
Wanneer een betrokkene van oordeel is dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde
van deze verordening, moet hij het recht hebben organen, organisaties of verenigingen
zonder winstoogmerk, die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht, die
statutaire doelstellingen hebben die in het publieke belang zijn en die actief zijn op het
gebied van de bescherming van persoonsgegevens, te machtigen om namens hem een
klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, om namens betrokkenen het recht
op een voorziening in rechte uit te oefenen, of om namens betrokkenen het recht op de
ontvangst van een vergoeding uit te oefenen indien dit in het lidstatelijke recht is voorzien.
De lidstaten kunnen bepalen dat deze organen, organisaties of verenigingen over het recht
beschikken om, ongeacht een eventuele machtiging door een betrokkene, in die lidstaat
een klacht in te dienen en over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, indien
zij redenen hebben om aan te nemen dat de rechten van een betrokkene zijn geschonden
als gevolg van een verwerking van persoonsgegevens die inbreuk maakt op deze
verordening. Voor deze organen, organisaties of verenigingen kan worden bepaald dat zij
niet het recht hebben om namens een betrokkene een vergoeding te eisen buiten de
machtiging door de betrokkene om.
39. De omstandigheden waarin Noyb de klacht namens de klager heeft neergelegd, kunnen
worden gevisualiseerd als volgt.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 12/33
Geschillenkamer stelt daarbij vast dat er geen sprake van was uitdrukkelijke dwang ten
opzichte van de klager; de Geschillenkamer benadrukt dat de klager aangeeft dat deze
persoon de klacht vrijwillig heeft ingediend, en dat de persoon nog steeds achter het
indienen van de klacht staat. Eén en ander neemt niet weg dat het initiatief bij Noyb ligt, niet
bij de klager. Ook geeft de vertegenwoordiger van de klager ter hoorzitting aan dat er in
onderhavig geval gewerkt wordt met een “modelzaak” 25 waarvoor aan stagiairs en
medewerkers wordt gevraagd of zij een klacht willen indienen in zulke modelzaken en of zij
een betrokkene (‘data subject’) willen worden ter zake.
42. Ten derde, ten tijde van het toebedelen van het project en het engagement van de
betrokkene om als klager een inbreuk te laten begaan op diens rechten en vervolgens klacht
ter zake in te dienen, was er een werkrelatie (in casu een stage) tussen de klager en Noyb.
Noyb heeft benadrukt ter hoorzitting dat deze stage uitermate vrijblijvend was, waarbij de
stagiair kon gaan en staan waar deze wou. Er werd wel een werkruimte en -materiaal ter
beschikking gesteld, en er was een beperkte vergoeding van 30 euro.
43. Ten vierde, de klager meent dat er een inbreuk is begaan op de AVG en dat de persoon in de
rechten is geschaad. Daarbij is het onduidelijk in welke mate er schade zou zijn opgetreden
ten aanzien van de klager. De Inspectiedienst heeft kunnen vaststellen dat de inbreuk(en)
effectief zou(den) hebben plaatsgevonden, en dat de klager dus reëel gegriefd kan zijn door
een inbreuk.
44. Ten vijfde, de klager heeft Noyb gemandateerd nadat de krijtlijnen voor het project waren
uitgezet, en de verwerkingsverantwoordelijken waren geïdentificeerd (door Noyb) en
toegewezen (aan de klager).
45. Ten zesde, er werd klacht ingediend namens de klager door Noyb als vertegenwoordiger. De
klacht werd in samenspraak met de klager geformuleerd en ingediend bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
46. Dit alles blijkt duidelijk uit het verslag van de Inspectiedienst en de debatten. Het volledige
verloop van de feiten staat dus onbetwistbaar vast.
II.3. De seponering: motieven en gevolgen
47. De Geschillenkamer stelt in deze zaak in essentie twee hoofdproblemen vast met
betrekking tot het mandateren en de navolgende vertegenwoordiging:
1) de voorafgaande coördinatie door de vertegenwoordiger waarbij op verregaande wijze
het thema, de inhoud (waaronder de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke) en
het “type inbreuken” van klachten werd bepaald zonder volledige autonomie voor de
25
Op de hoorzitting in het Engels vermeld als “model case”.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 13/33
klager, hetgeen de vrije mandatering in de weg staat, zeker in het geval van een stagerelatie
tussen de klager en diens vertegenwoordiger.
2) de kunstgreep die de vertegenwoordiger uitvoert om zich te kunnen beroepen op de
doelstelling en werkwijze voorzien onder art. 80.2 AVG, waardoor het onderscheid met art.
80.1 AVG dat de Europese wetgever expliciet heeft vastgelegd, van elke inhoud wordt
ontdaan.
48. Deze hoofdproblemen worden uitgesplitst in drie sepotmotieven. Elk van deze motieven
afzonderlijk is voldoende om problemen met de klachtneerlegging overeenkomstig art. 80.1
j° art. 77 AVG vast te stellen, en over te gaan tot de seponering van de klacht.
II.3.1. Sepotmotief I : klachtneerlegging op basis van vooraf geconstrueerde
“modelzaak” door Noyb creëert artificieel (proces-)belang en maakt rechtsmisbruik
uit
49. Vooreerst worden de inbreuken op de verwerking van persoonsgegevens van de klager
minstens gedeeltelijk kunstmatig geconstrueerd door Noyb. Noyb bepaalt de wijze waarop
de klager (vermeende) inbreuken dient uit te lokken door de verwerking van diens
persoonsgegevens met het oog op de neerlegging van de klacht (los van eventuele
‘algemene’26 inbreuken die geen persoonsgegevensverwerking in concreto behoeven).
50. Zonder het project van Noyb hadden de vermeende inbreuken die grievend zijn ten aanzien
van de klager niet plaatsgevonden. Er wordt te dezen op de hoorzitting uitdrukkelijk erkend
dat Noyb “vraagt” aan personen zoals klager (in elk geval aan stagiairs en mogelijk aan
andere personeelsleden27 van Noyb) of zij een “betrokkene” wensen te “worden”.
51. De kunstmatigheid van de situatie wordt verder geïllustreerd door de korte bezoeken28;
deze bezoeken strekten kennelijk louter tot doel de inbreuken te laten plaatsvinden c.q. vast
te stellen, zo benadrukken ook de verweerders terecht in hun conclusies. Er wordt zelfs in
geen enkele fase van de procedure aangevoerd door de vertegenwoordiger dat de klager
een regelmatige dan wel zelfs incidentele bezoeker zou zijn geweest van de betrokken
websitepagina’s29. Dit alles wijst erop dat de klagende partij het eigen (proces-)belang op
artificiële wijze creëert ten gunste van de vertegenwoordiger.
52. De Geschillenkamer wijst er in algemene zin op dat het klachtrecht onder de AVG een ruime
en laagdrempelige toegang verleent aan betrokken klagers om toezichthoudende
autoriteiten te vatten, waar gewenst via een opdracht aan een vertegenwoordiger. Het
belang van het klachtrecht voor een betrokken burger is recentelijk nogmaals bevestigd in
26
Als voorbeeld kan gedacht worden aan een inbreuk op art. 25 AVG.
27
Op de hoorzitting wordt in het Engels het woord “staff” aangewend door de vertegenwoordiger van Noyb.
28
Vergelijk hierbij de Beslissing 22/2024 van de Geschillenkamer dd. 24 januari 2024, §§53 e.v.
29
De websitepagina’s zijn opgesteld in het Frans en Nederlands.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 14/33
de rechtspraak van het Hof van Justitie.30 Net deze brede rechtstoegang noopt ertoe dat het
klachtrecht dient te worden beschermd tegen het abusief gebruik ervan door
ondernemingen of verenigingen met eigen beleidsdoelstellingen en bijhorende projecten.
a) Rechtsmisbruik in de Europese rechtsorde
53. Voor wat betreft de niet-naleving van art. 80.1 j° art. 77 AVG zij gewezen op vaste
rechtspraak van het Hof van Justitie in verband met het abusief aanwenden van een
subjectief recht onder het Unierecht, dit als algemeen beginsel van het EU-recht.31 Daarbij
berust rechtsmisbruik op een omzeiling, hetgeen het concept onderscheidt van fraude –
hetwelk gestoeld is op misleiding.32
54. Het Hof van Justitie van de EU kadert het verbod op rechtsmisbruik zelf als volgt:
“In dit verband is het vaste rechtspraak dat er in het Unierecht een algemeen
rechtsbeginsel bestaat volgens hetwelk justitiabelen zich niet door middel van
fraude of misbruik kunnen beroepen op het Unierecht . . .
(…)
Uit dit beginsel volgt dan ook dat een lidstaat de toepassing van de Unierechtelijke
bepalingen moet weigeren indien zij niet worden ingeroepen ter verwezenlijking
van de doelstellingen van deze bepalingen, maar om een Unierechtelijk voordeel te
verkrijgen terwijl slechts formeel voldaan is aan de voorwaarden om op dit voordeel
aanspraak te maken.
(…)
Hieruit volgt dat het algemene beginsel van verbod van misbruik moet worden
tegengeworpen aan een persoon die zich beroept op bepaalde Unierechtelijke
regels die in een voordeel voorzien, op een wijze die niet in overeenstemming is met
de doelstellingen van deze regels.
30
Arrest Hof van Justitie EU, 7 december 2023, UF v. Schufa, C-26/22 en C-64/22, ECLI:EU:C:2023:958, specifiek rn. 58; zie
eveneens Arrest Hof van Justitie EU van 16 juli 2020, DPC t. Facebook Ireland en Maximilian Schrems (“Schrems II”), c-311/18.
31
Velaers J. “Rechtsmisbruik: begrip, grondslag en legitimiteit” in Rozie J., Rutten S., Van Oevelen A. (eds.), Rechtsmisbruik,
Antwerpen, Intersentia, (1)4, verwijzend in vn. 19 naar o.m. Hof van Justitie 5 mei 2007, Hans Markus Kofoed v.
Skatteministeriet, C-321/05, ECLI:EU:C:2007:408.;
Danon R. et al, “The Prohibition of Abuse of Rights after the ECJ Danish Cases” in Intertax, Vol. 49, Is. 6/7, 2021, 482-516,
https://doi.org/10.54648/taxi2021050 ;
López Rodríguez J., “Some Thoughts to Understand the Court of Justice Recent Case-Law in the Danmark Cases on Tax
Abuse”, Ec Tax Review, Vol. 29, Is. 2, 71-83, https://doi.org/10.54648/ecta2020009.
32
Vgl: “If both frauds and abuses of law aim at wrongfully obtaining a benefit from the legal system, frauds involve
misrepresentation, whereas abuses of law rely on circumvention.” in A. SAYDE, Abuse of EU Law and the Regulation of the
Internal Market, Oxford, Hart Publishing, 2014, 24; vrije vertaling van het citaat: “Waar zowel fraude als misbruik van recht
gericht zijn op het onrechtmatig verkrijgen van een voordeel van het juridisch systeem, houdt fraude een verkeerde
voorstelling in, terwijl rechtsmisbruik berust op omzeiling.”
Beslissing ten gronde 112/2024 — 15/33
(…)
. . . deze bepaling kan evenmin aldus worden uitgelegd dat zij de toepassing van het
algemene Unierechtelijke beginsel van verbod van misbruik uitsluit, aangezien het
voor de toepassing van dit beginsel niet vereist is dat het wordt omgezet . . .
(…)
Dat een belastingplichtige de voor hem meest voordelige belastingregeling
nastreeft, volstaat als zodanig weliswaar niet om uit te gaan van een algemeen
vermoeden van fraude of misbruik . . .
maar dit neemt niet weg dat deze belastingplichtige niet in aanmerking komt voor
een uit het Unierecht voortvloeiend recht of voordeel indien de constructie in
kwestie economisch gezien volstrekt kunstmatig is en ertoe strekt de wetgeving
van de betrokken lidstaat te ontwijken . . . “
(de Geschillenkamer onderlijnt)
33
55. De rechtspraak van het Hof stelt twee cumulatieve elementen voorop om te spreken van
een schending van het verbod op rechtsmisbruik, enerzijds een subjectief en anderzijds een
objectief element.34
56. Voor wat betreft het objectieve element 35: de beoogde doelstelling van het klachtrecht
onder mandatering (art. 77 j° art. 80.1 AVG) in casu wordt niet gerespecteerd: art. 80.1 AVG
stelt dat het de betrokkene is die het recht houdt aan een organisatie opdracht te geven de
persoon te vertegenwoordigen. Uit de bewoording “betrokkene” blijkt vooreerst dat er al
persoonsgegevens en bijhorende verwerkingen in de context van de aangehaalde grieven
dienden te bestaan vóór (de coördinatie voorafgaand aan) de mandatering.
57. De bewoording “opdracht te geven” wijst dan weer op het feit dat de opdracht in één
richting gaat: van de klager naar de vertegenwoordiger, niet andersom. 36
33
Arrest Hof van Justitie EU, 26 februari 2019, gevoegde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, resp. §§ 96, 97, 102,
105 en 109;
Vgl ook de volgende Arresten Hof van Justitie EU: 1) 14 december 2000,Emsland-Stärke, C-110-99; 2) 21 februari 2006, Halifax,
C-255/02; 3) 22 november 2017, Cussens, C-251/16.
34
Arrest Hof van Justitie EU, 26 februari 2019, gevoegde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, §139; Meirlaen M.,
Ongeschreven rechtsgrenzen – Verbod van rechtsregelontduiking, fraus omnia corrumpit en verbod van (rechts)misbruik,
Antwerpen, Intersentia, 2022, 353: “Het subjectief element houdt in dat, in weerwil van de formele naleving van de door de
Unieregeling opgelegde voorwaarden, het door deze regeling beoogde doel niet werd bereikt. Het objectief element vereist
dat uit een geheel van objectieve omstandigheden blijkt dat het wezenlijke doel van de gedraging erin bestaat een
ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen.”
35
Arrest Hof van Justitie EU, 26 februari 2019, gevoegde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, §139: “. . . een geheel
van objectieve omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden van de Unieregeling weliswaar formeel zijn nageleefd, maar
dat het door deze regeling nagestreefde doel niet werd bereikt . . .”
36
De klacht wordt ook ingediend in naam van de betrokkene, dus het is de betrokkene die het centrale uitgangspunt vormt.
Vgl. Frenzel E.M., “Art. 80 DS-GVO” in Paal B.P. en Pauly D.A., Datenschutzgrundverordnung Bundesdatenschutzgesetz, C.H.
Beck, Ed. 3, (1030)1033: “Doch ergibt sich aus dem Vergleich mit der englischen Sprachfassung . . . aus dem Begriff der
“Beauftragung” und aus dem Sinn un Zweck des Abs. 1, dass die Organisation zur Wahrnemung der Rechte im Namen der
betroffenen Person berechtigt sein soll.”
Beslissing ten gronde 112/2024 — 16/33
58. Bovendien verduidelijkt overweging 143 AVG dat de betrokkene eerst zelf “van oordeel”
moet zijn dat er een problematiek onder de AVG speelt, en dit niet volgend op een concrete
instructie van de vertegenwoordiger, vooraleer de mandatering plaatsgrijpt. De inbreuk
wordt uitgelokt door Noyb om de klager als betrokkene te kunnen kwalificeren.
59. Voor wat betreft het subjectieve element37: de vertegenwoordiger wenst een
procesbevoegdheid bij de GBA te creëren; een procesbevoegdheid kan zonder de klager
als individu niet bestaan op basis van de Belgische wetgeving. Hieruit blijkt het artificieel
karakter voor het vervullen van de voorwaarden onder art. 80.1 AVG. 38
60. De vertegenwoordiger tracht op deze manier het nationaal recht te omzeilen, aangezien art.
80.2 AVG niet werd geactiveerd in de Belgische wetgeving. 39 Zulks blijkt overigens ook
indirect uit de argumenten vanwege de klager in de repliekconclusie en de pleidooien ter
hoorzitting: er wordt gesteld dat deze klacht eigenlijk ook zou moeten kunnen worden
toegelaten onder art. 80.2 AVG en dat de niet activatie van deze bepaling discriminerend
zou kunnen zijn.40
61. De Geschillenkamer benadrukt in dit verband dat de AVG de nationale wetgever een
discretionaire ruimte laat om art 80.2 al dan niet te activeren. De keuze van de Belgische
wetgever is evident. Blijkens de bewoording van art. 80.1 en het bestaan van art. 80.2 AVG,
beoogt de AVG niet dat de vertegenwoordiger op grond van artikel 80.1 een dergelijke
uitoefening van het klachtrecht inzet.
62. De kunstmatigheid van de constructie staat volgens de Geschillenkamer vast aangezien de
identiteit van verwerkingsverantwoordelijken en de opgeworpen grieven niet door de
betrokken klager werden bepaald (wel voorafgaand door de vertegenwoordiger), en door de
korte bezoeken van de betrokken klager, vastgesteld door de Inspectiedienst en vermeld
door beide verweerders in hun verweermiddelen. De vertegenwoordiger geeft zelf publiek
aan dat deze klacht kadert in een algemeen project inzake gegevensdoorgiften. 41 Er wordt
ter hoorzitting gesteld dat stagiairs vrijblijvend een betrokkene kunnen “worden”.
Vrije vertaling: “Een vergelijking met de Engelstalige versie laat echter zien dat . . . uit de verwoording ‘opdracht te geven’ en uit
de rol en de doelstelling van lid 1 blijkt dat de organisatie gerechtigd is de rechten in naam van de betrokkene uit te oefenen.”
37
Arrest Hof van Justitie EU, 26 februari 2019, gevoegde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, §124: “. . . subjectief
element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de
voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. . .”
38
Over het artificieel karakter van het vervullen van de voorwaarden, zie A. SAYDE, Abuse of EU Law and the Regulation of the
Internal Market, Oxford, Hart Publishing, 2014, 25.
39
Over het onderscheid, zie Arrest Hof van Justitie EU van 28 april 2022, Meta Platforms t. Verbraucherzentrale
Bundesverband e.V., C-319/20; Vgl. de gerelateerde problematiek onder punt c in deze sectie.
40
Infra, sectie II.3.3; de discriminatie zou hier gestoeld zijn op art. 10-11 GW in de verhouding tussen art. 220 GBW en art. 17
Ger. W.
41
Syntheseconclusie tweede verweerder, stuk 5 (“101 Complaints on EU-US transfers filed”, vrij vertaald: “101 klachten
ingediend over <gegevens>doorgiften EU-VS”).
Beslissing ten gronde 112/2024 — 17/33
63. De uitlokking om een rechtstoegang te creëren brengt een ongerechtvaardigd voordeel
mee dat het subjectief element uitmaakt van rechtsmisbruik onder het Unierecht zijdens
Noyb. In dit geval is het voordeel gericht op het nastreven van de algemene (beleids-
)doelstellingen van de vereniging Noyb.42
64. De twee voorwaarden om van rechtsmisbruik onder het Unierecht te spreken zijn alzo
vervuld en overeenkomstig de rechtspraak van het Hof volgt dat de Geschillenkamer het
gebruik van het recht (i.e. de klachtneerlegging) door Noyb moet weigeren.43
b) Rechtsmisbruik toegepast in de Belgische rechtsorde
65. Ten tweede, de klachtneerlegging moet geschieden volgens de nationaal vastgestelde
procedurele regels, uiteraard binnen de grenzen die het Unierecht stelt. Zoals het Hof van
Justitie reeds heeft gesteld, is het “krachtens het beginsel van procedurele autonomie een
zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten . . . om de procedureregels vast te stellen
voor vorderingen in rechten die worden ingediend ter bescherming van de rechten van
justitiabelen . . .”44
66. Het feit dat de rechtsregel waaruit het subjectief klachtrecht vloeit (in casu art. 77 j° art. 80.1
AVG) niet uitdrukkelijk uitsluit dat men een klacht kan neerleggen op basis van een
gecreëerde grief, betekent uiteraard niet dat de rechtsregel behoorlijk wordt aangewend.
Zoals dit in recente Belgische rechtsleer wordt gekaderd: “De onverkorte uitlegging van de
rechtsregel lijkt immers toe te laten dat het subjectief recht op om het even welke wijze of
in om het even welke omstandigheden kan worden uitgeoefend. Het verbod van
(rechts)misbruik . . . verduidelijkt dat dit niet het geval is.”45
67. Het Hof van Cassatie heeft zich al meermaals uitgesproken over de toepassing van het
verbod op rechtsmisbruik.46 Daarbij is de link met de interpretatie van dit rechtsbeginsel
door het Hof van Justitie voor de toepassing ervan in een nationale context evident. 47 Het
Hof van Cassatie is ook duidelijk over het feit dat het miskennen van de doelstelling van een
42
Vgl. de sectie ‘rechtsmisbruik als voordeel-zoekende keuze van recht’: A. SAYDE, “I. The Basics: Abuse of Law as Gain-
Seeking Choice of Law” in Abuse of EU Law and the Regulation of the Internal Market, Oxford, Hart Publishing, 2014, 24
43
Arrest Hof van Justitie EU, 26 februari 2019, gevoegde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, §110. “Hieruit volgt
dat nationale autoriteiten . . . het genot van de rechten . . . moeten weigeren indien op deze rechten aanspraak wordt gemaakt
door middel van . . . misbruik.”
44
Arrest Hof van Justitie EU, 4 mei 2023, Österreichische Post, C-300/32, §53.
45
Meirlaen M., o.c., 277; zie ook verder de bespreking van de rechtskundige oorsprong in Velaers J. “Rechtsmisbruik: begrip,
grondslag en legitimiteit” in Rozie J., Rutten S., Van Oevelen A. (eds.), Rechtsmisbruik, Antwerpen, Intersentia, (1)1-4; Ter
illustratie, vgl. art. 1.10, lid 2 nieuw Burgerlijk Wetboek: “Wie zijn recht uitoefent op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten
gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtige en redelijke persoon in dezelfde omstandigheden
geplaatst, maakt misbruik van zijn recht.”.
46
Recent in arrest Hof van Cassatie van 16 november 2023, Docpharma t. Belgische Staat, C.23.0053.N.
47
Vgl. Conclusie van het Openbaar Ministerie bij het Hof van Cassatie van 11 januari 2024, K. t. Belgische Staat, F.23.0008.N:
hierbij wordt in extenso de toepassing van het objectief en subjectief element besproken.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 18/33
subjectief recht, een vorm van rechtsmisbruik kan vormen. Zo verduidelijkt het Hof van
Cassatie in een arrest van 15 februari 2019:
Rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk
de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van het recht door een bedachtzaam
en voorzichtig persoon. Een dergelijk misbruik kan ook bestaan in de aanwending
van rechtsregels of rechtsinstellingen in strijd met het doel waarvoor ze zijn
gesteld.48
68. De Geschillenkamer merkt op dat het concept van rechtsmisbruik ook van toepassing kan
zijn op de uitoefening van procedurele rechten. De handelswijze van Noyb in deze zaak lijkt
de grenzen van een normale en proportionele uitoefening van het recht op
vertegenwoordiging, zoals voorzien in art. 80.1 AVG, te overschrijden.
69. Een rechtssubject dat een subjectief recht aanwendt, dient zich immers ook te houden aan
de algemene zorgvuldigheidsnorm bij de lezing en interpretatie van de objectieve norm
waarop zij haar subjectief recht stoelt, en rekening te houden met de “ […] impliciete,
materiële grenzen die er . . . ook in besloten liggen”.49 Een rechtssubject mag daarbij niet de
doelstelling van de wettelijke bepaling waaruit het subjectief recht volgt, miskennen.50
Hierbij is o.m. het bestaan van art. 80.2 AVG van belang.
70. Het feit dat de vertegenwoordiger bepaalt op welke manier een inbreuk moet worden
ondergaan, teneinde een mandaat te kunnen verlenen om het klachtrecht onder art. 77 j°
art. 80.1 AVG voor de Belgische autoriteit te kunnen uitoefenen, maakt dat de algemene
zorgvuldigheidsnorm door de vertegenwoordiger wordt miskend en maakt op die manier
rechtsmisbruik uit. Het is namelijk niet de doelstelling van art. 80.1 AVG om op deze manier
klagers te ‘creëren’.51 De Geschillenkamer velt daarbij geen oordeel over het feit dat er
goedbedoelde motieven kunnen schuilen achter de werkwijze; er wordt enkel gesteld dat
48
Arrest Hof van Cassatie 15 Februari 2019, G.C. t. KBC Bank NV, C.18.0428.N, §1; vgl. eveneens Arrest Hof van Cassatie van 1
oktober 2020, C.18.0584.F, hetwelke in essentie uiteenzet dat rechtsmisbruik bestaat in de uitoefening van een recht op een
wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam
persoon en dat dit onder meer het geval is wanneer de veroorzaakte schade niet in verhouding staat tot het voordeel dat de
houder van dat recht beoogt of verkregen heeft.
49
Meirlaen M., o.c., 282; Rozie J., Rutten S., Van Oevelen A.(eds.), Rechtsmisbruik, Antwerpen, Intersentia, 12.
50
Meirlaen M., Ongeschreven rechtsgrenzen – Verbod van rechtsregelontduiking, fraus omnia corrumpit en verbod van
(rechts)misbruik, Antwerpen, Intersentia, 2022, vn. 898: “Cass. 15 februari 2019, AR C.18.0428.N; Cass. 28 september 2018, AR
C.18.0058.N; Cass. 2 april 2015, AR C.14.0281.F; Cass. 13 januari 2012, AR C.11.0135.F; Cass. 7 september 2006, AR
C.04.0032.F; Cass. 24 september 2001, AR S.00.0158.F; Cass. 28 april 1972, Arr.Cass. 1972, 815; Pas. 1972, 797; RW 1972-73,
noot R. Butlzer.”; ibid. blz. 323: “Wanneer kan worden aangetoond dat de rechtsregel, het daaruit voortvloeiend subjectief recht,
slechts voor een welbepaalde doelstelling kan worden gebruikt, volstaat voor misbruik de vaststelling dat het (voorgenomen)
gebruik hier niet op is gericht.”
51
Omtrent rechtsmisbruik door het aanwenden van een recht waarvan de doelstelling wordt miskend, zie: Cornet L., “L’abus
de droit et le nouveau droit des contrats” in Kohl B. (eds.), L’abus de droit, Luik, Anthemis, 2024, (1)25-6.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 19/33
het klachtrecht oneigenlijk wordt aangewend en met name niet overeenkomstig de
nationale wetgeving, die een beroep van een organisatie in eigen naam, onafhankelijk van
een betrokkene, heeft uitgesloten.
71. Het Hof van Cassatie stelt dat wanneer er sprake is van rechtsmisbruik, de uitoefening van
het recht beperkt moet worden tot een normaal gebruik ervan. 52 In dit geval is de klacht
ingediend door Noyb als vertegenwoordiger. Om die reden noopt dit enkele feit reeds tot de
seponering van het volledige dossier.
II.3.2. Sepotmotief II: fictief mandaat door vooraf vastgelegde grieven en
verwerkingsverantwoordelijke binnen stagerelatie
72. De grieven worden in naam van de klager voorafgaand bepaald, net zoals de werkwijze om
met mandaten in de zin van artikel 80.1 AVG te werken voorafgaand bepaald is. Bovendien
wordt ook de identiteit van de aangezochte verwerkingsverantwoordelijke vastgesteld door
de vertegenwoordiger voordat de klager de “modelzaak” aanvaardt en mandaat ter zake
verleent.53
73. Hoewel het zeker niet uitgesloten is dat de klager als betrokkene inspraak kreeg in de
bepaling van de krijtlijnen van het project, zijn deze krijtlijnen minstens niet louter door de
klager als betrokkene vastgelegd, getuige het feit dat gelijkluidende (lees: quasi-identieke)
klachten door verschillende klagers werden neergelegd in het kader van het project. Dit blijkt
uit de vaststellingen van de Inspectiedienst in verband met de “bulk” werkwijze.
74. In dit kader wijst de Geschillenkamer erop dat het moeilijk is voor een medewerker om in dat
kader de algehele opzet van een project in vraag te stellen en geen akkoord te geven om
volgens de uitgezette krijtlijnen het mandaat te verlenen – net zoals het moeilijk is voor een
betrokkene om onder velerlei omstandigheden in een arbeidsrelatie toestemming te geven
voor het verwerken van persoonsgegevens in de zin van artikel 6.1.a AVG. 54
75. Met name het Europees Comité voor Gegevensbescherming (“EDPB”) heeft in haar
Richtsnoeren 5/2020 over de toestemming aangegeven dat gezien de wanverhouding
tussen een werkgever en zijn werknemers en de daaruit voortvloeiende hiërarchische
afhankelijkheid, het onwaarschijnlijk is dat een werknemer vrijelijk zou kunnen reageren op
een verzoek van zijn werkgever zonder zich verplicht te voelen om in te stemmen. 55
Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor stagiairs, hoe vrijblijvend de verbintenis ook zou zijn:
52 Arrest Hof van Cassatie van 23 mei 2019, V.M. t. P.B., C.16.0474.F, parafrasering van de Franstalige tekst: « La sanction d'un
abus de droit peut résider dans la réduction dudit droit à son usage normal. »
53
In haar syntheseconclusie citeert de eerste verweerder op blz. 6 een persbericht van de vertegenwoordiger van de klager,
dat uiteenzet hoe de identificatie verliep: “De websites werden gekozen op basis van de TLD van de lidstaat . . . We hebben op
grote websites in elke EU-lidstaat gezocht . . . “ (vrije vertaling door de eerste verweerder uit het Engels van stuk 3 bij haar
syntheseconclusie; de Geschillenkamer bewerkt de opmaak en onderlijnt).
54
Vergelijk hierbij de Beslissing 22/2024 van de Geschillenkamer dd. 24 januari 2024, §§46-52.
55
EDPB, Richtsnoeren 5/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, punten 21-23.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 20/33
er kan immers worden op gewezen dat een succesvolle of onsuccesvolle stage
consequenties kan hebben voor de carrière van een persoon.
76. Er zij ook nogmaals gewezen op de wettelijke bepaling inzake mandatering (art. 80.1 AVG),
dewelke stelt dat het de betrokkene is die het recht houdt aan een organisatie opdracht te
geven de persoon te vertegenwoordigen. Uit de bewoording “betrokkene” blijkt vooreerst
dat er al persoonsgegevens en bijhorende verwerkingen in de context van de aangehaalde
grieven dienden te bestaan vóór (de coördinatie voorafgaand aan) de mandatering. De
bewoording “opdracht te geven” wijst dan weer op het feit dat de opdracht in één richting
gaat: van de klager naar de vertegenwoordiger, niet andersom. 56 Bovendien geeft
overweging 143 AVG aan dat de betrokkene eerst zelf “van oordeel” moet zijn dat er een
problematiek onder de AVG speelt, en dit niet ingevolge een concrete instructie van de
vertegenwoordiger, vooraleer de mandatering plaatsgrijpt.
77. Er zij ten overvloede op gewezen dat dit fictieve mandaat ook een problematiek meebrengt
van potentiële schade in hoofde van de betrokken klager, die niet zou kunnen ontstaan als
de vertegenwoordiger het project niet zou opstarten en betrokkenen ertoe zou bewegen
om inbreuken te laten begaan en hiernavolgend klacht over die inbreuk in te dienen. Dit geldt
in de eerste plaats voor wat betreft de persoonsgegevensverwerkingen van de klager,
mogelijk in strijd met de bepalingen van de AVG.
78. Wat hier ook van zij, vaststaat dat de grieven voorafgaand worden vastgelegd door de
vertegenwoordiger van de klager, en dat de rechtmatige en vrije mandatering door de klager
die ook stagiair is bij de vertegenwoordiger zo in het gedrang komt. Dit is voldoende om vast
te stellen dat de mandatering problematisch en meer bepaald op fictieve wijze verloopt, en
niet overeenkomstig artikel 80.1 AVG.
II.3.3. Sepotmotief III: kunstgreep voor aankaarten globale en accessoire
problematieken voor beleidsdoelstellingen van een vereniging
79. Het derde en laatste sepotmotief betreft de manier waarop de vertegenwoordiger Noyb –
verder dan het artificieel gecreëerd procesbelang en het fictieve mandaat – middels de
procestoegang ook globale en accessoire problematieken tracht aan te kaarten, en met
name de vermeend onrechtmatige gegevensdoorgiften naar de VS vanuit de Europese
Economische Ruimte na het arrest Schrems II van het Hof van Justitie van de EU.57 Dit houdt
nauw verband met beleidsdoelstellingen van de vereniging Noyb. Zoals de Inspectiedienst
daarbij terecht opmerkt, speelt hierbij een problematiek van mogelijk conflicterende of
56
Vgl. ook art. 1984 BW hetgeen stelt dat een persoon aan een andere persoon de macht geeft om iets voor de lastgever en
in zijn naam te doen. Ook art. 1989 BW kan vermeld worden, hetwelk bepaalt dat de lasthebber niets mag doen dat de perken
van zijn lastgeving te buiten gaat; dit ondersteunt het argument dat de klager zelf de grenzen van het mandaat moet bepalen.
57
Syntheseconclusie tweede verweerder, stuk 5: “101 Complaints on EU-US transfers filed”, vrij vertaald: “101 klachten
ingediend over <gegevens>doorgiften EU-VS”.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 21/33
minstens andersoortige belangen. Bij een vertegenwoordigingsopdracht moet de
vertegenwoordiger de belangen van de betrokken klager centraal stellen, en niet zijn eigen
beleidsdoelstellingen nastreven.
80. Art. 80.2 AVG (niet art. 80.1 AVG) dient net als bepaling voor verenigingen om zelfstandig
bepaalde praktijken aan te kaarten.58
81. De Europese wetgever heeft dus wel degelijk de mogelijkheid voorzien om uit eigen
beweging klachten in te dienen voor organisaties zoals Noyb, maar enkel wanneer de
nationale wetgever dit toelaat. De Belgische wetgever heeft dit evenwel uitgesloten.59 Voor
de Geschillenkamer verdient deze keuze van de wetgever enige kadering.
82. Inderdaad, het is van belang dat art. 80.2 AVG afzonderlijk van art. 80.1 AVG is opgesteld
en afzonderlijk dient te worden geactiveerd in de nationale rechtssfeer. De nationale
wetgever krijgt de kans om de ‘activatie’ van het artikel vast te stellen, bijvoorbeeld om een
onbehandelbare toevloed van klachten te vermijden, net zoals de AVG voor klachten van
individuele betrokkenen de mogelijkheid voorziet voor toezichthoudende autoriteiten om te
weigeren deze te behandelen in het geval van buitensporig 60 gebruik. Art. 80.2 AVG heeft
volgens het Hof van Justitie een preventieve functie, waarbij de betrokken organisaties de
kans krijgen om op een globale manier problematieken aan te kaarten, wanneer zij van
mening zijn dat de rechten van een betrokkene uit hoofde van de AVG zijn geschonden ten
gevolge van de verwerking.61
83. Dat Noyb is opgetreden in een zaak 62 voor het Hof van Justitie waar zij een betrokken (ex-
)werknemer vertegenwoordigde, en dat daarom optreden voor de GBA zou zijn toegelaten,
is allesbehalve een juiste gevolgtrekking. 63 Zelfs al waren de omstandigheden exact
dezelfde als in voorliggende zaak - wat niet het geval is - dan nog is de rechtstoegang tot de
hoven en rechtbanken verschillend van deze tot de toezichthoudende autoriteit. Daarnaast
merken verweerders terecht op dat de bewuste preliminaire kwestie voor het Hof in niets te
58
Over art. 80.2 AVG, schrijft een auteur: “Het klachtrecht is daarom accessoir aan de (vermeende) schending van subjectieve
rechten, en de vereniging is daarom slechts een ‘klager achter de klager’.” Vrije vertaling uit: Frenzel E.M., “Art. 80 DS-GVO” in
Paal B.P. en Pauly D.A., Datenschutzgrundverordnung Bundesdatenschutzgesetz, C.H. Beck, Ed. 3, (1030)1034: “Das Klagerecht
ist damit akzessorisch zur (behaupten) Verletzung subjektiver Rechte, der Verband damit nur ‘Klager hunter dem Kläger’
59
Beide verweerders verwijzen naar de wetgevende voorbereidingen van de Belgische Kamer:
1) syntheseconclusie eerste verweerder, blz. 18, en;
2) syntheseconclusie tweede verweerder, par. 69 – verwijzend in voetnoot naar: Wetsontwerp van 11 juni 2018 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, Parl. St. Kamer, 2017-18, nr.
54-3126/001, 226.
60
Vgl. art. 57.4 AVG.
61
Arrest Hof van Justitie EU van 28 april 2022, Meta Platforms t. Verbraucherzentrale Bundesverband e.V., C-319/20, § 76;
Arrest Hof van Justitie van 11 juli 2024, Meta Platforms Ireland Ltd. V. Bundesverband der Verbraucherzentralen e.a., C-757/22,
ECLI:EU:C:2024:598, §64.
62
Arrest Hof van Justitie van 4 mei 2023, CRIF, C-487/21.
63
In de repliekconclusie verwoordt de klagende partij als volgt: “Als zelfs het HvJEU een dergelijke vertegenwoordiging
rechtsgeldig acht, dient de GBA dit ook toe te staan.”
Beslissing ten gronde 112/2024 — 22/33
maken had met de vertegenwoordigingsbevoegdheid voor een autoriteit in de zin van artikel
80 AVG.
84. Wanneer op grote schaal klachten worden ingediend die effectieve inbreuken weergeven
op basis van fictief opgestelde klachten onder art. 80.1 AVG, kan de taak van de
toezichthoudende autoriteit om op te treden de facto onmogelijk worden, en komen haar
toezichtstaken in het algemeen belang in het gedrang.64 Dit miskent de opzet van de
Europese wetgever, die de autonomie aan de nationale wetgever laat om te oordelen over
de wenselijkheid van dergelijke rechtstoegang voor belangenorganisaties. 65
85. Er zij daarbij ten overvloede op gewezen dat het laagdrempelige klachtenrecht jaarlijks vele
honderden individuele betrokkenen ertoe beweegt als klager een klacht in te dienen bij de
GBA. Vele van deze klachten krijgen een inhoudelijke behandeling, worden grondig
onderzocht en leiden tot (corrigerende) maatregelen. In elk geval leidden klachten van
individuen reeds tot vele honderden beslissingen van de Geschillenkamer.
86. Binnen de Europese Economische Ruimte worden jaarlijks (ruim) meer dan 100.000
klachten66 ingediend onder het klachtregime van de AVG, en binnen alle toezichthoudende
autoriteiten zouden volgens de meest recent publiek beschikbare cijfers iets minder dan
4000 personeelsleden67 in 2024 aan de slag zijn. De behandeling van de klachten van
individuele betrokkenen verdient de nodige aandacht en een nauwkeurige behandeling met
de beperkte middelen die voor de autoriteiten beschikbaar zijn.
87. Dit alles schetst de context waarbinnen het van belang is dat de grenzen van de wetgever
dienen te worden gerespecteerd. Deze grenzen werden ook bevestigd door het Hof van
Justitie.68
88. Dit wil uiteraard niet zeggen dat civil society (of in het Nederlands: het maatschappelijk
middenveld) geen rol dient te spelen in het gegevensbeschermingsrechtelijk contentieux, of
in het neerleggen van klachten. Meer nog, organisaties als vertegenwoordiger kunnen in
64
Vgl. ook de verplichtingen voor de toezichthoudende autoriteit om maatregelen te nemen bij het vaststellen van inbreuken
gedurende de administratieve procedure, zie HvJEU, Opinie Advocaat Generaal Pikamäe van 11 april 2024, TR v Land Hessen,
C-768/21.
65
Het voorstel van de Europese Commissie stelt de nationale ‘activatie’ niet verplicht zou stellen; dit toont des te meer dat het
een doelbewuste en belangrijke overweging is van de Europese wetgever om deze keuze aan de nationale wetgever te laten.
COM 2012, 11 final, Art 73.2;
zie ook Frenzel E.M., “Art. 80 DS-GVO” in Paal B.P. en Pauly D.A., Datenschutzgrundverordnung Bundesdatenschutzgesetz, C.H.
Beck, Ed. 3, (1030)1032: “Gem. Art. 76 Abs. 2 DS-GVO-E (Rat) wurde das Verbandsklagerecht nicht mehr von Anfang an
vorgesehen, sondern die Anonrdnung den Mitgliedstaaten überlassen . . . “,
vrije vertaling: “Overeenkomstig art. 76.2 AVG positie (Raad) was het recht om een klacht in te dienen voor een vereniging niet
meer als basissituatie voorzien, maar werd de omzetting aan de lidstaten gelaten . . .”
66
Mededeling Europese Commissie van 25 juli 2024, Tweede verslag over de toepassing van de algemene verordening
gegevensbescherming, COM(2024) 357 final, sectie 2.3, zie ook de sectie 2.5.2 m.b.t. de “verwerking van grote aantallen
klachten”.
67
Op basis van de som van de projecties verstrekt door de toezichthoudende autoriteiten in EDPB, Contribution of the EDPB
to the report on the application of the GDPR under Article 97, 12 december 2023, p. 28-9.
68
Arrest Hof van Justitie EU van 28 april 2022, Meta Platforms t. Verbraucherzentrale Bundesverband e.V., C-319/20, § 59.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 23/33
België zeker een rol spelen in het faciliteren van het neerleggen van klachten via
vertegenwoordiging en het inlichten van betrokkenen en verwerkingsverantwoordelijken
van hun rechten en plichten. Dit is echter iets anders dan het ontwerpen van klachten voor
op dat moment onbestaande klagers.
89. De werkwijze waarbij de klacht op initiatief van de vertegenwoordiger een algemene vooraf
vastgelegde praktijk tracht aan te kaarten, door dit accessoir te behandelen in een klacht
van een individuele betrokkene, toont aan dat een kunstgreep heeft plaatsgevonden in het
licht van artikel 80.1 AVG bij het neerleggen van deze klacht, teneinde praktijken te kunnen
aankaarten op een wijze die exclusief voorzien is onder artikel 80.2 AVG. 69 Deze werkwijze
kan ook mogelijke belangenconflicten veroorzaken gedurende de
vertegenwoordigingsopdracht. De Geschillenkamer stelt vast dat het aanwenden van art.
80.1 AVG door de vertegenwoordiger in dit geval om deze redenen niet rechtmatig is.
II.3.4. De seponering
90. De hiervoor aangedragen motieven illustreren dat het in deze zaak geen louter semantische
kwestie betreft, maar dat de werkwijze zoals in casu ook reële problemen veroorzaakt of
kan veroorzaken. Elk afzonderlijk zijn de motieven voldoende om de niet-naleving van de
keuzes van de Europese en de Belgische wetgever te bewijzen: de werkwijze in dit dossier
door de klagende partij druist in tegen de wet op meerdere manieren. De Geschillenkamer
heeft zorgvuldig en objectief het geval onderzocht, en kan niet anders dan tot de conclusie
komen dat de neergelegde klacht om de voornoemde redenen moet geseponeerd worden.
II.3.5. Beschouwing inzake de gevolgen van de seponering
91. Het feit dat de mandatering en het (proces-)belang in deze zaak fundamenteel
problematische elementen uitmaken, is bewezen op grond van meerdere voornoemde
motieven. Dit leidt tot de seponering onder art. 100, §1, 1° WOG. Dit sluit echter niet uit dat
de klager zich als betrokkene gegriefd acht nadat een vermeende inbreuk begaan is, nu die
vermeende inbreuk dan ook effectief kan plaatsvinden ingevolge de acties voorafgaand en
ingevolge het fictieve mandaat.
92. Ten eerste werpt de vertegenwoordiger op dat de klager ook zonder vertegenwoordiging
een klacht had kunnen indienen, wat als gevolg zou hebben dat daarom het dossier
onverkort zou kunnen worden verdergezet; hiernaast werpt de vertegenwoordiger ook op
dat de ‘autonome’ vertegenwoordiging zonder de betrokken klager onder art. 80.2 AVG
mogelijk gewoon een mogelijkheid is voor de vertegenwoordiger in België.
69
Het EU-recht mag niet worden misbruikt om nationale wetgeving te omzeilen, vgl. Arrest Hof van Justitie, Halifax, C-255/02.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 24/33
93. Het is in dezen net het oneigenlijke gebruik van het klachtrecht (met onder meer de
aanwending van een fictief mandaat die de inbreuk in hoofde van betrokkene creëert) dat
aanleiding geeft tot de seponering van dit klachtdossier.
94. De Geschillenkamer verwerpt het argument dat de inbreuk c.q. schade toch al plaatsvond,
en dat daarom het dossier moet worden verdergezet. De Geschillenkamer meent dat
procedurele – net zoals inhoudelijke – regels moeten worden nageleefd, onafhankelijk of
een bepaalde uitkomst in functie van beleidsdoelstellingen van een partij het meest gunstig
of wenselijk lijkt.
95. Met andere woorden: de klager heeft niet zonder vertegenwoordiging klacht ingediend, dus
de Geschillenkamer behandelt het klachtdossier ook niet zo. De Geschillenkamer kan een
klacht niet herkwalificeren op een wijze waarop ze niet werd ingediend.
96. Ook heeft de vertegenwoordiger geen beroep gedaan op art. 80.2 AVG voor de
klachtneerlegging, dus behandelt de Geschillenkamer het dossier niet als zodanig. De
vertegenwoordiger verwijst voor dit laatste punt overigens niet naar de bestaande
wettelijke normen, doch naar de mogelijke (onder de grondwet) discriminerende situatie
waar Noyb voor de hoven en rechtbanken betrokkenen wel kan vertegenwoordigen op deze
‘verzelfstandigde’ manier onder art. 17 Ger. W., maar niet voor de GBA. De AVG laat echter
de mogelijkheid aan de Belgische wetgever om art. 80.1 AVG afzonderlijk te activeren, dus
is er geen reden om deze situatie voor de Geschillenkamer als discriminerend te
beschouwen. 70 Ongelijke gevallen behoeven niet gelijk behandeld te worden.
97. Het loutere feit op zich dat deze inbreuken zouden hebben plaatsgevonden, of dat schade
zou hebben plaatsgegrepen in dat kader, rechtvaardigt niet om het fictieve mandaat en het
artificieel gecreëerd procesbelang te aanvaarden. Procedurele regels zijn in het belang van
de kwaliteit en het rechtvaardige karakter van een procedure.
98. Ten tweede benadrukt de Geschillenkamer dat dit niet betekent dat een medewerker van
een organisatie zoals Noyb nóóit klacht zou kunnen indienen met Noyb als
vertegenwoordiger.
II.4. De mandatering onder art. 80.1 AVG: vorm en bestanddelen.
99. Ten eerste komen gedurende de procedure verschillende elementen naar voren waaruit
mogelijke problemen met de formulering van het mandaat blijken. De vertegenwoordiger
van de klager stelt ter hoorzitting dat de bepaling uit het Unierecht autonoom dient te
70
De Bot D., De toepassing van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in de Belgische context: commentaar op de
AVG, de Gegevensbeschermingswet en de Wet Gegevensbeschermingsautoriteit, Mechelen, Wolters Kluwer, 2020, 1164-5
(§2998-9).
Beslissing ten gronde 112/2024 — 25/33
worden geïnterpreteerd om te stellen dat een mandaat geen formele vormvereisten 71
inhoudt, verwijzend naar de louter mondelinge mogelijkheden om zulks te doen. De
verweerders, daarentegen, werpen net zoals de Inspectiedienst op dat er bepaalde vorm-
dan wel inhoudelijke gebreken bestaan, die slaan op de essentiële bestanddelen 72 van de
mandaatovereenkomst, alsook het toereikend karakter ervan als bewijs 73 voor de
vertegenwoordiging. In haar lastgevingsovereenkomst bijgevoegd in de klacht, wordt de
eerste verweerder met name niet uitdrukkelijk genoemd.
100. De klager verwijst in de overeenkomst bijgevoegd aan de klacht naar 25 verschillende
(Noyb) dossiernummers in het ene document voor de mandatering, hetgeen verder
bevestigt wat eerder gesteld werd omtrent het artificieel gecreëerd procesbelang binnen
het project met modelzaken van Noyb. Het feit dat 25 klachten worden ingediend brengt op
zich al de vraag over de toepasselijkheid van het excessief 74 gebruik van klachtrecht ter
berde – voor de duidelijkheid, zonder dat de Geschillenkamer daartoe in dezen besluit.
101. De klagende partij heeft de kritiek op het initiële mandaat trachten recht te zetten, door bij
haar syntheseconclusie een ander document betreffende het verlenen van een mandaat bij
te voegen, waarbij de individuele verwerkingsverantwoordelijken (m.n. ook de eerste
verweerder) worden geïdentificeerd – samen met de identificatie van
verwerkingsverantwoordelijken in drie andere klachtdossiers bij de GBA dewelke geen
formeel verband houden met het voorliggend klachtdossier. Dit document is louter
ondertekend door de klager in dit dossier (i.t.t. het document bijgevoegd in de klacht).75
102. Gezien in dit dossier de seponeringsbeslissing reeds op meerdere andere
seponeringsgronden stoelt, gaat de Geschillenkamer hic et nunc niet over tot het verder
71
De Europese wetgever verduidelijkt wat betreft de vorm niet of de “opdracht” in art. 80.1 AVG slaat op het instrumentum (de
schriftelijke overeenkomst of andere) dan wel op het negotium (de overeenkomst).
Wat betreft het instrumentum is in de klassieke nationale rechtsleer gesteld dat een lastgevingsovereenkomst solo consensu
kan (Tilleman B., “Titel V: Vorm van de Lastgevingsovereenkomst” in Lastgeving, Gent, Story-Scienta, 1997, §§139 e.v.).
In de gespecialiseerde rechtsleer betreffende de AVG wordt betwijfeld dat een opdracht onder art. 80.1 AVG geen schriftelijk
stuk behoeft:
vgl. Frenzel E.M., “Art. 80 DS-GVO” in Paal B.P. en Pauly D.A., Datenschutzgrundverordnung Bundesdatenschutzgesetz, C.H.
Beck, Ed. 3, (1030)1033-4: “Dies setzt – schon aus Gründen der Sicherheit für den Rechtsverkehr und des Ausschlusses der
Missbrauchgefahr – eine ausdr., schriftliche Erklärung voraus . . .”(de Geschillenkamer bewerkt de opmaak);
vrije vertaling: “Dit vereist – alvast om redenen van de zekerheid binnen het rechtsverkeer en het uitsluiten van het gevaar van
misbruik – een uitdrukkelijke, schriftelijke verklaring . . .”
72
De rechtshandelingen die de vertegenwoordiger dient te stellen zouden als essentieel bestanddeel kunnen aanzien worden,
maar argumenteerbaar ook de identiteit van de geviseerde verwerkingsverantwoordelijke in een AVG-klacht. Vgl verder: Van
Oevelen A., Beginselen van Belgisch Privaatrecht. 10: Overeenkomsten. 2: Bijzondere overeenkomsten. E: Aanneming van werk
– lastgeving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017, §389;
Vergelijk ook artikel 1988 BW: “Lastgeving, in algemene bewoordingen uitgedrukt, omvat alleen de daden van beheer;”
73
Het is aan diegene die zich beroept op een lastgevingsovereenkomst, het bestaan ervan te bewijzen, vgl.: Tilleman B., O.c.,
§172; Van Oevelen A., o.c., §417: “Daarbij komt dat het contract van lastgeving deze bijzonderheid vertoont dat de lasthebber in
de uitoefening van zijn mandaat rechtshandelingen stelt in relatie tot een derde ten opzichte van wie hij zijn
vertegenwoordigingsbevoegdheid moet kunnen aantonen.”; ibid, §419.
74
Vgl. art. 57.4 AVG.
75
De wilsuiting van de vertegenwoordiger kan in het burgerlijk recht ook blijken uit diens optreden, vgl. Van Oevelen A., o.c.,
§416 in fine: “De handtekening van de lasthebber is niet noodzakelijk . . . maar heeft wel het voordeel dat zij de uitdrukkelijke
aanvaarding door de lasthebber van zijn opdracht bewijst en dus ook het bestaan van de lastgeving.”
Beslissing ten gronde 112/2024 — 26/33
onderzoeken van de rechtmatigheid van de rechtzetting van de vermeend ontoereikende
aspecten van de vertegenwoordigingsopdracht in het document gevoegd bij de klacht door
het document neergelegd bij de repliekconclusie van de klagende partij. Dit betreffen louter
overwegingen in het kader van de transparantie omtrent de opgeworpen middelen en
argumenten.
103. Ten tweede werpen beide verweerders een tekortkoming op in hoofde van de klagende
partij onder het Belgische recht. Daarbij gaat het om artikel 220 § 2 GBW, waarbij de
verweerders opmerken dat de vertegenwoordiger niet “sedert ten minste drie jaar” actief is
op het gebied van persoonsgegevensbescherming of dat zij minstens niet het correcte
bewijs hiertoe heeft voorgelegd (bewijsvoorlegging vereist onder art. 220, §3 GBW), alsook
onder dezelfde wettelijke bepaling dat zij geen vereniging is die is opgericht “in
overeenstemming met de Belgische wetgeving”.
104. Voor wat betreft dit punt geeft de klagende partij ter hoorzitting aan dat zij reeds langer dan
drie jaar voor het neerleggen van de klacht is opgericht; haar doelstellingen zijn erop gericht
de rechten van betrokkenen en natuurlijke personen in de digitale sfeer te promoten en af
te dwingen.
105. Daarnaast wijst de Geschillenkamer erop dat het vereiste dat een vereniging in de zin van
artikel 80 AVG volgens art. 220 GBW onder de “Belgische wetgeving” dient te zijn opgericht,
niet strookt met het recht van de Europese Unie, en meer bepaald het uitputtende karakter
van artikel 80.1 AVG en de verwoording van bijhorende overweging 142 van de preambule.
In die zin verplicht het primaat van het EU-recht de Geschillenkamer ertoe om nationale
wetgeving die kennelijk in conflict is met het EU-recht, buiten beschouwing te laten. Art. 80.1
AVG is rechtstreeks toepasselijk in de Belgische rechtsorde. De klagende partij werpt dit
terecht op, verwijzende naar de relevante rechtspraak ter zake. 76
106. De Geschillenkamer kan in elk geval geen prejudiciële vragen stellen, niet aan het Hof van
Justitie en ook niet aan het Grondwettelijk Hof. 77
107. Gezien de meerdere motieven waarop deze seponeringsbeslissing reeds stoelt, gaat de
Geschillenkamer niet over tot nader onderzoek van deze aspecten en betreffen dit enkel
overwegingen in het kader van de transparantie omtrent de opgeworpen middelen en
argumenten.
108. Ten derde werpen de verweerders op dat de persoon die de overeenkomst 78 met de klager
ondertekende zijdens Noyb, niet gemachtigd zou zijn onder de statuten om zulks te doen –
76
De klager verwijst naar de HvJEU-arresten van 9 maart 1978, C-106/77 (Simmenthal), van 19 juni 1990, C-213/89
(Factortame), para. 13, en van 22 juni 2010, C-188/10 et C-189/10 (Melki).
77
De Geschillenkamer is een administratief orgaan, zij het met quasi-jurisdictionele bevoegdheden; vgl. ook de bewoording
“semi-justitieel” in Arrest Hof van Beroep Brussel (Kamer 19A, sectie Marktenhof) van 28 oktober 2020, 2020/AR/582, § 7.4.
78
Het gaat om het document dat bijgevoegd werd bij de klacht (stuk 1 administratief dossier).
Beslissing ten gronde 112/2024 — 27/33
en om die reden de vertegenwoordiger in casu dus niet geldig in rechte kon verbinden.
Hierbij merkt de Geschillenkamer louter op dat er geen schriftelijk bewijs in het
administratief dossier voorligt dat aantoont dat de persoon in kwestie de
vertegenwoordiger rechtsgeldig kon verbinden. Gezien de meerdere motieven waarop deze
seponeringsbeslissing reeds stoelt, gaat de Geschillenkamer niet over tot nader onderzoek
van dit aspect en betreft dit een loutere overweging in het kader van de transparantie
omtrent de opgeworpen middelen en argumenten.
III. De inhoudelijke vaststellingen van de Inspectiedienst
109. Deze beslissing handelt louter over aspecten met betrekking tot de correcte
vertegenwoordiging en het (proces-)belang van de klagende partij, terug te leiden naar
procedurele kwesties omtrent de klacht. Het doet geen bindende uitspraken ten aanzien van
de twee verweerders, dan in die mate dat het dossier, dat geïnitieerd was ten aanzien van
hen op basis van een klacht, geseponeerd wordt.
110. Desalniettemin lijkt het de Geschillenkamer gepast om de vaststellingen van de
Inspectiedienst te hernemen in deze beslissing, als deel van het feitenrelaas 79, nu het
uitgebreide onderzoek van de Inspectiedienst (waarvan het eindverslag alleen al 191
pagina’s telt) ook dient aan te tonen dat de klacht in haar volledigheid grondig is
onderzocht.
111. De vaststellingen worden hieronder door de Geschillenkamer weergegeven als een
beknopte samenvatting van hetgeen door de Inspectiedienst werd vastgesteld ter
weergave van de algemene lijnen van het verslag, zonder een volledig overzicht van alle
belastende of verzachtende elementen uit het verslag te willen weergeven.
- Vaststelling 1: de persoonsgegevens van de betrokkene worden geëxporteerd naar de
verwerker (tweede verweerder) door het gebruik van de functionaliteit “Google
Analytics” op de website https://www.flair.be/:
o De Inspectiedienst heeft deze vaststellingen gekaderd in een op technische
vaststellingen gestoelde vergelijking (in de periode na de voornoemde
beslissing 21/2021 van de Geschillenkamer) voor de cookie-instellingen tussen
9 augustus 2022 en 15 september 2022; hierbij werd opgemerkt dat
verscheidene aanpassingen werden gedaan aan de cookie banner (zoals de
toevoeging van een “reject all cookies”-knop) en dat gebruik wordt gemaakt van
het Didomi “consent management platform”.
79
cfr. verwijzing supra, onderdeel I beslissing.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 28/33
o Voorts heeft de Inspectiedienst vastgesteld dat ook in de meest recente situatie
de cookies “Google Advertising Products” en “Google Analytics” opgesomd
staan bij de partners, en er wordt verwezen naar het feit dat deze partners
worden aangeleverd middels het “Transparency and Consent Framework” van
vzw IAB Europe.
o Uit het verwerkingsregister van de eerste verweerder blijkt onder meer dat
“Google Analytics” wordt omschreven als “rapportering en analyse van digitaal
bezoek- en leesgedrag (enkel geaggregeerde anonieme statistieken)” en dat de
verwerkingsverantwoordelijke zich baseert op het gerechtvaardigd belang voor
de verwerking.
o Voor wat betreft de tool Google Analytics stelt de eerste verweerder ten
aanzien van de Inspectiedienst dat overeenkomstig de gebruiksvoorwaarden
van die tool de eerste verweerder “geen andere keuze [heeft] dan
persoonsgegevens, indien en voor zover de gegevens als persoonsgegevens
kunnen worden gekwalificeerd, door te geven aan de VS.”
o De Inspectiedienst verwijst naar verschillende besluiten van buitenlandse
toezichthoudende autoriteiten die een gelijkaardige problematiek aan de kaak
stelden, en dit in verband met doorgiftes naar de tweede verweerder in de VSA,
met die laatste als “data importer”.
- Vaststelling 2: aangaande de eerste verweerder - inbreuken op artikelen 5.1.a, 12.1,
13.1.b), 13.1.c), 13.1.d), 13.1.e), 13.1.f), 13.2.a, 13.2.c), 13.3, 14.1.a), 14.1.b), 14.1.c), 14.2.a) en
14.2.b) en een inbreuk op artikel 10/2 1° GBW: het recht op transparante informatie.
o In voorbereiding van deze vaststelling heeft de Inspectiedienst verschillende
historische versies met– op dat moment de meest – actuele versie (7de versie
van 23 augustus 2022) van het privacybeleid van de eerste verweerder
onderzocht. In dat kader stelt de Inspectiedienst vast dat er zich nieuwe feiten
aandienen ten opzichte van een eerder onderzoek ten aanzien van eerste
verweerder.
o De Inspectiedienst heeft vastgesteld dat er geen transparantie was over nieuwe
versies en het versiebeheer van het cookiebeleid en het privacybeleid voor 23
augustus 2022. In de versie van 23 juni 2021 werden door de eerste verweerder
“wezenlijke toevoegingen” gedaan, zo de Inspectiedienst, voor wat betreft de
informatie verstrekt in de “cookietabellen”.
o Ingevolge de nieuwe versie van 23 augustus 2022 van het privacybeleid in
combinatie met een cookiebeleid, stelt de Inspectiedienst vast dat de informatie
aangeboden in het Didomi “consent management platform” overeenstemt met
Beslissing ten gronde 112/2024 — 29/33
dat in de voornoemde beleidsoverzichten. De Inspectiedienst haalt aan de
aanpassingen te “verwelkomen”. Desalniettemin stelde de Inspectiedienst nog
meerdere “onvolmaaktheden” vast na de wijzigingen van 23 augustus 2022,
waaronder het gebruik van de Engelse taal op het Didomi CMP (terwijl de
websitepagina’s in het Nederlands en Frans zijn opgesteld), en het
ontoegankelijke karakter van het beleid wanneer nog geen keuze is gemaakt via
de cookiebanner.
o In het algemeen geeft de Inspectiedienst aan dat er soms vage bewoordingen in
het privacybeleid worden gebruikt, zoals het gebruik van de bewoording
“sommige”, “enz” en “o.a.” zonder verdere specificatie: in het cookiebeleid is
deze informatie volgens de Inspectiedienst minder vaag. Ook concrete
informatie omtrent de functionaris voor gegevensbescherming ontbreekt, net
zoals informatie omtrent verwerkingen gestoeld op art. 6.1.c) en 6.1.f) AVG,
informatie omtrent de (categorieën van) ontvangers van persoonsgegevens en
informatie omtrent de doorgifte van personen aan een derde land cf. artikelen
46, 47 of 49.1 AVG. Daarnaast ontbreken volgens de Inspectiedienst de
bewaartermijnen voor bepaalde persoonsgegevens (per type), net zoals
concrete informatie omtrent het intrekken van de toestemming en het
doorverkopen of commercialiseren van bepaalde persoonsgegevens. Tot slot
ontbreekt informatie omtrent ontvangen persoonsgegevens die niet
rechtstreeks bij de betrokkene werden verzameld, in de zin van artikel 14 AVG.
- Vaststelling 3: aangaande de eerste verweerder - inbreuk op artikelen 13.1.b), 37.7 en
38.4 AVG: de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming.
- Vaststelling 4: aangaande de eerste verweerder - inbreuken op artikelen 30.1.a), 30.1.b),
30.1.c), 30.1.d), 30.1.e) AVG inzake het register van de verwerkingsactiviteiten.
o De Inspectiedienst wijst er te dezen op dat de verwerkingsactiviteiten van de
eerste verweerder onvolledig worden weergegeven, verwijzend naar
vaststellingen inzake verwerkingen aangaande personeelsactiviteiten,
verwerkingen via camerabewaking gericht op bezoekers van haar gebouwen en
de weergave van verwerkers in het register.
o Hiernaast verwijst de Inspectiedienst naar ontbrekende elementen in het
verwerkingsregister, waaronder de opsomming van alle mogelijke
verwerkingsdoeleinden van persoonsgegevens cf. artikel 30.1.b) AVG, een
beschrijving van de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens
zijn of zullen worden verstrekt cf. artikel 30.1.d) AVG.
Beslissing ten gronde 112/2024 — 30/33
- Vaststelling 5: inbreuk voor het inroepen van art. 6.1.f) AVG voor het inroepen van het
gerechtvaardigd belang voor het plaatsen van niet strikt noodzakelijke analytische
cookies – gebruik van Google Analytics van 25 mei 2018 tot 20 augustus 2020.
o In dit kader wijst de Inspectiedienst erop dat de wetgeving inzake het plaatsen
van cookies al geruime tijd bestaat, en dat de eerste verweerder ook na 25 mei
2018 twee jaar heeft stilgezeten, m.a.w. niet strikt noodzakelijke cookies zonder
toestemming te weren van de websitepagina’s. Hier stelt de Inspectiedienst als
bijkomend feit vast dat er ook geen gedocumenteerde afweging werd gemaakt
bij het opstarten (of de verderzetting) van de verwerkingsactiviteit na het in
werking treden van de AVG.
- Vaststelling 6: inbreuken op artikelen 5, 6 en 4.11 juncto artikel 7 AVG en artikel 10/2
GBW: de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens en de rechtmatigheid
van de verwerking voor het DIDOMI CMP sinds 20 augustus 2020
o Sinds 20 augustus 2020 baseert eerste verweerder zich op de toestemming
voor (de persoonsgegevensverwerkingen volgend op) de plaatsing van niet-
noodzakelijke analytische cookies; hierbij acht de Inspectiedienst de
transparantie onvoldoende en de toestemming dubbelzinnig, verwijzende naar
de “misleidende kleuren” die worden gebruikt – de Inspectiedienst verwijst te
dezen naar het verschil in kleuren en contrastratio op basis van de “rgb code of
hex code”.
o Voorts stelt de Inspectiedienst dat de “intrekking van de toestemming” niet
geldig is door de plaatsing van de “reject all” knop op het tweede
informatieniveau.
- Vaststelling 7: inbreuk op artikelen 5 en 6 AVG: de beginselen inzake de verwerking van
persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerking voor de cookie _gat_UA-#
van tweede verweerder
o De Inspectiedienst wijst erop dat voornoemde cookie vermeld staat als
noodzakelijke cookie, waar de Inspectiedienst stelt dat Google Analytics niet
strikt noodzakelijk is om de website te laten werken.
- Vaststelling 8: Inbreuk op artikel 5.1.e) en 25 AVG: beginselen inzake verwerking van
persoonsgegevens: opslagbeperking en gegevensbescherming door ontwerp en door
standaardinstellingen.
o De Inspectiedienst wijst erop dat voor meerdere cookies nog steeds relatief
lange bewaarperioden worden gehanteerd die “kunnen gezien worden als
disproportioneel”: bij de consultatie op 15 september 2022 wordt door de
Inspectiedienst met name voor 21 van de 298 onderzochte cookies uitdrukkelijk
Beslissing ten gronde 112/2024 — 31/33
in vraag gesteld of de bewaarperiode in verhouding staat met het
verwerkingsdoel.
- Vaststelling 9: inbreuk op artikel 32.1 AVG: Beveiliging van de verwerking – geen
pseudonimisering van 25 mei 2018 tot 30 september 2022.
o in dit kader geeft de Inspectiedienst ook aan dat de verweerders niet kunnen
sterk maken dat bepaalde verwerkingen in het kader van de litigieuze cookies
anoniem verlopen.
- Vaststelling 10: inbreuk op artikelen 5.2, 13.1.f), 24.1, 28.1, 32.2 AVG op de punten waar
met een verwerker wordt samengewerkt.
o De tweede verweerder heeft in het kader van het onderzoek aan de
Inspectiedienst bevestigd dat zij in het licht van de litigieuze verwerkingen (i.v.m.
analytische cookies) de verwerker uitmaakt.
o De Inspectiedienst stelt verder ten aanzien van de eerste verweerder dat zij de
passende organisatorische en technische maatregelen heeft genomen die
specifiek betrekking hebben op de verwerkingsovereenkomst en het sluiten
van “Standard Contractual Clauses” (“SCC”) of Modelcontractbepalingen inzake
Gegevensbescherming (“MCB”). Daarentegen stelt de Inspectiedienst dat de
eerste verweerder evenwel verzaakte aan gepaste transparantie ten aanzien
van betrokkenen ter zake.
- Vaststelling 11: Inbreuken op artikel 32.2, 44 en 46.1 AVG: beoordeling van het passende
beveiligingsniveau en bieden van passende waarborgen waardoor betrokkenen over
afdwingbare rechten en doeltreffende rechtsmiddelen beschikken voorafgaand aan de
doorgifte van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie
door een verwerkingsverantwoordelijke.
o In dit kader wijst de Inspectiedienst – in het licht van de rechtspraak van het Hof
van Justitie van de EU ter zake – op de onderzoeksplicht van de eerste
verweerder.
o Na te hebben verwezen naar meerdere onafhankelijke onderzoeken inzake de
problematieken met betrekking tot gegevensdoorgiften naar de VSA, stelt de
Inspectiedienst vast dat een doorgifte van persoonsgegevens plaatsvindt naar
de VSA (aan tweede verweerder als “data importer”) buiten de EER door het
gebruik van Google Analytics. Wanneer in dit kader beroep wordt gedaan op
artikel 46 AVG (passende waarborgen), en zogenaamde “model contractual
clauses” acht de Inspectiedienst dit onvoldoende om aan de wettelijke vereisten
in het licht van de interpretatie van het Hof van Justitie te voldoen. De
Inspectiedienst verwijst verder in dat kader naar het gebrek aan bewijs omtrent
Beslissing ten gronde 112/2024 — 32/33
de uitvoering van organisatorische maatregelen voor de uitgevoerde
beoordeling van de wetgeving van het derde land.
o Voorts wijst de Inspectiedienst erop dat de tweede verweerder wel nieuwe SCC
heeft gepubliceerd op 21 maart 2022, maar dat de laatst onderzochte
privacyverklaring geen informatie bevat over die (vermeende) aanpassingen.
112. Voorts legt de Inspectiedienst nog een aantal “bijkomende beschouwingen” over,
waaronder omtrent de wisselwerking van de vaststellingen met de eerdere beslissing van
de Geschillenkamer inzake de eerste verweerder. Daarnaast wijst de Inspectiedienst ook op
de aanwezigheid van meerdere elementen in het dossier die tot de strategische prioriteiten
van de GBA behoren, en het beursgenoteerd karakter van met name de eerste verweerder.
113. In elk geval zijn de verweerders gewezen op de vaststellingen door de Inspectiedienst, en
wordt hen – overeenkomstig hun verplichtingen ter zake onder artn. 5.2 en 24 AVG –
aangeraden terdege educatieve kennis te nemen van de vaststellingen door de
Inspectiedienst. De verweerders zijn ook in het bezit van het integrale onderzoeksverslag én
het administratief dossier met alle inhoudelijke en technische elementen die aan dat verslag
voorafgaan en er aan ten grondslag liggen.
IV. Publicatie van de beslissing
114. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
115. Gezien de vertegenwoordiger van de klager reeds overging tot de algehele publicatie van de
gegevens van de verwerende partijen in dit geschil,80 en gezien de grootteorde van de
verwerende partijen en de niet-behandelde vaststellingen van de Inspectiedienst omtrent
hun activiteiten ingevolge procedurele kwesties, besluit de Geschillenkamer over te gaan
tot de publicatie van de gegevens van alle partijen.
116. Het is hierbij evenwel allerminst maatschappelijk of voor enigerlei andere reden noodzakelijk
dat de identiteit van de klager kenbaar wordt gemaakt.
80
Syntheseconclusie eerste verweerder, stuk 5: “Overzicht NOYB zaken 101 klachten”; syntheseconclusie tweede verweerder,
stuk 7: “Overzicht opgesteld door verweerder van alle 101 klachten ingediend door NOYB in het kader van doorgiften van
persoonsgegevens.”