1/31
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 105/2023 van 1 augustus 2023
Dossiernummer : DOS-2020-00186
Betreft : Identificatie van nummerplaat naar aanleiding van parkeerbon gevolgd door
aanslagbiljet inzake belasting op het parkeren – Heroverweging van beslissing ten gronde
31/2022 van 4 maart 2022
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Dirk Van Der
Kelen, waarnemend voorzitter, en de heren Frank De Smet en Romain Robert, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene
verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers
op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
.
De klager: De heer X, hierna “de klager”; .
.
De verweerders: Stad Kortrijk, Grote Markt 54, 8500 Kortrijk, vertegenwoordigd door raadslieden Bart
Martel en Anneleen Van de Meulebroucke, hierna “verweerder 1”;
Beslissing ten gronde 105/2023 - 2/31
FOD Mobiliteit en Vervoer, Directoraat-generaal Wegvervoer en Verkeersveiligheid,
Vooruitgangstraat 56, 1210 Brussel, vertegenwoordigd door raadslieden Frederic
Debusseré en Ruben Roex, hierna “verweerder 2”.
I. Feiten en procedure
1. Deze beslissing is een heroverweging van beslissing ten gronde 31/2022 van de Geschillenkamer van
4 maart 2022 en geeft uitvoering aan het arrest van het Marktenhof van 26 oktober 2022, met
rolnummer 2022/AR/457.
2. Deze beslissing moet worden gelezen in samenhang met beslissing 31/2022 en bevat een
heroverweging die ertoe strekt de klacht opnieuw te onderzoeken, met inachtneming van de
overwegingen van het Marktenhof. Concreet betekent dit dat het Marktenhof beveelt dat:
– de Geschillenkamer zich, anders samengesteld, opnieuw uitspreekt over de zaak, gelet op de door
het Marktenhof vastgestelde ongeldige samenstelling waarmee de beslissing van 31/2022 was
behept;
- de verweerders desgevallend1 de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen omtrent de
transparantieplicht bepaald in de artikelen 5.1 a), 12.1 en 14.1 a) AVG.
3. Op 5 november 2020 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de
verweerders.
Het voorwerp van de klacht betreft de identificatie van de nummerplaat toebehorend aan de klager
naar aanleiding van een vaststelling door een parkeerwachter van Parko op 28 mei 2020 die
resulteerde in een parkeerbon en vervolgens in een aanslagbiljet inzake de belasting op het
parkeren. De klager stelt dat verweerder 1, die sinds 1 januari 2020 zelf bevoegd is voor het
parkeerbeleid, zich weliswaar heeft aangesloten bij beraadslaging FO nr. 14/2016 van 21 januari
20162, maar deze aansluiting3 vond plaats door middel van een overeenkomst die pas werd
afgesloten op 1 september 2020 4 en waarin onder punt 13 is opgenomen dat de overeenkomst
ingaat op 1 januari 2020. Als datum van inwerkingtreding wordt 28 augustus 2020 5 vermeld.
1
D.w.z. als dit de lezing is van de Geschillenkamer van de conclusie van de klager.
2
Beraadslaging houdende de eenmalige machtiging om de gemeenten toegang te verlenen tot het repertorium van de DIV voor de
identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn - Herziening van
de beraadslaging FO n° 05/2015 van 19 maart 2015 (AF-MA-2015-099)
3
https://mobilit.belgium.be/nl/wegverkeer/inschrijving_van_voertuigen/gegevensuitwisseling/parkeerbeheer
4
De aansluitingsovereenkomst is terug te vinden via volgende link:
https://mobilit.belgium.be/sites/default/files/DGWVVV/kortrijk_14_2016.pdf
5
https://dt.bosa.be/nl/begunstigden_beraadslaging_fo_nr_142016
Beslissing ten gronde 105/2023 - 3/31
Volgens de klager beschikte verweerder 1 op het ogenblik van de feiten niet over de nodige
machtiging om over te gaan tot de identificatie van zijn nummerplaat.
De veiligheidsconsulent van verweerder 1 die door de klager werd gecontacteerd, verwees naar de
machtiging FO nr. 18/2015 van 28 mei 20156 om de identificatie van de nummerplaat te
rechtvaardigen. Deze beraadslaging betreft echter de identificatie en de bestraffing van
overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen en betreft niet een retributie of
belasting. Dit brengt de klager tot de conclusie dat zowel verweerder 1 als verweerder 2, gedurende
een aantal maanden zich op een verkeerde machtiging hebben gebaseerd om de houder van een
nummerplaat te identificeren via de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) waardoor aldus
de bescherming van zijn persoonsgegevens zou zijn geschonden. De klager stelt zich de vraag op
welke rechtsgrond verweerder 1 zich voor de periode van 1 januari 2020 tot 1 september 2020
baseert om persoonsgegevens betreffende de houder van een nummerplaat op te vragen bij
verweerder 2 voor de identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig,
parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn en op welke rechtsgrond verweerder 2
voor diezelfde periode daartoe aan verweerder 1 persoonsgegevens heeft verstrekt 7.
4. Op 18 januari 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de
artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van art. 62, §1 WOG overgemaakt aan de
Geschillenkamer.
5. Op 25 februari 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van art. 95, §1, 1° en art. 98 WOG dat het
dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken partijen in kennis gesteld
van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, alsook van deze in art. 98 WOG. Tevens worden zij
op grond van art. 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd daarbij
vastgelegd op 8 april 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 29 april 2021 en
deze voor de conclusie van repliek van de verweerders op 20 mei 2021.
6. Op 26 februari 2021 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak,
overeenkomstig artikel 98 WOG.
7. Op 15 maart 2021 vraagt de klager een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), dewelke hem werd
overgemaakt op 23 maart 2021.
6
Beraadslaging over het verlenen van een algemene machtiging aan de Steden en Gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en het
Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap om via elektronische weg de persoonsgegevens te ontvangen van de Directie Inschrijving van
Voertuigen(hierna de "DIV") voor de identificatie en de bestraffing van overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen (AF-
MA-2014-068)
7
Zie in dat verband ook Beslissing ten gronde 81/2020 van 23 december 2020.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 4/31
8. Op 19 maart 2021 vraagt verweerder 2 een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), dewelke hem
werd overgemaakt op 23 maart 2021. Alsook aanvaardt hij op 7 april 2021 elektronisch alle
communicatie omtrent de zaak, overeenkomstig artikel 98 WOG.
9. Op 25 maart 2021 aanvaardt verweerder 1 elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft
te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig
artikel 98 WOG, alsook wordt een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG) gevraagd, dewelke
wordt overgemaakt op 7 april 2021.
10. Op 6 april 2021 verzoekt verweerder 2 om verlenging van de conclusietermijnen, hetwelk door de
Geschillenkamer wordt toegestaan op 7 april 2021.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd daarbij
vastgelegd op 15 april 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 6 mei 2021 en deze
voor de conclusie van repliek van de verweerders op 27 mei 2021.
11. Op 15 april 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege verweerder 1.
Vooreerst betwist verweerder 1 de ontvankelijkheid van de klacht en voert aan dat niet de
Gegevensbeschermingsautoriteit, maar wel de Vlaamse toezichtcommissie de bevoegde instantie
is om over de klacht te oordelen. Verder voert zij ook een aantal procedurele punten aan waardoor
de rechten van verdediging zouden zijn geschonden. Aangaande de grond van de zaak laat
verweerder 1 gelden dat zij de rechtsopvolger is van AGB Parko en in die hoedanigheid gebruik kon
maken van de door haar ingeroepen beraadslagingen van het Sectoraal comité voor de Federale
Overheid. Zij voegt er ook aan toe steeds te goeder trouw te hebben gehandeld.
12. Op 15 april 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege verweerder 2 die
zich eveneens beroept op de betreffende beraadslagingen van het Sectoraal comité voor de
Federale Overheid en de rechtsopvolging in hoofde van verweerder 1 om ertoe te besluiten dat de
gegevens van de klager in het DIV-repertorium konden worden verstrekt aan verweerder 1.
13. Op 6 mei 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager waarin hij
uiteenzet dat de machtiging op basis waarvan zijn persoonsgegevens werden verwerkt teneinde te
kunnen overgaan tot de heffing van een parkeerbelasting, onjuist is en er geen rechtsgrond was om
zijn persoonsgegevens voor dat doeleinde te verwerken.
14. Op 27 mei 2021 heeft de Geschillenkamer de conclusie van repliek ontvangen van verweerder 1
waarin de verweermiddelen zoals naar voor gebracht in de conclusie van antwoord worden
hernomen, aangevuld met middelen omtrent bijkomende aantijgingen van de klager.
15. Op 27 mei 2021 heeft de Geschillenkamer de conclusie van repliek ontvangen van verweerder 2
waarin hij opnieuw de verweermiddelen aanhaalt zoals in zijn conclusie van antwoord, met de
Beslissing ten gronde 105/2023 - 5/31
toevoeging dat hij betwist verwerende partij te zijn in deze procedure en opwerpt dat de beginselen
van behoorlijk bestuur zouden zijn geschonden.
16. Op 8 juli 2021 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 29
oktober 2021.
17. Op 29 oktober 2021 worden de verweerders gehoord door de Geschillenkamer. De klager werd
behoorlijk opgeroepen teneinde aan de hoorzitting deel te nemen, doch is niet verschenen.
18. In aansluiting op de hoorzitting die plaatsvond, verzoekt de Geschillenkamer op 29 oktober 2021
beide verweerders om tegen uiterlijk 16 november 2021 standpunt in te nemen omtrent het
volgende:
Hoe verhouden de beraadslagingen waarnaar is verwezen in de stukken van het geding alsook
tijdens de hoorzitting zich tot de AVG? Meer bepaald, is er na in werking treden van de AVG een
voldoende rechtsgrond voor de Stad Kortrijk om op grond van een beraadslaging gegevens op te
vragen bij de DIV enerzijds, en voor de FOD Mobiliteit en Vervoer, Directoraat-generaal
Wegvervoer en Verkeersveiligheid om op grond van een beraadslaging gegevens te ontsluiten
anderzijds, dit in het licht van artikel 6.1.e juncto 6.3 AVG (rechtsgrond van publiek belang) en artikel
24 AVG (verantwoordingsplicht (accountability)).
Op dezelfde datum wordt de klager hiervan eveneens in kennis gesteld.
19. Op 8 november 2021 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd.
20. Op 15 november 2021 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder 1 enkele opmerkingen
met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad.
21. Op 16 november 2021 ontvangt de Geschillenkamer vanwege verweerder 2 enkele opmerkingen
met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad.
22. Op 16 november 2021 bezorgt verweerder 2 zijn argumentatie op de door de Geschillenkamer
gestelde vraag zoals deze aan bod kwam tijdens de hoorzitting, alsook in de daaropvolgende brief
d.d. 29 oktober 2021. Deze beperkt er zich in essentie toe te stellen dat zij als federale
overheidsdienst op grond van het feit dat de wetgever vermoed wordt hogere rechtsnormen zoals
het Unierecht niet te hebben willen schenden, en op grond van het rechtszekerheidsbeginsel er
vanuit mag gaan dat de juridische instrumenten die de Belgische wet- en regelgeving haar aanreikt,
in conformiteit met de AVG zijn. Zij acht het niet haar taak of bevoegdheid als FOD Mobiliteit en
Vervoer om die juridische instrumenten in vraag te stellen, te verdedigen of niet toe te passen.
23. Op 15 november 2021 vraagt verweerder 1 verduidelijking omtrent de voormelde vraag van de
Geschillenkamer, alsook wordt om uitstel verzocht om standpunt in te nemen.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 6/31
24. Op 24 november 2021 licht de Geschillenkamer de reikwijdte van de vraagstelling toe aan
verweerder 1 en staat zij toe dat deze zijn standpunt kenbaar maakt tegen uiterlijk 8 december 2021.
25. Op 8 december 2021 bezorgt verweerder 1 zijn argumentatie op de door de Geschillenkamer
gestelde vraag zoals deze aan bod kwam tijdens de hoorzitting, alsook in de daaropvolgende brieven
d.d. 29 oktober 2021 en 24 november 2021. Verweerder 1 geeft daarin te kennen niet te kunnen
tegemoet komen aan de vraag van de Geschillenkamer tot het verstrekken van een antwoord
waarvoor de volgende redenen worden aangehaald: onverenigbaar met de rechten van verdediging
en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet behorend tot de taak van een
verwerkingsverantwoordelijke om de conformiteit van de Belgische reglementering inzake
verwerking van persoonsgegevens met de AVG na te gaan, en overschrijding van de saisine van de
Geschillenkamer.
26. De hoorzitting d.d. 29 oktober 2021 heeft plaatsgevonden met drie zetelende leden. Tussen de
hoorzitting en de beraadslaging omtrent de beslissing heeft één van de zetelende leden laten weten
zich terug te trekken uit de zaak, met verwijzing naar artikel 43 WOG. Dientengevolge en aangezien
de WOG een beslissing door twee leden niet toelaat, wordt deze beslissing genomen door voorzitter
Hielke Hijmans, alleenzetelend (artikel 33, §1, lid 3 WOG).
27. Op 4 maart 2022 oordeelt de Geschillenkamer in haar Beslissing ten gronde 31/2022 als volgt:
“beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om op
grond van art. 100, §1, 9° WOG, de verweerders te bevelen dat de verwerking in overeenstemming
wordt gebracht met de artikelen 5.1, a); 12.1. en 14.1 a) AVG, evenals de artikelen 5.2 en 24 AVG, en
wel binnen een termijn van twee maanden, en de Gegevensbeschermingsautoriteit daarover
binnen dezelfde termijn te informeren.”
28. Op 4 april 2022 ontvangt de Geschillenkamer de kennisgeving van een dagvaarding tegen de GBA
om te verschijnen op 27 april 2022 voor het Marktenhof.
29. Op 27 april 2022 vindt de inleidingszitting voor het Marktenhof plaats, waarbij de conclusietermijnen
voor de partijen worden vastgelegd zowel voor de procedure tot opschorting van de
tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als voor de procedure ten gronde. Ook wordt de zaak
vastgesteld voor pleidooien op 22 juni 2022 voor de procedure tot opschorting en op 21 september
2022 voor de procedure ten gronde.
30. Op 27 juli 2022 doet het Marktenhof bij tussenarrest8 uitspraak waarbij het verzoek van verweerder
1 om de opheffing te bevelen van de voorlopige uitvoerbaarheid van de bevelen van de beslissing
van de GBA van 4 maart 2022 totdat het Marktenhof ten gronde uitspraak gedaan zal hebben en te
8
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/tussenarrest-van-27-juli-2022-van-het-marktenhof-ar-457.pdf
Beslissing ten gronde 105/2023 - 7/31
zeggen voor recht dat elke eventueel reeds genomen uitvoeringsmaatregel onmiddellijk ongedaan
gemaakt moet worden, ongegrond wordt verklaard.
31. Op 26 oktober 2022 velt het Marktenhof arrest.
Het arrest9 bevat in hoofdlijnen de volgende aandachtspunten:
• Vernietiging van beslissing ten gronde nr. 31/2022 van 4 maart 2022 van de Geschillenkamer.
• Het Marktenhof stelt dat er een probleem van legaliteit en materiële motivering is doordat de
voorzitter van de Geschillenkamer na de beslissing om te zetelen met drie leden conform artikel
43 RIO10, een nieuwe beslissing heeft genomen om alleenzetelend de beslissing ten gronde te
nemen, aangezien een belangenconflict in hoofde van één van de zetelende leden werd
vastgesteld tussen de hoorzitting en de beraadslaging omtrent de beslissing. Verder stelt het
Marktenhof dat de vernietigde beslissing niet strookt met het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair
play-beginsel, de hoorplicht en het recht op tegenspraak doordat op geen enkel ogenblik vóór
de syntheseconclusie de verweerders in kennis werden gesteld dat hen inbreuken op de
transparantieplicht bepaald in de artikelen 5.1 a), 12.1 en 14.1 a) AVG werden verweten.
32. In opvolging van het arrest beslist de Geschillenkamer op 21 december 2022 om over te gaan tot het
hernemen van het dossier met het oog op het nemen van een nieuwe beslissing. De overweging die
hieraan ten grondslag ligt, is dat de Geschillenkamer niettegenstaande de vernietiging van
voormelde beslissing door het arrest van het Marktenhof, nog steeds is gevat door de initiële klacht
ingediend op 5 november 2020 zoals ontvankelijk verklaard op 18 januari 2021. Daartoe werd
overgegaan tot heropening van de debatten en werden nieuwe conclusietermijnen bepaald, zodat
partijen standpunt kunnen innemen omtrent:
• de rechtsgrond waarop de Stad Kortrijk zich voor de periode van 1 januari 2020 tot 1
september 2020 baseert om persoonsgegevens betreffende de houder van een
nummerplaat op te vragen bij de FOD Mobiliteit en Vervoer voor de identificatie van
personen die door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of
parkeergeld schuldig zijn en op welke rechtsgrond de FOD Mobiliteit en Vervoer voor
9
Het arrest is beschikbaar op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit via volgende link:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-26-oktober-2022-van-het-marktenhof-ar-457.pdf
10
Art. 43 Reglement van interne orde:
De bij de geschillenkamer aanhangig gemaakte dossiers worden door haar voorzitter verdeeld onder de leden van de geschillenkamer.
Het lid aan wie het dossier is toegewezen, zetelt alleen.
De geschillenkamer zetelt met drie leden indien de voorzitter daartoe beslist. Hij neemt die beslissing rekening houdend met de aard van
de klacht en de inbreuk op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens.
Het lid aan wie een dossier is toegewezen kan, rekening houdend met de omstandigheden omschreven in het vorige lid, evenwel aan de
voorzitter vragen om te zetelen met drie leden.
De voorzitter zorgt voor ondersteuning door aanduiding van ambetenaren van de administratie van de GBA , die deel uitmaken van het
secretariaat van de geschillenkamer.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 8/31
diezelfde periode daartoe aan de Stad Kortrijk persoonsgegevens heeft verstrekt 11 (art. 6
AVG), en
• daarbij te preciseren of er na de inwerkingtreding van de AVG een voldoende rechtsgrond
voor de Stad Kortrijk is om op grond van een beraadslaging gegevens op te vragen bij de
DIV enerzijds, en voor de FOD Mobiliteit en Vervoer, Directoraat-generaal Wegvervoer en
Verkeersveiligheid om op grond van een beraadslaging gegevens te ontsluiten anderzijds,
dit in het licht van artikel 6.1.e juncto 6.3 AVG (rechtsgrond van publiek belang) en artikel 24
AVG (verantwoordingsplicht (accountability)),
• en ook op welke wijze de klager werd geïnformeerd over de identiteit van de
verwerkingsverantwoordelijke en de rechtsgrond in het licht van het beginsel van
rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie ((artikelen 5. 1, a) AVG 12, 12.1 AVG13 en 14.1
a) en c) AVG) en op welke wijze hierbij werd voldaan aan de verantwoordingsplicht (artikel
5.2 AVG en24 AVG).
De partijen worden in kennis gesteld van de volgende conclusietermijnen:
• de uiterste datum voor de conclusie van antwoord van de klager wordt vastgelegd op 24
januari 2023;
• de uiterste datum voor de conclusie van repliek van de verweerders wordt vastgelegd op
28 februari 2023;
Ook de datum van de hoorzitting wordt bepaald op 22 maart 2023.
33. Op 24 januari 2023 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager de conclusie waarin deze zijn
standpunt uiteenzet omtrent de drie punten zoals opgenomen in de brief van de Geschillenkamer
d.d. 21 december 2022.
34. Op 28 februari 2023 ontvangt de Geschillenkamer vanwege verweerder 1 de conclusie van
antwoord, alsmede het antwoord van verweerder 2 op de gevraagde inlichtingen.
35. Op 22 maart 2023 worden de partijen, vertegenwoordigd door hun advocaten, gehoord door de
Geschillenkamer.
11
Zie in dat verband ook Beslissing ten gronde 81/2020 van 23 december 2020
12
Artikel 5.1 a) AVG. Persoonsgegevens moeten:
a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (“rechtmatigheid,
behoorlijkheid en transparantie”);
[…]
13
Artikel 12.1 AVG.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 9/31
36. Op 5 april 2023 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd
overeenkomstig artikel 54 van het reglement van interne orde. Beide verweerders bezorgen op 12
april 2023 de Geschillenkamer hun opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij
beslist mee op te nemen in haar beraad.
II. Motivering
a) Bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit
37. Het Marktenhof heeft in haar arrest van 26 oktober 2022 de beslissing ten gronde nr. 31/2022 van
4 maart 2022 teniet gedaan op procedurele gronden, maar heeft in datzelfde arrest geoordeeld dat
het door verweerder 1 ingeroepen middel waarin de bevoegdheid van de GBA wordt betwist om toe
te zien op de naleving van de AVG door gemeenten en enkel de Vlaamse toezichtcommissie voor
de verwerking van persoonsgegevens bevoegd is om toe te zien op de verwerking van
persoonsgegevens door Vlaamse gemeenten en om klachten in dat verband te behandelen
overeenkomstig artikel 10/1, §1, en artikel 10/7, §4, van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het
elektronische bestuurlijke gegevensverkeer, faalt naar recht. De integrale vernietiging van de
beslissing ten gronde nr. 31/2022, maar tegelijk de bevestiging door het Marktenhof dat de GBA,
en dus de Geschillenkamer, wel degelijk bevoegd is om kennis te nemen van een klacht over de
verwerking van persoonsgegevens door een Vlaamse gemeente, brengt de Geschillenkamer ertoe
haar vorige beslissing ongewijzigd te hernemen voor wat betreft dit onderdeel.
38. De verweerders voeren aan dat de Gegevensbeschermingsautoriteit, met inbegrip van haar
organen en dus ook met inbegrip van de Geschillenkamer, onbevoegd zou zijn in deze zaak. De
verweerders stellen immers dat de Vlaamse Toezichtcommissie bevoegd is om toezicht uit te
oefenen op de naleving van de (grond)wettelijke en andere regelgevende bepalingen inzake
persoonsgegevensbescherming uitgevoerd door een instantie zoals bedoeld in artikel 10/1, §1 van
het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer14 (hierna:
het “decreet van 18 juli 2008”) wanneer dit toezicht kadert in een deelstatelijke bevoegdheid.
39. Zoals reeds in haar beslissing 15/2020 van 15 april 202015 is uiteengezet, is de
Gegevensbeschermingsautoriteit (“GBA”) bevoegd om deze zaak te behandelen.
14
Cf. artikel 10/1 van het decreet van 18 juli 2008 “betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer”, zoals ingevoegd bij
artikel 20 van het decreet van 8 juni 2018 “houdende de aanpassing van de decreten aan de verordening (EU) 2016/679 van het
Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG
(algemene verordening gegevensbescherming)” (hierna het “AVG-decreet”). B.S. 26 juni 2018.
15
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-15-2020.pdf , §§ 32-35 en 66 en
volgende. Zie ook Beslissing 23/2022, § 6, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/zonder-gevolg-nr.-23-
2022.pdf
Beslissing ten gronde 105/2023 - 10/31
Regelgevende bevoegdheden inzake persoonsgegevensbescherming
40. Vooreerst benadrukt de Geschillenkamer dat de AVG een verordening is die rechtstreeks
toepasselijk is in de Unie en niet door de lidstaten mag worden omgezet in de nationale wetgeving.
Bepalingen uit de AVG mogen ook niet worden gespecificeerd in de nationale regelgeving,
behoudens op de punten waar de AVG dit uitdrukkelijk mogelijk maakt. De gegevensbescherming
is dus in beginsel een Europeesrechtelijke aangelegenheid geworden. 16
41. Het uitvaardigen van eventuele regelgevende bepalingen inzake persoonsgegevens door de
federale of een deelstatelijke overheid moet dus gebeuren binnen het kader dat werd vastgelegd
door de AVG. Hieromtrent verwijst de Geschillenkamer naar artikel 22 van de Grondwet en de vaste
rechtspraak hieromtrent van het Grondwettelijk Hof dat stelt dat het recht op eerbiediging van het
privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 22 van de Grondwet (alsook in verdragen), een ruime
draagwijdte heeft en onder meer de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke
informatie omvat.17
42. Wat betreft het recht op eerbiediging van het privéleven, bepaalt artikel 22 Grondwet het volgende:
“Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen
en onder de voorwaarden onder de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.”
43. Aangezien artikel 22 van de Grondwet dateert van ná de staatshervorming van 1980, wordt met het
woord “wet” in die bepaling een federale wet bedoeld. Beperkingen op de door die
grondwetsbepaling gewaarborgde rechten kunnen in beginsel dus niet door een decreet of een
ordonnantie worden ingesteld. Dit zou betekenen dat een inmenging in het privéleven – waaronder
begrepen de verwerking van persoonsgegevens – niet kan voortvloeien uit decreten of
ordonnanties.18
44. Aangezien een dergelijke interpretatie de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten
zou uithollen, hebben onder meer het Grondwettelijk Hof en de afdeling Wetgeving van de Raad
van State geoordeeld dat het instellen van algemene beperkingen een aan de federale wetgever
voorbehouden materie is. De deelgebieden behouden in dat geval de mogelijkheid om, binnen hun
16
Zie bijv in C. KUNER, L.A. BYGRAVE en C. DOCKSEY (eds.),The EU General Data Protection Regulation: A Commentary, Oxford
University Press, 2020, 54-56.
17 Zie bv. GwH, nr. 29/2018, 15 maart 2018, B.11; nr. 104/2018, 19 juli 2018, B.21; nr. 153/2018, 8 november 2018, B.9.1. Zie ook A. ALEN
en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Kluwer 2011, p. 917 e.v.
18
A. ALEN en K. MUYLLE, Handboek van het Belgisch Staatsrecht, Mechelen, Kluwer, 2011, 918; K. REYBROUCK en S. SOTTIAUX, De
federale bevoegdheden, Antwerpen, Intersentia, 2019, 122; J. VANDE LANOTTE, G. GOEDERTIER, Y. HAECK, J. GOOSSENS en T. DE
PELSMAEKER, Belgisch Publiekrecht, Brugge, die Keure, 2015, 449.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 11/31
bevoegdheden, specifieke beperkingen te voorzien, op voorwaarde dat zij de algemene federale
wetgeving hieromtrent respecteren.19
45. Kortom, de Geschillenkamer stelt vast dat de federale overheid en de gemeenschappen en de
gewesten bevoegd zijn om respectievelijk algemene en specifieke regels uit te vaardigen
betreffende de bescherming van het privé- en gezinsleven en dit enkel op de punten waarop de
AVG dit toelaat en binnen de regels van de AVG die rechtstreeks toepasselijk zijn in de Belgische
rechtsorde.20 Ook waar specifieke regels inzake de bescherming van persoonsgegevens worden
gesteld door de deelstatelijke overheden, binnen de ruimte die de AVG daartoe laat, dienen de
algemene regels voortvloeiend uit federale wetgeving inzake persoonsgegevensbescherming te
worden gerespecteerd.
Toezichthoudende overheden in het kader van persoonsgegevensbescherming
46. De verweerder verwijst naar artikel 57, lid 1, f AVG en artikel 51, lid 1, AVG waaruit voortvloeit dat
alle lidstaten bepalen welke overheidsinstantie de toezichthoudende taken zal uitvoeren en dat het
mogelijk is om meer dan één toezichthoudende overheid aan te duiden.
47. In navolging van de AVG werd de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de
Gegevensbeschermingsautoriteit21 (hierna: “WOG”) aangenomen.
De GBA is aldus opgericht op grond van artikel 4, §1, eerste lid WOG. Het klopt dat, zoals artikel 4, §
1, tweede lid WOG uitdrukkelijk bevestigt, ook de deelstaten zelf
gegevensbeschermingsautoriteiten kunnen oprichten, zoals ook reeds aangegeven door de Raad
van State in haar advies nr. 61.267/2/AV van 27 juni 201722 (zie infra). In uitvoering van dit artikel
heeft de Vlaamse wetgever de Vlaamse Toezichtcommissie (hierna: “VTC”) opgericht bij artikel 10/1
van het decreet van 8 juni 2018.23
19
Arbitragehof, nr. 50/2003, 30 april 2003, B.8.10; nr. 51/2003, 30 april 2003, B.4.12.; nr. 162/2004, 20 oktober 2004 en 16/2005, 19
januari 2005; GwH, 20 oktober 2004, 14 februari 2008; Adv. RvS nr. 37.288/3 van 15 juli 2004, Parl. St. Vl. Parl. 2005-2006, nr. 531/1:
“[…] de gemeenschappen en de gewesten [zijn] slechts bevoegd […] om specifieke beperkingen van het recht op de eerbiediging van
het privéleven toe te staan en te regelen voor zover ze daarbij de federaal bepaalde basisnormen aanpassen of aanvullen, maar […] ze
[zijn] niet bevoegd […] om die federale basisnormen aan te tasten”.
20
J. VAN PRAET, De latente staatshervorming, Brugge, die Keure, 2011, 249-250.
21
B.S. 10 januari 2018.
22
Adv.RvS nr. 61.267/2 van 27 juni 2017 over het voorontwerp van wet ‘tot hervorming van de Commissie voor de bescherming van
persoonlijke levenssfeer’, rn. 7.1-7.2. Zie ook bv. Adv.RvS, nr. 66.033/1/AV van 3 juni 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse
Regering van 10 december 2010 ‘tot uitvoering van het decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling, wat betreft de invoering
van een registratieverplichting voor sportmakelaars’, 4; Adv.RvS., nr. 66.277/1 van 2 juli 2019 over een ontwerp van besluit van de
Vlaamse Regering ‘houdende de nadere regels voor de verwerking, de bewaring en de bewijskracht van de elektronische gegevens
betreffende de toelagen in het kader van het gezinsbeleid’, 6-7.
23
B.S. 26 juni 2018.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 12/31
Toezichthoudende bevoegdheden van de toezichthoudende overheden
48. Gelet op de hierboven uiteengezette concurrerende bevoegdheden inzake
persoonsgegevensbescherming, draagt artikel 141 van de Grondwet de wetgever op een
procedure in te stellen om bevoegdheidsconflicten tussen wetgevende normen te voorkomen. 24
Die taak werd toevertrouwd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State. Met betrekking tot
de bevoegdheden van de voormelde toezichthoudende overheden verwijst de Geschillenkamer
naar het advies nr. 61.267/2/AV van 27 juni 2017 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State
dat werd uitgevaardigd naar aanleiding van het voorontwerp dat tot de WOG heeft geleid. In dit
advies ging de Raad uitvoerig in op de bevoegdheidsverdelende regels inzake het toezicht op
gegevensbescherming.25
49. De Raad van State stelde in het voormeld voorontwerp dat de federale overheid een
toezichthoudende autoriteit kan oprichten met “een algemene bevoegdheid (…) over alle
verwerkingen van persoonsgegevens, ook die welke plaatsvinden in aangelegenheden waarvoor
de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn”26. Een dergelijke regeling doet geen afbreuk
aan de bevoegdheid van de gemeenschappen en gewesten, […]”, aldus de Raad van State. 27
Bijgevolg kunnen de deelstatelijke toezichthoudende autoriteiten volgens de Raad van State enkel
worden gemachtigd om toezicht te houden op de specifieke regels die de zij hebben uitgevaardigd
voor gegevensverwerkingen in het kader van activiteiten die onder hun bevoegdheid vallen, en dit
uiteraard slechts in zoverre de AVG de lidstaten nog toestaat om specifieke bepalingen vast te
stellen en geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van de WOG. Hiermee bevestigt de Raad
van State haar standpunt in advies nr. 37.288/3 van 15 juli 2004, zoals aangehaald in het advies nr.
61.267/2/AV van 27 juni 2017, waarin de Raad van State het volgende overwoog over de
bevoegdheid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de
voorganger van de GBA:
“Terecht gaan de stellers van het ontwerp ervan uit dat de decreetgever geen afbreuk kan doen
aan de bevoegdheden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,
opgericht bij de wet van 8 december 1992. Ter uitvoering van de richtlijn heeft de federale wetgever
een toezichtsorgaan in het leven kunnen roepen, dat een algemene bevoegdheid heeft over alle
24
Artikel 141 Gw.: “De wet stelt de procedure in om de conflicten tussen de wet, het decreet en de in artikel 134 bedoelde regelen,
alsook tussen de decreten onderling, en tussen de in artikel 134 bedoelde regelen onderling te voorkomen.”
25
Ibid., 8,, p. 28-45.
26
Ibid., 8, rn. 5, verwijzend naar Adv.RvS, nr. 37.288/3 van 15 juli 2004 over een voorontwerp van decreet ‘betreffende het
gezondheidsinformatiesysteem’, Parl.St. Vl.Parl. 2005-06, nr. 531/1, 153 e.v.
27
Ibid., 8, rn. 6.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 13/31
verwerkingen van persoonsgegevens, ook die welke plaatsvinden in aangelegenheden waarvoor
de gemeenschappen en de gewesten bevoegd zijn.”28
50. Kortom, de GBA is, als federale toezichthoudende autoriteit, de bevoegde instantie om toezicht te
houden op de algemene regels, waaronder de dwingende bepalingen van de AVG die geen verdere
nationale uitvoering behoeven.29 Dit is ook het geval indien de gegevensverwerking betrekking
heeft op een materie die onder de bevoegdheid van de gemeenschappen of de gewesten valt en/of
indien de verwerkingsverantwoordelijke een overheidsinstantie is die onder de gemeenschappen
of de gewesten ressorteert, zoals een gemeente, zelfs al heeft de deelstaat zelf een
toezichthoudende autoriteit in de zin van de AVG opgericht.
51. Gelet op het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat opdat een deelstatelijke
toezichthouder bevoegd zou zijn, het geenszins volstaat dat de gegevensverwerking betrekking
heeft op een deelstatelijke materie, in casu de materie van de aanvullende verkeersreglementen.
De deelstaat in kwestie moet bovendien ook, binnen de ruimte die de AVG de lidstaten nog laat,
specifieke regels hebben uitgevaardigd voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader
van die materie. Het is enkel het toezicht op de naleving van die specifieke deelstatelijke regels dat
aan de deelstatelijke toezichthouder kan worden toevertrouwd.
52. De Geschillenkamer benadrukt dat de notie ‘specifieke regels’ niet te ruim mag worden opgevat. Uit
het aangehaalde advies van de Raad van State blijkt dat het begrip ‘specifieke regels’ verwijst naar
specifieke beperkingen of bijzondere waarborgen, die afwijken van of verder gaan dan de algemene
bepalingen, waarborgen en beperkingen die zijn opgenomen in, of voortvloeien uit, de AVG of de
federale wetgeving. Met andere woorden, het loutere feit dat de deelstaten (bij decreet of besluit)
een algemene regel implementeren of bevestigen, betekent nog niet dat die regel het karakter
krijgt van een ‘specifieke regel’. Er is pas sprake van een specifieke regel wanneer de deelstaten,
gebruikmakend van de ruimte die de AVG daarvoor laat, bijkomende waarborgen of beperkingen
instellen.
53. Daar komt bij dat eventuele beperkingen van bevoegdheden van een autoriteit voor de
gegevensbescherming ingevolge de AVG slechts mogelijk zou zijn indien op het niveau van een
deelstaat een toezichthouder zou zijn opgericht die voldoet aan alle vereisten die ingevolge de
Europese Verdragen aan de toezichthouder worden gesteld, en die ook alle taken en
28
Adv. Rvs. nr. 37.288/3 van 15 juli 2004.
29
Zie ook bv. Adv.RvS, nr. 66.033/1/AV van 3 juni 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010
‘tot uitvoering van het decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling, wat betreft de invoering van een registratieverplichting
voor sportmakelaars’, 5; Adv.RvS., nr. 66.277/1 van 2 juli 2019 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering ‘houdende de
nadere regels voor de verwerking, de bewaring en de bewijskracht van de elektronische gegevens betreffende de toelagen in het
kader van het gezinsbeleid’, 7.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 14/31
bevoegdheden van de toezichthouder heeft verkregen. Verwezen zij in dit verband vooral naar de
artikelen 51 tot en met 59 van de AVG.
54. De Geschillenkamer stelt vast dat de litigieuze verwerkingen uitgevoerd zijn op basis van drie
algemene beraadslagingen30 die werden verleend door het sectoraal comité ingesteld bij de
Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer (hierna: “CBPL”). De CBPL en de
sectorale comités werden opgeheven door de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming
van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. 31 De
machtigingen en de betrokken verwerking van persoonsgegevens door de verweerster in het
kader van de desbetreffende machtigingen, te weten de mededeling van gegevens uit de
Kruispuntbank van de voertuigen – met name de kentekenplaat – aan de aanvragende
verwerkingsverantwoordelijke in het kader van haar bevoegdheden inzake aanvullende
parkeerreglementen, dient bijgevolg sinds 25 mei 2018 te worden getoetst aan het nieuw wettelijk
kader, met name de bepalingen van de AVG.
55. Binnen het huidig wettelijk kader, en meer bepaald op grond van artikel 35/1 van de wet van 15
augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator 32 en de wet
van 5 september 2018 tot oprichting van het Informatieveiligheidscomité, is het
Informatieveiligheidscomité (hierna: “IVC”) met name bevoegd beraadslagingen te verlenen
betreffende bepaalde mededelingen van persoonsgegevens, waaronder eveneens de mededeling
van gegevens vervat in de Kruispuntbank van de voertuigen. Artikel 35/1, § 4, van de Wet Federale
Dienstenintegrator preciseert dat “de beraadslagingen van het informatieveiligheidscomité met
redenen [worden] omkleed en een algemene bindende draagwijdte [hebben] tussen partijen en
jegens derden”. Op basis van datzelfde artikel kan de Gegevensbeschermingsautoriteit elke
beraadslaging van het informatieveiligheidscomité te allen tijde, ongeacht wanneer zij werd
verleend, toetsen aan hogere rechtsnormen, zoals de AVG. Bijgevolg is de Geschillenkamer
bevoegd om te beoordelen of de machtigingen en de verwerkingen die op basis hiervan zijn
uitgevoerd voldoen aan de verplichtingen zoals voorzien in de AVG.
56. Gelet op het bovenstaande concludeert de Geschillenkamer dat deze zaak geen toetsing betreft
van een gegevensverwerking door een instantie overeenkomstig artikel 10/1, §1 van het decreet
van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer aan een specifieke
regel uitgevaardigd door de deelstatelijke overheid binnen diens deelstatelijke bevoegdheid. Zoals
30
Beraadslaging FO nr. 02/2016 van 21 januari 2016, Beraadslaging FO nr. 14/2016 van 21 januari 2016 en Beraadslaging FO nr.
18/2015 van 28 mei 2015.
31
Artikel 280 wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking
van persoonsgegevens.
32
B.S. 28 augustus 2012.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 15/31
aangetoond zijn de machtigingen in kwestie algemeen van aard en het toetsen aan de AVG van deze
machtigingen samen met de uitgevoerde persoonsgegevensverwerkingen die op basis daarvan
zijn uitgevoerd komt aldus toe aan de Geschillenkamer.
b) Verwerkingsverantwoordelijken
57. Verweerder 2 meent uit het arrest van het Marktenhof van 26 oktober 2022 te kunnen afleiden dat
de huidige beslissing enkel verweerder 1 kan betreffen doordat het Hof in het beschikkend gedeelte
heeft bevolen tot het opnieuw onderzoeken van de klacht ‘tegen de Stad Kortrijk’ (i.e. verweerder 1).
Doordat de nieuwe procedure voor de Geschillenkamer met de brief van 21 december 2022 tot
heropening van de debatten werd gericht aan zowel verweerder 1 als verweerder 2, werpt
verweerder 2 op dat de Geschillenkamer daarmee het bevel van het Marktenhof overschrijdt.
58. De Geschillenkamer weerlegt dit door erop te wijzen dat het beroep voor het Marktenhof tegen
beslissing ten gronde 31/2022 werd ingesteld door enkel en alleen verweerder 1, met weliswaar
gedwongen tussenkomst van verweerder 2 teneinde haar standpunten kenbaar te maken en het
arrest aan haar gemeen te verklaren zonder daarbij vorderingen omtrent haar subjectieve rechten
in te stellen. Het is dan ook vanzelfsprekend dat het beschikkend gedeelte van het arrest zich enkel
uitspreekt over ‘het verhaal ingesteld door de Stad Kortrijk’ en ‘ beveelt de Geschillenkamer van de
Gegevensbeschermingsautoriteit, anders samengesteld, de klacht tegen de Stad Kortrijk opnieuw
te onderzoeken, met inachtneming van de overwegingen van het Marktenhof’. Het Marktenhof kan
zich immers niet uitspreken over enig beroep ingesteld door verweerder 2, dit bij gebrek aan beroep
ingesteld door verweerder 2. Bovendien stelt het Marktenhof op geen enkel moment in het arrest
dat verweerder 2 binnen het kader van de initieel ingediende klacht niet heeft gehandeld als
verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4. 7) AVG. Het tegengestelde is echter wel het
geval, aangezien het arrest steeds opnieuw verwijst naar ‘de Stad Kortrijk en de FOD’. Het besluit
dient dan ook te zijn dat ingevolge vernietiging van beslissing nr. 31/2022 die betrekking heeft op
beide verweerders en de gemeenverklaring ten aanzien van verweerder 2 van het arrest ingevolge
het beroep ingesteld door verweerder 1, de procedure voor de Geschillenkamer ingevolge het bevel
van het Marktenhof betrekking heeft op beide verweerders.
59. Hoewel verweerder 2 blijft volharden niet door de klacht te zijn geviseerd en deze enkel was gericht
tegen verweerder 1, kan de Geschillenkamer die argumentatie niet volgen. Het is immers een
feitelijk gegeven dat verweerder 1 het aanslagbiljet inzake belasting betreffende het parkeren –
hetwelk de eigenlijke aanleiding vormt voor de klacht – niet had kunnen richten aan de klager zonder
de verstrekking door verweerder 2 aan verweerder 1 van de identificatiegegevens van de klager. De
klager stelt zich dan ook volledig terecht de vraag op welke rechtsgrond verweerder 1 zich voor de
periode van 1 januari 2020 tot 1 september 2020 baseert om persoonsgegevens betreffende de
houder van een nummerplaat op te vragen bij verweerder 2 voor de identificatie van personen die
Beslissing ten gronde 105/2023 - 16/31
door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn én op
welke rechtsgrond verweerder 2 voor diezelfde periode daartoe aan verweerder 1
persoonsgegevens heeft verstrekt. Niet alleen had volgens de klager verweerder 1 zijn
persoonsgegevens niet mogen opvragen aan verweerder 2, maar had verweerder 2 ook zijn
persoonsgegevens niet mogen verstrekken aan verweerder 1 op het ogenblik dat deze laatste wel
dergelijk verzoek richtte aan verweerder 2. M.a.w. de verwerking van de identificatiegegevens van
de klager door verweerder 1 teneinde hem een aanslagbiljet inzake belasting betreffende het
parkeren toe te sturen, was niet mogelijk zonder voorafgaande verstrekking door verweerder 2 van
deze identificatiegegevens aan verweerder 1. Verweerder 2 meent voor haar argumentatie steun te
kunnen vinden in de vraag van de klager tot het opleggen van een sanctie aan verweerder 1, maar
gaat daarbij voorbij aan het inhoudelijk feitenrelaas van de klager waaruit onmiskenbaar blijkt dat
verweerder 1 de identificatiegegevens van de klager pas kon verwerken nadat deze werden
verstrekt door verweerder 2. Het besluit dient dan ook te zijn dat zowel de Stad Kortrijk (verweerder
1) als de FOD Mobiliteit en Vervoer (verweerder 2) aangemerkt dienen te worden als verweerders.
c) Rechten van verdediging en beginselen van behoorlijk bestuur
Voorafgaand
60. Het Marktenhof stelt in haar arrest dat zowel in de conclusies als tijdens de hoorzitting van de
Geschillenkamer het debat beperkt is geweest tot de vraag naar de rechtsgrond bepaald in artikel
6.1 AVG en dat de Geschillenkamer, als dit haar lezing van de conclusie van de klager was,
verweerder 1 en verweerder 2 schriftelijk had moeten informeren van het feit dat zij door die
bewoordingen ook beticht werden van schendingen van de artikelen 5.1 a), 12.1 en 14.1 a) AVG
teneinde het zorgvuldigheidsbeginsel, het fair play-beginsel, de hoorplicht en het recht op
tegenspraak te respecteren. Gelet op de volledige vernietiging van de beslissing ten gronde
31/2022 herneemt de Geschillenkamer ook hierna haar overwegingen omtrent de rechten van
verdediging en beginselen van behoorlijk bestuur die voorafgaand aan de beslissing ten gronde
31/2022 werden opgeworpen met toevoeging van haar nieuwe overwegingen na herneming van het
dossier en de in het kader van de heropening van de debatten ontvangen conclusies, alsmede haar
overwegingen omtrent de rechtsgrond, met in aanvulling daarop haar overwegingen omtrent de
transparantieplicht.
De klacht
61. Verweerder 1 laat gelden dat de rechten van verdediging zouden zijn geschonden doordat het niet
duidelijk zou zijn tegen welke klacht zij zich dient te verdedigen. Verweerder 1 houdt voor dat er drie
klachten zouden zijn ingediend door de klager en verwijst daartoe naar de stukken die door de klager
werden overgemaakt op 10 augustus 2020, 5 november 2020 en 7 december 2020.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 17/31
62. Dienaangaande merkt de Geschillenkamer op dat de klager voor het eerst heeft getracht zijn klacht
in te dienen op 10 augustus 2020, maar aangezien de klacht enkel de laatste pagina van het
klachtformulier betrof – hetwelk enkel de datum van de klacht, de handtekening alsook de naam en
voornaam van de klager bevat – heeft de klager het volledige klachtformulier ingediend op 5
november 2020. Vervolgens werden door de klager op 6 december 2020 stukken bijgebracht ter
staving van zijn klacht ingediend op 5 november 2020. In tegenstelling tot wat verweerder 1
voorhoudt, heeft de klager aldus één enkele klacht ingediend, namelijk deze die werd ingediend op
volledige wijze d.d. 5 november 2020. Deze klacht werd dan ook bijgevoegd bij de brief die op 25
februari 2021 aan de partijen werd overgemaakt tot vaststelling van de conclusiekalender en met
het verzoek tot het indienen van verweermiddelen. Het is pas nadat de klacht volledig werd
ingediend en de klager de nodige stavingsstukken heeft bezorgd dat de klacht door de
Eerstelijnsdienst kon ontvankelijk worden verklaard, zoals ook is gebeurd. Bovendien heeft
verweerder 1 een kopie van het dossier ontvangen waardoor deze alle elementen ter beschikking
had om zijn verweer te voeren.
63. Verweerder 1 voert in de conclusie van 28 februari 2023 aan dat zowel de brief d.d. 21 december
2022 van de Geschillenkamer met vragen aan partijen en tot heropening van de debatten, als de
daaropvolgende conclusie van de klager die volgens verweerder 1 bijkomende aantijgingen zou
bevatten, onontvankelijk zijn wegens een ongeoorloofde uitbreiding van de bevoegdheid van de
Geschillenkamer. Ook verweerder 2 werpt op dat de door de Geschillenkamer gestelde vraag of er
na de inwerkingtreding van de AVG een voldoende rechtsgrond is om op grond van een
beraadslaging gegevens te ontsluiten, dit in het licht van artikel 6.1 e) juncto 6.3 AVG en artikel 24
AVG, geen deel uitmaakt van de klacht van de klager.
64. De Geschillenkamer wijst erop dat het arrest van het Marktenhof van 26 oktober 2022 uitdrukkelijk
het volgende bepaalt:
“uit die heel summiere bewoordingen kan immers niet afgeleid worden dat de klager Stad Kortrijk
en de FOD beschuldigde van schendingen van de transparantieplicht bepaald in de artikelen 5.1 a,
12.1 en 14.1 a AVG. In elk geval zijn deze artikelen uit de AVG daar niet in vermeld en had de
Geschillenkamer, als dit haar lezing van de conclusie van de klager was, Stad Kortrijk en de FOD
schriftelijk moeten informeren van het feit dat zij door die bewoordingen beticht werden van
schendingen van die betrokken wetsartikelen.”
65. Welnu, in de lezing van de Geschillenkamer – van de klacht en de conclusie van de klager – werpt de
klager op dat hij volledig in het ongewisse is gebleven omtrent de rechtsgrond waarop de
verwerking van de persoonsgegevens die hem betreffen, is gebaseerd. Aangezien het volstrekt
onduidelijk is voor de klager op welke rechtsgrond de verweerders zijn persoonsgegevens
verwerken, vloeit daaruit ipso facto voort dat omtrent die rechtsgrond en de identiteit van de
verwerkingsverantwoordelijke, inzonderheid verweerder 1 die zich op rechtsopvolging beroept, ook
Beslissing ten gronde 105/2023 - 18/31
de vereiste transparantie ontbreekt. Aangezien de verwerende partijen zich in hun conclusies
voorafgaand aan de beslissing ten gronde nr. 31/2022 hebben beroepen op het voorhanden zijn van
beraadslagingen als rechtsgrond met daaraan gekoppeld het principe van rechtsopvolging in
hoofde van verweerder 1, heeft de Geschillenkamer dan ook logischerwijs gevraagd of een
beraadslaging een voldoende rechtsgrond kan zijn in het licht van de AVG.
66. Gelet op het bovenvermelde citaat uit het arrest van het Marktenhof en het feit dat het Marktenhof
de Geschillenkamer beveelt om de klacht opnieuw te onderzoeken, met inachtneming van de
overwegingen van het Marktenhof, heeft de Geschillenkamer gevolg gegeven aan het arrest door
de drie vragen zoals opgenomen in de brief van 21 december 2022 voor te leggen aan de partijen
teneinde daaromtrent standpunt in te nemen. Op generlei wijze gaat de Geschillenkamer haar
bevoegdheid te buiten, dit in tegenstelling tot wat de verweerders trachten voor te houden. De drie
vragen zijn er precies heel nauwgezet op gericht om binnen de contouren van de voorliggende klacht
de rechtsgrond bepaald in de AVG te achterhalen, alsook na te gaan in hoeverre de verweerders in
transparantie voorzien omtrent die rechtsgrond en de identiteit van de
verwerkingsverantwoordelijke.
67. Verweerder 1 beweert nog steeds in de conclusie van 28 februari 2023 dat zij uit verschillende niet
op elkaar afgestemde klachtenformulieren, e-mails en brieven moet afleiden welke inbreuken haar
feitelijk en in rechte zouden worden ten laste gelegd, dit teneinde te pogen de klacht onontvankelijk
te laten verklaren, minstens als ongegrond te laten afwijzen. Hieromtrent wijst de Geschillenkamer
erop dat de klacht werd ingediend door een burger voor wie het geen vereiste is dat de klacht de
wettelijke bepalingen aanduidt waarop volgens de klager een inbreuk wordt gepleegd. Het is
evenwel uit de daaropvolgende procedure en stukken 33, met inbegrip van de beslissing ten gronde
31/2022 en de brief van 21 december 2022, volstrekt duidelijk waartegen de verweerders zich
dienen te verdedigen. Dat de verweerders, waaronder dus ook verweerder 1, wel degelijk een
volkomen goed begrip hebben van de mogelijke inbreuken die hen ten laste worden gelegd, komt
ook naar voor uit de omstandige uiteenzetting van verweerders omtrent de gegrondheid van de
klacht.
68. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat zij op alle punten gevolg geeft aan het arrest van het
Marktenhof van 26 oktober 2022 door de huidige beslissing te nemen in een andere samenstelling
dan deze in de beslissing ten gronde 31/2022 genomen op 4 maart 2022. Dienaangaande meent
verweerder 1 zich alle rechten te moeten voorbehouden voor wat betreft de brief van 21 december
2022 die door de Geschillenkamer werd gericht aan de partijen waarbij deze in kennis werden
gesteld van de nieuwe samenstelling van de zetel waarvan de heer Hielke Hijmans, die als
alleenzetelend voorzitter van de Geschillenkamer de beslissing ten gronde 31/2022 nam, geen deel
33
Arrest Marktenhof 2022/AR/292
Beslissing ten gronde 105/2023 - 19/31
uitmaakt. Het feit dat voormelde brief werd ondertekend door de heer Hielke Hijmans brengt
verweerder 1 ertoe zich ter zake alle rechten voor te behouden.
69. De Geschillenkamer benadrukt dat de voorzitter van de Geschillenkamer door op die wijze te
handelen, louter uitvoering heeft gegeven aan artikel 43 van het reglement van interne orde. Het is
immers de voorzitter van de Geschillenkamer die beslist over de verdeling van de dossiers onder de
leden van de Geschillenkamer en het is hij die beslist dat de Geschillenkamer zetelt met drie leden.
Deze beslissing van de voorzitter van de Geschillenkamer is strikt noodzakelijk om de samenstelling
van de zetel te bepalen en als dusdanig gevolg te geven aan het bevel van het Markenhof om in een
andere samenstelling de klacht opnieuw te onderzoeken, hetwelk vervolgens is gebeurd en dit zoals
opgelegd zonder enige tussenkomst van de heer Hielke Hijmans.
Beslissing inzake ontvankelijkheid en beslissing inzake het gereed zijn voor behandeling ten gronde
70. Verweerder 1 haalt aan dat de volgens haar ‘vermeende’ beslissing van de Eerstelijnsdienst geen
verduidelijking bevat van de feiten of de beweerde inbreuken. Ook meent verweerder 1 uit de brief
van de Geschillenkamer d.d. 25 februari 2021 niet te kunnen afleiden welke de vermeende
inbreuken, noch welke de mogelijke sancties zouden zijn. Verweerder 1 voegt daaraan toe dat het
voor haar onbekend is of er nog een eigenlijke beslissing van de Eerstelijnsdienst bestaat, alsook dat
zij niet in kennis werd gesteld van enige beslissing van de Geschillenkamer inzake het gereed zijn
voor behandeling ten gronde. Dit brengt verweerder 1 tot het besluit dat de rechten van verdediging
zijn geschonden, evenals de beginselen van behoorlijk bestuur.
71. De Geschillenkamer verduidelijkt dat de beslissing van de Eerstelijnsdienst tot ontvankelijkheid van
de klacht is opgenomen in een e-mail gericht aan de Geschillenkamer en de betreffende e-mail
integraal deel uitmaakt van het administratief dossier. De Geschillenkamer heeft ingevolge daarvan
de procedure tot behandeling ten gronde aangevat. De Geschillenkamer brengt de partijen (zowel
klager, als verweerders) in één enkele brief op de hoogte van zowel de ontvankelijkheid van de klacht
overeenkomstig artikel 61 WOG – deze bepaling vereist sensu stricto dat enkel de klager in kennis
wordt gesteld van de ontvankelijkheid van zijn klacht –, als het aanvatten van de procedure ten
gronde met daarin alle informatie overeenkomstig artikel 98 WOG juncto artikel 95, §2 WOG.
72. Met betrekking tot de beslissing inzake ontvankelijkheid, alsook de beslissing dat het dossier gereed
is voor behandeling ten gronde, verwijst de Geschillenkamer dan ook naar de e-mail d.d. 25 februari
2021 met de brief en bijhorende documenten die daaraan werd gehecht in bijlage, waarin partijen
uitdrukkelijk in kennis worden gesteld van het feit dat de klacht op 18 januari 2021 door de
Eerstelijnsdienst werd ontvankelijk verklaard en de Geschillenkamer heeft beslist dat het dossier
gereed is voor behandeling ten gronde. Dit betekent aldus dat de brief met conclusiekalender als
dusdanig geldt als kennisgeving aan de partijen, zowel van de beslissing inzake ontvankelijkheid als
inzake het gereed zijn voor behandeling ten gronde, zodat aldus zowel artikel 61 WOG, als artikel 98
WOG juncto artikel 95, § 2 werden gerespecteerd.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 20/31
In zoverre verweerder 1 opwerpt dat noch de beslissing van de Eerstelijnsdienst inzake
ontvankelijkheid, noch de beslissing van de Geschillenkamer inzake het gereed zijn voor
behandeling ten gronde aangeven op welke motieven deze steunen, dient de Geschillenkamer erop
te wijzen dat voormelde beslissingen enerzijds van de Eerstelijnsdienst, en anderzijds van de
Geschillenkamer geen eindbeslissingen zijn, maar louter beslissingen die voorafgaan aan de
eindbeslissing van de Geschillenkamer. De beslissing inzake ontvankelijkheid van de klacht is een
beslissing genomen door de Eerstelijnsdienst waarbij op basis van de ingediende stukken wordt
nagegaan of is voldaan aan artikel 58, lid 134 en artikel 60, lid 235 WOG. De brief met
conclusiekalender bevat alle informatie die is voorgeschreven door artikel 98 WOG en is er precies
op gericht om op basis van de verweermiddelen ingediend door de partijen, met respect voor de
rechten van verdediging, de beslissing van de Geschillenkamer te motiveren. De huidige beslissing
dient als dusdanig te worden gemotiveerd.
73. Verweerder 1 werpt ook op dat het voor haar onbekend is waarom de Geschillenkamer niet heeft
besloten om de klacht op een andere manier op te volgen. De Geschillenkamer benadrukt dat er
geenszins een negatieve motiveringsplicht geldt, zodat zij er dan ook niet toe is gehouden te
motiveren waarom zij geen gebruik zou hebben gemaakt van de andere mogelijkheden voorzien in
artikel 95, §1 WOG.
d) Rechtsgrond en transparantieplicht
74. De klager stelt zich de vraag op welke rechtsgrond verweerder 1 zich voor de periode van 1 januari
2020 tot 1 september 2020 baseert om persoonsgegevens betreffende de houder van een
nummerplaat op te vragen bij verweerder 2 voor de identificatie van personen die door het gebruik
van een voertuig parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn en op welke rechtsgrond
de verweerder 2 voor diezelfde periode daartoe aan verweerder 1 persoonsgegevens heeft
verstrekt.
34
Artikel 58. Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit.
[…]
35
Artikel 60. […]
Een klacht is ontvankelijk wanneer:
-zij opgesteld is in één van de landstalen;
- een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking waarop zij betrekking heeft;
-zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
[…]
Beslissing ten gronde 105/2023 - 21/31
Beraadslaging en rechtsopvolging
75. Verweerder 1 beroept zich op beraadslaging FO nr. 02/2016 van 21 januari 201636, alsook
beraadslaging FO nr. 18/2015 van 28 mei 2015 37 om te stellen dat zij reeds over een eigen toegang
tot het DIV-repertorium beschikte voor de identificatie van personen die door het gebruik van een
voertuig parkeerbelasting verschuldigd zijn.
76. Zoals verweerder 1 zelf aanhaalt zijn de begunstigden van beraadslaging FO nr. 02/2016 de private
concessiehouders van de Vlaamse steden en gemeenten, evenals de gemeentelijke
verzelfstandigde agentschappen. Als autonoom gemeentebedrijf is AGB Parko een extern
verzelfstandigd agentschap van verweerder 1, en heeft AGB Parko zich in die hoedanigheid op 5 mei
2015 aangesloten bij beraadslaging FO nr. 17/2010, dewelke werd vervangen door beraadslaging FO
nr. 02/2016, maar waarin beraadslaging FO nr. 17/2010 wordt gehandhaafd voor wat betreft de
geldigheid van de goedgekeurde individuele verbintenisverklaringen, waaronder dus ook deze van
AGB Parko. Dit betekent dat AGB Parko een begunstigde is van beraadslaging FO nr. 02/2016 en
aldus gemachtigd is om vanwege de Directie Inschrijving Voertuigen (DIV) identificatiegegevens te
ontvangen van de houders van een ingeschreven voertuig die retributie, belasting verschuldigd zijn.
Verweerder 1 kon zelf niet aansluiten bij deze machtiging, aangezien zij niet valt onder de categorie
van mogelijke begunstigden van die bepaalde beraadslaging.
77. Verweerder 1 is daarentegen wel een begunstigde van beraadslaging FO nr. 18/2015, maar deze
betreft de machtiging om vanwege de DIV mededeling te verkrijgen van persoonsgegevens voor de
identificatie en de bestraffing van overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen in
het kader van de wet van 24 juni 2013 betreffende de gemeentelijke administratieve sancties. Dit
houdt in dat verweerder 1 op basis van deze beraadslaging gegevens kan verkrijgen van de DIV, doch
beperkt tot het opleggen van gemeentelijke administratieve sancties en dus niet voor het heffen
van een parkeerbelasting, zoals in voorliggend geval.
78. De Geschillenkamer stelt op basis van deze elementen vast dat verweerder 1 tracht aan te tonen dat
zij op het ogenblik van de feiten die het voorwerp vormen van de klacht over een machtiging tot
toegang tot het DIV-repertorium beschikte voor de identificatie van personen, in casu de klager, die
door het gebruik van een voertuig parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn door zich
te beroepen enerzijds op een beraadslaging waarvan verweerder 1 niet zelf de begunstigde is
(Beraadslaging FO nr. 02/2016) en anderzijds een beraadslaging waarvan verweerder 1 weliswaar
36
Beraadslaging houdende de eenmalige machtiging en tot wijziging, voor wat de private concessiehouders van de Vlaamse steden en
gemeenten en de Vlaamse gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen betreffen, van de beraadslaging FO nr. 17/2010 van 21 oktober
2010
37
Beraadslaging over het verlenen van een algemene machtiging aan de Steden en Gemeenten, de autonome gemeentebedrijven en
het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap om via elektronische weg de persoonsgegevens te ontvangen van de Directie
Inschrijving van Voertuigen (hierna de "DIV") voor de identificatie en de bestraffing van overtreders van gemeentelijke
reglementen of verordeningen
Beslissing ten gronde 105/2023 - 22/31
begunstigde is, maar hem geen machtiging geeft om vanwege DIV gegevens te verkrijgen voor het
heffen van een parkeerbelasting (Beraadslaging FO nr. 18/2015).
79. Dergelijke argumentatie waarbij verweerder 1 de twee voormelde beraadslagingen combineert om
vervolgens over te gaan tot de stelling dat zij was gemachtigd om de identificatiegegevens van de
klager bij DIV op te vragen teneinde de lastens hem verschuldigde parkeerbelasting te kunnen
heffen, kan evenwel niet worden aanvaard, zoals hierna uiteengezet.
80. In de mate dat verweerder 1 aanvoert dat zij gelet op de ontbinding en vereffening van AGB Parko
met ingang van 1 januari 2020 en de inkanteling ervan in de stadsdiensten, vanaf dat ogenblik de
rechten en verplichtingen, waaronder dus ook deze zoals bepaald in beraadslaging FO nr. 02/2016,
heeft overgenomen als zijnde de rechtsopvolger van AGB Parko, kan de Geschillenkamer
vaststellen op basis van artikel 244, §3 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal
bestuur38 dat verweerder 1 van rechtswege de rechtsopvolger was van AGB Parko, zoals bevestigd
in de beslissing van de gemeenteraad van verweerder 1.
81. Voor wat betreft de rechtsopvolging verwijst verweerder 1 naar het advies nr. 14/2004 39 en de
aanbeveling nr. 03/201540 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
waarin als principe wordt vooropgesteld dat de rechtsopvolger geen nieuwe machtiging dient aan
te vragen mits het doeleinde waarvoor de rechtsopvolger de betreffende persoonsgegevens
verwerkt, ongewijzigd blijft en deze aldus gebruik kan maken van de machtiging zoals die werd
verleend aan zijn rechtsvoorganger.
82. Echter, de Geschillenkamer dient op te merken dat in de aanbeveling nr. 03/2015 als voorwaarde tot
overname van de bestaande machtiging door de rechtsopvolger – dus zonder dat deze een nieuwe
machtiging dient aan te vragen – is opgenomen dat het bevoegde sectorale comité dient te kunnen
beoordelen of de aanvrager die het gebruik van de bestaande machtiging wenst verder te zetten,
wel degelijk de rechtsopvolger is. Bovendien dient het sectoraal comité te kunnen beoordelen of de
rechtsopvolger voldoende waarborgen biedt op het vlak van beveiliging. Verweerder 1 verwijst in dit
38
Art. 244, § 3. De rechten en verplichtingen van het ontbonden autonoom gemeentebedrijf worden overgenomen door de gemeente.
39
Advies nr. 14/2004 van 25 november 2004 betreffende de adviesaanvraag van de Voorzitter van het Directiecomité van de Federale
Overheidsdienst Personeel en Organisatie met betrekking tot het koninklijk besluit van 29 januari1991 waarbij aan bepaalde
personeelsleden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt toegang tot het Rijksregister van de
natuurlijke personen en machtiging tot het gebruik van het identificatienummer van dat register worden verleend: kan dit koninklijk
besluit volstaan als rechtsbasis om het Directoraat-generaal e-HR van de Federale Overheidsdienst Personeel en Organisatie toe te
latentoegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen en het rijksregisternummer
te gebruiken voor het vervullen van de taken met betrekking tot de uitvoering van het koninklijk besluit nr. 141 van 30 december 1982
tot oprichting van een databank betreffende de personeelsleden van de overheidssector.
40
Aanbeveling nr. 03/2015 van 25 februari 2015 betreffende de te volgen werkwijze inzake machtigingen, door zowel de sectorale
comités, de regionale dienstenintegratoren als de regionale administraties in het kader van de bevoegdheidsoverdrachten naar aanleiding
van de Zesde Staatshervorming.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 23/31
verband zelf naar Beraadslaging FO nr. 31/2015 van 10 december 2015 41 waarin wordt verwezen
naar het advies nr. 14/2004, maar laat na aan te tonen dat dergelijke melding van rechtsopvolging is
gebeurd waardoor er dan ook geen beoordeling van de hiervoor vermelde voorwaarden heeft
plaatsgevonden. Deze voorwaarden zijn nochtans ook uitdrukkelijk opgenomen in aanbeveling nr.
03/201542, maar werden niet gerespecteerd door verweerder 1 die de rechtsopvolging niet heeft
gemeld en ook niet heeft aangetoond de nodige veiligheidswaarborgen te bieden voor wat betreft
de beraadslaging FO nr. 02/2016. Hieruit volgt dat verweerder 1 zich dan ook niet op geldige wijze
kan beroepen op beraadslaging FO nr. 02/2016 om gegevens te verkrijgen van verweerder 2 met
het oog op het heffen van een parkeerbelasting lastens de klager.
83. Aangaande het advies nr. 14/2004 en de aanbeveling nr. 03/2015 stelt de Geschillenkamer dat deze
weliswaar geen rechtstreeks juridisch afdwingbaar karakter hebben, maar deze moeten worden
getoetst aan de huidige wettelijke context waardoor dient te worden nagegaan of de vereisten
gesteld door de AVG worden nageleefd, inzonderheid gelet op de transparantieplicht (artikelen 5. 1,
a) AVG43, 12.1 AVG44 en 14.1 a) AVG45) waardoor is vereist dat ten aanzien van de betrokkene diens
persoonsgegevens op transparante wijze worden verwerkt.
84. Uit de feitelijke elementen van het dossier blijkt dat het voor de klager volstrekt onduidelijk was dat
verweerder 1 zijn gegevens heeft opgevraagd aan verweerder 2 louter als zijnde de rechtsopvolger
van AGB Parko, aangezien verweerder 1 niet heeft voorzien in enige vorm van transparantie
daaromtrent waardoor het voor de klager bijgevolg niet mogelijk was om in een eenvoudig
toegankelijke en begrijpelijke vorm kennis te nemen van de verwerking van de hem betreffende
41
Beraadslaging FO nr. 31/2015 van 10 december 2015 betreffende de aanvraag van de Vlaamse Belastingdienst (“VLABEL”) om als
rechtsopvolger van het Departement Financiën en Begroting van de Vlaamse overheid gebruik te kunnen maken van de machtiging die werd
verleend bij beraadslaging FO nrs. 39/2013 en 40/2013 van 12 december 2013:
“Het onderzoek van het comité kan zich bijgevolg beperken tot het nagaan of de aanvrager rechtsopvolger is van het Departement Financiën
en Begroting van de Vlaamse overheid, specifiek voor wat betreft de doeleinden/taken die het voorwerp uitmaakten van beraadslagingen
FO nrs. 39/2013 en 40/2013. Daarnaast onderzoekt het Comité ook of de aanvrager voldoende waarborgen biedt op het vlak van de
beveiliging van de gegevens.”
42
“In het kader van bevoegdheidsoverdracht is het van belang te preciseren welke instantie de bevoegdheid overneemt, of met de overdracht
dezelfde doeleinden worden beoogd dan wel slechts een gedeelte ervan, alsook informatie te verstrekken omtrent de beveiliging.”
43
Artikel 5.1 a) AVG. Persoonsgegevens moeten:
a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid
en transparantie”);
[…]
44
Artikel 12.1. AVG. De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14
bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een
beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder
wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien
dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld,
op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is.
45
Artikel 14.1. AVG. Wanneer persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de
betrokkene de volgende informatie:
a) de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de
verwerkingsverantwoordelijke;
[…]
Beslissing ten gronde 105/2023 - 24/31
persoonsgegevens door verweerder 1. Gelet op het totale gebrek aan het verstrekken van de nodige
transparantie ten aanzien van verweerder 1, beschikte verweerder 2 ook niet over de correcte
informatie, zodat deze laatste bijgevolg dan ook op 15 februari 2021 aan de klager heeft verklaard
dat de mededeling door verweerder 2 van de gegevens van de klager aan verweerder 1 gebeurde
op grond van beraadslaging 18/2015 inzake gemeentelijke administratieve sancties en dat
verweerder 1 op het moment van de heffing van de parkeerbelasting t.a.v. de klager over geen
rechtsgrondslag voor parkeerbeheer beschikte46. De Geschillenkamer besluit op basis van het
bovenstaande dat verweerder 1 op het ogenblik van de feiten een inbreuk op artikel 5. 1, a) AVG,
artikel 12.1 AVG en artikel 14.1 a) AVG heeft gepleegd doordat de klager niet werd geïnformeerd
over enerzijds de rechtsopvolging van AGB Parko door verweerder 1 waardoor deze laatste de
hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke heeft verkregen voor wat betreft de
gegevensverwerking zoals beschreven in beraadslaging FO nr. 02/2016, en anderzijds de daaruit
voortvloeiende gegevensverwerking in hoofde van verweerder 1.
Beraadslaging en AVG
85. Sinds het van toepassing worden van de AVG47 dient elke verwerkingsverantwoordelijke alle daarin
opgenomen beginselen te respecteren. Meer in het bijzonder dient een
verwerkingsverantwoordelijke zich te baseren op één van de zes rechtsgronden die zijn opgesomd
in artikel 6 van de AVG. In de publieke sector zal veelal de rechtsgrond van artikel 6.1.c) (verwerking
is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de
verwerkingsverantwoordelijke rust) of artikel 6.1.e) (verwerking is noodzakelijk voor de vervulling
van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar
gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen) worden gebruikt. In dergelijke
gevallen dient de verwerking te worden gebaseerd op een wettelijke bepaling die aan de vereisten
van artikel 6.3 AVG voldoet.
86. De beraadslagingen waarop de verweerders zich beroepen, zijn verleend door het Sectoraal comité
van de Federale Overheid, hetwelk is opgehouden te bestaan ingevolge artikel 109 WOG. Dit neemt
weliswaar niet weg dat het overeenkomstig artikel 111 WOG mogelijk blijft om toe te treden tot
voormelde algemene machtigingen, mits diegene die om toetreding verzoekt een geschreven en
ondertekende verbintenisverklaring waarin hij bevestigt zich aan te sluiten bij de voorwaarden van
de desbetreffende beraadslaging, bezorgt aan het Informatieveiligheidscomité, zijnde het orgaan
dat door de wetgever werd opgericht om beraadslagingen te verlenen met betrekking tot de
uitwisseling van persoonsgegevens of het gebruik van het Rijksregisternummer.
46
Zie hierna verder onder randnrs. 87 e.v.
47
De AVG is van toepassing sinds 25 mei 2018 (artikel 99.2 AVG).
Beslissing ten gronde 105/2023 - 25/31
a) Met betrekking tot verweerder 1
87. Verweerder 1 heeft zich alsnog, weliswaar laattijdig – i.e. na de feiten die het voorwerp vormen van
de klacht –, aangesloten bij beraadslaging FO nr. 14/2016 van 21 januari 2016 48 waardoor zij vanwege
verweerder 2 mededeling kan verkrijgen van persoonsgegevens opgenomen in het DIV-
repertorium voor de identificatie van de klager met het oog op het heffen van de parkeerbelasting.
88. Niet alleen vond de toetreding tot beraadslaging FO nr. 14/2016 pas plaats op 28 augustus 2020,
dus ruim nadat verweerder 1 de gegevens van de klager heeft opgevraagd bij verweerder 2 en ook
heeft verkregen. Verweerder 1 meent te kunnen beweren dat de in het kader van deze toetreding
op 1 september 2020 gesloten overeenkomst tussen verweerder 1 en verweerder 2, waarin is
voorzien dat deze met retroactieve werking ingaat op 1 januari 2020, volledig rechtsgeldig is en
beroept zich daartoe opnieuw op beraadslaging FO nr. 02/2016 in haar hoedanigheid van
rechtsopvolger stellend dat de toetredingsovereenkomst bij beraadslaging FO nr. 14/2016 louter
een juridische bevestiging vormt van een feitelijke situatie, aangezien zij sinds 1 januari 2020 als
rechtsopvolger meent rechten te kunnen putten uit beraadslaging FO nr. 02/2016, waarvan zij
beweert dat deze nagenoeg identiek is aan beraadslaging FO nr. 14/2016.
89. De Geschillenkamer kan enkel vaststellen dat op het ogenblik van de feiten verweerder 1 noch op
basis van rechtsopvolging (zie hierboven, randnrs. 52 - 61), noch op basis van beraadslaging FO nr.
14/2016 bij gebrek aan tijdige toetreding daartoe, was gemachtigd om bij verweerder 2 de
persoonsgegevens van de klager op te vragen met het oog op diens identificatie in het kader van
een parkeerbelasting. De retroactieve werking van de toetredingsovereenkomst is daarbij volstrekt
irrelevant. Voor wat betreft de toetredingsovereenkomst moet worden opgemerkt dat deze, in
tegenstelling tot wat verweerder 1 stelt, wel degelijk door de Geschillenkamer kan worden
beoordeeld in de mate dat deze impact heeft op de gegevensverwerking van derden die geen partij
zijn bij die overeenkomst, waaronder in dit geval de klager. Het staat vast dat op het ogenblik van de
feiten die zich hebben voorgedaan op 28 mei 2020, het voor de klager volstrekt onduidelijk was dat
verweerder 1 alsnog in de toekomst op 1 september 2020 een toetredingsovereenkomst zou sluiten
bij beraadslaging FO nr. 14/2016, waardoor de klager op het moment van de feiten niet beschikte
over de informatie waarop hij recht heeft overeenkomstig de artikelen 5. 1, a), 12.1 en 14.1 a) AVG.
Hierbij merkt de Geschillenkamer ook op dat beraadslaging FO nr. 14/2016 als dusdanig zelf ook
reeds vereist dat de betrokken personen, waaronder dus de klager, in alle gevallen duidelijk dienen
te worden geïnformeerd over de naam van de verwerkingsverantwoordelijke, in casu verweerder 1,
het doeleinde van de verwerking, de herkomst van de verzamelde gegevens en het bestaan van het
recht op toegang tot en verbetering van de gegevens. De beraadslaging voegt daaraan toe dat een
48
Beraadslaging houdende de eenmalige machtiging om de gemeenten toegang te verlenen tot het repertorium van de DIV voor de
identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig zijn - Herziening
van de beraadslaging FO n° 05/2015 van 19 maart 2015
Beslissing ten gronde 105/2023 - 26/31
duidelijke informatieverstrekking bovendien in het bijzonder van belang is in situaties waarin het
minder tot de redelijke verwachtingen van de betrokkenen behoort dat zijn/haar persoonsgegevens
worden verwerkt. Uit de feiten blijkt onmiskenbaar dat de klager niet beschikte over deze informatie
waardoor hij ook geen kennis had van de rechtsgrond waarop de verwerking van zijn
persoonsgegevens zou zijn gebaseerd. Zoals reeds aangestipt met betrekking tot de rechtsgrond
(zie randnummer 85) beantwoordt de nationale regelgeving inzake beraadslagingen, tesamen
gelezen met de beraadslagingen zelf, aan de vereisten van artikel 6.3 AVG en moeten dan ook
worden beschouwd als een specifieke regelgeving in de zin van artikel 6.2 AVG, maar dit neemt niet
weg dat op het ogenblik van de feiten verweerder 1 niet was aangesloten bij beraadslaging FO nr.
14/2016, hetwelk tot gevolg heeft dat verweerder 1 geen begunstigde was van deze beraadslaging
en geen basis kon zijn voor het opvragen van de gegevens van de klager bij verweerder 2. Ook hier
is er dus op het ogenblik van de feiten sprake van een inbreuk op artikel 5. 1, a) AVG, artikel 6,
artikel 12.1 AVG en artikel 14.1 a) AVG.
90. Daarenboven kan een verwerkingsverantwoordelijke, in casu verweerder 1, er niet mee volstaan om
over een machtiging te beschikken en louter op basis van de betreffende beraadslaging uit te gaan
van de veronderstelling recht te hebben op de in die machtiging vastgelegde persoonsgegevens. De
verwerkingsverantwoordelijke is er immers sinds het van toepassing worden van de AVG toe
gehouden de hem daarin opgelegde verplichtingen na te leven en aldus de beraadslaging waarvan
hij gebruik wenst te maken te toetsen aan de hogere rechtsnorm teneinde na te gaan of de door de
betreffende beraadslaging toegelaten mededeling van persoonsgegevens in overeenstemming is
met de AVG. In die zin heeft ook de kamer federale overheid van het Informatieveiligheidscomité op
28 augustus 2020 verweerder 1 er uitdrukkelijk op gewezen dat haar toetreding tot beraadslaging
FO nr. 14/2016 haar niet ontslaat van haar verplichtingen om de AVG na te leven.
91. Uit het verweer van verweerder 1 blijkt echter dat zij haar wijze van gegevensverwerking volledig
heeft afgestemd op de betreffende beraadslagingen doordat zij zoals uiteengezet in haar conclusie
volledig is afgegaan op het oordeel van verweerder 2 aangaande de toepassing van de drie
beraadslagingen49 waarop zij zich beroept. Zo geeft verweerder 1 aan dat zij zowel vóór als na de
inkanteling van AGB Parko in de stadsdiensten navraag heeft gedaan bij verweerder 2 of er
bijkomende formaliteiten dienden te worden voldaan. De Geschillenkamer stelt vast dat verweerder
49
Beraadslaging FO nr. 02/2016 van 21 januari 2016 houdende de eenmalige machtiging en tot wijziging, voor wat de private
concessiehouders van de Vlaamse steden en gemeenten en de Vlaamse gemeentelijke verzelfstandigde agentschappen betreffen, van de
beraadslaging FO nr. 17/2010 van 21 oktober 2010
Beraadslaging FO nr. 18/2015 van 28 mei 2015 over het verlenen van een algemene machtiging aan de Steden en Gemeenten, de
autonome gemeentebedrijven en het Brussels Hoofdstedelijk Parkeeragentschap om via elektronische weg de persoonsgegevens te
ontvangen van de Directie Inschrijving van Voertuigen (hierna de "DIV") voor de identificatie en de bestraffing van
overtreders van gemeentelijke reglementen of verordeningen
Beraadslaging FO nr. 14/2016 houdende de eenmalige machtiging om de gemeenten toegang te verlenen tot het repertorium van de
DIV voor de identificatie van personen die door het gebruik van een voertuig, parkeerretributie, -belasting of parkeergeld schuldig
zijn - Herziening van de beraadslaging FO n° 05/2015 van 19 maart 2015
Beslissing ten gronde 105/2023 - 27/31
1 zich inderdaad op 2 december 2019 heeft gericht tot verweerder 2. Verweerder 1 stelt daarbij dat
zij het parkeerbeleid opnieuw zelf opneemt en reeds beschikt over een overeenkomst met de
Kruispuntbank Voertuigen in functie van een identificatie van houders van een nummerplaat die
steden en gemeenten, … een parkeerretributie, -belasting of -geld schuldig zijn, daarbij verwijzend
naar beraadslaging FO nr. 18/2015 – zoals volgens verweerder 1 – herzien door beraadslaging FO nr.
14/2016. De Geschillenkamer dient dienaangaande eveneens vast te stellen dat verweerder 1
verkeerdelijk een verband legt tussen enerzijds beraadslaging FO nr. 18/2015 die gemeentelijke
administratieve sancties betreft en waartoe zij is toegetreden, en anderzijds beraadslaging FO nr.
14/2016 die parkeerretributie, -belasting en -geld betreft en waarvan zij op dat ogenblik niet de
begunstigde is. Verweerder 1 geeft dus een onjuiste voorstelling van de feiten door te stellen dat
beraadslaging FO nr. 18/2015 zou zijn herzien door beraadslaging FO nr. 14/2016. Verweerder 2
merkt dit vervolgens niet op en stelt dat verweerder 1 geen verdere actie dient te ondernemen. Op
26 juni 2020 bevestigt verweerder 2 opnieuw dat verweerder 1 over toegang tot het repertorium
van de DIV beschikt, evenwel zonder precisering op welke beraadslaging die toegang is gebaseerd.
92. Verweerder 1 verschuilt zich achter het feit dat zij, in weerwil van twee eerdere bevestigingen
vanwege verweerder 2, niet over de juiste machtiging beschikte voor de raadpleging van het DIV-
repertorium voor het penaliseren van inbreuken op het stedelijk retributiereglement i.v.m. parkeren,
maar dat het ontbreken van de machtiging in kwestie berust op een misverstand. Zij voegt daaraan
toe dat de stad kon en mocht vertrouwen op de juistheid van het bericht uitgaande van DIV waarin
schriftelijk bevestigd werd dat de vereiste machtiging in hoofde van de stad in orde was50.
93. Het is pas op het ogenblik dat verweerder 2 het aangewezen acht dat verweerder 1 zich aansluit bij
beraadslaging FO nr. 14/2016 dat verweerder 1 dit ook daadwerkelijk doet, dit evenwel geruime tijd
nadat de door de klager voorgelegde feiten zich hebben voorgedaan.
94. Verweerder 1 tracht vervolgens ook haar eigen verantwoordelijkheid af te schuiven op het Sectoraal
comité voor de Federale Overheid en de FOD Beleid en Ondersteuning. Zo beweert verweerder 1 dat
het Sectoraal comité voor de Federale Overheid de indruk heeft gewekt dat zij als stad was
toegetreden tot beraadslaging FO nr. 17/2010 – zoals later herzien door beraadslaging FO nr.
02/2016 – door de stad als begunstigde te vernoemen in de goedkeuring van de
verbintenisverklaring bij beraadslaging FO nr. 17/2010, alsook doordat de FOD Beleid en
Ondersteuning verweerder 1 zou hebben vermeld in de lijst van de begunstigden op haar website.
95. Deze argumentatie is evenwel geenszins overtuigend, aangezien de mogelijke begunstigden van
beraadslaging FO nr. 17/2010 – later beraadslaging FO nr. 02/2016 – in geen geval de gemeente zelf
kan zijn, maar enkel de private concessiehouders en gemeentelijke verzelfstandigde
50
Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen d.d. 22 februari 2021 betreffende het bezwaarschift inzake belasting op het
parkeren, zoals ingediend door de klager.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 28/31
agentschappen. De vermelding waar verweerder 1 naar verwijst is: “Parko AGB/Stad Kortrijk”,
waarbij de vermelding van de naam van de stad enkel en alleen een indicatie geeft waar de werkelijke
begunstigde, met name AGB Parko, actief is. Verweerder 1 kan hieruit onmogelijk afleiden dat zijzelf
begunstigde was voor wat betreft deze beraadslaging, gelet op de duidelijk in de beraadslaging
omschreven doelgroep van mogelijke begunstigden, waartoe geen gemeenten behoren.
96. Uit het geheel van bovenstaande elementen volgt dat de Geschillenkamer een inbreuk op de
artikelen 5.2 en 24 AVG in hoofde van verweerder 1 dient vast te stellen op het ogenblik dat de
feiten zich voordeden.
b) Met betrekking tot verweerder 1 en verweerder 2
97. Een verwerkingsverantwoordelijke is verplicht de gegevensbeschermingsbeginselen in acht te
nemen en moet kunnen aantonen dat deze beginselen worden nageleefd (verantwoordingsplicht -
artikel 5.2 AVG). Verweerder 1 is een verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de
persoonsgegevens die zij opvraagt en verkrijgt vanwege verweerder 2. Verweerder 2 is zelf ook een
verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft de persoonsgegevens die hij verstrekt aan
verweerder 1. Hoewel verweerder 2 ontkent dat hij verwerende partij is doordat de klacht enkel zou
zijn gericht tegen verweerder 1, is er geen enkel twijfel mogelijk omtrent het feit dat de klager zich
niet alleen richt tegen verweerder 1, maar ook tegen verweerder 2 omwille van de vaststelling dat
de klager uitdrukkelijk aangeeft dat zijn privacy werd geschonden doordat zowel verweerder 1, als
verweerder 2 een verkeerde machtiging hebben gebruikt als basis om hem te identificeren aan de
hand van zijn nummerplaat via het DIV-repertorium waarvoor verweerder 2 de
verwerkingsverantwoordelijke is. Er kan geen twijfel over bestaan dat de klager zich niet alleen richt
tegen verweerder 1, maar ook tegen verweerder 2, vermits de identificatie van de houder van de
nummerplaat enkel mogelijk is indien verweerder 2 daartoe de nodige persoonsgegevens verstrekt
aan verweerder 1. Met andere woorden: de identificatie van de klager aan de hand van diens
nummerplaat is enkel mogelijk indien verweerder 1 de identificatiegegevens opvraagt aan
verweerder 2 én verweerder 2 die identificatiegegevens vervolgens ook verstrekt aan verweerder
1. Zonder de verstrekking door verweerder 2 van de identificatiegegevens betreffende de klager
aan verweerder 1 was een identificatie van de klager op basis van diens nummerplaat eenvoudigweg
niet mogelijk geweest. Het is dan ook in die zin dat de klager, zoals blijkt uit de stukken van het
dossier, zich meermaals wendt tot verweerder 2. De klacht betreft in het bijzonder de identificatie
aan de hand van de nummerplaat van het voertuig dat op naam van de klager is ingeschreven en is
dus ontegensprekelijk gericht tegen zowel verweerder 1 als verweerder 2.
98. Beide verweerders baseren zich in hun conclusies voor de door elk van hen verrichte
gegevensverwerking (verweerder 1 voor wat betreft de verwerking van de opgevraagde en
verkregen gegevens van verweerder 2; verweerder 2 voor wat betreft de verstrekking van de
gegevens aan verweerder 1) op artikel 6.1 e) AVG. Artikel 6.1 AVG dat de concretisering is van het
Beslissing ten gronde 105/2023 - 29/31
rechtmatigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 5.1 a) AVG, schrijft voor dat alle verwerkingen moeten
berusten op een rechtsgrondslag. Dit betekent dat voordat wordt begonnen met de
verwerkingsactiviteiten de verwerkingsverantwoordelijke dient te bepalen welke van de zes
rechtsgronden van toepassing is en met betrekking tot welk specifiek doel 51. Uit het dossier blijkt
niet dat de klager op de hoogte werd gebracht van de rechtsgrond waarop de verweerders zich
thans beroepen in de procedure voor de Geschillenkamer, met name het noodzakelijk zijn van de
verwerking voor de ‘vervulling van een taak van algemeen belang’ (artikel 6.1 e) AVG). Deze
rechtsgrond wordt pas na de feiten ingeroepen en dus nadat de verwerking van de
persoonsgegevens heeft plaatsgevonden. Bijgevolg hebben de verweerders de persoonsgegevens
van de klager verwerkt tegen zijn verwachtingen in en dus zonder enige informatieverstrekking door
de verweerders voorafgaand aan de gegevensverwerking. Hieromtrent merkt de Geschillenkamer
op dat die informatieverstrekking niet enkel de rechtsgrond betreft (artikel 14.1 c) AVG), maar alle
informatie zoals bepaald in artikel 14.1 AVG teneinde het transparantiebeginsel (artikel 5.1 a) AVG)
na te komen.
99. Beide verweerders hebben zich eenvoudig verlaten op de beraadslagingen verleend door het
Sectoraal comité voor de Federale Overheid zonder enige toetsing aan de door de AVG gestelde
vereisten sinds het van toepassing worden ervan.
100. Op basis van de feitelijke elementen van het dossier blijkt dat noch verweerder 1 noch verweerder 2
gevolg heeft gegeven aan zijn verantwoordingsplicht in relatie tot het beginsel van rechtmatigheid,
behoorlijkheid en transparantie, hetwelk de Geschillenkamer doet besluiten dat op het ogenblik van
de feiten een inbreuk op de artikelen 5.2 en 24 AVG in hoofde van beide verweerders werd
gepleegd.
101. Met betrekking tot de bovenvermelde inbreuken op de rechtsgrond, de transparantieplicht en de
verantwoordingsplicht houdt de Geschillenkamer rekening met de omstandigheden die ingeroepen
worden door verweerder 1 waarbij doorslaggevend is dat de huidige privacyverklaring van
verweerder 1 een volledige lijst van machtigingen bevat op grond waarvan verweerder 1
persoonsgegevens bij verweerder 2 mag raadplegen, met daarbij in het bijzonder toetreding tot
beraadslaging FO nr. 14/2016. De facturen voor het innen van parkeerretributies werden intussen
aangevuld en bevatten voortaan ook informatie over de verwerking van persoonsgegevens.
Hiermee heeft verweerder 1 aangetoond de nodige aandacht te besteden aan
informatieverstrekking, inzonderheid omtrent de rechtsgrond en de identiteit van de
verwerkingsverantwoordelijke, waarbij verweerder 1 alles in het werk stelt om gelijkaardige
51
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder c), en/of artikel 14, lid 1, onder c), moet de verwerkingsverantwoordelijke
de betrokkene hiervan in kennis stellen.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 30/31
inbreuken op de AVG in de toekomst te voorkomen. Dit is dan ook bepalend omtrent de sanctie die
de Geschillenkamer in deze beslissing oplegt.
102. Ook verweerder 2 verwijst naar zijn privacyverklaring waarin informatie is opgenomen omtrent de
rechtsgrond en de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke. Niettegenstaande verweerder 2
de klager bij e-mail van 15 februari 2021 had laten weten dat er op het ogenblik van de feiten geen
protocolovereenkomst overeenkomstig artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens
was en verweerder 1 ook geen begunstigde was van beraadslaging FO nr. 14/2016 waardoor er dan
ook geen rechtsgrond was, doet verweerder 2 dit thans af als ‘juridisch onjuist’. Verweerder 2 blijft,
net zoals verweerder 1, verdedigen dat op het ogenblik van de feiten verweerder 2 van rechtswege
alle rechten en verplichtingen van AGB Parko had overgenomen. Gelet op het standpunt van de
Geschillenkamer hieromtrent, zoals uiteengezet in deze beslissing, kan deze redenering niet worden
gevolgd. Echter, in de huidige context waarin de situatie is uitgeklaard tussen verweerder 1 en
verweerder 2 om herhaling van gelijkaardige feiten te voorkomen, houdt de Geschillenkamer ook
hiermee rekening bij het bepalen van de door haar op te leggen sanctie.
III. Publicatie van de beslissing
103. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer,
wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is
evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de klager rechtstreeks worden
bekendgemaakt, echter dit met vermelding van de identificatiegegevens van de verweerders
gelet op het algemeen belang van onderhavige beslissing, enerzijds, en de onvermijdelijke
heridentificatie van de verweerders in geval van pseudonimisering, anderzijds.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om op
grond van artikel 100, §1, 5° WOG, een buitenvervolgingstelling te bevelen voor de inbreuk op
artikel 5.1, a), artikel 5.2, artikel 6, artikel 12.1, artikel 14.1 a) en 24 AVG.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving
tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Beslissing ten gronde 105/2023 - 31/31
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel
1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 52. Het verzoekschrift
op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel
1034quinquies van het Ger.W.53, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter
van het Ger.W.).
(get). Dirk Van Der Kelen
Waarnemend Voorzitter van de Geschillenkamer
52
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
53
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de
griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.