Kopie
Afgeleverd aan: mr. ROETS Joos
art. 792 Ger. W.
Vrij van griffierecht - art. 280,2° W.Reg.
63
| Repertoriumnummer 2025 / 5579 |
| --- |
| Datum van uitspraak 3 september 2025 |
| Rolnummer 2025/AR/253 |
Uitgifte
| Uitgereikt aan | Uitgereikt aan | Uitgereikt aan |
| --- | --- | --- |
| op € BUR | op € BUR | op € BUR |
☐ Registreerbaar
☑ Niet registreerbaar
# Hof van beroep
# Brussel
Sectie Marktenhof
19de kamer A
# Arrest
| Aangeboden op |
| --- |
| Niet te registreren |
COVER 01-00004515341-0001-0019-01-01-1
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 2
**MEDIAHUIS NV**, zoals ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0439.849.666, met maatschappelijke zetel te 2050 ANTWERPEN, Katwilgweg 2,
Verzoekster, hierna ook "*Mediahuis*",
vertegenwoordigd door Meester CLINCK Jan en Meester VANDENDRIESSCHE Gerrit, beide advocaten kantoorhoudende te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C bus B414
TEGEN
**GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT**, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Drukpersstraat 35,
Verweerster, hierna ook "*GBA*",
vertegenwoordigd door Meester ROETS Joos, advocaat kantoorhoudende te 2018 ANTWERPEN, Oostenstraat 38 bus 201
***
Gelet op de procedurestukken :
- de beslissing nr. 07/2025 van 15 januari 2025 in het dossier met dossiernummer DOS-2020-02815 van de Geschillenkamer van de GBA (hierna de "Bestreden Beslissing" of de "Beslissing");
- het verzoekschrift van 14 februar 2025, waarmee Mediahuis NV (hierna "Mediahuis") beroep aantekent gegen de voornoemde beslissing;
- de syntheseconclusions en stukkenbundels zoals neergelegd door partijen.
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 18 juni 2025 waarna de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak op **3 september 2025**.
PAGE 01-00004515341-0002-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 3
# I. Feiten en procedurele voorgaanden
1. De klager stelt volgens de Geschillenkamer, in essentie, niet te hebben ingestemd met het gebruik van zijn persoonsgegevens via Jobat in het kader van een vennootschapsrechtelijke transactie waarbij activa (in casu gebruiksovereenkomsten met werkzoekenden) werden overgedragen door Mediahuis aan Hors bv (hierna “Hors”). Hors is een aparte rechtspersoon die het resultaat is van een joint venture (“gezamenlijke onderneming”), opgericht door enerzijds Mediahuis en anderzijds DPG Media nv in juni 2019.
2. Dit dossier bouwt verder op dossier DOS-2019-06505 dat thans niet ter discussie staat. Op 25 maart 2020, beval de Geschillenkamer daarin middels een prima facie beslissing Mediahuis om gevolg te geven aan het verzoek tot inzage ingediend door de klager overeenkomstig artikel 15 AVG en hem de nodige informatie te verschaffen. Omwille van een “menselijke vergissing” zou Mediahuis deze beslissing echter niet hebben ontvangen en kreeg zij er pas veel later kennis van.
3. Op 6 mei 2020 beantwoordde Mediahuis het verzoek tot inzage van de klager en stuurde zij hem een kopie van de gevraagde informatie en documentatie. Diezelfde dag nog maakte de klager hieromtrent enkele bedenkingen over aan de Geschillenkamer.
4. Op 14 mei 2020 informeerde de Geschillenkamer de klager dat hij een nieuwe klacht kon indienen waarna deze klacht als nieuw dossier behandeld kon worden.
5. Op 14 mei 2020 diende de klager effectief een nieuwe klacht in via het daartoe bestemde online formulier (stuk 1 administratief dossier GBA) :
“Dit dossier bouwt voort op mijn dossier DOS-2019-06505 waarin ik via uw instelling het bedrijf moet aanmanen om mij inzage te geven in mijn persoonsgegevens. Na maanden wachten op een antwoord, moet ik de conclusie trekken dat er talrijke inbreuken zijn gepleegd en verzoek ik de Gegevensbeschermingsautoriteit dat te onderzoeken en te bestraffen. Alle stukken zijn toegevoegd in mijn e-mail.”
6. Op 16 juni 2020 oordeelde de Eerstelijnsdienst dat de klacht ontvankelijk was, werd een nieuw dossier geopend (DOS-2020-02815) en maakte zij het dossier over aan de Geschillenkamer.
7. Op 10 juli 2020 vatte de Geschillenkamer de Inspectiedienst met het oog op een onderzoek als volgt gelibelleerd (stuk 3 administratief dossier GBA) :
“De Geschillenkamer heeft immers vastgesteld dat er onduidelijkheid bestaat omtrent:
PAGE 01-00004515341-0003-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 4
- de door de verwerkingsverantwoordelijke (de NV Mediahuis) gehanteerde bewaartermijnen, het feit of betrokkene overeenkomstig artikel 12 e.v. AVG al dan niet correct werd geïnformeerd betreffende deze termijnen en het feit of deze bewaartermijnen in casu al dan niet werden overschreden voor de door klager in zijn klacht vermelde persoonsgegevens; en
- de (al dan niet) doorgifte van persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke aan derde partijen en het feit of de klager conform de AVG geïnformeerd werd en/of zijn toestemming verleende voor deze doorgifte (aan o.m. DPG Media NV - Jobat).
In het kader van het onderzoek, vond tussen juli 2020 en juni 2021 correspondentie plaats tussen enerzijds de Inspectiedienst en de klager en anderzijds de Inspectiedienst en Mediahuis.
8. Vervolgens, op 8 juni 2021, maakte de Inspectiedienst een onderzoeksverslag over aan de Geschillenkamer waarin zij ervan uitging dat de relevante vennootschapsrechtelijke transactie een “fusie” was en daaraan de volgende conclusie koppelde (stuk 40 administratief dossier GBA) :
“Jobatgebruikers en klager werden aldus niet voorafgaandelijk op de hoogte gebracht van de fusie, maar werd enkel geïnformeerd door het privacybeleid van Mediahuis nv (zie hierboven), dus pas nadat de fusie was gebeurd. De Inspectiedienst vindt dat Mediahuis nv de persoonsgegevens van klager hierdoor niet verwerkte op een manier die ten aanzien van de klager transparant was, zoals wordt voorgeschreven door artikel 5§1a AVG. Er moet namelijk ook rekening worden gehouden met de redelijke verwachtingen van de betrokkene om behoorlijke informatie te krijgen aangaande het feit van de fusie en doorgifte van hun persoonsgegevens, hun rechten en de mogelijke gevolgen hiervan. De verwachtingen van de betrokkenen op “verbeterende transparantie” zijn sinds de AVG toegenomen. Minstens had tijdens een overgangsperiode kunnen worden vermeld op de website van jobat dat persoonsgegevens waren overgenomen uit de fusie en wat de rechten waren van jobatgebruikers dienaangaande onder de AVG in afwachting van later hergebruik.”
9. Op 5 april 2022 stelde de Geschillenkamer partijen ervan in kennis dat de klacht ten gronde behandeld zou worden.
10. Op 5 november 2024 vond een hoorzitting plaats.
11. Op 15 januari 2025 nam de Geschillenkamer de Bestreden Beslissing. Op vraag van de raadslieden van Mediahuis, liet de GBA op 12 februari 2025 weten dat zij akkoord was om de uitvoerbaarheid van de Bestreden Beslissing vrijwillig op te schorten.
12. Op 14 februari 2025 stelde Mediahuis onderhavig beroep in bij het Marktenhof.
PAGE 01-00004515341-0004-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 5
## II. Bestreden Beslissing
Op 15 januari 2025 neemt de Geschillenkamer van de GBA een beslissing ten gronde.
De Geschillenkamer beslist, onder meer (samengevat), dat :
- de doorgifte van de persoonsgegevens afkomstig uit Jobat-activiteiten vanwege Mediahuis aan Hors [...], een verwerking uitmaakt overeenkomstig artikel 4.2 AVG (zie randnummer 66 Bestreden Beslissing);
- Mediahuis zich voor de litigieuze doorgifte Niet kon steunen op artikel 6.1, onder b), AVG;
- Mediahuis zich wel kon baseren op artikel 6.1, onder f), AVG, maar toch een inbreuk pleegde op dat artikel door de bij deze bepaling vereiste analyse niet te hebben gemaakt voorafgaand aan de doorgifte;
- Mediahuis een inbreuk pleegde op artikel 5.1, onder a), artikel 12.1 juncto artikel 13 AVG, nu zij onvoldoende informatie verstrekte aan betrokkenen vóór de doorgifte van persoonsgegevens aan Hors bij het oprichten van de joint venture voor de overname van de activiteiten van “Jobat”.
Het dispositief van de beslissing luidt als volgt :
“OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
- Op grond van artikel 100 § 1, 5° WOG, de verweerder te berispen voor de inbreuk op artikel 6.1.f AVG en voor de inbreuk op artikelen 5.1.a, 12 en 13 AVG;
- Op grond van artikel 100 § 1, 9° WOG, de verweerder te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht door het nemen van maatregelen teneinde betrokkenen op actieve wijze te informeren over de aspecten van de doorgifte van persoonsgegevens binnen een joint venture (artikel 5.1.a, artikel 12.1j° artikel 13 AVG) en dit overeenkomstig de bewoording van het bevel in deze beslissing;
- Op grond van artikel 100 §1, 1° WOG de klacht te seponeren voor wat betreft de grieven inzake de bewaartermijnen en de juistheid van bepaalde abonnegegevens;
- Op grond van artikel 100 § 1, 16° WOG, de beslissing op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit te publiceren zonder weglating van de identificatiegegevens van de betrokken ondernemingen.”
Het is tegen deze beslissing dat onderhavig beroep werd ingesteld door Mediahuis.
PAGE 01-00004515341-0005-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 6
### III. Voorwerp van de vorderingen
In het dispositief van haar syntheseconclusie van 7 mei 2025 vordert **Mediahuis** :
*“De beslissing 07/2025 van 15 januari 2025 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit integraal te vernietigen.*
*In ieder geval, de Gegevensbeschermingsautoriteit te veroordelen tot de betaling van alle kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding aan het basistarief voor niet in geld waardeerbare vorderingen (1.883,72 EUR).”*
Namens de **GBA** wordt in syntheseconclusies gevraagd het ingestelde verhaal ongegrond te verklaren, Mediahuis vervolgens te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding en in voorkomend geval de GBA als orgaan van de overheid vrij te stellen van de betaling van de rolrechten.
### IV. Juridisch kader (niet exhaustief)
AVG :$^{1}$
Overweging **39** preambule
Overweging **129** preambule
Artikel **4.2**
Artikel **5.1** en **5.2**
Artikel **6.1**
Artikel **12.1**
Artikel **13**
$^{1}$ Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, *Pb. L 119*, 4 mei 2016.
PAGE 01-00004515341-0006-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 7
Artikel 58.2, onder j)
Artikel 84.1
# V. Beoordeling door het Marktenhof
# AANGAANDE DE ONTVANKELIJKHEID
13. Er zijn geen redenen en er worden er ook geen aangevoerd om het beroep niet ontvankelijk te verklaren. De door Mediahuis aangevoerde middelen betreffen de grond van de zaak.
Het beroep werd tijdig en vormelijk correct ingesteld en is dus ontvankelijk.
# AANGAANDE DE GROND
EERSTE MIDDEL MEDIAHUIS : Schending van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik.
Eerste verweermiddel GBA.
# Samenvatting standpunten partijen
In een eerste onderdeel, werpt Mediahuis op dat de Geschillenkamer een foutieve toepassing van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik maakt, zoals ingevuld door het Hof van Cassatie en het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). De Geschillenkamer is niet nagegaan of de klager zijn klachtrecht uitoefende als een voorzichtig en redelijk persoon en schendt zodoende het vermeld algemeen rechtsbeginsel. Waar de Geschillenkamer thans voor het Marktenhof, post factum, opwerpt dat de klager beschikte over een redelijk en voldoende belang, is dit geenszins terug te vinden in de Bestreden Beslissing.
In een tweede onderdeel, voert Mediahuis een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan doordat de Geschillenkamer het beweerd rechtsmisbruik onvoldoende onderzocht. Zij paste immers op verkeerde wijze het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik toe terwijl zij dat bijvoorbeeld wel deed in haar Roularta beslissing.
Vervolgens, in een derde onderdeel, stelt Mediahuis dat door niet te antwoorden op het door Mediahuis aangevoerde rechtsmisbruik alsook de meest recente en relevante rechtspraak van de hoogste rechtscolleges niet in rekening te nemen, de Bestreden Beslissing het motiveringsbeginsel schendt.
PAGE 01-00004515341-0007-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 8
Tot slot, in een vierde onderdeel, stelt Mediahuis dat de klager zijn rechten heeft uitgeoefend op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bezorgd persoon.
De GBA laat gelden, in een eerste onderdeel, dat de Bestreden Beslissing de juridische draagwijdte van het begrip rechtsmisbruik niet heeft miskend. Het nalaten van de klager om zijn recht op gegevensbescherming uit te oefenen is op zichzelf geen afdoende reden om tot misbruik van het klachtrecht te besluiten. Hoe dan ook had de klager in casu duidelijk zijn inzagerecht uitgeoefend.
In een tweede onderdeel, stelt de GBA dat de Geschillenkamer de door Mediahuis aangedragen vermeende aanwijzingen van misbruik van het klachtrecht wel degelijk zorgvuldig heeft onderzocht. De Geschillenkamer heeft oog gehad voor alle concrete omstandigheden van de zaak, zowel elementen die belasten als elementen die ontlasten.
Ten derde, is de beslissing dat de klager geen misbruik heeft gemaakt van het klachtrecht niet aangetast door een motiveringsgebrek.
Tot slot, en in een vierde onderdeel, voert de GBA aan dat het middel hoe dan ook niet tot een vernietiging kan leiden gezien de Geschillenkamer zelfs bij vaststelling van rechtsmisbruik kan beslissen om de zaak inhoudelijk te behandelen.
# Beoordeling door het Marktenhof
14. Krachtens artikel 77.1 van de AVG, heeft iedere betrokkene, onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, het recht om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens inbreuk maakt op deze verordening.
Het Hof van Justitie oordeelt dat de toepassing van een nationale regel inzake rechtsmisbruik geen afbreuk mag doen aan de volle werking en de eenvormige toepassing van de Uniebepalingen in de lidstaten. In het bijzonder mogen de nationale rechterlijke instanties bij de beoordeling van de uitoefening van een uit een Uniebepaling voortvloeiend recht de strekking van deze bepaling niet wijzigen noch de daardoor nagestreefde doelstellingen in gevaar brengen.² Mits naleving van de hiervoor vermelde voorwaarden, kan een uit een Uniebepaling voortvloeiend recht, waaronder het
² HvJ 12 mei 1998, C-367/96 Kefalas e.a., met conclusie AG TESAURO (nrs. 19-22) ; HvJ 23 maart 2000,
C-373/97, Diamantis, met conclusie AG SAGGIO (nr. 34), https://curia.europa.eu. Zie ook : LENAERTS
A., Fraus omnia corrumpit in het privaatrecht, Brugge, die Keure 2013, 406-407, nr. 353.
PAGE 01-00004515341-0008-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 9
in artikel 77.1 AVG bedoelde recht, worden onderworpen aan het nationaalrechtelijk verbod van rechtsmisbruik.³
15. Mediahuis verwijst in haar eerste middel naar een vermeende schending door de GBA van het verbod op rechtsmisbruik.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie bestaat rechtsmisbruik in de uitoefening van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de uitoefening van dat recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon.⁴
16. Mediahuis is van mening dat de klager in dit dossier tracht zijn gram te halen op basis van andere motieven dan gegevensbescherming. Zij stelt ook in de procedure voor het Marktenhof dat het gedrag van de klager niet strookt met de normale uitoefening van het klachtrecht zoals een voorzichtig en bezorgd persoon.
17. De a posteriori motivering die de GBA thans deels in conclusies aanvoert is niet pertinent om een vermeend gebrek aan motivering of zorgvuldigheid in de Bestreden Beslissing goed te maken. Maar anders dan Mediahuis voorhoudt in conclusies moet de GBA niet uitgaan van de hypothese dat het gedrag van een klager - kennelijk - niet zou stroken met de normale uitoefening van het klachtrecht zoals een bedachtzaam en voorzichtig persoon. Om die bewering te staven, dient Mediahuis concrete en tastbare bewijzen aan te voeren, hetgeen zij niet doet en ook niet gedaan heeft voor de GBA.⁵ Het recht op gegevensbescherming is een grondrecht en de GBA moet niet ambtshalve en stelselmatig eventuele verborgen motieven van een klager achterhalen teneinde na te gaan of er mogelijks sprake is van rechtsmisbruik.
In randnummers 19 tot en met 35 van de Bestreden Beslissing onderzoekt de GBA de aantijging van rechtsmisbruik in het kader van het door de klager uitgeoefende klachtrecht. De GBA heeft in de Bestreden Beslissing deugdelijk geantwoord (geen motiveringsgebrek in dit verband) op de aantijging van rechtsmisbruik die Mediahuis voor haar aanvoerde. Uit de Bestreden Beslissing zelf en uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat een ernstig onderzoek (geen onzorgvuldigheid in dit verband) door de GBA is gevoerd naar de aantijging van rechtsmisbruik. Anders dan Mediahuis meent, bevat de Bestreden Beslissing ook een afdoende motivering waarom de GBA van oordeel is dat er in casu geen sprake is van misbruik van klachtrecht of van rechtsmisbruik. Terecht stelt de GBA
³ Cass. 10 januari 2025, C.22.0110.N, www.juportal.be.
⁴ Cass. 13 juni 2024, C.23.0223.N ; Cass. 20 januari 2023, C.22.0069.N ; Cass. 20 januari 2023, C.21.0499.N ; Cass. 3 februari 2017, C.16.055.N, TBH 2018, 579 met noot STRUYVEN H. ; Cass. 1
oktober 2010, C.09.0565.N ; Cass. 8 februari 2010, C.09.0416.F ; Cass. 9 maart 2009, C.08.0331.F en Cass. 12 december 2005, S.05.0035.F.
⁵ De partij die rechtsmisbruik aanvoert, dient deze te bewijzen ; conform Cass. 3 februari 2017, nr. C.16.0055.N., TBH 2018, p. 579, noot H. STRUYVEN en Cass. 23 mei 2019, C.16.0474.F.
PAGE 01-00004515341-0009-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 10
dat, onder meer, het eventueel grof taalgebruik van de klager, het bestaan van een commercieel dispuut, een verzoek van de klager tot sanctionering van Mediahuis, het niet uitoefenen door de klager van rechten bij een verwerkingsverantwoordelijke en de eventuele desinteresse van de klager in het vervolg van de procedure niet volstaan om in onderhavig dossier te besluiten tot een inbreuk op het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op rechtsmisbruik in hoofde van de klager.
Het eerste middel van Mediahuis is ongegrond.
# **TWEEDE MIDDEL MEDIAHUIS : Schending van het rechtszekerheidsbeginsel door zonder objectieve en redelijke verantwoording af te wijken van eigen beleidslijnen.**
*Tweede verweermiddel GBA.*
# **Samenvatting standpunten partijen**
**Mediahuis** voert aan dat hoewel de Geschillenkamer erkende dat de klager zijn rechten niet voorafgaandelijk bij Mediahuis had uitgeoefend, zij niet overging tot een seponering terwijl zij steevast klachten seponeert wanneer de betrokkene niet eerst zijn rechten bij de verwerkingsverantwoordelijke zelf heeft uitgeoefend. Dit staat ook zo opgenomen in het sepotbeleid van de Geschillenkamer en de huidige wetgeving werd ook in die zin aangepast (ontvankelijkheidsvoorwaarde).
De **GBA** stelt dat er geen “recht op sepot” bestaat en dat de Geschillenkamer, gelet op haar discretionaire bevoegdheid, niet hoeft te verantwoorden waarom zij een zaak niet seponeert. De Geschillenkamer is ook niet gebonden door haar eigen sepotbeleid, dat enkel indicatieve criteria weergeeft op basis waarvan een betrokkene kan inschatten of het waarschijnlijk is dat zijn klacht ten gronde zal worden behandeld door de Geschillenkamer.
# **Beoordeling door het Marktenhof**
18. Overeenkomstig artikel 95, § 1, 3°, van de WOG is de Geschillenkamer uitdrukkelijk wettelijk bevoegd om klachten te seponeren. Deze bevoegdheid om klachten al dan niet te seponeren wordt ook bevestigd door artikel 57.1, onder f) AVG, waarin wordt gesteld dat toezichthoudende autoriteiten “de inhoud van de klacht” slechts dienen te onderzoeken “in de mate waarin dat gepast is”.
19. De beoordeling van de mate waarin het gepast is om kennis te nemen van de inhoud van de klacht is een **discretionaire bevoegdheid**, die de autoriteit vrij en naar eigen inzichten uitoefent.
20. De voorafgaande uitoefening van rechten door de betrokkene was geen voorwaarde voor de ontvankelijkheidsverklaring van klachten die verricht wordt door de Eerstelijnsdienst van de GBA en waaromtrent het Marktenhof niet gevat is. De ontvankelijkheidsvoorwaarden voor klachten
PAGE 01-00004515341-0010-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 11
opgenomen in de op dit geschil toepasselijke versie van de WOG (artikelen 58-60)⁶ waren zeer beperkt en leidden ertoe dat teveel klachten deze filter doorstonden en aan de Geschillenkamer werden overgemaakt voor behandeling. Onder meer om deze reden stelde de Geschillenkamer een sepotbeleid op.⁷ Deze beleidsnota verleent echter een vermeende verwerkingsverantwoordelijke geen subjectief recht op een sepot en dit in weerwil van wat Mediahuis daaromtrent betoogt. Mediahuis kan ook geen subjectief recht op een sepot putten uit een vermeende ‘vaste beslissingspraktijk’ van de GBA. Elk dossier moet apart op zijn of haar merite beoordeeld worden door zowel de GBA als het Marktenhof.
21. Terecht stelt de GBA dat zij een beslissing om een klacht niet te seponeren niet moet verantwoorden. In onderhavig geval blijkt ten overvloede op afdoende wijze uit stuk 3 van het administratief dossier van de GBA (zie citaat in het feitenrelaas onder randnummer 3) waarom de Geschillenkamer de klacht niet seponeerde maar de Inspectiedienst verzocht om een onderzoek te verrichten. Tegen deze beslissing is Mediahuis niet in rechte opgetreden. Integendeel, uit het administratief dossier blijkt dat Mediahuis te goeder trouw heeft meegewerkt aan het onderzoek verricht door de Inspectiedienst.
Er is in dit verband geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel of van het vertrouwensbeginsel.
Het tweede middel van Mediahuis is ongegrond.
De volgende drie middelen van Mediahuis worden door het Marktenhof tezamen beoordeeld :
DERDE MIDDEL MEDIAHUIS : Schending van het begrip verwerking juncto het principe van doelbinding en van het motiveringsbeginsel.
Derde verweermiddel GBA.
Samenvatting standpunten partijen
Mediahuis argumenteert dat de Bestreden Beslissing de artikelen 4.2 juncto 4.7 AVG en het motiveringsbeginsel schendt door de doorgifte van persoonsgegevens van Jobat-gebruikers door Mediahuis aan Hors te kwalificeren als een “verwerking” en niet als een “bewerking”. De motivering die de Geschillenkamer in de Bestreden Beslissing heeft opgenomen, was volgens Mediahuis niet afdoende, aangezien de Geschillenkamer in randnummers 87, 91 en 100 zou hebben erkend dat de doorgifte slechts een “bewerking” is die moet plaatsvinden om de handelstransactie te voltooien. Er zou aldus sprake zijn van een tegenstrijdigheid In de Bestreden Beslissing en daarmee van een
⁶ De WOG is op dit punt gewijzigd op 25 december 2023 en deze wijzigingen zijn van toepassing op
klachten vanaf 1 juni 2024.
⁷ https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-degeschillenkamer.pdf.
PAGE 01-00004515341-0011-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 12
motiveringsgebrek, aangezien enerzijds wordt beslist dat de doorgifte een “verwerking” vormt maar die doorgifte tezelfdertijd wordt omschreven als een onderdeel en noodzakelijke stap in ruimere verwerking.
Volgens de GBA oordeelt de Bestreden Beslissing op basis van feitelijk en juridisch correcte motieven dat de doorgifte van de persoonsgegevens van de klager en andere betrokkenen door Mediahuis aan Hors een afzonderlijke verwerking in de zin van de AVG vormt in randnummer 58.
VIERDE MIDDEL MEDIAHUIS : Schending van artikel 5.2 AVG, artikel 6.1, f), AVG, het motiveringsbeginsel en rechten van verdediging.
Vierde verweermiddel GBA.
# Samenvatting standpunten partijen
Dit middel is tweeledig. Mediahuis argumenteert ten eerste dat de Bestreden Beslissing artikel 6.1, onder f), AVG schendt door te beslissen dat Mediahuis een voorafgaande en gedocumenteerde analyse had moeten maken van de toepassing van de rechtsgrond “gerechtvaardigd belang”, terwijl artikel 6.1, onder f), AVG die verplichting niet bevat maar enkel een rechtsgrond voorziet. Ten tweede voert Mediahuis aan dat de GBA haar rechten van verdediging heeft miskend door haar niet tijdig in kennis te stellen dat haar ook een mogelijke inbreuk op artikel 6.1, onder f), AVG ten laste werd gelegd wegens het nalaten voorafgaandelijk een gedocumenteerde analyse te maken. Deze inbreuk is volgens Mediahuis nooit voorwerp geweest van het debat.
Volgens de GBA overweegt de Geschillenkamer in de Bestreden Beslissing dat Mediahuis niet vooraf een rechtsgrond had geïdentificeerd voor de doorgifte maar dat zij zich op grond van artikel 6.1, onder f), AVG op een gerechtvaardigd belang kan beroepen (zie randnummers 84 tot en met 104 van de Bestreden Beslissing). Bijgevolg stelt de Geschillenkamer vast dat er weliswaar geen inbreuk werd gemaakt op de rechtsgrondvereiste maar wel op de procedurele verplichting om die rechtsgrond ook voorafgaand te analyseren en te documenteren. De GBA stelt dat, in tegenstelling tot wat Mediahuis betoogt, de verplichting om vooraf de toepasselijke rechtsgrond te analyseren en te documenteren wel degelijk uit artikel 6.1, onder f), AVG gelezen in het licht van de verantwoordingsplicht in artikel 5.2 AVG, volgt.
VIJFDE MIDDEL MEDIAHUIS : Schending van de artikelen 5.1.a, 12.1 en 13 AVG, het motiveringsbeginsel en het legaliteitsbeginsel.
Vijfde verweermiddel GBA.
# Samenvatting standpunten partijen
In het eerste onderdeel betoogt Mediahuis dat de Bestreden Beslissing de voornoemde bepalingen van de AVG verkeerd heeft toegepast door te beslissen dat de betrokkene voorafgaandelijk aan de
PAGE 01-00004515341-0012-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 13
doorgifte had moeten worden geïnformeerd. In het tweede onderdeel betwist Mediahuis dat de meegedeelde informatie niet toereikend of onvoldoende zou zijn geweest en om die reden een inbreuk zou zijn gemaakt op de artikelen 5.1. a, 12.1 juncto artikel 13 AVG. De AVG zou die vereiste niet opleggen. De motivering van de Bestreden Beslissing zou op dit punt ook tegenstrijdig zijn en dit zou blijken uit randnummer 140. Bovendien meent Mediahuis dat de Geschillenkamer bij de beoordeling van de inbreuk op de informatieverplichting in artikel 13 AVG een voorwaarde aan die bepaling heeft toegevoegd door rekening te houden met de verwachtingen van de betrokkenen. Tot slot zouden Bestreden Beslissing de bevinding dat de meegedeelde informatie niet toereikend was niet met draagkrachtige motieven hebben onderbouwd.
De GBA stelt dat, anders dan wat Mediahuis argumenteert, de artikelen 5.1 a, 12.1 juncto artikel 13 AVG haar wel degelijk ertoe verplichten om de Jobat-gebruikers actief in te lichten over de doorgifte en dit voorafgaand aan die verwerking. Aldus heeft volgens de GBA de Geschillenkamer draagkrachtig gemotiveerd dat Mediahuis de Jobat-gebruikers vooraf had moeten informeren dat hun persoonsgegevens zouden worden doorgegeven aan Hors, maar alsook op basis van welk gerechtvaardigd belang die doorgifte werd gestoeld en dat de betrokkene tegen die doorgifte bezwaar konden maken. De GBA stelt ook dat niet kan worden meegegaan in de bewering van Mediahuis dat de hoger besproken informatieverplichting enkel op Hors rustte. Artikel 13.1 AVG verplicht duidelijk de voor de verwerking verantwoordelijke om de betrokkenen te informeren. Terzake was Mediahuis verantwoordelijk voor de doorgifte aan Hors: zij heeft beslist om een fundamentele wijziging aan te brengen in de bestaande verwerking van persoonsgegevens. De informatieverplichting rust dan ook in de eerste plaats op haar.
# Beoordeling van de drie hogervermelde middelen door het Marktenhof
22. Het is onbetwist dat de Inspectiedienst en de Geschillenkamer ervoor kozen om zich enkel te focussen op de rol van Mediahuis in de bewuste vennootschapsrechtelijkke transactie en derhalve Hors bv en DPG Media nv op geen enkele wijze betrokken hebben in onderhavig dossier.
23. Dat personsgeveens in het kader van een overname (hier gaat het om de verkoop van bepaalde activa) hunnen worden verwerkt op basis van het gerechtvaardigd belang van de verkoper(s) (en de targetvennootschap) om deze informatie ter beschikking te stellen van kandidaat-kopers, werk in het verleden reeds door de voormalige Privacycommissie bevestigd, mits aan een aantal voorwaarden worden voldaan (zoals het respecteren van het principe van minimale gevevensverwerking, het sluiten van een verwerkingsovereenkomst met de Dienstverlener van de dataroom en een vertrouwelijkheidsovereenkomst met de kandidaat-koper).8
24. De Geschillenkamer steunt de Bestreden Beslissing op de volgende vaststellingen :
⁸ M. CAPRONI en S. DE SMEDT, Privacy in de onderneming - update 2023, Mechelen, Kluwer, 2019, 263 e.v.
PAGE 01-00004515341-0013-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 14
- De doorgifte is een afzonderlijke verwerking in de zin van artikel 4.2 AVG (randnummers 58 en volgende van de Bestreden Beslissing);
- Artikel 6.1.f AVG noodzaakt een voorafgaande analyse en documentatie – inbreuk (randnummers 105 en volgende van de Bestreden Beslissing);
- Beoordeling informatieverstrekking in concreto bij de litigieuze doorgifte – inbreuk (randnummers 133 en volgende van de Bestreden Beslissing).
De Geschillenkamer komt tot deze bevinding na onderzoek door de Inspectiedienst. Uit het verslag van deze laatste blijkt dat de Inspectiedienst verkeerdelijk uitgaat en herhaaldelijk spreekt van een 'fusie'. Het Inspectieverslag bevat aldus een manifest foute feitelijke inschatting van de relevante vennootschapsrechtelijke transactie.
25. De Geschillenkamer vat de relevante transactie wel correct samen in randnummer 59 en volgende van de Bestreden Beslissing. Zij stelt daarbij de transactie schematisch voor als volgt :

26. In alle dergelijke overnameprocessen moeten verschillende fases onderscheiden worden :⁹
- vóór de transactie (pre-"signing" of ondertekening) : de verkennende gesprekken, het onderhandelen van vertrouwelijkheid via een vertrouwelijkheidsovereenkomst, het onderzoek
⁹ DE SMEDT, S., CAPRONI, M., Praktische gids privacy in de onderneming, Wolters Kluwer, 2023, 261.
PAGE 01-00004515341-0014-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 15
naar de wenselijkheid van een overname (het “due diligence” of boekenonderzoek) en het onderhandelen van de overnameovereenkomst ;
- tijdens de transactie : de fase tussen het ondertekenen van de overnameovereenkomst en de datum van effectieve uitwerking van de overname (de fase tussen "signing" of ondertekening en "closing" of inwerkingtreding), voor zover deze Niet samenvallen, het afhandelen van de voorwaarden voor "closing" (bv. de aanmeling bij de mededingingsautoriteiten, of de goedkeuring van de toezichthouder of andere derde partijen) en de voorbereiding van de integratie ;
- na de transactie (post-"closing"): integratie van de overgenomen partij (of activa) en remediierung van de risico's ontdekijdens het zogenaamde due diligence of boekenonderzoek.
In elk van deze fases worden persoonsgegevens verzameld en verwerkt en zal er aandacht moeten worden besteed aan de naleving van de AVG. Persoonsgegevens zoals deze van de klager genieten immers een bijzondere wettelijke bescherming, en mogen niet zonder passende waarborgen en bescherming worden verhandeld of aan derden meegedeeld.
27. De Bestreden Beslissing ward genomen ruim nadat de transactie (overdracht van de Jobat-activiteiten van Mediahuis waar Hors bv) had plaatsgevonden. Volgens de informatie overgemaakt aan het Hof gebeurde dat in Juni 2019 of kort daarna, maar de relevante contracten werden nicht opgevraagd door de Inspectiedienst of de Geschillenkamer en het Marktenhof kan ze derhalve Niet nagaan.
28. Het onderzoek van de Inspectiedienst en de Bestreden Beslissing van de Geschillenkamer focussen in essentie enkel op een enkel moment in de ganse hogervermelde transactie, met name dat van de zogenaamde 'doorgifte'. De doorgifte isECHTER slechts een contractueel bepaald gevolg van de verkoop/eigendomsoverdracht van het Jobat-klantenbestand dat onder de AVG worden aanzien als 'verdere verwerking van personsgeveens' (conform articlek 4.2 AVG). De discussie gevoerd in conclusiesussen Mediahuis en de GBA omtrent het verschil tussen bewerking en verwerking is grotendeels semantisch en gaat voorbij aan de ware aard van de juridische transactie die heeft plaatsgevonden en waar bij respect voor de AVG in de verschillende fasen door Mediahuis enhaar contractuele partners (Hors bv en DPG Media nv) moest gegardeerd en gedocumenteerd worden.
29. Voor de verkoop / overdracht was Mediahuis immers exclusief verantwoordelijk voor de verwerking van de personsgegevens van Jobat-klanten. Op grond van articlek 6 AVG要去 iedere verwerkingrechtmatig zich. Het staat afdoende vast dat Mediahuis geen (AVG conforme) toestemming had van betrokkenen (zoals klager) voor de overdracht van personsgegevens in het kader van het Jobat-klantenbestand. De overdracht van het Jobat-klantenbestand door Mediahuis aan Hors bv要去 - zoals de Geschillenkamerterecht opmerkt in de Bestreden Beslissing -
PAGE 01-00004515341-0015-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 16
vermoedelijk haar grondslag vinden in een gerechtvaardigd belang in hoofde van Mediahuis (conform artikel 6.1, onder f), AVG).
In dit geval zou dit het bedrijfsbelang van Mediahuis kunnen zijn omdat het Jobat-klantenbestand vermoedelijk (dit werd echter niet onderzocht of aan een tegensprekelijk debat onderworpen door de Geschillenkamer in het kader van de Bestreden Beslissing) een aanzienlijk deel vormt van de waarde van Mediahuis als onderneming (goodwill).
30. Maar, in geval van een asset deal zoals de vennootschapsrechtelijke transactie er hier één was :
- zodra de eigendomsoverdracht zich effectief voltrokken heeft, zal de koper, hier Hors bv, beschouwd worden als de nieuwe verantwoordelijke voor de verwerking van de persoonsgegevens die de bedrijfsvoering aangaan;
- worden, in principe, de originelen van de contracten met Jobat-klanten overgedragen, alsook alle relevante databanken met persoonsgegevens;
- zodra deze overdracht effectief heeft plaatsgevonden, is het, in beginsel, de verantwoordelijkheid van de nieuwe verwerkingsverantwoordelijke (hier Hors bv) om ervoor te zorgen dat de AVG wordt nageleefd, dat alle betrokkenen behoorlijke informatie krijgen omtrent hun gegevensverwerking, en dat al hun rechten worden gerespecteerd.
De Bestreden Beslissing is door geen of onvoldoende rekening te houden met de hogervermelde feitelijke en juridische elementen behept met de volgende gebreken :
1. De doorgifte is Niet de relevante verwerking (artikel 4.2 AVG) maar wel de juridische verkoop / eigendomsoverdracht van het Jobat-klantenbestand door Mediahuis aan Hors bv. De doorgifte is, zoals Mediahuis terecht betoogt en de Geschillenkamer zich erkent in randnummers 87, 91 en 100 van de Bestreden Beslissing, eenoodzakelijkke maar nicht de enige stap in een veel ruimere context van een geheel van vennootschapsrechtelijkke verwerkingen van personsgegevens. Vermits dus energijds worden beslist dat de doorgifte een "verwerking" vormt maar anderzijds die doorgifte tezelfdertijd worden omschreiben als een onderdeel enoodzakelijkke stap in een ruimere verwerking is er sprake van een tegenstrijdigheid in de motivering en derhalve een motiveringsgebrek in de Bestreden Beslissing.
2. In hetlicht van de verantwoordingsplicht van de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig articel 5.2 van de AVG moest Mediahuis inderdaad de analyse van haar gerechtvaardigd belang in het kader van de hogervermelde vennootschapsrechtelijk transactie nauwkeurig documenteren. Deze documentatie vormt een belangrijk document om ter beschikking te stellen van toezichthoudende autoriteiten zoals de GBA in het kader
PAGE 01-00004515341-0016-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 17
van een inspectie of procedure. Bovendien kan een betrokkene zoals in casu de klager zich verzetten op basis van artikel 21 AVG tegen de verwerking van persoonsgegevens op basis van het gerechtvaardigd belang. Bij de uitoefening van dergelijk recht van bezwaar zal de verwerkingsverantwoordelijke de gelaakte verwerkingsactiviteit moeten stopzetten, tenzij er dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking worden aangevoerd die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Hiervoor zal de verwerkingsverantwoordelijke (in casu Mediahuis) de bewijslast dragen, waardoor de informatie uit de documentatie ter beschikking kan worden gesteld om de betrokkene te informeren en de stopzetting van de verwerking in de tijd zoveel als mogelijk te beperken. Tot slot merkt het Marktenhof op dat deze documentatie contextgevoelig is en derhalve niet statisch is : de Mediahuis-groep wijzigt voortdurend zodat ook die documentatie tijdig moet worden bijgestuurd. Of Mediahuis al dan niet een voorafgaande en gedocumenteerde analyse had gemaakt van de toepassing van de rechtsgrond “gerechtvaardigd belang”, is kennelijk niet het voorwerp geweest van enig onderzoek / debat voordat de Bestreden Beslissing werd genomen en Mediahuis heeft zich hieromtrent niet kunnen verweren voor de Geschillenkamer die de documentatieverplichting overigens ten onrechte afleidde als een accessorium van artikel 6.1, onder f), AVG (en niet als een vereiste voortvloeiend uit artikel 5.2 AVG) in randnummer 64 van de Bestreden Beslissing. Hier is er in de Bestreden Beslissing sprake van een motiveringsgebrek en een schending van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op verdediging in hoofde van Mediahuis.
3. Hors bv had, na ontvangst van de persoonsgegevens ten gevolge van de eigendomsoverdracht, een eigen verplichting om betrokkenen (waaronder de klager) te informeren op grond van artikel 14 AVG. Hors bv werd echter niet in onderhavig dossier betrokken door de Inspectiedienst of de Geschillenkamer. Door alleen aan Mediahuis een bevel op te leggen om betrokkenen actief en post factum te informeren, is er opnieuw sprake van een motiveringsgebrek. Het Marktenhof weerhoudt echter geen inbreuk door de Geschillenkamer op het legaliteitsbeginsel omdat het zou kunnen (maar dit diende tegensprekelijk onderzocht te worden) dat Mediahuis ook na de overdracht gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke bleef voor de Jobat-gegevens tezamen met Hors bv.¹⁰ In dat geval hadden Mediahuis en Hors bv betrokkenen hierover transparant moeten informeren maar ook dit werd niet tegensprekelijk onderzocht door de Inspectiedienst of de Geschillenkamer.
¹⁰ De privacy policy van Mediahuis versie 4.4 gewijzigd op 21 februari 2025 en beschikbaar op de Jobat
website stelt in artikel 4.6.2. : “De Mediahuis Entiteiten HORS BV en Mediahuis NV werken samen als
gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken om jou op Mediahuis Domeinen jobgerelateerde Gerichte Advertenties te tonen. HORS? Voluit House of Recruitment Solutions. Dit is de Mediahuis
Entiteit die instaat voor de diensten van Jobat [...].”
PAGE 01-00004515341-0017-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 18
Middelen 3, 4 en 5 van Mediahuis zijn enkel gegrond in de mate zoals hiervoor bepaald.
31. De Bestreden Beslissing dient ten gevolge van de door het Marktenhof vastgestelde gebreken vernietigd te worden behoudens in zoverre zij op grond van artikel 100 §1, 1°, WOG beslist de klacht te seponeren voor wat betreft de grieven inzake de bewaartermijnen en de juistheid van bepaalde abonneegegevens.
De andere middelen of argumenten die door Mediahuis worden voorgelegd ter staving van haar betoog kunnen niet, wat dit betreft, tot een ruimere vernietiging van de Bestreden Beslissing leiden. Ze behoeven derhalve geen antwoord.
# AANGAANDE DE KOSTEN
32. De kosten van de procedure waaronder een rechtsplegingsvergoeding ten belope van 1.883,72 EUR (conform de rechtspraak van het Hof van Cassatie - Cass. 23 januari 2023, C.22.0158.N en Cass. 16 januari 2023, C.21.0193.F - past het Marktenhof het tarief ambtshalve aan op dat van toepassing op het moment van de uitspraak) voor Mediahuis komen ten laste van de GBA.
33. De vonnissen en arresten houdende veroordeling van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, van de openbare instellenen die zich opgericht door de Staat, en van de inrichtingen van de Gemeenschappen en de Gewesten zich vrijgesteld van het rolrecht. De GBA is een autonome instelling met rechtspersoonlijkheid en werk als organaan van de Staat opgericht. De GBA bevindt zich duidelijk indezelfde situatie als alle andere organen van de Staat en is dus principieel vrijgesteld van het rolrecht.
# OM DEZE REDENEN,
HET MARKTENHOF,
Beslissende bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Verklaart het beroep van Mediahuis ontvankelijk en als volgt gegrond :
Vernietigt de beslissing nr. 07/2025 van 15 januari 2025 in het dossier met dossiernummer DOS-2020-02815 van de Geschillenkamer van de GBA behoudens in zoverre zij op grond van artikel 100
PAGE 01-00004515341-0018-0019-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2025/AR/253 – p. 19
§1, 1°, WOG beslist de klacht te seponeren voor wat betreft de grieven inzake de bewaartermijnen en de juistheid van bepaalde abonneegegevens.
Veroordeelt de GBA tot de gerechtskosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding van 1.883,72 EUR en van de bijdrage van 24,00 EUR aan het Budgettair Fonds.
Stelt vast dat de GBA ten gevolge van de gezamenlijke toepassing van de artikel 279 en 161, 1°bis, van het Wetboek der registratierechten is vrijgesteld van het rolrecht.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de 19e kamer A van het hof van beroep te Brussel op 3 september 2025,
waar aanwezig waren:
A-M. WITTERS,
C. VERBRUGGEN,
A. BOSSUYT,
S. DE COOMAN,
S. DE COOMAN
C. VERBRUGGEN
Raadsheer, dd voorzitter
Raadsheer,
Raadsheer,
Griffier,
A. BOSSUYT
A-M. WITTERS
PAGE 01-00004515341-0019-0019-01-01-4