1/14
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 138/2022 van 27 september 2022
Dossiernummer : DOS-2021-05008
Betreft : Klacht inzake camerabewaking
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Romain Robert en Jelle Stassijns, leden.
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klagers: 1. De heer X1, hierna “klager 1”
2. De heer X2, hierna “klager 2”
hierna samen “de klagers” :
De verweerder: de heer Y, hierna “de verweerder”.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 2/14
I. Feiten en procedure
1. Op 1 juli 2021 dienen de klagers elk apart klacht in tegen de verweerder bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Deze klachten hebben hetzelfde voorwerp.
2. Het voorwerp van de klachten betreft het plaatsen van een bewakingscamera door de
verweerder, de achterbuur van de klagers met aangrenzende tuinen. De klagers stellen dat
deze camera zich bevindt op een plaats die het toelaat om ook de tuin en de leefruimte van
de klagers te capteren. Klager 2 heeft ook reeds hiervan aangifte gedaan bij de lokale
politiezone Assenede-Evergem in het kader waarvan een controle heeft plaatsgevonden op
27 juli ? augustus ? 2022 door deze bevoegde politiediensten.
3. Op 17 augustus 2021 worden de klachten door de Eerstelijnsdienst samen gevoegd (hierna
dus “de klacht” genoemd) en ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG
en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 15 september 2021 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de
Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst,
samen met de klacht en de inventaris van de stukken.
5. Op 26 november 2021 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het
verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de Inspecteur-generaal
overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG).
6. Op 9 december 2021 wordt overeenkomstig artikel 96, §2 het verzoek van de
Geschillenkamer tot het verrichten van een aanvullend onderzoek overgemaakt aan de
Inspectiedienst.
7. Op 6 januari 2022 wordt het aanvullend onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt
het verslag bij het dossier gevoegd en door de Inspecteur-generaal overgemaakt aan de
Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG).
Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en besluit
dat er sprake is van:
- een inbreuk op artikel 5, lid 1, a), b) en c) en lid 2 van de AVG en op artikel 24, lid 1 van de
AVG; en
- een inbreuk op artikel 8 van de wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en
het gebruik van bewakingscamera’s (hierna: “Camerawet”)1, op artikel 3 van het
Koninklijk besluit van 10 februari 2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt
aangegeven dat er camerabewaking plaatsvindt (hierna: “KB van 10 februari 2008”)2 en
1
Wet van 21/03/2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s, BS 31 mei 2007.
2
Koninklijk besluit van 10/02/2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking
plaatsvindt, BS 21 februari 2008.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 3/14
op artikel 7, artikel 8 en artikel 9 van het Koninklijk besluit betreffende de aangiften van
de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's en betreffende het register van de
beeldverwerkingsactiviteiten van bewakingscamera's (hierna: “Camerabesluit”)3.
8. Op 17 januari 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98
WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
9. Op 17 januari 2022 worden de betrokken partijen per e-mail in kennis gesteld van de
bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens
worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun
verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd
vastgelegd op 28 februari 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klagers? op 21
maart 2022 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 11 april
2022.
10. Op 17 januari 2022 aanvaardt de verweerder de elektronische communicatie omtrent de
zaak.
11. Op 17 januari 2022 aanvaarden de klagers de elektronische communicatie omtrent de zaak.
12. Op 28 februari 2022 ontvangt de Geschillenkamer het verzoek om de conclusietermijnen te
verlengen. Op 28 februari deelt de Geschillenkamer de aangepaste conclusietermijnen mee.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd
vastgelegd op 2 maart 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 23 maart
2022 en ten slotte deze voor de conclusie van dupliek van de verweerder op 13 april 2022.
13. Op 2 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
verweerder voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de
klacht.
14. De Geschillenkamer heeft geen conclusie van repliek van de klager en conclusie van dupliek
van de verweerder ontvangen.
II. Motivering
II.1. Bevoegdheid van de Geschillenkamer
15. Artikel 4, §1, eerste lid WOG stelt:
“De Gegevensbeschermingsautoriteit is verantwoordelijk voor het toezicht op de
naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in
3
Koninklijk besluit van 8 mei 2018 betreffende de aangiften van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's en
betreffende het register van de beeldverwerkingsactiviteiten van bewakingscamera's, BS 15 april 2019.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 4/14
het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de
bescherming van persoonsgegevens.”
16. Artikel 4, §2, tweede lid WOG stelt daarenboven:
“De Gegevensbeschermingsautoriteit is de bevoegde toezichthoudende autoriteit
wanneer geen andere wet anders bepaalt.”
17. Het Hof van Justitie heeft eerder bevestigd dat het vastleggen van beelden van personen
met bewakingscamera’s valt onder het begrip ‘persoonsgegeven’ in de zin van de
Europeesrechtelijke normen inzake gegevensbescherming.4 De bewaking met behulp van
video-opnames van personen die worden vastgelegd (opgeslagen) is een geautomatiseerde
verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 2, lid 1 AVG. 5 De verwerkingen van
persoonsgegevens in die context dienen dus ook rechtstreekse bescherming te genieten
onder de AVG.
18. De bewakingscamera’s die het voorwerp uitmaken van deze klacht, zijn door de verweerder
geplaatst op privédomein (nl. de eigendom van de verweerder). Voor de toepassing van de
AVG kan worden aangestipt dat het plaatsen van bewakingscamera’s op privédomein, en het
gebruik van die bewakingscamera’s waarmee personen worden op beeld vastgelegd, niet
per definitie betekenen dat dit een “zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit” betreft in
de zin van artikel 2, lid 2, punt c) AVG.6
19. Wanneer het videobewakingssysteem bijvoorbeeld de openbare ruimte of het privédomein
van anderen bestrijkt, zelfs gedeeltelijk, en hierdoor buiten de privésfeer geraakt van
diegenen die middels het systeem gegevens verwerken, kan dit niet worden beschouwd als
een activiteit die uitsluitend voor persoonlijke of huishoudelijke doeleinden wordt
uitgevoerd.7 Hierdoor wordt het immers mogelijk beelden te maken van natuurlijke personen
en deze te identificeren.8 Dit is in casu het geval. De Geschillenkamer kan dus onverkort
overgaan tot het opnemen van haar bevoegdheden en de beoordeling van de feiten.
20. De rechtskundige beoordeling van dit dossier zal dus in eerste instantie plaatsvinden aan de
hand van de bepalingen van de AVG. Daarbij stelt zich de vraag in hoeverre de verwerking
4
Arrest HvJEU van 11 december 2014, František Ryneš t. Úřad pro ochranu osobních údajů, C-212/13, ECLI:EU:C:2014:2428
(hierna: arrest Ryneš), par. 22.
5
Vergelijk de analyse in het arrest Ryneš van de vervangen rechtsnorm mutatis mutandis, par. 25.
6
Een privédomein is een ‘niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats’ in de zin van artikel 2, 3° Camerawet. Het artikel
luidt als volgt: “niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats: elk gebouw of elke door een omsluiting afgebakende
plaats, die uitsluitend bestemd is voor het gebruik door de gewoonlijke gebruikers”.
7
Vergelijk met arrest Ryneš, par. 32.
8
Vergelijk met Arrest HvJEU van 24 november 2011, Asociación Nacional de Establecimientos Financieros de Credito en
Federación de Comercio Electrónico y Marketing Directo t. Administración des Estado, C-468-9/10, ECLI:EU:C:2011:777
(hierna: Arrest Asociación Nacional), par. 35
Beslissing ten gronde 138/2022 - 5/14
van persoonsgegevens rechtmatig plaatsvond, in overeenstemming met o.a. de artikelen 5
en 6 van de AVG.
21. Daarnaast zijn ook in de Camerawet en in twee koninklijke besluiten bijkomende
verplichtingen opgelegd relevant voor een aantal aspecten voor de behandeling van
voorliggend dossier. De Geschillenkamer benadrukt echter dat de toepassing van de AVG als
verordening van de Europese Unie voorgaat op de vernoemde nationale wetgeving omwille
van de directe werking en primauteit ervan binnen de Europese rechtsorde.9
II.2. Artikel 5, lid 1, a) en lid 2 van de AVG en artikel 24, lid 1 van de AVG en de
Belgische wetgeving inzake camerabewaking
22. Hierboven benadrukte de Geschillenkamer reeds dat een videobewakingssysteem onder de
bepalingen van de AVG valt, wanneer de gebruikte apparatuur het mogelijk maakt om
persoonsgegevens te registreren en op te slaan. In die zin moet de verwerking van
persoonsgegevens te allen tijde in overeenstemming zijn met de in artikel 5 AVG genoemde
beginselen inzake persoonsgegevensverwerking.
23. In zijn Inspectieverslag stelt de Inspectiedienst vast dat de verweerder een
bewakingscamera heeft geïnstalleerd aan zijn woning zonder daarbij alle beginselen inzake
verwerking van persoonsgegevens in artikel 5, lid 1 van de AVG en alle verplichtingen van de
wetgeving inzake bewakingscamera’s te eerbiedigen. Meer bepaald kwam de
Inspectiedienst tot de conclusie dat de verweerder niet voldaan heeft aan het bepaalde in
artikel 5, lid 1 a), b) en c) AVG.
Artikel 5, lid 1. a) AVG - beginsel “rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”
24. Uitgangspunt van artikel 5, lid 1, a) AVG is dat persoonsgegevens alleen op rechtmatige wijze
mogen worden verwerkt. Dit betekent dat een rechtsgrond voor de verwerking van
persoonsgegevens als bedoeld in artikel 6, lid 1 van de AVG aanwezig moet zijn. Voor wat
betreft de beoordeling van de rechtmatigheid van de verwerking van de persoonsgegevens,
verwijst de Geschillenkamer naar sectie II.3.
25. De verwerking van persoonsgegevens moet eveneens behoorlijk gebeuren. Ten slotte moet
duidelijk zijn voor welke doelen persoonsgegevens worden verwerkt en hoe dat gebeurt
(“transparantie”).
26. In uitvoering van deze principes verbiedt artikel 8 van de Camerawet elk geheim gebruik van
bewakingscamera’s:
9
ie o.m. Arrest HvJEU van 5 februari 1963, NV Algemene Transport- en Expeditie Onderneming van Gend & Loos t.
Nederlandse Administratie der Belastingen, C-26-62, ECLI:EU:C:1963:1; Arrest HvJEU van 15 juli 1964, Flaminio Costa t.
E.N.E.L., C-6-64, ECLI:EU:C:1964:66; omtrent de rechtsbescherming van burgers op basis van het Unierecht en de principes
van ‘directe werking’ en ‘primauteit’, zie C. BARNARD, The Substantive Law of the EU: The Four Freedoms, Oxford (5de ed.),
2016, 17.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 6/14
“Als heimelijk wordt beschouwd, elk gebruik van bewakingscamera’s zonder voorafgaande
toestemming van de gefilmde persoon. Het betreden van een plaats waar een pictogram
aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt, geldt als voorafgaande toestemming”.
27. Artikel 7, §2, zesde lid van de Camerawet schrijft voor dat de verwerkingsverantwoordelijke
een pictogram plaatst bij de toegang tot de niet voor het publiek toegankelijke besloten
plaats dat aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt. Het pictogram heeft dus een
informerende rol en is verplicht met het oog op een transparante verwerking van
persoonsgegevens. Voor wat betreft het pictogram zelf voorziet de Camerawet in een
uniform model, zodat het voor betrokkene altijd duidelijk is dat hij wordt gefilmd. Artikel 3 van
het Koninklijk Besluit van 10 februari 2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt
aangegeven dat er camerabewaking plaatsvindt (hierna: “KB van 10 februari 2008”) 10 bepaalt
de vereisten waar dit pictogram aan moet voldoen. Zo moet het pictogram geplaatst worden
aan de toegang van een niet voor het publiek toegankelijke besloten plaats, zoals een
familiewoning. Op dit pictogram staan een aantal verplichte inlichtingen zoals onder andere
de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke. Op die manier heeft de betrokkene
meteen toegang tot deze informatie over de verwerking en de
verwerkingsverantwoordelijke.
28. De Inspectiedienst stelt in zijn Inspectieverslag vast dat de betrokkenen, in casu de buren,
niet behoorlijk en transparant werden geïnformeerd over de verwerking van hun
persoonsgegevens via de bewakingscamera van de verweerder. De politiezone Assenede-
Evergem heeft immers vastgesteld dat het vereiste pictogram, met de vereiste
vermeldingen, niet aangebracht was. Na de controle van de lokale politiediensten heeft de
verweerder een pictogram aangeschaft om aan deze verplichting te voldoen. De
Inspectiedienst stelt echter vast op basis van foto’s die werden overgemaakt door de
verweerder dat het geplaatste pictogram niet correct was, hetgeen niet in overeenstemming
is met artikel 3 van het KB van 10 februari 2008. Bijgevolg werden de betrokkenen,
waaronder de klagers, niet behoorlijk en transparant geïnformeerd over de litigieuze
verwerking van hun persoonsgegevens.
29. In zijn conclusies voert de verweerder aan dat hij bij de plaatsing van de bewakingscamera
geen weet had van de verplichting om het vereiste pictogram aan te brengen aan de ingang
van een niet voor publiek toegankelijke plaats, in casu zijn eigendom. Van zodra hij hiervan op
de hoogte werd gebracht door de lokale politiediensten tijdens de voormelde controle, heeft
de verweerder? online een pictogram besteld. Evenwel werd vastgesteld dat het bestelde
pictogram niet voldeed aan de vereisten zoals bepaald in het KB van 10 februari 2008.
10
Koninklijk besluit van 10/02/2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking
plaatsvindt, BS 21 februari 2008.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 7/14
Wanneer de verweerder hiervan op de hoogte werd gebracht, heeft hij het correcte
pictogram geplaatst. De verweerder maakt hiervan twee foto’s over.
30. Uit de vaststellingen van de lokale politiediensten en de Inspectiedienst begrijpt de
Geschillenkamer dat niet voldaan is aan de vereisten inzake transparante en behoorlijke
gegevensverwerking, zoals begrepen in artikel 5, lid 1, a) AVG aangezien in eerste instantie
geen pictogram voorzien werd, en nadien in tweede instantie een foutief pictogram
aangebracht werd. De Geschillenkamer komt bijgevolg tot de conclusie dat er een inbreuk
was op artikel 5, lid 1, a) AVG, maar dat dit intussen rechtgezet werd.
31. Ten overvloede wijst de Geschillenkamer nog op artikel 14 AVG dat bepaalt welke informatie
moet worden verstrekt door de verwerkingsverantwoordelijke wanner de
persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen. Ingevolge artikel 12, lid 7, van de
AVG mag deze informatie worden verstrekt door middel van gestandaardiseerde iconen,
zoals het bovengenoemde pictogram. De Geschillenkamer heeft dit aspect niet verder
onderzocht, aangezien dit geen deel uitmaakt van het onderhavige geschil.
Artikel 5, 1, b) AVG - beginsel “doelbinding”
32. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, b) AVG moeten persoonsgegevens voor welbepaalde,
uitdrukkelijk omschreven en welbepaalde doeleinden worden verzamend.
33. Het Inspectieverslag stelt vast dat er sprake is van een inbreuk op het hierboven vermelde
beginsel van “doelbinding” aangezien tijdens de voormelde controle door de Politiezone
Assenede-Evergem bleek dat geen doelstelling van de camerabewaking voorafgaand
geregistreerd werd door de verwerkingsverantwoordelijke. Ook artikel 7, §2, tweede lid van
de Camerawet vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke de beslissing tot het plaatsen
van een of meer bewakingscamera’s in een niet voor het publiek toegankelijke besloten
plaats moet meedelen aan de politiediensten, uiterlijk de dag voor die waarop de
bewakingscamera in gebruik wordt genomen.
34. Tijdens het onderzoek van de Inspectiedienst heeft de verwerkingsverantwoordelijke
meegedeeld dat het doel van de verwerking luidt als volgt:
“In eerste instantie heb ik deze camera aangeschaft in 2019 voor het beveiligen van mijn
achtertuin en zeker mijn carport/garage waarin zich 2 moto’s bevinden met een waarde
boven de 40.000 Euro.”
35. De verweerder werpt op dat de camerabewaking werd geplaatst met de bedoeling om het
beveiligen van zijn eigen achtertuin met carport waar zich motorvoertuigen met een hoge
waarde bevinden. Hierbij benadrukt de verweerder dat hij niet op de hoogte was omtrent de
verplichte registratie en dat het eveneens niet zijn bedoeling was om de privacy van zijn
buren te schenden. De nodige registratie van de camerabewaking werd in orde gebracht na
de voormelde controle door de lokale politiediensten.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 8/14
36. De Geschillenkamer stelt vast dat de nodige registratie van het doel van de camerabewaking
niet tijdig werd uitgevoerd bij de bevoegde lokale politiediensten, waardoor er niet kan
gesteld worden dat de gegevens verwerkt werden voor een welbepaalde, uitdrukkelijk
omschreven en welbepaalde doeleinde. Bijgevolg is er sprake van een inbreuk op artikel 5,
lid 1, b) AVG. Op basis van de documenten overgemaakt door de verweerder, stelt de
Geschillenkamer vast dat de camerabewaking intussen geregistreerd werd bij de lokale
politiediensten met als doel het beveiligen van zijn eigen achtertuin met carport waar zich
motorvoertuigen met een hoge waarde bevinden.
Artikel 5, lid 1, c) AVG - beginsel “minimale gegevensverwerking”
37. Het beginsel van minimale gegevensverwerking zoals bepaald in artikel 5, lid 1, c) AVG stelt
dat de verwerkte persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt moeten zijn tot
wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Hieruit volgt dat de
persoonsgegevens alleen mogen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet
redelijkerwijs op een andere manier kan worden verwezenlijkt.
38. De Inspectiedienst verwijst in zijn verslag naar de verklaring van de verweerder tijdens het
onderzoek. In deze verklaring stelt de verweerder dat de camera een bewegingsfunctie
heeft, maar dat deze functionaliteit werd afgezet op aanraden van de lokale politiediensten
tijdens de voormelde controle ter plaatse. De Inspectiedienst meent dat in de periode voor
het vastzetten van de bewegingsfunctie er meer persoonsgegevens werden verwerkt, of
konden worden verwerkt, dan nodig was waardoor het beginsel “minimale
gegevensverwerking” niet gerespecteerd werd.
39. De verweerder maakt samen met zijn conclusies foto’s over van een omhulsel dat werd
gemaakt rond de bewakingscamera waardoor in ieder geval enkel nog een deel van de eigen
tuin en de garage kan worden gefilmd. De verweerder maakt ook foto’s over waaruit blijkt
dat de bewakingscamera nu enkel de eigen tuin van de verweerder kan filmen. Gelet op het
bovenstaande besluit de verweerder dan ook dat er op het moment van het schrijven van zijn
conclusies niet langer sprake kan zijn van een inbreuk op artikel 5, lid 1, c) AVG.
40. De Geschillenkamer stelt vast dat uit het Inspectieonderzoek en uit de conclusies van de
verweerder blijkt dat de bewakingscamera meer kon filmen dan de garage/carport van de
verweerder hetgeen een inbreuk op artikel 5, lid 1 c) AVG uitmaakt. Op basis van de
documenten overgemaakt door de verweerder, stelt de Geschillenkamer vast dat deze
inbreuk intussen rechtgezet werd.
Artikel 5, lid 2 j° artikel 24, lid 1 AVG - verantwoordingsplicht
41. Gelet op de inbreuken op bovenstaande beginselen stelt de Inspectiedienst vast dat de
verweerder de volgende elementen niet aantoont:
- hoe de betrokkenen behoorlijk en transparant geïnformeerd werden;
Beslissing ten gronde 138/2022 - 9/14
- dat de verwerking van persoonsgegevens via de bewakingscamera van de verweerder
voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden gebeurt;
- dat de bewakingscamera van de verweerder niet meer persoonsgegevens verwerkt dan
die persoonsgegevens die toereikend en ter zake dienend zijn voor de doeleinden
waarvoor zij verwerkt zijn.
42. Bijgevolg komt de Inspectiedienst tot de conclusie dat er ook sprake is van een inbreuk op
de verantwoordingsplicht zoals begrepen in artikel 5, lid 2 j° artikel 24, lid 1 AVG.
43. Daarnaast stelt de Inspectiedienst ook een inbreuk vast op de artikelen 7, 8 en 9 van het
Camerabesluit aangezien de verweerder geen kopie heeft bezorgd van het register van
beeldverwerkingsactiviteiten, ondanks het verzoek van de Inspectiedienst.
44. In zijn conclusies heeft de verweerder een en ander omtrent de bovenstaande door de
Inspectiedienst vastgestelde inbreuken willen verduidelijken. Met betrekking tot het
gedateerde register van beeldverwerkingsactiviteiten stelt de verweerder dat hij had
vernomen dat hij geen dergelijk register hoefde bij te houden omdat de camera op een
besloten plaats geïnstalleerd werd en de beelden maximaal één maand worden bijgehouden.
Intussen is hij op de hoogte dat deze verplichting wel van toepassing is en in de periode
tussen het afronden van het Inspectieverslag en het overmaken van de conclusies, heeft de
verweerder een verkort register van beeldverwerkingsactiviteiten opgesteld, waarvan hij
ook foto’s overmaakt.
45. De Geschillenkamer herinnert eraan dat elke verwerkingsverantwoordelijke de
basisprincipes van gegevensbescherming, zoals bepaald in artikel 5, lid 1 van de AVG moet
naleven en dat moet kunnen aantonen. Dat vloeit voort uit de verantwoordingsplicht in artikel
5, lid 2 van de AVG juncto artikel 24, lid 1 van de AVG.
46. Op basis van artikel 7, §2, vijfde lid van de Camerawet en de artikelen 7, 8 en 9 van het KB van
8 mei 2018 betreffende de aangiften van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s
en betreffende het register van beeldverwerkingsactiviteiten van bewakingscamera’s 11
(hierna: “Camerabesluit”) moet de verwerkingsverantwoordelijke een register van
beeldverwerkingsactiviteiten van bewakingscamera’s bewaren zolang hij met
bewakingscamera’s een beeldverwerking uitvoert. Het voormelde register moet actueel
worden gehouden door de verwerkingsverantwoordelijke, in casu de verweerder. Dit register
bevat onder meer de naam en de contactgegevens van de verantwoordelijke, de precieze
doeleinden van de verwerking, de categorieën van de ontvangers, eventuele doorgifte aan
derde landen, de bewaartermijn, een beschrijving van de beveiligingsmaatregelen en ook een
aantal typische informatieelementen eigen aan het cameragebruik zoals bijvoorbeeld de
vermelding van het type plaats. De Geschillenkamer wijst erop dat het bijhouden van
11
BS 23 mei 2018
Beslissing ten gronde 138/2022 - 10/14
dergelijk register van beeldverwerkingsactiviteiten een basis biedt aan de
verwerkingsverantwoordelijke om te voldoen aan de verantwoordingsplicht zoals bepaald in
artikel 5, lid 2 en artikel 24, lid 1 AVG.
47. De Geschillenkamer stelt vast dat op het moment van het Inspectieonderzoek het vereiste
register van beeldverwerkingsactiviteiten niet werd opgesteld en bijgehouden door de
verweerder, hetgeen een inbreuk op artikel 5, lid 2 en artikel 24, lid 1 AVG uitmaakt. Op
basis van de documenten overgemaakt door de verweerder, stelt de Geschillenkamer vast
dat deze inbreuk intussen rechtgezet werd.
48. Ten overvloede wijst de Geschillenkamer er nog op dat zij in het licht van het bepaalde in
artikel 30, lid 5, van de AVG, dat een uitzondering bevat op de verplichting om ook
rechtstreeks op grond van de AVG een verwerkingsregister bij houden, het register niet
heeft beoordeeld aan de hand van artikel 30, lid 1, van de AVG.
II.3. Artikel 6, lid 1, f) van de AVG
49. Hierboven benadrukte de Geschillenkamer reeds dat een videobewakingssysteem onder de
bepalingen van de AVG valt, wanneer de gebruikte apparatuur het mogelijk maakt om
persoonsgegevens te registreren en op te slaan. In die zin moet de verwerking van
persoonsgegevens beantwoorden aan één van de voorwaarden voor een rechtmatige
verwerking onder artikel 6 AVG.
50. Zoals hierboven uiteengezet is de verwerking van persoonsgegevens slechts rechtmatig
indien deze is gebaseerd op één van de rechtsgronden zoals opgesomd in artikel 6, lid 1 van
de AVG. Aangezien de verwerking van persoonsgegevens via een camera in casu plaatsvindt
voor de behartiging van een belang van de verwerkingsverantwoordelijke zal moeten
worden getoetst in hoeverre wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6, lid 1, f) van de AVG
(“gerechtvaardigd belang”).
51. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie 12 omvat deze toets drie stappen:
De verwerkingsverantwoordelijken dienen aan te tonen dat:
1) de belangen die zij met de verwerking nastreven, als gerechtvaardigd kunnen worden
erkend (de “doeltoets”);
2) de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die belangen (de
“noodzakelijkheidstoets”); en
3) de afweging van die belangen ten opzichte van de belangen, fundamentele vrijheden en
grondrechten van betrokkenen doorweegt in het voordeel van de
verwerkingsverantwoordelijken of van een derde (de “afwegingstoets”).
12
Zie ook Arrest Asociación Nacional, 24 november 2011, C-468/10
Beslissing ten gronde 138/2022 - 11/14
Doeltoets
Overeenkomstig overweging 47 van de AVG is “is een zorgvuldige beoordeling geboden om
te bepalen of sprake is van een gerechtvaardigd belang, alsook om te bepalen of een
betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens
redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden.”
52. In voorliggend dossier heeft de verweerder als private persoon een bewakingscamera
geïnstalleerd. De belangen die de verweerder in deze context nastreeft heeft hij omschreven
als volgt:
“In eerste instantie heb ik deze camera aangeschaft in 2019 voor het beveiligen van mijn
achtertuin en zeker mijn carport/garage waarin zich 2 moto’s bevinden met een waarde
boven de 40.000 Euro.”
53. Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (hierna: de EDPB ) heeft eerder
aangegeven dat inbraak, vandalisme of diefstal voorbeelden zijn van situaties die
videobewaking rechtvaardigen.13 In de gegeven situatie staat voor de Geschillenkamer vast
dat het verwerken van gegevens ten behoeve van de bewaking van de garage/carport een
gerechtvaardigd doel is.
Noodzakelijkheidstoets
54. Het Hof van Justitie heeft in het kader van camerabewakingssystemen onderstreept dat
deze voorwaarde inzake de noodzakelijkheid moet onderzocht worden in samenhang met
het beginsel van “minimale gegevensverwerking”, dat momenteel is vastgelegd in artikel 5,
lid 1, punt c) AVG.14 Persoonsgegevens moeten toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt
tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
Zoals hierboven vastgesteld, blijkt uit het Inspectieverslag en de conclusies van de
verweerder dat niet alleen de garage/carport van de verweerder gefilmd werd, maar ook
delen van de privé-eigendom van de klagers. Een dergelijke opstelling van een
bewakingscamera kan bezwaarlijk beantwoorden aan het principe van minimale
gegevensverwerking. De Geschillenkamer stelt vast dat constant filmen van (een deel van)
de tuin en (een deel van) het huis van de klagers als buren van de verweerder niet kan aanzien
worden als “ter zake dienend”, laat staan “noodzakelijk” voor de verweerder om zijn
gerechtvaardigde belang, boven genoemd, te waarborgen. Dat er een omhulsel voorzien
werd rond de camera, doet geen afbreuk aan de initiële inbreuk.
13
Richtsnoeren EDPB 3/2019, par. 1
14
Arrest Asociación Nacional 24 november 2011, C-468/10, par. 48.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 12/14
Afwegingstoets
55. Hoewel het niet doorstaan van de ‘noodzakelijkheidstoets’ reeds voldoende is om vast te
stellen dat de verwerking van persoonsgegevens middels de bewakingscamera
onrechtmatig plaatsvond, onderzoekt de Geschillenkamer ten overvloede
of het bestaan van fundamentele rechten en vrijheden van de bij de gegevensbescherming
betrokken personen (de klagers) al dan niet prevaleren boven de gerechtvaardigde belangen
van de verweerder.
56. Die afweging hangt af van de bijzondere omstandigheden van een concreet geval en de
rechten van de betrokken klagers ingevolge artikel 7 en 8 van het Handvest van de Europese
Unie met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en
gegevensbescherming.15 In die zin kan rekening worden gehouden met de ernst van de
inbreuk op de rechten en vrijheden van de klagers als essentieel onderdeel van de analyse. 16
Daarbij kan worden opgemerkt dat het voortdurend in beeld brengen van privé-
eigendommen van de buren een ernstige inbreuk vormt op deze grondrechten. Dit is temeer
het geval wanneer een andere, minder invasieve verwerking mogelijk gebleken is, te weten
het voorzien van het omhulsel rond de bewakingscamera. Er kan ook worden aangestipt dat
het buiten de objectieve verwachtingen van betrokkenen valt dat de bewakingscamera op
dergelijke wijze is gepositioneerd, waarbij deze constant een deel van het privédomein van
de klagers filmt.17 Dit is onder meer het geval omdat de bewakingscamera niet werd
geplaatst in overeenstemming met de bepalingen omtrent de opstelling van
bewakingscamera’s onder het nationaal recht (de Camerawet), zoals uiteengezet in Sectie
II.2 van deze beslissing. Bijgevolg stelt de Geschillenkamer vast dat de verwerking in kwestie
niet voorzienbaar was voor de klagers.
57. Bijgevolg is er in de gegeven omstandigheden tevens sprake is van een inbreuk op artikel 6,
lid 1, f) AVG aangezien de bewakingscamera beelden met persoonsgegevens op
onrechtmatige wijze heeft verwerkt. Hoewel er wel gerechtvaardigde belangen bestaan voor
de verweerder in de zin van punt f) van artikel 6, lid,1 AVG, zijn de concrete verwerkingen niet
noodzakelijk voor het waarborgen van die belangen, en wegen de grondrechten en
fundamentele vrijheden van de klagers en andere betrokkenen zwaarder dan die belangen.
II.4. Inbreuken
58. Op basis van de stukken uit het dossier stelt de Geschillenkamer vast dat er sprake was van
een inbreuk op artikel 5, lid 1, a), b) en c) en lid 2, artikel 6, lid 1, f) en artikel 24, lid 1 van de AVG.
15
Arrest Asociación Nacional 24 november 2011, C-468/10; par. 52; Richtsnoeren EDPB 3/2019, par. 32-35.
16
Arrest Asociación Nacional 24 november 2011, C-468/10, par. 56.
17
Omtrent deze ‘objectieve verwachtingen’, zie EDPB Richtsnoeren 3/2019, par. 36
Beslissing ten gronde 138/2022 - 13/14
Hoewel de verweerder deze inbreuken verholpen heeft, staat het wel vast dat er inbreuken
op het recht op gegevensbescherming plaatsgevonden hebben. Bij het bepalen van de
sanctie houdt de Geschillenkamer rekening met het feit dat de verweerder dit reeds
rechtgezet heeft en bewijsstukken hiervan overmaakt. De Geschillenkamer besluit dan ook
dat in de concrete feitelijke omstandigheden van deze zaak, een berisping voor de voormelde
inbreuken volstaat. De ernst van de inbreuk is niet zodanig dat een administratieve boete
dient te worden opgelegd.
III. Publicatie van de beslissing
59. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
- Op grond van artikel 100, §1, 5 WOG, een berisping te formuleren.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van
beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 18. Het
18
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
Beslissing ten gronde 138/2022 - 14/14
verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.19, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
19
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief
gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.