
| Repertoriumnummer |
| --- |
| **2021 / 4281** |
| Datum van uitspraak |
| **26 mei 2021** |
| Rolnummer |
| **2021/AR/205** |
Uitgifte
Uitgereikt aan
Uitgereikt aan
Uitgereikt aan
op
€
BUR
op
€
BUR
op
€
BUR
☐ Niet aan te bieden aan de
ontvanger
Eindarrest : ontvankelijk en gegrond
# Hof van beroep
Brussel
Sectie Marktenhof
19de kamer A
Kamer voor marktzaken
## Arrest
| Aangeboden op |
| --- |
| Niet te registreren |
# INZAKE :
1. Y2, eerste verzoekende partij,
vertegenwoordigd door mr. CURTIS Caroline, advocaat te 3560 LUMMEN, Kerkstraat 23
2. Y1, tweede verzoekende partij,
beiden vertegenwoordigd door mr. CURTIS Caroline, advocaat, kantoorhoudende te 3560 LUMMEN, Kerkstraat 23
tegen beslissing 02/2021 van 12 januari 2021 van de Geschillenkamer van de GBA, gekend onder dossiernummer DOS-2020-01192,
# TEGEN :
De GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, ON 0694.679.950, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Drukpersstraat 35, verwerende partij,
vertegenwoordigd door mr. ROETS Joos, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Oostenstraat 38 bus 201
# 1. Rechtsmacht van het Marktenhof:
# 1.1.
Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel op 11 februari 2021 door Y2 en Y1 tegen de GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT (hierna "GBA").
Bij dit verzoekschrift stellen zij beroep in tegen de beslissing 02/2021, van 12 januari 2021 van de Geschillenkamer van de GBA gekend onder dossiernummer DOS-2020-01192, hen via e-mail ter kennis gebracht op 14 januari 2021.
# 1.2.
In het verzoekschrift wordt door Y2 en Y1 gevraagd:
Dit hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Alvorens recht te doen en conform art. 1066, 6° Ger. W. juncto art. 19, lid 3 Ger. W. ter inleidende zitting de zaak te weerhouden en alsdan;
de opheffing te bevelen van de voorlopig uitvoerbaarheid van de beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit van 14 januari 2021 inzake nummer 02/2021 totdat het Hof uitspraak zal gedaan hebben ten gronde;
Verder recht doende:
Om de grieven hierboven aangehaald, de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende:
In hoofdorde: de geïntimeerde (GBA) onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de oorspronkelijke klacht van betrokkene;
Minstens de oorspronkelijke klacht van betrokkene onontvankelijk te verklaren;
Meer ondergeschikt de oorspronkelijke klacht af te wijzen als ongegrond en vast te stellen dat appellanten geen inbreuken kan verweten worden.
Meest ondergeschikt de opgelegde geldboete ernstig te herleiden tot een minimum, dan wel onder voorwaarden.
Altijd de gerechtskosten ten laste van de geïntimeerde te leggen met inbegrip van de rolrechten en rechtsplegingsvergoeding, begroot op de standaard en basis rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare zaken;
1.3.
Ter inleiding voor het Marktenhof bereikten de partijen een akkoord om de voorlopige uitvoerbaarheid (enkel) wat de geldboete betreft op te schorten totdat het Marktenhof een einduitspraak zou doen.
1.4.
Op 5 maart 2020 zou mevrouw X een klacht hebben ingediend bij de GBA tegen Y1 en Y2.
De klacht zou betrekking hebben op het verwerken van de persoonsgegevens van de klager via een fan pagina op Facebook die haar naam en voornaam draagt. Het zou gaan om de fan pagina die te vinden is via de hyperlink [...].
De rechten voor het beheren van de fan pagina zijn volgens de klager toegewezen aan minstens één van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. In de klacht wordt opgeworpen dat de verwerking niet rechtmatig is overeenkomstig artikel 6 AVG. De klager wenst dat deze rechten voor het beheren van de fan pagina aan haar worden overgedragen, zodat zij zelf het beheer kan uitoefenen over de fan pagina die haar naam en voornaam draagt.
De klager en minstens één van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken zouden in het kader van de professionele artistieke activiteiten van de klager gedurende een jarenlange periode afspraken en overeenkomsten hebben gehad, waarin het beheer van de fan pagina tot stand kwam.
In de klacht wordt gesteld dat er mogelijke inbreuken op artikelen 6; 7; 12, lid 3; 20 en 21 AVG vast te stellen zijn. De klager vraagt de Gegevensbeschermingsautoriteit een onderzoek te starten, aan de verweerders een sanctie op te leggen en de verweerders te gelasten de rechten voor het beheer van de fan pagina op Facebook aan de klager over te maken
Op 10 maart 2020 werd deze klacht op grond van artikel 58 WOG$^{1}$ ontvankelijk verklaard en overgemaakt aan de Geschillenkamer, die op 14 april 2020 een eerste beslissing nam die door de GBA wordt omschreven als een “light” beslissing.
Tegen deze beslissing werd verhaal ingesteld voor het Marktenhof. Bij arrest van 28 oktober 2020 werd de beslissing vernietigd in volgende bewoordingen:
“Verklaart het verhaal ingesteld door Y2 en Y1 ontvankelijk en gegrond; Doet de beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit van 14 april 2020 gekend onder nummer 14/2020 - dossiernummer DOS-2020-01192, in het kader van de procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde (artikelen 94-97 WOG) te niet; Veroordeelt de Gegevensbeschermingsautoriteit tot de gerechtskosten voor Y2 en Y1 vereffend op € 1.440,00 rechtsplegingsvergoeding;”
Verzoekers werden op de hoogte gebracht van de beslissing over te gaan tot de behandeling ten gronde. Op 29 oktober 2020 kregen zij de gelegenheid gehoord te worden via een video-conferentie.
Op 23 december 2020 werden zij op de hoogte gesteld van de intentie van de Geschillenkamer van de GBA om een geldboete op te leggen. Zij kregen de gelegenheid via een formulier om eventuele opmerkingen te maken inzake het voornemen om een geldboete op te leggen.
Bij schrijven van 7 januari 2021 hebben zij hun opmerkingen geformuleerd.
1.5.
De bestreden beslissing luidt als volgt:
“a. op grond van artikel 100, §1, 1° WOG de klacht tegen de eerste verweerder te seponeren, gezien die eerste verweerder geen verwerkingsverantwoordelijke blijkt te zijn overeenkomstig artikel 4, punt 7) AVG voor de feiten die het voorwerp vormen van de onderhavige klacht;
b. op grond van artikel 58, lid 2, a) AVG en artikel 100, §1, 5° WOG de tweede verweerder te waarschuwen dat zij het recht op gegevensoverdraagbaarheid (artikel 20, lid 1 AVG) van de klager dient te respecteren. Het verzoek om dat recht uit te oefenen was opgeworpen in de klacht, en de Geschillenkamer is van oordeel dat de tweede verweerder gevolg zou moeten geven aan het verzoek mocht de tweede verweerder nog of wederom beschikken over de beheersrechten van de fanpagina.
Door het ingrijpen van een andere verwerkingsverantwoordelijke (Facebook), die de beheersrechten aan de klager overdroeg, is dit verzoek echter zonder voorwerp geworden;
c. op grond van artikel 58, lid 2, punt i) j° artikel 83 AVG en artikelen 100, § 13° en 101 WOG een administratieve geldboete van 10.000 Euro op te leggen aan de tweede verweerder voor de inbreuk op artikel 6, lid 1 AVG wegens het onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens door het houden van beheersrechten op een Facebook fanpagina die de naam en voornaam van de klager draagt, en voor de inbreuk op artikel 21, lid 1j° artikel 12, lid 3 AVG wegens het niet correct en niet tijdig gevolg geven aan het verzoek van de klager om haar recht van bezwaar uit te oefenen.”
$^{1}$ Wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit
1.6.
De beslissing is genomen door De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden.
Bij arrest van 28 oktober 2020 heeft het Marktenhof zogenaamde voorlopige 'light-beslissing' nr. 14/2020 vernietigd. Deze beslissing was genomen door de Voorzitter van de Geschillenkamer van de GBA, alleen zetelend.
Er is geen grief ontwikkeld tegen het feit dat dezelfde persoon, die de eerste vernietigde beslissing heeft genomen, tegelijk één van de leden is die in dezelfde zaak de thans bestreden beslissing heeft genomen. Het getuigt zeker niet van respect voor regels van behoorlijk bestuur doch deze handelswijze levert geen ambtshalve in te roepen grief op.
## **2. De procedure:**
Mede gelet op de gezondheidsrisico's die de pandemie van COVID-19 met zich brengt en tegelijk teneinde een actieve stap te zetten in de richting van een modernisering van justitie en een aanpassing van de rechtsgang aan de digitale evoluties van de laatste decennia $^{2}$ is het Marktenhof voorttrekker voor de toepassing van de rechtspleging via video-conferentie.
Bij mails van 4 mei 2021 hebben de respectieve procespartijen zich akkoord verklaard om de zaak te laten behandelen via video-conferentie.
Deze terechtzitting werd gehouden op 5 mei 2021 via het Webex-platform.
De advocaten van de partijen kregen voorafgaand een uitnodiging met de link om in te loggen voor de zitting. Deze link konden zij overmaken aan de partijen zelf.
In de zittingszaal 1.32 van het Marktenhof stelde de Griffier een document ter beschikking houdende de link zodanig dat elke aanwezige kon inloggen om de zitting bij te wonen.
De zittingen zijn dienvolgens "virtueel openbare terechtzittingen".
## **3. De vorderingen voor het Marktenhof:**
Bij conclusie neergelegd ter griffie op 14 april 2021 vorderen Y2 en Y1:
*"Dit hoger beroep toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;*
*Om de grieven hierboven aangehaald, de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende:*
$^{2}$ Vgl. Richard SUSSKIND, Online Courts and the future of Justice, Oxford University Press, 2019.
In hoofdorde: de geïntimeerde (GBA) onbevoegd te verklaren om kennis te nemen van de oorspronkelijke klacht van betrokkene;
Minstens de oorspronkelijke klacht van betrokkene onontvankelijk te verklaren;
Meer ondergeschikt de oorspronkelijke klacht af te wijzen als ongegrond en vast te stellen dat appellanten geen inbreuken kan verweten worden.
Meest ondergeschikt de opgelegde geldboete ernstig te herleiden tot een minimum, dan wel onder voorwaarden.
Altijd de geïntimeerde (GBA) te veroordelen in betaling aan appellante Y2 van een schadevergoeding ten belope van 10.000,00 EUR (tienduizend euro) ex aequo et bono, meer de gerechtelijke intresten;
Altijd de geïntimeerde (GBA) te veroordelen in betaling aan appellant Y1 van een schadevergoeding ten belope van 5.000,00 EUR (vijfduizend euro) ex aequo et bono, meer de gerechtelijke intresten;
Altijd de gerechtskosten ten laste van de geïntimeerde te leggen met inbegrip van de rolrechten, kosten begrotingsfonds ad 20 EUR en rechtsplegingsvergoeding, begroot op de standaard en basis rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare zaken ad 1.440 EUR;
Onder voorbehoud van alle rechten;"
De GBA vordert, bij conclusie neergelegd op 28 april 2021:
"Vast te stellen dat de voorwerp tot voorlopige maatregelen van verzoekers zonder voorwerp is;
-Vast te stellen dat het beroep van tweede verzoeker (dhr. Y1) onontvankelijk is wegens gebrek aan belang;
-Vast te stellen dat de vordering tot schadevergoeding van verzoekers onontvankelijk is;
-Voor het overige, het beroep ongegrond te verklaren;
-Hoe dan ook, verzoekers te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.440 euro."
# 4. De feiten:
In de bestreden beslissing geeft de GBA volgend feitenrelaas:
# 1. DE VOOR DE BESLECHTING VAN HET GESCHIL PERTINENTE FEITEN
1. Wat betreft het feitenrelaas verwijst de GBA Uw Hof – met eerbied – in hoofdorde naar het feitenrelaas zoals uiteengezet in de bestreden beslissing (stuk 56) en het administratief dossier, neergelegd als de stukkenbundel van de GBA.
2. In ondergeschikte orde, vindt Uw Hof hieronder een samenvattende beschrijving van de feiten die pertinent zijn voor de beslechting van het geschil:
### 1.1. De klacht
3. Op 5 maart 2020 diende mevrouw X (hierna: ‘de klager’) bij monde van haar advocaat een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) tegen de heer Y1 en Y2 (stuk 1).
De klacht betreft het verwerken van de persoonsgegevens van de klager via een fanpagina op Facebook die haar naam en voornaam draagt. Het gaat met name om de fanpagina die te vinden is via de hyperlink [...]. Bij de klacht werd een stuk gevoegd waarop duidelijk te zien is dat de naam van de pagina de volledige naam en voornaam van de klager weergeeft (i.e. “\”), en dus niet beperkt is tot de initialen van de klager, zoals in de hyperlink van de webpagina:

De rechten voor het beheren van de fanpagina zijn volgens de klager toegewezen aan minstens één van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. In de klacht wordt opgeworpen dat de verwerking niet rechtmatig is overeenkomstig artikel 6 AVG. De klager wenst dat deze rechten voor het beheren van de fanpagina aan haar worden overgedragen, zodat zij zelf het beheer kan uitoefenen over de fanpagina die haar naam en voornaam draagt.
De klager en Y2 zouden in het kader van de professionele artistieke activiteiten van de klager gedurende een jarenlange periode afspraken en overeenkomsten hebben gehad, waarin het beheer van de fanpagina tot stand kwam.
In de klacht wordt gesteld dat er mogelijke inbreuken op artikelen 6; 7; 12, lid 3; 20 en 21 AVG vast te stellen zijn. De klacht stelt (stuk 1):
“Verzoeker meent dat de hierboven vermelde handelingen een grove schending inhouden van ondermeer de volgende artikelen van de AVG:
- Art. 6 betreffende de rechtmatigheid van de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkene aangezien de activiteiten van Y1/Y2 aan geen van de rechtmatigheidsvoorwaarden van dit artikel voldoet;
- Art. 7 betreffende de vereiste toestemming met de verwerking van de persoonsgegevens van de betrokkene die voor het beheer van haar facebookprofiel nooit is gegeven en die, moest ze deze ooit impliciet gegeven zijn, ten stelligste is ingetrokken bij het beëindigen van de management overeenkomst in November 2019 en in de uitdrukkelijke correspondentie van Verzoeker;
- Art. 12 (3) betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkenen gezien men geen gevolg geeft aan de verzoeken krachtens art. 20 tot het overdragen van de beheersrechten van het facebookprofiel van betrokkene en het verzoek tot staken van enige haar betreffende gegevensverwerking;
- Art. 20 betreffende het recht op de overdraagbaarheid van de gegevens van de betrokkene daar deze op veelvuldig verzoek van betrokkene niet worden overgedragen; en
- Art. 21 met betrekking tot het recht op bezwaar gemaakt door de betrokkene ingevolge de weigering om de verwerking van haar persoonsgegevens te staken.”
De klager vraagt de Gegevensbeschermingsautoriteit een onderzoek te starten, aan de verweerders een sanctie op te leggen en de verweerders te gelasten de rechten voor het beheer van de fanpagina op Facebook aan de klager over te maken.
1.2. ‘Light-beslissing’ van de Geschillenkamer en beslissing dat het dossier gereed is voor de behandeling ten gronde
4. Op 10 maart 2020 werd de klacht op grond van artikel 58 van de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit’ (hierna: ‘WOG’) ontvankelijk verklaard en werd deze klacht overeenkomstig artikel 62, §1 WOG door de eerstelijnsdienst overgemaakt aan de Geschillenkamer (stuk 2).
5. Vervolgens nam de Geschillenkamer op 14 april 2020 op grond van artikel 95, §1 WOG – bij wege van ‘voorlopige en corrigerende maatregel’ – een zgn. voorlopige ‘light-beslissing’, met name de beslissing nr. 14/2020 (stuk 3). Hierin werd onder meer het volgende overwogen:
“[...] De klager verzet zich tegen het beheren van de fanpagina op Facebook met haar naam en voornaam door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, en vraagt onder meer de rechten voor het beheer van de fanpagina te verkrijgen.
Gezien het bezwaar van de klager tegen het verwerken van de persoonsgegevens, met name haar naam en voornaam, duidelijk is geformuleerd in de klacht, acht de Geschillenkamer het toereikend om zich vooreerst tot de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken te richten om hen te waarschuwen eventuele inbreuken op de AVG stop te zetten en gevolg te geven aan het verzoek van de klager.
In die zin merkt de Geschillenkamer voor de volledigheid op dat de klager een beroep doet op haar recht op overdraagbaarheid van gegevens, overeenkomstig artikel 20 AVG, en haar recht van bezwaar overeenkomstig artikel 21 AVG. Zij wenst niet dat de fanpagina, en met de fanpagina de haar betreffende persoonsgegevens, zonder meer worden verwijderd.”
6. Het beschikkend gedeelte van deze ‘light-beslissing’ luidde (stuk 3):
“beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit om:
- op grond van articlek 58, lid 2, a) AVG en articlek 95, §1, \(4^{\circ}\) WOG de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijk te waarschuwen dat zij geen personsgegevens mogen verwerken wanner dit Nietrechtmatig is overeenkomstig articlek 6 AVG; eventuele inbreuken op de AVG zijn onderhevig aan sancties overeenkomstig de bepalingen van de AVG en WOG.
- op grond van articlek 58, lid 2, c) AVG en articlek 95, §1, \(5^{\circ}\) WOG de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijk te bevelen dat worden voldaan aan het verzoek van de klager om haar rechten in de zin van articlek 20 en articlek 21 AVG uit te oefenen. De Geschillenkamer gelast de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijk dit verzoek binnen de 7ragen na de kennisgeving van deze beslissing in te willigen.
- de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken te gelasten de Gegevensbeschermingsautoriteit (Geschillenkamer) per e-mail op de hoogte te stellen dat aan het hierboven genoemde bevel is voldaan, uiterlijk 14 dagen na de kennisgeving van deze beslissing (via het e-mailadres [email protected]); en
- in geval de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken niet tijdig uitvoering geven aan het hierboven gestelde, de zaak overeenkomstig artikelen 98 e.v. WOG ten gronde te behandelen. [...]”.
7. Per e-mail van 20 april 2020, meldde de advocaat van Y2 en dhr. Y1 dat men de GBA ter zake Niet bevoegd achtte, dat er geen spreke kon zich van een toepassing van articlek 20 AVG en dat er bij het Marktenhof beroep zou worden aangetekend gegen de voornoemde 'light-beslissing' (stuk 6). Op 21 april 2020 werd het verzoekschrift gegen de light-beslissing nr. 14/2020 ingediend bij het Marktenhof.
8. Uit het voorgaande kon door de Geschillenkamer worden afgeleid dat Y2 en dhr. Y1 klaarblijkelijk Niet voornemens waren om uitvoering te geben aan de gecontesteerde voorlopige 'light-beslissing'. Per e-mail van 13 mei 2020 meldde de Geschillenkamer aan zowel de klager als aan Y2 en dhr. Y1 dat de Geschillenkamer op grond van art. 95, §1, \(1^{\circ}\) en art. 98 WOG had beslist dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde (stuk 12 & 13). In deze e-mail werden ook de conclusiertermijnen, vermeld in art. 98, \(2^{\circ}\) WOG, meegedeeld aan de partijen. Tevens bevatte de email aan Y2 en dhr. Y1 een kopie van de klacht en van de inventaris van het administratief dossier van de Geschillenkamer (stuk 12).
Per e-mail van 19 mei 2020 verzocht de advocaat van Y2 en dhr. Y1 om een kopie van het administratief dossier (stuk 13). Dit verzoek werd door de Geschillenkamer ingewilligd per e-mail van 20 mei 2020 (stuk 14).
# 1.3. De conclusies van de partijen in de procedure voor de Geschillenkamer
9. Op 24 juni 2020 dienden Y2 en dhr. Y1 hun eerste conclusie in bij de Geschillenkamer (stuk 18). In het kader van deze conclusie, waarin zeven middelen werden aangedragen,¹ stelden zij onder meer:
- dat dhr. Y1 de zaakvoerder is van Y2 en dat het correspondentieadres van dhr. Y1 hetzelfde is als de zetel van Y2;
- dat Y2, in het kader van de commercialising, verkoop en exploitation van de muziekwerken van het muziekproject [artistiek-project A] waarvan mevr. X sinds 2008 de 'uitvoerend artiest/zangeres' was - een Facebook fanpagina aangemaaakt heeft onder de titel [...]'. Bij de eerste conclusie werk evenwel ook een schermafbeelding gevoegd, waaruit blijkt dat de titel van de fanpagina zich de volledige naam en voornaam van mevr. X draagt;
- dat de fanpagina volgens Y2 en dhr. Y1 'enkel professionele doeleinden' nastreeft 'die op geen enkele wijze de privé persoon van de artiest betreffen';
- dat mevr. X steeds redactionele rechten behielop de fanpagina, hetgeen impliceerde dat zich berichten ('posts') op de fanpagina konplaatsen, noch geen beheersrechten over de fanpagina hield, die het bijvoorbeeld toelaten om redactionele rechten of beheersrechten aan andere Personen of ondernemingen over de fanpagina te gehen of te ontnemen;
- dat de beheersrechten van de fanpagina in april 2020 werk overgedragen aan mevr. X, en dat noch Y2 noch dhr. Y1 (langer) beheerder zich van de fanpagina.
10. Op 15 juli 2020 diende mevr. X haar repliekconclusie in bij de Geschillenkamer (stuk 20). In het kader van deze conclusie, waarin vijftien middelen werden aangedragen,² stelde zij onder meer (stuk 20):
- dat er wel degelijk personsgeveens van mevr. X verwerkt worden door Y2 en/of dhr. Y1, en dat die personsgeveens waar bij systematisch onderhevig zich aan wijzigingen of aanpassingen door deze Personen;
- dat er ook op andere online platformen, zoals Youtube en LinkedIn, profielen werden aangemaaakt die de naam en voornaam en andere personsgeveens van mevr. X dragen, en dat deze profielen beheerd worden door Y2 en/of dhr. Y1, en dit zonder dat mevr. X waarvoor
¹ Een samenvatting van deze zeven middelen werd opgenomen onder Rn. 25 van de bestreden beslissing.
² Een samenvatting van deze vijftien middelen werd opgenomen onder Rn. 29 van de bestreden beslissing.
toestemming heeft verleend, of zonder dat er hiertoe nog een contractuele noodzaak bestond.
Mevr. X verzocht in haar repliekconclusie daarom aan de Geschillenkamer om haar klacht gegrond te verklaren en een sanctie op te leggen aan Y2 en dhr. Y1 in het licht van de aangeklaagde AVG-inbreuken, alsook om te bevestigen dat mevr. X de litigieuze fanpagina op Facebook mag behouden, te bevelen aan Y2 en dhr. Y1 om de beheersrechten van de profielpagina's met de naam en voornaam van de klager op Youtube en LinkedIn over te dragen aan mevr. X, de te nemen beslissing te publiceren zonder anonimisering en om Y2 en dhr. Y1 te veroordelen tot betaling van de kosten van mevr. X.
11. Op 5 augustus 2020 dienden Y2 en dhr. Y1 hun repliekconclusie in bij de Geschillenkamer (stuk 21).
In deze conclusie handhaafden Y2 en dhr. Y1 hun eerdere verzoeken, zoals geformuleerd in hun conclusie van 24 juni 2020, met toevoeging van het verzoek om de vordering van mevr. X inzake het overdragen van de beheersrechten op andere sociale mediaprofielen, waaronder Youtube en LinkedIn, af te wijzen als 'onontvankelijk, minstens ongegrond'.
Daarnaast voegden Y2 en dhr. Y1 nog vier nieuwe middelen toe aan hun verweer,³ naast de reeds eerder aangedragen middelen. Voor het overige diende de Geschillenkamer vast te stellen dat de andere nieuwe aangedragen elementen geen betrekking hadden op het voorwerp van het voorliggende dossier en/of niet relevant waren voor de beoordeling ervan.⁴
12. Na het verstrijken van de toegekende conclusietermijnen, werden er door zowel de klager (mevr. X als door de verweerders (Y2 en dhr. Y1), en op verschillende momenten tot voor de hoorzitting, tal van e-mailberichten overgemaakt of uitgewisseld, die betrekking hadden op de onderliggende commerciële disputen van de partijen, en waarbij de griffie van de Geschillenkamer die berichten ontving (al dan niet in CC). De Geschillenkamer diende evenwel vast te stellen dat de inhoud van deze e-mailberichten niet relevant waren voor de beoordeling van het voorliggende dossier, in de context van de (handhavende) bevoegdheden van de Geschillenkamer.⁵
1.4. Het arrest van het Marktenhof van 28 oktober 2020 inzake de voorlopige 'light-beslissing' nr. 14/2020
13. Bij arrest van 28 oktober 2020 deed Uw Hof uitspraak over het door Y2 en dhr. Y1 ingestelde beroep tegen de 'light-beslissing' nr. 14/2020. In dit arrest vernietigde Uw Hof deze 'light-beslissing' doch observeerde Uw Hof daarnaast dat er ter zake sprake was van een "verhaal [...] gericht [...] tegen voorlopige en corrigerende maatregelen conform artikel 58.2 a en c AVG en 95 §1, 4° en 5° WOG, [zodat] er geen aanleiding [is] opdat het Marktenhof op dit moment gebruik zou maken van de volle rechtsmacht."
Derhalve beperkte Uw Hof zich ertoe, in diens dispositief, om enkel de 'light-beslissing' nr. 14/2020 "in het kader van de procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde (artikelen 94-97 WOG) teniet"
³ Een samenvatting van deze vier nieuwe middelen werd opgenomen onder Rn. 33 van de bestreden beslissing.
⁴ Cf. bestreden beslissing, Rn. 34.
⁵ Cf. betreden beslissing, Rn. 35.
te doen. Zodus verhinderde het arrest van Uw Hof de Geschillenkamer niet om de procedure ten gronde overeenkomstig de artikelen 98 tot 107 WOG verder te zetten.
# 1.5. De hoorzitting van de Geschillenkamer
14. Vermits Y2 en dhr. Y1 hierom verzochten, in toepassing van art. 98, 2° WOG, belegde de Geschillenkamer op 29 oktober 2020 een hoorzitting. Deze hoorzitting werd online en met elektronische communicatiemiddelen belegd, gelet op de vigerende federale en gewestelijke noodmaatregelen inzake het Coronavirus Covid-19.
15. Tijdens de hoorzitting wees de advocaat van mevr. X op zijn e-mail van 2 maart 2020, gericht aan Y2 en dhr. Y1. In deze e-mail werd gesteld dat dhr. Y1 de verplichtingen van de AVG schendt “door zich via facebook uit te geven als X.” Tevens stelde de advocaat van mevr. X in deze e-mail van 2 maart 2020: “Voor de goede orde verduidelijk ik ook dat uw cliënten, nu zij te kennen geven dat er niet langer een overeenkomst is waaronder mijn cliënte aan shows [van het artistiek project A] deel zou nemen, niet langer het recht hebben om nog gebruik te maken van enig persoonsgegevens van mijn cliënte (foto’s, naam, stemopnames, enz.).” Hierbij onderlijnde de advocaat van mevr. X dat artikel 12, lid 3 AVG wel degelijk geschonden werd door Y2 en dhr. Y1, aangezien zij niet tijdig gevolg hebben gegeven aan het verzoek.
16. Voorts meldden beide partijen tijdens de hoorzitting dat de geviseerde Facebook fanpagina eveneens, naast andere elementen, het voorwerp uitmaakte van een stakingsprocedure die op dat moment hangende was bij de ondernemingsrechtbank Leuven, zetelend zoals in kort geding.
17. Na de hoorzitting nodigde de Geschillenkamer de beide partijen uit om, overeenkomstig artikel 54 van het Reglement van Interne Orde van de GBA, desgewenst hun opmerkingen over het proces-verbaal van de hoorzitting te laten toevoegen als bijlage bij dat proces-verbaal, zonder dat dit evenwel een heropening van de debatten inhoudt. Beide partijen reageerden op dit verzoek, en hun opmerkingen werden in het administratief dossier als bijlage toegevoegd aan het proces-verbaal (stukken 45 tot 47). De Geschillenkamer diende evenwel vast te stellen dat deze reacties van de partijen ter zake geen dienende of relevante elementen bevatten.⁶
# 1.6. Vonnis van de ondernemingsrechtbank van Leuven van [...] november 2020 en bijkomende conclusies van de partijen
18. Op 2 december 2020 meldde mevr. X dat de ondernemingsrechtbank van Leuven een vonnis had geveld in de voornoemde zaak waarbij de geviseerde fanpagina eveneens het voorwerp van de procedure vormde, net zoals in de voorliggende procedure bij de Geschillenkamer (stuk 48). In dit vonnis oordeelt de ondernemingsrechtbank dat Y2 zich, door het commercieel gebruik van de ‘persoonlijkheidsrechten’ van mevr. X – via onder meer, maar niet beperkt tot de geviseerde Facebook fanpagina – schuldig maakt aan oneerlijke marktpraktijken (op grond van art. VI.104 WER). In dit vonnis doet de ondernemingsrechtbank evenwel geen uitspraak over eventuele inbreuken op de AVG. In het vonnis beveelt de ondernemingsrechtbank aan Y2 de staking van de geviseerde oneerlijke marktpraktijken op straffe van een dwangsom. Het relevante onderdeel van het dispositief van de ondernemingsrechtbank luidt:
⁶ Cf. betreden beslissing, Rn. 47.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 13
“De voorzitter stelt vast dat verweerster, de Y2, zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke marktpraktijken:
- door de naam en afbeeldingen van mevrouw \(X\) commercieel te gebruiken zonder de toestemming van mevrouw \(X\);
- door op sociale media een profiel van mevrouw \(X\) te beheren zonder haar toestemming;
- door de indruk te wekken dat verweerster nog steeds optreedt als agent of tussenpersoon van mevrouw \(X\), verwijl dat in werkelijkheid Niet meer het geval is en mevrouw \(X\) zich daartegen verzet.
De voorzitter beveelt de staking van deze praktijken op straffe van een dwangsom te betalen aan mevrouw X ten bedrage van 3.000 euro per vastgestelde inbreuk en per dag dat de inbreuk blijft bestaan, en dit vanaf de dag volgend op de dag waarop dit vonnis wordt betekend.”
19. Per e-mail van 10 December 2020 verleende de Geschillenkamer de möglichkheid aan de partijen om in bijkomende conclusies schriftelijk standpunt in te nemen over de eventuele relevantie van het vonnis van 2 December 2020 voor de procedure voor de Geschillenkamer (stuk 51). De partijen maakten van deze möglichkheid gebruik, en dienden elk een beperkte bijkomende conclusie in (stukken 52 en 53).
20. Aangezien het vonnis van de ondernemingsrechtbank geen uitspraak deed over inbreuken op de AVG, en ook andere feitelijke elementen aan de grundslag van dit vonnis lagen, kon de Geschillenkamer onverkort doorgaan met het uitoefenen van haar toezichtsbevoedheden inzake de wetgeving betreffende de bescherming van personsgegevens.7
# 1.7. Het boeteformulier
21. Op 23 December 2020 maakte de Geschillenkamer een boeteformulier over aan Y2, met de mededeling dat de Geschillenkamer overwoog om een boete van 10.000 EUR op te leggen aan Y2 wegens inbreuken op de diverse in het boeteformulier aangehaalde bepalingen van de AVG (stuk 54).
22. Per e-mail van 7 januari 2021 reageerde Y2 op het boeteformulier (stuk 55).
# 5. Het juridisch kader van de rechtsmacht van het Marktenhof:
# 5.1.
De materie wordt geregeld door de AVG ³:
³ Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 14
De artikelen 20 en 21:
Art. 20 Recht op overdraagbaarheid van gegevens
1. De betrokkene heeft het recht de hem betreffende persoonsgegevens, die hij aan een verwerkingsverantwoordelijke heeft verstrekt, in een gestructureerde, gangbare en machineleesbare vorm te verkrijgen, en hij heeft het recht die gegevens aan een andere verwerkingsverantwoordelijke over te dragen, zonder daarbij te worden gehinderd door de verwerkingsverantwoordelijke aan wie de persoonsgegevens waren verstrekt, indien:
a) de verwerking berust op toestemming uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), of op een overeenkomst uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt b); en
b) de verwerking via geautomatiseerde procedés wordt verricht.
2. Bij de uitoefening van zijn recht op gegevensoverdraagbaarheid uit hoofde van lid 1 heeft de betrokkene het recht dat de persoonsgegevens, indien dit technisch mogelijk is, rechtstreeks van de ene verwerkingsverantwoordelijke naar de andere worden doorgezonden.
3. De uitoefening van het in lid 1 van dit artikel bedoelde recht laat artikel 17 onverlet. Dat recht geldt niet voor de verwerking die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend.
4. Het in lid 1 bedoelde recht doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.
Afdeling 4. Recht van bezwaar en geautomatiseerde individuele besluitvorming
Art. 21 Recht van bezwaar
1. De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e) of f), met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.
2. Wanneer persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing worden verwerkt, heeft de betrokkene te allen tijde het recht bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens voor dergelijke marketing, met inbegrip van profilering die betrekking heeft op direct marketing.
3. Wanneer de betrokkene bezwaar maakt tegen verwerking ten behoeve van direct marketing, worden de persoonsgegevens niet meer voor deze doeleinden verwerkt.
4. Het in de leden 1 en 2 bedoelde recht wordt uiterlijk op het moment van het eerste contact met de betrokkene uitdrukkelijk onder de aandacht van de betrokkene gebracht en duidelijk en gescheiden van enige andere informatie weergegeven.
5. In het kader van het gebruik van diensten van de informatiemaatschappij, en niettegenstaande Richtlijn 2002/58/EG, mag de betrokkene zijn recht van bezwaar
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 15
uitoefenen via geautomatiseerde procedés waarbij wordt gebruikgemaakt van technische specificaties.
6. Wanneer persoonsgegevens overeenkomstig artikel 89, lid 1, met het oog op wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt, heeft de betrokkene het recht om met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens, tenzij de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een taak van algemeen belang.
# Artikel 12 lid 3:
Art. 12 Transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene
[...]
3.De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen één maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging, met vermelding van de redenen voor de vertraging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.3
# Artikel 58. 2.:
“Elk toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen:
a) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker waarschuwen dat met de voorgenomen verwerkingen waarschijnlijk inbreuk op bepalingen van deze verordening worden gemaakt;
b) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker berispen wanner met verwerkingen inbreuk op bepalingen van deze verordening is gemaakt;
c) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gelasten de verzoeken van de betrokkene tot uitoefening van zich rechten uit hoofde van deze verordening in te willigen;
d) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gelasten, waar passend, op een nader bepaalde manier en binnen een nader bepaalde termijn, verwerkingen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze verordening;
e) de verwerkingsverantwoordelijke gelasten een inbreuk in verband met personsgeveens aan de betrokkene mee te delen;
f) een tijdelijke of definitieve verwerkingsbeperking, waaronder een verwerkingsverbod, opleggen;
g) het rectificeren of wissen van personsgeveens of het beperken van verwerking uit hoofde van de artikelen 16, 17 en 18 gelasten, alsmede de kennisgeving van dergelijkke
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 16
handelingen aan ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt, overeenkomstig artikel 17, lid 2, en artikel 19;
h) een certificering intrekken of het certificeringsorgaan gelasten een uit hoofde van de artikelen 42 en 43 afgegeven certificering in te trekken, of het certificeringsorgaan te gelasten geen certificering af te geven indien niet langer aan de certificeringsvereisten wordt voldaan;
i) naargelang de omstandigheden van elke zaak, naast of in plaats van de in dit lid bedoelde maatregelen, een administratieve geldboete opleggen op grond van artikel 83; en
j) de opschorting van gegevensstromen naar een ontvanger in een derde land of naar een internationale organisatie gelasten.”
Artikel 83:
Art. 83 Algemene voorwaarden voor het opleggen van administratieve geldboeten
1.Elke toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat de administratieve geldboeten die uit hoofde van dit artikel worden opgelegd voor de in de leden 4, 5 en 6 vermelde inbreuken op deze verordening in elke zaak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
2 Administratieve geldboeten worden, naargelang de omstandigheden van het concrete geval, opgelegd naast of in plaats van de in artikel 58, lid 2, onder a) tot en met h) en onder j), bedoelde maatregelen. Bij het besluit over de vraag of een administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan wordt voor elk concreet geval naar behoren rekening gehouden met het volgende:
a) de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, rekening houdend met de aard, de omvang of het doel van de verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade;
b) de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk;
c) de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken;
d) de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verantwoordelijk is gezien de technische en organisatorische maatregelen die hij heeft uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 25 en 32;
e) eerdere relevante inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker;
f) de mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken;
g) de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft;
h) de wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk, met name of, en zo ja in hoeverre, de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de inbreuk heeft gemeld;
i) de naleving van de in artikel 58, lid 2, genoemde maatregelen, voor zover die eerder ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kwestie met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen;
j) het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes overeenkomstig artikel 40 of van goedgekeurde certificeringsmechanismen overeenkomstig artikel 42; en
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 17
k) elke andere op de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factor, zoals gemaakte financiële winsten, of vermeden verliezen, die al dan niet rechtstreeks uit de inbreuk voortvloeien.
3. Indien een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker opzettelijk of uit nalatigheid met betrekking tot dezelfde of daarmee verband houdende verwerkingsactiviteiten een inbreuk pleegt op meerdere bepalingen van deze verordening, is de totale geldboete niet hoger dan die voor de zwaarste inbreuk.
4. Inbreuken op onderstaande bepalingen zijn overeenkomstig lid 2 onderworpen aan administratieve geldboeten tot 10 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot 2 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt:
a) de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker overeenkomstig de artikelen 8, 11, 25 tot en met 39, en 42 en 43;
b) de verplichtingen van het certificeringsorgaan overeenkomstig de artikelen 42 en 43;
c) de verplichtingen van het toezichthoudend orgaan overeenkomstig artikel 41, lid 4.
5. Inbreuken op onderstaande bepalingen zijn overeenkomstig lid 2 onderworpen aan administratieve geldboeten tot 20 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot 4 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt:
a) de basisbeginselen inzake verwerking, met inbegrip van de voorwaarden voor toestemming, overeenkomstig de artikelen 5, 6, 7 en 9;
b) de rechten van de betrokkenen overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 22;
c) de doorgiften van persoonsgegevens aan een ontvanger in een derde land of een internationale organisatie overeenkomstig de artikelen 44 tot en met 49;
d) alle verplichtingen door de lidstaten vastgesteld krachtens hoofdstuk IX;
e) niet-naleving van een bevel of een tijdelijke of definitieve verwerkingsbeperking of een opschorting van gegevensstromen door de toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 58, lid 2, of niet-verlening van toegang in strijd met artikel 58, lid 1.
6. Niet-naleving van een bevel van de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 58, lid 2, is overeenkomstig lid 2 van dit artikel onderworpen aan administratieve geldboeten tot 20 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot 4 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt.
7. Onverminderd de bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen van de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 58, lid 2, kan elke lidstaat regels vaststellen betreffende de vraag of en in hoeverre administratieve geldboeten kunnen worden opgelegd aan in die lidstaat gevestigde overheidsinstanties en overheidsorganen.
8. De uitoefening door de toezichthoudende autoriteit van haar bevoegdheden uit hoofde van dit artikel is onderworpen aan passende procedurele waarborgen overeenkomstig het Unierecht en het lidstatelijke recht, waaronder een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke rechtsbedeling.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 18---
9. Wanneer het rechtsstelsel van de lidstaat niet voorziet in administratieve geldboeten, kan dit artikel aldus worden toegepast dat geldboeten worden geïnitieerd door de bevoegde toezichthoudende autoriteit en opgelegd door bevoegde nationale gerechten, waarbij wordt gewaarborgd dat deze rechtsmiddelen doeltreffend zijn en eenzelfde effect hebben als de door toezichthoudende autoriteiten opgelegde administratieve geldboeten. De boeten zijn in elk geval doeltreffend, evenredig en afschrikkend. Die lidstaten delen de Commissie uiterlijk op 25 mei 2018 de wetgevingsbepalingen mee die zij op grond van dit lid vaststellen, alsmede onverwijld alle latere wijzigingen daarvan en alle daarop van invloed zijnde wijzigingswetgeving.3
Considerans 148 voorafgaand aan de AVG:
“(148)
Met het oog op een krachtiger handhaving van de regels van deze verordening dienen straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, te worden opgelegd voor elke inbreuk op de verordening, naast of in plaats van passende maatregelen die door de toezichthoudende autoriteiten ingevolge deze verordening worden opgelegd. Indien het gaat om een kleine inbreuk of indien de te verwachten geldboete een onevenredige last zou berokkenen aan een natuurlijk persoon, kan in plaats van een geldboete worden gekozen voor een berisping. Er dient evenwel rekening te worden gehouden met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met het opzettelijke karakter van de inbreuk, met schadebeperkende maatregelen, met de mate van verantwoordelijkheid, of met eerdere relevante inbreuken, met de wijze waarop de inbreuk ter kennis van de toezichthoudende autoriteit is gekomen, met de naleving van de maatregelen die werden genomen tegen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, met de aansluiting bij een gedragscode en met alle andere verzwarende of verzachtende factoren. Het opleggen van straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, moet onderworpen zijn aan passende procedurele waarborgen overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest, waaronder een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke rechtsbedeling.”
en door de WOG:
Artikel 100 § 1, 5° en 13°
§ 1
De geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
[...]
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
[...]
13° administratieve geldboeten op te leggen;
Artikel 101:
De geschillenkamer kan beslissen om een administratieve boete op te leggen aan de vervolgde partijen volgens de algemene voorwaarden bepaald in artikel 83 van de Verordening 2016/679.
De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft op 20 december 2018 het reglement van interne orde van de GBA goedgekeurd. Het reglement van interne orde opgesteld door het directiecomité bevat de essentiële regels betreffende de werking van de organen en de termijnen binnen dewelke informatie, adviezen en goedkeuringen vermeld in de wet van 3 december 2017 tot oprichting van
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 19
de GBA dienen te worden geleverd. Het werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2019 en staat eveneens vermeld op de website van de GBA.
5.2.
Wat de grond betreft geldt artikel 6 AVG⁴ dat luidt als volgt:
“Art. 6 Rechtmatigheid van de verwerking
1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.
De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.
2. De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.
3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:
a) Unierecht; of
b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van
⁴ Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 20
algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
4. Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:
a) ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;
b) het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;
c) de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;
d) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;
e) het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.”
# 6. De middelen van de partijen.
6.1. Verzoekers laten volgende middelen gelden:
middel 1: vooraf: schorsing van de tenuitvoerlegging
middel 2: ontvankelijkheid hoger beroep Y1
middel 3: bevoegdheid van de GBA & toepassingsgebied AVG: “persoonsgegevens” & “verwerkingsverantwoordelijke”
middel 4: inzake de ontvankelijkheid van de klacht
middel 5: rechtmatige verwerking persoonsgegevens – art 6 AVG – verwerking ex contractu
middel 6: het recht van bezwaar - artikel 21, lid 1 AVG
middel 7: artikel 12 (3) AVG - geen schending
middel 8: artikel 20 AVG – recht op overdraagbaarheid – de waarschuwing - geen inbreuk & onterechte waarschuwing
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 21
middel 9: de geldboete – beginselen behoorlijk bestuur en het redelijkheidsbeginsel
middel 10: de vergoeding van geleden schade wegens foutieve procedurehouding met
schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en tergend en roekeloos gevoerd geding
door de GBA ten nadele van Y2 en ten nadele van Y1.
# 6.2. De GBA laat gelden:
Eerste verweermiddel: de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden
beslissing is zonder voorwerp (verweer tegen het eerste middel van verzoekers)
Tweede verweermiddel: het ingestelde beroep is onontvankelijk in hoofde van tweede verzoeker
(dhr. Y1), wegens een gebrek aan belang (exceptie alsmede verweer tegen het tweede middel van
verzoekers)
Derde verweermiddel: de Gegevensbeschermingsautoriteit was (en is) materieel bevoegd om zich bij
monde van de Geschillenkamer uit te spreken over de klacht van mevr. X – De geviseerde
fanpagina betreft een verwerking van persoonsgegevens (verweer tegen het eerste onderdeel
van het derde middel van verzoekers)
Vierde verweermiddel: de Geschillenkamer heeft Y2 correct aangeduid als de
verwerkingsverantwoordelijke die verantwoordelijk is voor de in de klacht aangeklaagde handelingen
en gedragingen. Y2 draagt als verwerkingsverantwoordelijke een eigen
verantwoordelijkheid (verweer tegen het tweede onderdeel van het derde middel van verzoekers)
Vijfde verweermiddel: de Geschillenkamer werd rechtsgeldig gevat, met toepassing van artikel 92
WOG (verweer tegen het eerste onderdeel van het vierde middel van verzoekers)
Zesde verweermiddel: de Geschillenkamer stelde rechtsgeldig een inbreuk vast op artikel 6 AVG –
Y2 presenteerde zich, middels de fanpagina [met naam] ‘X’ waarover zij het beheer had, ten
onrechte naar de buitenwereld toe als ‘X’, terwijl mevr. X in werkelijkheid niet de finale
zeggenschap had over deze pagina en zijn inhoud en niet instemde met een dergelijke
verregaande verwerking van haar persoonsgegevens – De intellectuele eigendomsrechten waarover
Y2 beschikt inzake een beperkt aantal muziekwerken van mevr. X rechtvaardigden een
dergelijke verregaande verwerking niet (verweer tegen het vijfde middel van verzoekers)
Zevende verweermiddel: de Geschillenkamer stelde rechtsgeldig een inbreuk vast op artikel 21.1
AVG en artikel 12.3 AVG – Wanneer uit artikel 21.1 AVG een verplichting volgt voor de
verwerkingsverantwoordelijke om het bezwaar van de betrokkene in te willigen, moet de
verwerkingsverantwoordelijke op grond van artikel 12.3 AVG onverwijld, en in ieder geval binnen een
maand na de ontvangst van het verzoek, aan de betrokkene melden dat de geviseerde
persoonsgegevensverwerking werd gestaakt (verweer tegen het zesde en zevende middel van
verzoekers)
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 22---
Achtste verweermiddel: de Geschillenkamer heeft Y2 rechtsgeldig gewaarschuwd om desgevallend op een correcte wijze uitvoering te geven aan de verplichtingen van artikel 20.1 AVG (verweer tegen het tweede onderdeel van het vierde middel en tegen het achtste middel van verzoekers)
Negende verweermiddel: De opgelegde geldboete is behoorlijk in feite en naar recht verantwoord – De opgelegde geldboete is allerminst disproportioneel in het licht van de vastgestelde inbreuken op de basisbeginselen van de AVG (verweer tegen het negende middel van verzoekers)
Tiende verweermiddel: de vordering tot schadevergoeding van verzoekers is onontvankelijk – Een dergelijke vordering tot schadevergoeding gaat immers de grenzen van het voorliggende beroep in de zin van artikel 108 WOG te buiten en behoort tot de rechtsmacht van de gewone burgerlijke rechtbanken – Minstens is de vordering manifest ongegrond (verweer tegen het tiende middel van verzoekers)
## 7. Bespreking.
### 7.1. de ontvankelijkheid van het middel aangaande uitvoerbaarheid$^{5}$.
De GBA houdt voor dat dit middel van verzoekende partijen onontvankelijk is.
In de mate dat de uitvoerbaarheid niet voor de totaliteit van de beslissing werd opgeschort, is het middel ontvankelijk.
Doordat het Marktenhof thans het geschil in zijn totaliteit beslecht, is het middel evenwel zonder voorwerp.
### 7.2. de ontvankelijkheid van het hoger beroep van Y1$^{6}$
De GBA stelt dat dit beroep onontvankelijk is bij gebrek aan belang nu de bestreden beslissing een seponering uitspreekt wat Y1 betreft.
Van zodra een beslissing ten aanzien van een partij wordt genomen, welke de inhoud van die beslissing ook weze, heeft deze partij afdoend belang om de beslissing te bestrijden. Indien de beslissing hem niet grieft, dan is zijn beroep mogelijkerwijze niet gegrond doch de vraag naar de gegrondheid mag niet verward worden met de vraag naar de ontvankelijkheid.
Te dezen heeft de Geschillenkamer van de GBA, ondanks het feit dat zij vaststelde dat Y1 geen gegevensverwerker is$^{7}$, toch de klacht verder onderzocht jegens Y1 om dan finaal de klacht te seponeren.
$^{5}$ Eerste middel van beide partijen
$^{6}$ Tweede middel van beide partijen
$^{7}$ en ondanks het feit dat dit reeds moest blijken uit de ‘light’ beslissing
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 23---
Indien een geseponeerde klacht geen eigenlijke sanctie inhoudt, dan blijft het vervolgen (alvorens tot het seponeren wordt beslist) wel griefhoudend.
Een deugdelijk onderzoek van de klacht door de eerstelijnsdienst had moeten aantonen dat er geen aanleiding was om Y1 te vervolgen.
In de mate dat gevorderd wordt dat de GBA onbevoegd is om de klacht te beoordelen en dat de klacht onontvankelijk zou zijn, blijft het beroep zoals ingesteld door Y1 – die wegens de aantasting van zijn subjectieve rechten door de GBA een schadevergoeding claimt (zie het 10$^{de}$ middel van de verzoekende partijen) - wel degelijk ontvankelijk.
### 7.3. de bevoegdheid van de GBA & toepassingsgebied AVG: “persoonsgegevens” & “verwerkingsverantwoordelijke”$^{8}$.
Y2 laat gelden dat de geschillenkamer van de GBA te dezen geen bevoegdheid heeft daar er – door Y2 geen schending van persoonsgegevens door een verwerkingsverantwoordelijke geschiedt.
Zij verwijst daarbij naar de artiestenovereenkomst en de licentieovereenkomst die er tussen Y2 en de klaagster zijn afgesloten. Zij wijst erop dat deze artiestenovereenkomst en deze licentieovereenkomst nog steeds toepasselijk zijn. Zij verwijst verder naar artikel XI.209 WER.
De vraag of de Geschillenkamer van de GBA - terecht of ten onrechte een sanctie *sensu lato* heeft opgelegd – betreft de vraag naar de gegrondheid van de vordering.
De Geschillenkamer is “bevoegd” om een beslissing te nemen van zodra er voldaan is aan artikel 92 – 1° WOG (te weten zodra zij aangezocht is *door de eerstelijnsdienst, overeenkomstig artikel 62, § 1, voor de behandeling van een klacht*”).
De Geschillenkamer was dienvolgens bevoegd om een beslissing te nemen.
Of Y2 al dan niet moet aanzien worden als een verwerkingsverantwoordelijke behoort evenzo tot de grond van de zaak en niet tot de vraag naar de bevoegdheid.
Het derde middel van Y2 en Y1 - in de mate dat het betrekking heeft op de bevoegdheidsproblematiek - is niet gegrond.
### 7.4. de ontvankelijkheid van de klacht$^{9}$
De verzoekers houden voor dat de Geschillenkamer niet rechtsgeldig gevat werd.
Uit stuk 2 in het dossier van de GBA blijkt dat de klacht op grond van artikel 58 WOG op 10 maart 2020 ontvankelijk werd verklaard en dat deze overeenkomstig artikel 62, §1 WOG door de eerstelijnsdienst werd overgemaakt aan de Geschillenkamer.
$^{8}$ Derde middel van verzoekers, vierde middel van de GBA
$^{9}$ Vierde middel van verzoekers, vijfde middel van de GBA
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 24
De klacht is ontvankelijk. Het vierde middel van verzoekers faalt naar de feiten.
# 7.5. rechtmatige verwerking van persoonsgegevens – art 6 AVG – verwerking ex contractu¹⁰
1. Y2 laat gelden dat zij de gegevens op rechtmatige wijze heeft verwerkt.
Zij stelt:
“De stelling van de GBA dat de rechtmatigheid van de verwerking van de persoonsgegevens initieel terecht was op artikel 6, lid 1, punt b) AVG is correct.
Echter slaat de GBA opnieuw de bal compleet mis wanneer wordt beweerd dat dit stopte op 3 november 2019 daar waar het beheer van een pagina via sociale mediaplatformen in de entertainmentsector zou voortvloeien uit de managementovereenkomst.
Alzo meent de GBA verkeerdelijk dat door de beëindiging van deze managementovereenkomst (per 03/11/2019), de tot stand gekomen verwerkingsgrond (in de zin van art. 6, lid 1, punt b) AVG) ook de facto werd beëindigd en appellante Y2 nadien geen rechten meer zou hebben om de pagina en de “persoonsgegevens” van X te beheren.
Hieruit blijkt dat de GBA het niet begrepen heeft:
5.1.1. Er wordt herhaald dat Y2 de vermelde rechten niet baseerde op haar mandaat dat volgde uit de - inderdaad beëindigde- managementovereenkomst. De beëindiging van de managementovereenkomst heeft alzo geen enkele invloed op de rechten die Y2 heeft/had om de facebookpagina te beheren.
De opmerking van de GBA dat “genoeglijk” kon worden “aangenomen” dat de afgesloten managementovereenkomst een rechtsbasis bood aan Y2 om in naam en/of ten bate van de artiest een pagina te beheren op sociale media, illustreert de weerwil en weigering van de GBA dan wel gebrek aan begrip om de objectieve feiten en de geldende regelgeving (die reeds talrijk werd getracht duidelijk te maken) in acht te nemen, zodat niets diende ‘aangenomen’...
5.1.2. Relevant in deze zijn de intellectuele eigendomsrechten op de volgende muziekwerken:
1. 2014: [titel nummer 1]: masterrechten bij Y2 (de producent)
2. 2015: [titel nummer 2]: masterrechten bij Y2 (de producent)
3. 2015: [titel nummer 3]: masterrechten platenfirma XY = X met exclusive licentierechten bij Y2
4. 2016: [titel nummer 4]: masterrechten platenfirma XY = X met exclusive licentierechten bij Y2
5. 2018: [titel nummer 5]: masterrechten platenfirma XY = X met exclusive licentierechten bij Y2
Ø Zie stuk 33: discografie met overzicht van deze 5 muziekwerken Y2 is tevens de uitgever en publisher dienaangaande. (stuk 5)
¹⁰ Vijfde middel van verzoekers, zesde middel van de GBA
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 25
Als producent van fonogrammen of mastereigenaar dan wel vervolgens exclusief licentiehouder van bepaalde muziekwerken (niet manager!) is Y2 gerechtigd op gebruik van naam en afbeelding van de uitvoerende artiest van deze muziekwerken ter commercialisering en exploitatie van muziek.
In dit kader wordt verwezen naar afspraken tussen partijen, maar ook met betrokken derden (zoals producers):
- De artiestenovereenkomst 2008 en diverse bijlagen; (stuk 2)
- De masterovereenkomsten met de producers 2014; (stuk 35-36)
- De exclusieve licentieovereenkomst 2015; (stuk 6)
- De uitgaveovereenkomst 2015; (stuk 5)
- De addenda en bijlagen per muziekwerk (stuk 37-39).
In dit kader wordt verwezen naar bepaalde investeringen van Y2. (stuk 34)
Gevolg van deze keuzes is dat de kosten verbonden aan de eerste twee muziekwerken dienden en ook werden gedragen door Y2 (stuk 34), vervolgens vanaf einde 2015 door platenfirma XY (geïntimeerden) zelf (bv voor “Rule the World in 2018 – stuk 20 geïntimeerden)!
In dit kader wordt verwezen naar de semesteriële royaltiestatements die door Y2 werden overgemaakt aan geïntimeerde en de erop volgende facturatie door vennootschap Z gericht aan Y2 voor deze royalty’s, waaruit op zich al erkenning volgt door geïntimeerden van de rechten in hoofde van Y2! (buitengerechtelijke erkentenis) (zie stuk 40-42 inzake afrekeningen royalty’s 2018-2020)
Bestaan van deze rechten kan dus niet ontkend worden! Toch gebeurde dit.
Dit volgt uit de afgesloten contracten en dit volgt uit de wetgeving ter zake: zie ook artikel XI.209 WER inzake de rechten van de producent.
5.1.2.1. de rechten van de producent van fonogrammen
De producent heeft een eigen (naburig) recht en is degene die de eerste vastlegging van een muziekwerk op drager financierde.
Inzake de rechten van de producent : zie artikel XI.209 WER.
Deze rechten gelden bijgevolg voor de producent voor de gehele beschermingsduur van het (naburig) recht (50 jaar) op de opnamen. Als eigenaar (“masterowner”) van de moederband zal de platenfirma ook eigenaar zijn van de fysieke dragers en het artwork. De platenfirma heeft het exclusieve recht alzo de opnamen te (re)produceren op een drager, deze te verdelen, verkopen, uit te lenen enz. In dit exploitatierecht zit ook de aanbieding van de opnamen als digitale download, het aanbieden van de opnamen als stream, het uitzendrecht via media. (art.XI.209 WER)
Hieraan gekoppeld heeft de platenfirma – producent of de licentiehouder het recht om de naam en beeltenis van de artiest te gebruiken en dit voor de duur van het naburige recht.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 26
Zonder deze is het haar immers niet mogelijk het werk te exploiteren.
Artikel 3.5 artiestenovereenkomst: Platenfirma U ..hebben het recht om de naam, de afbeelding en het biografisch materiaal van de Artiest ... voor de redelijke exploitatie van de artistieke creaties én opnames te gebruiken.
5.1.2.2. de rechten van de exclusieve licentiehouder van fonogrammen
Hetzelfde geldt voor de exclusieve licentieovereenkomst van 2015, dewelke op heden nog steeds loopt en volgens dewelke deze rechten worden toegekend aan Y2 gedurende 15 jaar vanaf release van de muziek.
Dit staat expliciet verwoord in de licentieovereenkomst 2015.
Deze licentieovereenkomst 2015 geeft Y2 exclusief recht op exploitatie van de werken van platenfirma XY gedurende 15 jaren vanaf release; de overeenkomst loopt van 3 november 2015 tot 3 november 2020, maar werd niet opgezegd en dus verlengd voor een jaar of tot 3 november 2021 alvast.
De overeenkomst voorziet in artikel 4 dat X zonder beperking het recht verleent aan Y2 om exclusief naam én afbeelding te gebruiken voor de duur van de exploitatie (of 15 jaar na de release).
5.1.2.3. In ruil voor de verleende rechten ontvangt de artiest een vergoeding, meestal een percentage op de opbrengsten (een zgn. royalty).
Dit heeft nimmer ter discussie gestaan en volgt uit de stukken: zie statements, zie de facturen van de artiest (en haar vennootschap Z) : zie stuk 40-42. De facturen zijn dienaangaande bewijs van aanvaarding en realiteit van voorgaande.
Sociale media is nodig om distributie te verzorgen, inkomsten te kunnen verwerven uit muziek. Door uploads wordt muziek gefingerprint bv door YouTube wereldwijd en in alle mogelijke vormen. Elk gebruik van een muziekwerk online wordt gelinkt aan de betreffende account van de rechthebbende (via dewelke het werk werd geupload en gefingerprint) en alzo kan elk gebruik van dat werk worden afgerekend en komen de rechten toe aan de rechthebbende(n). 8
Belangrijk is dat deze inkomsten worden afgerekend via de royalty statements per track en kunnen via de zoekfunctie ook steeds worden gecontroleerd en gedetailleerd in de Excel-bijlage van de statements. (stuk 41-42) Alle inkomsten per track worden afgerekend: Zie voorbeeld XLS statement in bijlage: X_1600871245.xlsx .. Ga onderaan naar tabblad “DIGITAL” .. Zoekfunctie: “YouTube”
Om het nog duidelijker te maken bij wijze van voorbeeld: stuk 42: afrekening YouTube inkomsten via royalty afrekening: Track [titel nummer 5]: conform contract aan 75% netto inkomsten.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 27
Kortom, de account (voor digitale verkoop of gebruik) is gelinkt aan de betreffende professionele pagina’s van de rechthebbende(n).
Bijgevolg heeft Y2 terecht als rechthebbende (producent – exclusief licentiehouder) accounts op Facebook maar ook op bv YouTube en worden de muziekwerken waar zij rechten op heeft en dewelke zij exploiteert op de muziekplatformen gelinkt aan haar account (d.i. géén account van geïntimeerde) bij deze platformen. Alzo wordt immers bekomen dat correct kan worden afgerekend voor (digitale) aankoop of gebruik.
# 5.1.3. Besluit in casu:
Alzo bezit Y2 rechten die ervoor zorgen dat zij de muziekwerken van de uitvoerende artieste X kan verveelvuldigen, promoten, (digitaal) verkopen, verhuren, gebruiken, ... en hiervoor de naam én de afbeelding van de artiest zal gebruiken.
Dit is geenszins gestopt op 3 november 2019, enkel de managementrelatie (die hiervan losstaat).
Het is in dit professioneel kader dat Y2 een professionele pagina heeft aangemaakt, beheerde en via de pagina van deze uitvoerende artieste onder de benaming [...] werd muziek verspreid en digitaal verkocht.
Dat dit verbonden is aan de muziek, eerder dan aan de persoon blijkt ook uit de benaming [...], daar waar de betrokkene haar eigen label [...] had genoemd en voor deze tracks (waarvan X producent is) de exclusieve licentie ter exclusieve commercialisering van haar muziek toekende aan Y2 in 2015.
Alzo dient besloten dat ingevolge de contractuele relatie tussen Y2 en X en ter exploitatie en promotie van muziekwerken waarop Y2 rechten heeft verworven, gebruik van de naam en beeltenis van de artiest (X) alzo op professionele sociale media een noodzakelijk gevolg is.
5.1.4. Volledig onterecht beweert de GBA dat het voorgaande niet wordt bewezen met ‘bewijskrachten stukken’. Er kan verwezen worden naar voorgaande en het uitgebreid stukkenbundel.
5.1.5. Wat betreft het vonnis van de stakingsrechter Leuven dat door de GBA in haar bundel van het dossier wordt bijgebracht dient verduidelijkt dat tegen dit vonnis hoger beroep werd ingesteld en dit beroep hangende is. De zaak wordt behandeld voor het Hof van Beroep te Brussel in november 2021.
Er wordt verwezen naar de beroepsbesluiten van concluante in deze zaak en het stellingsbericht zoals bijgebracht in het stukkenbundel. (zie stuk 44)
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 28---
Uit het vonnis samen gelezen met de stukken in deze blijkt dat de Stakingsrechter inderdaad voorgaande evenmin had begrepen (mogelijk reden waarom de GBA werd misleid?) en concludenten hebben er alle vertrouwen in dat dit zal worden rechtgezet in beroep.
Bovendien kadert dit in een kwestie van marktpraktijken en niet de verwerking van persoonsgegevens, waardoor de zaak sowieso anders diende benaderd en vanuit een verschillende invalshoek werd beoordeeld...
## 5.2. Verwerkingsgrond – gerechtvaardigd belang – niet vereist doch aanwezig
5.2.1. In eerste instantie wordt door de GBA in haar beslissing opnieuw verkeerdelijk gesteld dat appellante Y2 haar recht om de naam en voornaam van X te gebruiken ter exploitatie van bepaalde werken zou voortvloeien uit bepaalde auteursrechten (??) (zie supra – het gaat in eerste instantie niet over de auteursrechten of de rechten van Y2 als uitgever /publisher van werken geschreven door X)
Alzo zou het gebruik van de naam en voornaam van de klager “aanvaardbaar zijn volgens de wetgeving” ... (?) Opnieuw getuigt deze stelling van een gebrek aan inzicht en kennis of begrip van de rechten en overeenkomsten, hun uitwerking en de werking van de gehele muzieksector.
Er is in deze geen sprake van “het auteursrecht” of enige hoedanigheid van auteur, wel de rechten van de producent dan wel exclusief licentiehouder. Er wordt verwezen naar bovenstaande.
5.2.2. Vervolgens beweert de GBA in haar beslissing dat hoewel appellante Y2 wel degelijk een gerechtvaardigd belang heeft om de pagina te beheren (en de persoonsgegevens te verwerken), het beheer van de Facebookpagina “verder gaat” dan het gebruik van de naam en voornaam van X. (?)
De GBA is hier onterecht van mening dat Y2 - door het beheren van de pagina - in de persoon van X treedt om zich vanuit haar naam naar de buitenwereld te presenteren ..(??) Alzo begeeft de GBA zich zelfs op het terrein van de marktpraktijken en heeft zij zich duidelijk laten leiden door het – manifest foutieve – vonnis van de Stakingsrechter te Leuven.
Het commercieel belang en recht op exploitatie vanwege Y2 zou alzo niet opwegen tegen de rechten van X inzake de identiteit van de eigen persoon beschermd door artikel 8 van het Handvest.
In de besluiten van de GBA wordt dit bevestigd en wordt gesteld dat Y2 na de afloop van de contractuele band op 3 november 2019 zich evenmin kon beroepen op een rechtvaardigingsgrond van artikel 6.1, eerste lid, f) AVG voor het beheer van de Facebookpagina.
De GBA slaat de bal hier volledig mis.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 29---
5.2.3. Er wordt verwezen naar bovenstaande. De exploitatie via diverse online platformen en sociale media (uiteraard onder de naam van de uitvoerende artiest!) is absoluut een noodzakelijk gevolg van de exploitatierechten en zelfs een exploitatieplicht.
Dit wordt trouwens bevestigd waar de GBA stelt dat Y2 én het recht heeft om de muziekwerken te exploiteren én Y2 het recht heeft om de naam en voornaam van X hiervoor te gebruiken. Begrijpe wie begrijpen kan ...
Het is dan ook verwonderlijk dat - ondanks de erkenning van de rechtmatigheid van de verwerking - tegelijkertijd wordt geponeerd dat Y2 zich naar de buitenwereld zou “presenteren” als X ... ? Hier wordt overigens in alle toonaarden over gezwegen in de besluiten van de GBA...
Alleszins blijkt dit nergens uit en wordt door de GBA ook niet gestaafd. Het betreft een eigenzinnige interpretatie en dergelijk handelen en de vraag naar de rechtmatigheid ervan is zelfs niet aan de orde, noch is het aan de GBA hierover te oordelen. Het betreft een marktpraktijk en te beoordelen door de stakingsrechter in hoger beroep. (stuk 44)
Sowieso kan de GBA hierin niet gevolgd worden gelet op het feit dat op de puur professionele Facebook pagina geen enkele persoonlijke of privé informatie van de betrokkene wordt gebruikt (naast de naam en beeltenis, hetgeen de GBA niet afkeurt) zodat er geen sprake is van ‘het beheer van de persoonsgegevens van de identiteit van de eigen persoon’ zoals wordt beschermd door artikel 8 van het Handvest.
Deze argumentatie van de GBA kan alzo niet begrepen worden noch ernstig genomen worden.
De exploitatie en commercialisering van de muziekwerken (hetgeen heden voornamelijk online gebeurt) is aldus absoluut noodzakelijk voor het belang van de rechthebbende gezien voornamelijk op die manier inkomsten worden gegenereerd voor de muziekwerken. (supra)
Gelet op het feit dat er in de eerste plaats geen sprake is van het verwerken van persoonsgegevens, maar slechts (rechtsgeldig!) muziekwerken worden gecommercialiseerd in een professioneel kader, de persoonsgegevens alleszins zeer beperkt zijn (indien er al sprake zou zijn van verwerking van persoonsgegevens), en de exploitatie een gerechtvaardigd belang is van Y2, weegt het belang van Y2 veel zwaarder door, te meer de GBA op geen enkele wijze aantoont hoe het beheer van een Facebookpagina door Y2 schadelijk zou zijn.
In tegendeel kan gesteld dat de exploitatie net bijdraagt aan de groei en bekendheid van de betrokkene en zij alzo royalties verwerft op de verkochte muziek! Van schade is sowieso geen sprake. (zie ook haar facturen hiervoor t.a.v. Y2 – stukken 40-42)
Hoewel Y2 op grond van de overeenkomsten en regelgeving (supra) voldoende grondslag heeft voor de ‘verwerking’ of beheer van de pagina en de verwerkingsgrond van gerechtvaardigd belang in principe niet nodig is kan men alleszins wel vaststellen dat ook op grond van het gerechtvaardigd belang Y2 rechtsgeldig de Facebookpagina beheert. De bestreden beslissing dient hervormd te worden.”
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 30
2. De GBA repliceert als volgt:
“55. Gelet op de eigenheid van de artistieke sector, en specifiek de entertainmentsector, in het kader waarvan het vergaren van fans deel uitmaakt van de gangbare commerciële praktijk, kon genoeglijk worden aangenomen dat de afgesloten managementsovereenkomst (op grond van artikel 6.1, eerste lid, b) AVG) een rechtsbasis bood aan Y2 om – in naam en/of ten bate van de artiest wiens management men verzorgde – een fanpagina met de naam ‘X’ te beheren via een sociaal mediaplatform zoals Facebook. Als manager van mevr. X was Y2 dus redelijkerwijze gerechtigd om, tijdens de uitvoering van het managementscontract, een fanpagina aan te maken en te beheren in naam en met de afbeelding van mevr. X. Los van dit contractueel verband lag er voor het overige geen (aparte) uitdrukkelijke en vrije toestemming voor van mevr. X (in de zin van artikel 4.11 AVG) voor een dergelijke verwerking van haar persoonsgegevens.
56. Tevens kon de Geschillenkamer vaststellen dat aan de voornoemde contractuele banden een einde kwam op 3 november 2019. Dit werd expliciet bevestigd door Y2, bij monde van diens advocaat, in een officiële brief van 27 februari 2020 aan de advocaat van mevr. X. Deze brief werd door X als stuk neergelegd in de procedure voor de Geschillenkamer. Y2 verklaarde hierin: “Alleszins kan niet anders dan objectief vastgesteld [...] dat op heden tussen de partijen geen contractuele relatie meer bestaat.”
57. Zodoende kon Y2 zich ná 3 november 2019 niet meer beroepen op de voorwaarde van artikel 6.1, eerste lid, b) AVG om de persoonsgegevensverwerkingen via de fanpagina ‘X’ – i.e. een Facebook pagina in naam en met de afbeelding van mevr. X – te rechtvaardigen.
58. Op p. 20-22 van hun syntheseconclusie voeren verzoekers aan dat zij wegens een exclusieve licentieovereenkomst en/of een artiestenovereenkomst ook na 3 november 2019 nog steeds over een contractuele grondslag beschikten om de fanpagina ‘X’ te beheren en om daarbij de persoonsgegevens van mevr. X te verwerken. Verzoekers beroepen zich – onder meer met verwijzing naar artikel 3.5 van een artiestenovereenkomst (stuk 2 van verzoekers) – op het gegeven dat zij “de naam, de afbeelding en het biografisch materiaal van Artiest en alle relevante en noodzakelijke informatie over Artiest” (i.e. mevr. X) mochten gebruiken voor de “redelijke exploitatie van de artistieke creaties en opnames” met betrekking waartoe Y2 intellectuele eigendomsrechten kan laten gelden.
Deze argumentatie kan evenwel niet overtuigen.
Ten eerste laten verzoekers na om met bewijskrachtige stukken aan te tonen dat de aangehaalde exclusieve licentieovereenkomst en/of artiestenovereenkomst daadwerkelijk voorzien in het concrete recht om, voor een langere periode of voor onbepaalde duur, in naam van mevr. X en met de afbeelding van mevr. X op het internet een fanpagina (zoals een Facebook fanpagina) te beheren. Hierbij dient nogmaals in herinnering te worden gebracht:
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 31
- Dat de geviseerde pagina niet louter een promotionele pagina is die enkel specifiek de muziekwerken aanprijst waarover Y2 intellectuele rechten kon/kan laten gelden. De bewuste pagina draagt niet de naam van deze muziekwerken of van het muziekproject '[artistiek project A]' waarin mevr. X functioneerde als zangeres. Het muziekproject '[artistiek project A]' heeft immers een eigen fanpagina (stuk 11 van verzoekers), los van de fanpagina 'X'.
Evenmin draagt de geviseerde pagina de naam van 'Y2' (of diens handelsbenaming 'Platenfirma U') en worden de persoonsgegevens van mevr. X louter aangewend om op een dergelijke pagina welbepaalde muziekwerken aan te prijzen en/of te exploiteren.
Welnu, geen van de door verzoekers aangehaalde overeenkomsten noch het aangehaalde artikel XI.209 WER kent een dergelijk verregaand recht toe aan Y2 of diens aangestelden om zich 'in globo' te presenteren als 'X'. Minstens laten verzoekers na om te wijzen op een daartoe dienstige passage in de door hen aangehaalde overeenkomsten of artikel XI.209 WER. Meer nog, verzoekers erkennen in hun syntheseconclusie (p. 3) zelfs expliciet dat Y2 louter beschikt over de licentierechten inzake "een beperkt aantal muziekwerken van X". Y2 heeft dus geenszins exclusieve rechten ten aanzien van de gehele artistieke output van mevr. X, laat staan dat zij over een contractueel recht beschikt om zichzelf op het internet, via een Facebook pagina, te presenteren als 'X'.
Nochtans bepaalt artikel 5.2 van de AVG dat de verwerkingsverantwoordelijke de "rechtmatigheid" (art. 5.1.a) AVG) van zijn verwerkingen van persoonsgegevens steeds actief moet kunnen "aantonen" (in het kader van diens "verantwoordingsplicht"). In dezelfde zin bepaalt artikel 24.1 van de AVG dat de verwerkingsverantwoordelijke ten allen tijde moet "kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met de [AVG] wordt uitgevoerd" (art. 24.1 AVG). Dit is expliciet de eigen "verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke" (art. 24 AVG). De verantwoordingsplicht geldt ten aanzien van elk van de verwerkingsgrondslagen van art. 6.1 AVG."
3. Artikel 4.1 van de licentieovereenkomst die tussen de vennootschap "X" en Y2 werd gesloten op 20 november 2015 (stuk 6 in het dossier van verzoekers) luidt als volgt:
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 32
4.1.1. De Exclusieve rechten die hierbij door X aan Y2 worden verleend voor het Territorium en voor de volledige Exploitatieduur omvatten zonder beperking:
- Het Exclusieve recht om de Masters via electronische transmissie - digitale en analoge, via internet, via eender welk platform (incl. 'On-line'), alsook enige fysieke vastlegging op geluidsdrager (CD, vinyl, DVD, MP3, video, audio-visuele vastlegging, e.a) de Master(s) te verkopen, bekendmaken, promoten, verdelen, verhuren, uitlenen en te exploiteren en het recht om anderen toe te laten dit te doen. Y2 wordt tijdens de duur van de exploitatie als enige aangemerkt als Mastereigenaar/producent van fonogrammen in de zin van Hoofdstuk II van de Auteurswet of gelijkaardige buitenlandse en/of internationale bepalingen.
- Het Exclusieve recht om de exploitatierechten uit te oefenen volgens de gebruikelijke procedures voor 'On-line' exploitatie en anderen toe te laten deze uit te oefenen door middel van de gekende 'On-line' kanalen.
- Het Exclusieve recht om de Opnamen geheel of gedeeltelijk mee te delen aan het publiek of de publiekelijke mededeling toe te laten door middel van 'streaming'.
- Het Exclusieve recht om de naam (namen), goedgekeurde afbeelding (afbeeldingen), goedgekeurd biografisch materiaal, logo's en/of handelsmerk(en) van de Artiesten in verband met publiciteit, promotie en/of verkoop van de Reproducties of in verband met de rechten die krachtens deze Overeenkomst worden verleend.
- Tijdens de Exploitatieduur zullen de rechten zoals beschreven in dit artikel van kracht blijven met betrekking tot alle Masters die door Y2 krachtens deze Overeenkomst commercieel worden uitgebracht en dit vanaf datum van initiële release van de Iedere Opname door Y2. Voor Iedere release van een Opname en/of Master uitgebracht via de kanalen van Y2 wordt een BIJLAGE opgemaakt, waarop alle gegevens (zie Schedule A) over de betreffende Master worden vermeld. Deze BIJLAGEN zullen integraal deel uitmaken van deze Overeenkomst.
Y2 houdt voor dat deze overeenkomst nog steeds geldt. Zij was gesloten voor een duur van vijf jaar vanaf 3 november 2015 met dien verstande dat zij automatisch telkens met één jaar verlengd wordt bij gebrek aan een schriftelijke opzeg minstens dertig dagen voor de vervaldag (artikel 3.1 van stuk 6 van verzoekers). Er wordt geen opzeg bijgebracht.
4. Artikel XI.209 WER bepaalt inzonderheid:
"§ 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel XI.212 en onverminderd het recht van de auteur en van de uitvoerende kunstenaar heeft alleen de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films het recht om zijn prestatie te reproduceren of de reproductie ervan toe te staan, op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk.
Dat recht omvat tevens het recht om de verhuring of de uitlening ervan toe te staan. Het omvat ook het exclusieve distributierecht, dat slechts wordt uitgeput in geval van een eerste verkoop of eerste andere eigendomsoverdracht door de producent van de reproductie van zijn prestatie in de Europese Unie of met diens toestemming.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 33
Alleen de producent heeft het recht om het fonogram of de eerste vastlegging van de film volgens ongeacht welk procédé aan het publiek mede te delen, met inbegrip van de beschikbaarstelling voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn.
De rechten van de producenten van eerste vastleggingen van films vervallen vijftig jaar na de vastlegging. Indien de eerste vastlegging van de film binnen deze termijn evenwel op geoorloofde wijze gepubliceerd of aan het publiek meegedeeld is, vervallen de rechten vijftig jaar na de datum van het eerste feit.
De rechten van producenten van fonogrammen vervallen vijftig jaar na de vastlegging. Indien het fonogram echter binnen deze termijn op geoorloofde wijze gepubliceerd is, vervallen de rechten zeventig jaar na de datum van de eerste geoorloofde publicatie. Indien binnen de in de eerste zin bedoelde termijn geen geoorloofde publicatie heeft plaatsgevonden en het fonogram tijdens deze termijn op geoorloofde wijze aan het publiek is medegedeeld, vervallen de rechten zeventig jaar na de datum van de eerste geoorloofde mededeling aan het publiek.
Deze termijn wordt berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
## § 2
Tenzij het tegendeel is bewezen, wordt een ieder als de producent van fonogrammen of van eerste vastleggingen van films aangemerkt wiens naam of letterwoord waarmee hij te identificeren is als dusdanig op de prestatie, op een reproductie van de prestatie, of bij een mededeling aan het publiek ervan wordt vermeld.”
5. Uit deze elementen blijkt op afdoende wijze dat er voldaan is aan de vereisten van artikel 6.1 AVG (zie 5.2 hiervoor).
De verwerking is rechtmatig indien en voor zover de betrokkene toestemming heeft gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden of de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is. Alsook wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen.
Volgens de artiestenovereenkomst van 26 juli 2008 (stuk 4 in het dossier van verzoekers), de licentieovereenkomst van 20 november 2015 (stuk 6 voornoemd) en volgens artikel XI.209 WER en de rechten van de producent van een fonogram is Y2 exclusief gerechtigd op het gebruik van de naam en afbeelding van de uitvoerende artiest van de muziekwerken die het voorwerp uitmaken van de kwestieuze overeenkomsten en dit voor de duur van het auteursrecht/nevenrechten (70 jaar vanaf de eerste opname).
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 34---
In dat kader werd de Facebookpagina opgericht en aangewend en onder meer werden op deze professionele Facebookpagina (die zich onderscheidt van de privé Facebookpagina van de klaagster, die door haarzelf beheerd wordt) de betreffende muziekwerken digitaal geëxploiteerd en verkocht.
6. De omstandigheid dat een stakingsrechter andere beslissingen zou hebben genomen, is niet relevant en kan geen argument zijn ten overstaan van het Marktenhof dat autonoom oordeelt conform artikel 47 HGEU.
7. De eigen ontledingen die de Geschillenkamer van de GBA meent te kunnen maken op basis van geschriften die tussen de klaagster en/of Facebook en Y2 of Y1 zouden zijn gewisseld zijn niet relevant. De Geschillenkamer heeft geen rechtsmacht om de subjectieve rechten van de partijen te beoordelen en er gevolgen aan voor te behouden in het kader van een geschil.
Enkel de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht zijn hiertoe bevoegd (artikel 144 Grondwet).
Facebook kan bezwaarlijk als een partij die enige rechtsmacht heeft over beoordeling van subjectieve rechten aanzien worden.
8. De rechtsmacht van het Marktenhof is beperkt tot controle op regelmatigheid en wettigheid. Wanneer de procedurele bepalingen van de *leges speciales* en het toepasselijke gemeenrecht in acht zijn genomen evenals de regels van behoorlijk bestuur *sensu lato*, dan onderzoekt het Hof - wat de grond betreft - of de feiten zoals zij voorkomen in de aan de Geschillenkamer overgelegde dossierstukken correct zijn weergegeven, of er geen kennelijke beoordelingsfout is gemaakt, of de juridische kwalificatie van de feiten – zoals zij blijken uit de aan de Geschillenkamer overgelegde dossierstukken - juist is, dat wil zeggen of de interpretatie die de bestreden beslissing geeft aan de feitelijke elementen van het dossier en aan de documenten in het dossier inderdaad uit deze documenten kan worden gehaald. Het Hof controleert de regelmatigheid van het bewijs en de te bewijzen feiten, het controleert of het te leveren bewijs passend, sluitend en toelaatbaar is.
Het behoort immers aan het Hof om de wettigheid te verifiëren van de gevolgtrekking die de bestreden beslissing trekt uit de feiten zoals zij voorgelegd werden.
9. In de mate dat de bestreden beslissing stelt:
73. Zoals reeds aangegeven, bestonden er verschillende contractuele banden tussen de tweede verweerder en de klager, waaronder een managementovereenkomst (vanaf 2008), een artiestenovereenkomst (vanaf 26 juli 2008) en een exclusieve uitgaveovereenkomst (vanaf 3 november 2015). Dit wordt ook gestaafd met stukken door de tweede verweerder.
74. De contractuele banden kwamen op 3 november 2019 tot een einde. Dit wordt bevestigd (“er zijn geen contractuele banden”) door de raadsman van de tweede verweerder in haar communicatie met de raadsman van de klager in februari 2020. Deze communicatie werd gevoegd als stuk bij de repliekconclusie van de klager.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 35---
75. Gezien de specificiteit van de artistieke sector, en meer bepaald de entertainmentsector, waarbij het vergaren van fans op zich deel uitmaakt van de gebruikelijke commerciële praktijk, is het niet onlogisch dat uit een managementovereenkomst het beheer van profiel- en zeker fanpagina’s via sociale mediaplatformen volgt. Dat was te dezen het geval.
76. De persoonsgegevens van de klager die onder meer via de Facebook fanpagina werden verwerkt, blijkens het ontbreken van een uitdrukkelijke en vrije toestemming (onafhankelijk van de commerciële overeenkomsten) van de klager, vinden hun rechtmatigheidsgrondslag dan ook in artikel 6, lid 1, punt b) AVG. Deze grondslag hield op te bestaan zodra de contractuele banden tussen de klager en de tweede verweerder ophielden te bestaan.
77. De klacht heeft betrekking op de persoonsgegevensverwerkingen via de fanpagina ná 3 november 2019, namelijk het einde van de contractueel vastgelegde samenwerking.
78. Het kan voor de volledigheid worden onderstreept dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke is om de rechtmatigheid van de verwerking aan te tonen, op grond van artikel 5, lid 2 juncto artikel 24 AVG.
79. De klager heeft op generlei wijze toestemming gegeven voor de verwerking van haar persoonsgegevens in de zin van artikel 6, lid 1, punt a) AVG na de voormelde datum. Geen enkele andere voorwaarde voor de rechtmatigheid van de verwerking in artikel 6, lid 1 AVG is in deze context mogelijk, tenzij punt f) van die bepaling.
80. Zo is er geen wettelijke verplichting (artikel 6, lid 1, punt c) AVG) tot het beheren van de fanpagina, noch is de verwerking noodzakelijk om de vitale belangen van de klager of andere natuurlijke personen te beschermen (artikel 6, lid 1, punt d) AVG). Voor de volledigheid kan ook vastgesteld worden dat er geen taak van algemeen belang of een verplichting tot het uitoefenen van een functie van openbaar gezag op de tweede verweerder rust (artikel 6, lid 1, punt e) AVG).
81. Dientengevolge moet de toepassing van artikel 6, lid 1, punt f) AVG worden onderzocht, voor de verwerkingen van de persoonsgegevens van de klager via de fanpagina, ná 3 november 2019.
82. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie dient de tweede verweerder als verwerkingsverantwoordelijke daarom aan te tonen dat: 1) de belangen die zij met de verwerking nastreven, als gerechtvaardigd kunnen worden erkend (de “doeltoets”); 2) de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die belangen (de “noodzakelijkheidstoets”); en 3) de afweging van die belangen ten opzichte van de belangen, fundamentele vrijheden en grondrechten van betrokkenen doorweegt in het voordeel van de verwerkingsverantwoordelijken of van een derde (de “afwegingstoets”).
83. Eerst en vooral stelt de Geschillenkamer vast dat de tweede verweerder een belang heeft om de fanpagina van de klager te beheren, omdat er een commerciële waarde voor de tweede verweerder verbonden is aan het succes en de bekendheid van de klager als onderdeel van, onder meer, zangeres van het artistiek project A. Dit is ook het geval voor enige auteursrechten die de tweede verweerder zou houden, waarbij voor die verweerder het
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 36---
recht is voorbehouden de naam en voornaam van de klager te gebruiken ter exploitatie van bepaalde werken.
84. Op zich is het gebruik van de naam en voornaam van de klager dus “aanvaardbaar volgens de wetgeving”, en zou het gebruik als verwerking van persoonsgegevens a priori kunnen steunen op de gerechtvaardigde belangen van de tweede verweerder in de zin van artikel 6, lid 1, punt f) AVG.
85. In casu gaat de verwerking echter verder dan het louter gebruik van de naam en voornaam van de klager voor de exploitatie van werken beschermd door het auteursrecht of van belang voor de commercialisatie van een artistiek project.
86. De fanpagina is gecreëerd om fans van de persoon van de klager aan te spreken, niet enkel de fans van die muziek waar de tweede verweerder mogelijk commerciële aanspraken op heeft. Bovendien zou het volgen van het standpunt van de tweede verweerder betekenen dat de commerciële en met het recht van de intellectuele eigendom beschermde belangen van de tweede verweerder zouden prevaleren op de aanspraken op de bescherming van persoonsgegevens van de eerste klager.
87. In het licht van artikel 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (“Handvest”) en de bepalingen van de AVG, kan die redenering uiteengezet door de tweede verweerder dan ook niet gevolgd worden en kunnen de belangen dan ook niet als ‘gerechtvaardigd’ worden gezien.
88. De persoonsgegevensverwerkingen waarbij de tweede verweerder als het ware in de persoon van de klager treedt om zich vanuit haar naam naar de buitenwereld te presenteren, kunnen dan ook geenszins hun rechtsgrondslag vinden in de gerechtvaardigde belangen van de tweede verweerder. Een natuurlijke persoon is immers, anders dan een onderneming, meer dan zijn of haar professionele activiteiten. Het beheer over de persoonsgegevens als onderdeel van de identiteit van de eigen persoon is een grondrecht, beschermd door artikel 8 van het Handvest.
89. Om al deze redenen is er geen gerechtvaardigd belang voor de tweede verweerder om de fanpagina van de klager verder te beheren, na het beëindigen van de contractuele relaties met de klager, waardoor het beheer van de fanpagina resulteert in het onrechtmatig verwerken van de persoonsgegevens van de klager die op die fanpagina worden geplaatst en anderszins verwerkt.
90. Gezien de Geschillenkamer vaststelt dat de verwerking de doeltoets niet doorstaat, en de verwerkingsverantwoordelijke geen andere geldige grondslag voor de rechtmatigheid heeft aangewezen, is de verwerking onrechtmatig in de zin van artikel 6, lid 1 AVG. Gezien het ontbreken van de gerechtvaardigde belangen in de eerste plaats reeds volstaat om tot die conclusie te komen, acht de Geschillenkamer het onderzoek van de noodzakelijkheidstoets en de afwegingstoets ter zake niet aan de orde.”
is zij onterecht gemotiveerd.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 37---
De punten 74, 77 en 79 van de bestreden beslissing maken een kennelijke onterechte beoordeling van de onderliggende feiten en rechtsgegevens uit zoals zij blijken uit de wetgeving (zie 7.5, 4 hiervoor) en de door de verzoekers neergelegde dossierstukken (de hiervoor vermelde stukken 2 en 6 in het dossier van verzoekers).
10. Het vijfde middel van Y2 is gegrond.
De middelen 6 tot 9 van verzoekers dienen niet onderzocht te worden vermits zij tot geen andere sanctie dan de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden. Er is dienvolgens geen aanleiding deze middelen alhier te onderzoeken.$^{11}$
11. Aangezien verzoekers genoegzaam bewijzen dat zij de hogervermelde *fan pagina* beheerden conform de rechtvaardigingsgrond “uitvoering van een overeenkomst en in lijn met het reproductierecht van de producent” vervat in artikel XI.209 WER en dit alles tegen betaling van royalty’s aan klaagster, wordt er geen schending van artikel 21, lid 1 j° artikel 12, lid 3 AVG aangetoond door de GBA.
### 7.6. De vordering tot schadevergoeding wegens foutieve procedurehouding met schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en tergend en roekeloos gevoerd geding door de GBA ten nadele van Y2 en ten nadele van Y1$^{12}$.
1. Het verhaal/beroep voor het Marktenhof is een van het gemeen recht afwijkend verhaal (in één enkele aanleg en gericht tot vernietiging van een administratieve beslissing en dus niet tot hervorming van een rechterlijke beslissing, hooguit kan het Hof zijn eigen beslissing ‘in de plaats stellen’ van de vernietigde beslissing).
Een verhaal bij het Marktenhof is niet vereenzelvigbaar met een “gewoon” hoger beroep.
Het (enige) “beroep” dat in het kader van artikel 108 § 1 WOG kan ingesteld worden voor het Marktenhof is een beroep/verhaal tegen de (administratieve) beslissing zelf.
Het staat Y2 en Y1 uiteraard altijd vrij de ‘gewone’ burgerlijke rechter te vatten met een vordering tot schadevergoeding.
Er is door voornoemd artikel 108 §1 WOG perfect voldaan aan de Europese eisen (artikel 47 HGEU). Het overeind laten van de beslissing van de administratieve overheid (GBA), het vernietigen van deze beslissing of het hervormen van deze beslissing op grond van de volle rechtsmacht, zijn alle emanaties van de objectieve contentieux die enkel viseren (en niet meer kunnen doen dan dat) of de administratieve beslissing de toets van het doeltreffend verhaal voor de onpartijdige rechter tot de rechterlijke macht, doorstaat of niet.$^{13}$
$^{11}$ Marktenhof, 2 september 2020, rolnr. 2020/AR/329.
$^{12}$ Tiende middel van beide partijen.
$^{13}$ Marktenhof, 28 oktober 2020, rolnr. 2020/AR/721.
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 38
2. Y2 en Y1 vorderen een veroordeling van de GBA tot het betalen van een schadevergoeding.
Het Marktenhof heeft derhalve geen rechtsmacht om over deze specifieke vordering te oordelen.
# 8. De gerechtskosten.
De GBA is de in het ongelijk gestelde partij, zij is gehouden tot het betalen van de gerechtskosten in hoofde van Y2 en Y1 te begroten op de basis rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld waardeerbare geschillen, zijnde € 1.440,00.
# OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gezien artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het verhaal ingesteld door Y2 en Y1 ontvankelijk en gegrond in navolgende mate:
- Verklaart de vordering tot opschorting van de voorlopige uitvoerbaarheid zonder voorwerp;
- Vernietigt de beslissing 02/2021, van 12 januari 2021 van de Geschillenkamer van de GBA gekend onder dossiernummer DOS-2020-01192;
- Verklaart zich zonder rechtsmacht om te oordelen over de vordering tot schadevergoeding van Y2 en Y1;
Veroordeelt de Gegevensbeschermingsautoriteit tot de gerechtskosten, voor Y2 en Y1 vereffend op € 1.440,00 rechtsplegingsvergoeding;
Veroordeelt de Gegevensbeschermingsautoriteit, dit overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400,00 euro.
Veroordeelt de Gegevensbeschermingsautoriteit tot betaling aan de verzoekende partijen de bijdrage “budgettair fonds” ten belope van 20,00 euro;
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/205 – p. 39
Dit arrest werd uitgesproken door het Marktenhof – kamer negentien A van het hof van beroep te Brussel op 26 mei 2021 door
M. BOSMANS Raadsheer dd. voorzitter
A.M. WITTERS Raadsheer
O. DUGARDYN plaatsvervangend Raadsheer
B. VANDERGUCHT Griffier
B. VANDERGUCHT
A.M. WITTERS
O. DUGARDYN
M. BOSMANS