Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 2
INZAKE:
1. De Bank X. [...] verzoekende partij ,
vertegenwoordigd [...]
tegen de beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit van 15 mei
2019,
TEGEN:
1. De GEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, onafhankelijke openbare instelling - toezichthoudende
autoriteit, met ondernemingsnummer 0694.679.950, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL,
Drukpersstraat 35, hierna genoemd "GBA"
eerste verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. ROETS Joos, advocaat, kantoorhoudende te 2018 ANTWERPEN,
Oostenstraat 38/201
2. Y. [...], tweede verwerende partij,
die niet verschijnt noch wettelijk vertegenwoordigd werd;
1. Rechtsmacht van het hof.
Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift tot hoger beroep dat door de De Bank X op
24 juni 2019 werd neergelegd ter griffie van het hof van beroep en waarbij een
verhaal overeenkomstig artikel 108 § 1 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting
van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna "GBA-wet") wordt ingesteld tegen de beslissing
van 15 mei 2019 getroffen door de geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna
"GBA").
rPAGE 01-00001493070-0002-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 3 136
2. De bestreden beslissing en de feiten.
De bestreden beslissing beveelt dat er zou gevolg gegeven worden aan de vraag van Y en dat tot
rectificatie zou overgegaan worden. De vraag komt, zeer extreem samengevat hierop neer dat Y
wenst dat het accent ,;é" op zijn naam vermeld wordt.
Hij wenst dat zijn naam vermeld wordt als:
Y
Y
of bij gebreke daaraan Y
De Bank X houdt voor dat haar informaticasysteem dat van 1995 dateert niet bij machte is om
accenten in een naam te vermelden.
De bank X gaf ook als uitleg aan de GBA:
De huidige applicatie voor het beheer van klantengegevens van De Bank X werd in 1995
in gebruik genomen en draait nog steeds op een mainframe systeem van Amerikaanse
makelij. Dit systeem ondersteunde enkel EBCDIC (" extended binary-coded decimal
interchange code"). Dit is een 8-bit standaard om letters en leestekens op te slaan, ontwikkeld
in 1963-1964 door IBM voor hun mainframes en AS/400-computers. De code stamt af
van het gebruik van ponskaarten en kende de volgende karakters :
Het is om deze reden dat alle namen van onze klanten in hoofdletters opgeslagen worden en er
geen letters met accenten aanwezig zijn omdat deze laatste niet herkend werden door het
systeem. Letters met accenten werden ondertussen toegevoegd aan EBCDIC, maar dit werd
niet meegenomen in updates van de klantengegevensapplicatie. In de nabije toekomst stapt
1 PAGE □ 1-□□□□ 149307 □-□□□3-□□22- □ 1-□ 1-�
L _J
'13-1
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 4
de Bank X af van de huidige applicatie, evenals van het mainframe systeem en deze nieuwe
omgeving zal wel degelijk kunnen omgaan met letters met accenten.
De geschillenkamer van de GBA heeft deze uitleg als niet afdoende aangezien. Dat een bankinstelling
anno 2018 niet bij machte zou zijn om een naam van een klant correct te schrijven onder uitleg dat
zij nog gebruik maakt van een informaticasysteem van 1995, werd niet afdoende beschouwd.
3. De vorderingen voor het hof,
3.1.
Bij syntheseconclusie neergelegd ter griffie van het hof op 14 augustus 2019 vordert de Bank X:
"Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens de beslissing van 15 mei 2019 van de Geschi
Gegevensbeschermingsautoriteit te vernietigen en het oorspronkelijk verzoek van de
heer Y tot uitoefening van zijn recht op rectificatie ongegrond te verklaren.
In ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, de volgende prejudiciële vraag te richten aan
het Hof vanJustitie van de Europese Unie:
1. Houdt het recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen
een toezichthoudende autoriteit in de zin van art. 78 AVG in dat deze voorziening in
rechte enkel en alleen tegen de toezichthoudende autoriteit kan worden ingesteld,
zonder dat de natuurlijke persoon wiens recht op rectificatie in de zin van art. 16 AVG
in het geding is in het debat kan worden betrokken als geïntimeerde?
Geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding voor concluante begroot op:
- Rolrecht: p.m.
- Rechtsplegingsvergoeding: 1.440,00 EUR"
3.2.
De GBA concludeert als volgt bij conclusie neergelegd op 6 september 2019:
"In hoofdorde, het beroep van appellante nietig te verklaren wegens de laattijdigheid ervan;
In ondergeschikte orde, het beroep van appellante nietig, minstens onontvankelijk, te
verklaren voor zover het gericht is tegen dhr. Y als geïntimeerde, dan wel om minstens
dhr. Y buiten de zaak te stellen;
Voor het overige, het beroep ongegrond te verklaren;
In verder ondergeschikte orde, alvorens recht te doen, de volgende prejudiciële
vragen te richten aan het Hof van Justitie van de Europese Unie:
"1. Omvat het recht op rectificatie in de zin van art. 16 van de AVG, mede gelezen in
het licht van art. 8 van het Handvest EU, ook het recht voor de betrokkene om,
wanneer zijn persoonsgegevens in het Latijns schrift verwerkt zijn, een schrijfwijze van
zijn persoonsgegevens te vragen die rekening houdt met de toepasselijke diakritische
tekens die voorkomen in de officiële schrijfwijze van zijn naam ?
2. En zoja, biedt art. 16 van de AVG de mogelijkheid aan de nationale
toezichthoudende autoriteit en de nationale rechter om een beoordeling te maken
r PAGE 01-00001493070-0004-0022-01-01-�
_J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 5
betreffende de redelijkheid van dit verzoek (incl. de financiële en/of technische impact
ervan, tevens rekening houdend met de financiële draagkracht van de
verwerkingsverantwoordelijke), mede gelet op het feit dat bepaalde diakritische
tekens al-dan-niet gangbaar zijn in alle Europese talen ? Op wie rust in een dergelijk
geval de bewijslast inzake de onredelijkheid van het verzoek tot rectificatie ?
3. En · zoneen, creëert de afwezigheid van een dergelijk rectificatierecht inzake
diakritische tekens een belemmering van het vrij verkeer van personen en/of
diensten, vermits het p�rsonen benadeelt die van hun recht op vrij verkeer gebruik
maken en alzo in aanraking komen met verwerkingsverantwoorde/ijken die opereren
in een andere taal ?"
Hoe dan ook, appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. het
basisbedrag van de RPV, begroot op 1.440 euro."
3.3.
Alle conclusies zijn neergelegd conform de conclusiekalender.
4. Met betrekking tot de feiten,
De bank X geeft volgend feitenrelaas:
"De heer Y is een cliënt van concluante. Bij brief van 6 februari 2018 beklaagt hij er zich
over dat in een groot aantal documenten uitgaande van concluante zoals cheques,
overschrijvingsformulieren, toegangskaart tot home-banking, gold card, enz. zijn naam in
hoofdletters wordt gespeld zodat "de é verandert in een doffe e" {stuk 1).
Hij eist dat zijn naam wordt geschreven op één van de volgende manieren:
Y
Y
of bij gebreke daaraan Y
Concluante antwoordt bij mail van 15 mei 2018 dat zij de vraag van de heer Y begrijpt, maar
dat haar informaticasystemen hiervoor niet zijn aangepast waardoor speciale tekens zoals
é niet zijn opgenomen. Zij bood tevens haar excuses aan voor het late antwoord {stuk 2).
De heer Y antwoordt per brief van 31 mei 2018 dat deze uitleg hem geen voldoening
verschaft en dat hij de rechtzetting vordert {stuk 3).
Op 15 juni 2018 diende de heer Y klacht in tegen concluante bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit {hierna: GBA) {stuk 2 GBA).
Concluante - die nog niet op de hoogte was van de ingediende klacht - antwoordt de heer
Y per brief van 2 juli 2018 dat zij alle nodige technische maatregelen treft om de juiste
identificatie van haar cliënten te garanderen, maar dat haar database register systemen het
gebruik van een e met een accent niet toestaan {stuk 4). Zij verzekert evenwel dat zij met de
melding van de heer Y rekening zal houden met toekomstige technologische
ontwikkelingen {stuk 4).
f PAGE □1-00001493070-□□□ 5-□022-□1- □1-�
L il. _J
Hof van beroep Brussel 2019/AR/1006 - p. 6 733
Naar aanleiding van de klacht die door de heer Y werd ingediend, verzoekt de
inspectiedienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit conc/uante per brief van 7 februari
2019 om haar nadere informatie en documenten te bezorgen (stuk 6 GBA).
Conc/uante geeft bij mail van 21 maart 2019 aan de Gegevensbeschermingsautoriteit de
volgende toelichting (stuk 5):
Il[,.,]
De huidige applicatie voor het beheer van klantengegevens vi1n de Bank X werd in
1995 in gebruik genomen en draait nog steeds op een mainframe systeem van
Amerikaanse makelij. Dit systeem ondersteunde enkel EBCDIC (" extended binary
coded decimal interchange code"). Dit is een 8-bit standaard om letters en leestekens
op te slaan, ontwikkeld in 1963-1964 door IBM voor hun mainframes en AS/400-
computers. De code stamt af van het gebruik van ponskaarten en kende de volgende
karakters:
1-n!.l·l:"iGlr�
-=�--�-------���-��-.-�-�------------��-...;..=........._
Het is om deze reden dat alle namen van onze klanten in hoofdletters opgeslagen
worden en er geen letters met accenten aanwezig zijn omdat deze laatste niet herkend
werden door het systeem. Letters met accenten werden ondertussen toegevoegd aan
EBCDIC, maar dit werd niet meegenomen in updates van de klantengegevensapplicatie.
In de nabije toekomst stapt de Bank X af van de huidige applicatie, evenals van het
mainframe systeem en deze nieuwe omgeving zal wel degelijk kunnen omgaan met
letters met accenten.
rPAGE □ 1-□□□□ 149307 □-□□□6-□□22-□ 1-□ 1-�
L _J
Hof van beroep Brussel- 2019/AR/1006 - p. 7
2. Het specifieke advies van de DPO ter zake
Vanwege de technische onmogelijkheid, in 1995, om letters met accenten te beheren
was het de beste oplossing om enkel met hoofdletters te werken omdat daar de
accenten niet getoond worden. Dit heeft geen impact op de correcte identificatie van
de klant omdat hiervoor ook andere gegevens gebruikt worden."
Bij beslissing van 15 mei 2019 van de Geschillenkamer van de
Gegevensbeschermingsautoriteit wordt de argumentatie van concluante dat er geen gevolg
kon worden gegeven aan het verzoek van de heer Y omwille van de technische
onmogelijkheid daartoe binnen de huidige informaticatoepassing, als niet afdoende
beschouwd (stuk 6).
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit beval concluante vervolgens
om te voldoen aan de verzoeken van de heer Y om zijn rechten uit te oefenen, meer
bepaald het recht op rectificatie (art. 16 AVG). Zij besliste tevens dat haar beslissing zou
bekend gemaakt worden op haar website (stuk 6).
Tot slot bepaalde de beslissing het volgende (stuk 6):
"Gelet op art. 12.3 AVG verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke binnen een maand
na ontvangst van deze beslissing aan de Geschillenkamer informatie over het gevolg
dat aan de beslissing is gegeven.
Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 van de wet van 3 december 2017,
beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de betekening
van de kennisgeving, bij het Marktenhof."
Deze beslissing werd per aangetekende brief van 21 mei 2019 aan concluante meegedeeld
(stuk 6).
Concluante deelt per brief van 21 juni 2019 aan de Gegevensbeschermingsautoriteit het
gevolg mee dat zij aan deze beslissing geeft (stuk 7):
"Op grond van art. 108, § 1, van de wet van 3 december 2017, heeft de Bank besloten
tegen de beslissing van de Geschillenkamer hoger beroep aan te tekenen bij het
Marktenhof. U vindt in bijlage ons verzoekschrift in hoger beroep voor het Marktenhof
samen met onze juridische argumentatie.
[...]
In het kader van een zeer breed en reeds lopend IT-programma binnen X, zal de Bank
in de loop van het jaar 2020 zijn IT-applicaties en database systemen grondig
aanpassen. Op dat moment, zal de Bank X in staat zijn met deze opmerking
rekening te houden en dus kleine letters met accenten toe te staan. Gezien
de nakende implementatie van het bovenvermeld programma, is het op vandaag te
verregaand om
rPAGE □1-□□□□1493 □7□-□0□ 7-□□22-01-01-;i
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 8 '135
de huidige IT-applicaties en database van de Bank nu nog aan te passen, dit gezien
deze applicaties nog slechts een aantal maanden zullen functioneren.
H iermee bevestigen wij U dat de bescherming van persoonsgegevens één van onze
belangrijkste prioriteiten bij de Bank X blijft.,,
s. Bespreking,
5.1. Wettelijk kader:
De artikelen 12.3, 16 en 58.2.c van de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees
Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot
intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (hierna "AVG")
luiden als volgt:
12.3.
"De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval
binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22
informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit
van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens
twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene
binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging.
Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk
elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt."
16.
"De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld
rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming
van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van
onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te
verstrekken".
58.2.c.
"Elk toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende bevoegdheden tot het nemen van
corrigerende maatregelen:
[...]
c) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gelasten de verzoeken van de betrokkene
tot uitoefening van zijn rechten uit hoofde van deze verordening in te willigen;"
De artikelen 95 § 1.5° en 8 ° en 108 § 1 van de GBA-wet luiden als volgt:
95 § 1.5 ° en 8 ° :
"De geschillenkamer beslist over de opvolging die het geeft aan het dossier en is bevoegd:
1 ° te.beslissen dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde;
2 ° een schikking voor te stellen;
3 ° de klacht te seponeren;
4 ° waarschuwingen te formuleren;
5 te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om z11·n rechten uit te
°
oefenen;
6 ° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
IPAGE 01-00001493070-0008-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 9
7 ° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het
in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
8 ° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit."
108 § 1:
"§ 1. De geschillenkamer stelt de partijen in kennis van haar beslissing en van de
mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf [...] de
kennisgeving, bij het Marktenhof
Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de geschillenkamer bij met
bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt is de beslissing uitvoerbaar bij
voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep.
De beslissing tot verwijdering van gegevens overeenkomstig artikel 100, § 1, 10 °, is niet
uitvoerbaar bij voorraad."
5.2. De ontvankelijkheid ratione temporis :
5.2.1.
De termijn om beroep in te stellen bij het Marktenhof bedraagt "dertig dagen" vanaf de. datum van
de kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene. De kennisgeving stelt zich op de datum waarop
de bestemmeling kennis kreeg van de beslissing (of minstens kennis kon krijgen van de beslissing).
5.2.2.
De Bank X laat als middel gelden dat de GBA een foutieve vermelding geeft van de termijn voor
verhaal.
De beslissing stelt inderdaad:
"tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, § 1 van de wet van 3 december 2017,
beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de betekening van
de kennisgeving, bij het Marktenhof" (het Hof onderstreept).
De omstandigheid dat strikt geïnterpreteerd de termijn (volgens de brief van de GBA) zou beginnen
lopen voordat de Bank X er kennis kon van krijgen (vanaf de betekening of verzending van de brief)
heeft geen enkele invloed op de berekening van de termijn.
Artikel 57 va n het Reglement va n interne orde va n de Gegevensbeschermingsa utoriteit da t stelt:
"voor wat betreft de berekening van de termijnen zijn de bepalingen van "Hoofdstuk VIII - Termijnen"
van het Gerechtelijk Wetboek, van overeenkomstige toepassing" heeft betrekking op de termijnen
voor de behandeling van de zaken voor de Geschillenkamer (het betreft "afdeling 3 - planning van de
werkzaamheden van de geschillenkamer en-termijnen". Dit artikel uit het Reglement van inwendige
orde kan nooit indruisen tegen de wettelijke bepaling (van artikel 108 § 1 GBA-wet) die de duurtijd
en de wijze van berekening van de termijn voor het verhaal voor het Marktenhof bepaalt (dus een
termijn die pas begint te lopen "nadat" de rechtspleging voor de Geschillenkamer geheel beëindigd
is doordat een beslissing van de Geschillenkamer is tussengekomen.
rPAGE □1-□□□□ 149307 □-□□□9-□□22-□ 1- □ 1-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 10
5.2.3.
De termijn van artikel 108, § 1 GBA-wet is een lex specialis. De termijn wijkt af van de beroepstermijn
van gemeen recht. Het 'beroep' dat kan ingesteld worden voor het Marktenhof is immers geen
"gewoon" hoger beroep.
Een termijn van dertig dagen staat niet gelijk aan een termijn van één maand.
De omstandigheid dat er een beroep kan worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen
betekent dat een beroep dat na deze termijn is ingesteld, laattijdig is.
De stelling als zou de termijn een termijn van orde zijn, derwijze dat het niet naleven ervan geen
enkele sanctie met zich zou brengen, is onjuist.
Het verhaal/beroep voor het Marktenhof is een van het gemeen recht afwijkend verhaal (in één
enkele aanleg en gericht tot vernietiging van een administratieve beslissing en dus niet tot
hervorming van een rechterlijke beslissing).
Wanneer de wetgever heeft bepaald dat tegen bepaalde administratieve beslissingen een
beroep/verhaal voor het Marktenhof openstaat binnen een welbepaalde termijn die de wetgever
voor elke lex specialis afzonderlijk heeft bepaald, dan moet deze termijn gezien worden als een
vervaltermijn (vergelijkbaar met de termijn zoals bepaald in artikel 4 Besluit van de Regent van 23
augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State).
Het instellen van een verhaal tegen een administratieve beslissing vergt dat de juridische
onzekerheid tot een minimumtermijn wordt beperkt. Deze juridische onzekerheid kan - in het
algemeen belang - niet langer duren dan de termijn die de wetgever heeft bepaald. Omwille van
deze grondreden is de termijn een vervaltermijn van openbare orde.
De lex specialis GBA-wet houdt geen regels in betreffende de rechtspleging, derwijze dat moet
aangenomen worden dat het de bedoeling was van de wetgever om de regels van het gemeen recht
toepasselijk te verklaren.
Op grond van artikel 53bis 2° Ger. W. loopt de termijn van de derde werkdag die volgt op de datum
van aanbieden van de brief bij de postdiensten (tenzij de geadresseerde bewijst dat hij er slechts
later kennis van kreeg).
Ook artikel 4 § 2 van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 (zie hiervoor) bepaalt:
"Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij aangetekende brief met
ontvangstmelding, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift
die welke volgt op de ontvangst van de brief en is hij inbegrepen in de termijn.
....
[ ]
Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende
brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde
werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de
geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn.
r PAGE 01-00001493070-0010-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 11
Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de
weigering."
5.2.4.
Er blijkt niet uit de door de partijen voorgebrachte stukken dat de aangetekende brief vanwege de
GBA houdende kennisgeving van de beslissing een aangetekende brief met ontvangstmelding was.
Te dezen dateert de kennisgeving (dus het verzenden van de beslissing) ten aller vroegste (er wordt
ten onrechte geen enkel bewijs bijgebracht door de partijen wanneer de brief daadwerkelijk
aangeboden werd door de GBA aan BPost - er wordt enkel verwezen naar de datum van de brief zelf)
van 21 mei 2019, een dinsdag.
De derde werkdag nadien is 24 mei 2019. Vermits 30 dagen later een zondag is, is de eerste werkdag
(24 juni 2019) de laatst nuttige dag (zie artikel 53 Ger. W.).
Het verhaal ingesteld op 24 juni 2019 is dienvolgens (nog net) tijdig ingesteld.
5.3. De ontvankelijkheid van het beroep in de mate als gericht tegen Y.
5.3.1.
Artikel 108 van de GBA-wet luidt als volgt:
§ 1. De geschillenkamer stelt de partijen in kennis van haar beslissing en van de
11
mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf [...] de
kennisgeving, bij het Marktenhof.
Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de geschillenkamer bij met
bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt is de beslissing uitvoerbaar bij
voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep.
De beslissing tot verwijdering van gegevens overeenkomstig artikel 100, § 1, 10 °, is niet
uitvoerbaar bij voorraad.
§2
Tegen de beslissingen van de geschillenkamer op grond van de artikelen 71 en 90 staat
beroep open bij het Marktenhof die de zaak behandelt zoals in kort geding overeenkomstig de
artikelen 1035 tot 1038, 1040 en 1041 van het Gerechte/ijk Wetboek."
5.3.2.
De Bank X stelt dat zij "als appelante" een "hoger beroep" kan instellen tegen Y in hoedanigheid van
"geïntimeerde".
In tegenstelling tot hetgeen de Bank X voorhoudt is een verhaal bij het Marktenhof niet
vereenzelvigbaar met een "gewoon" hoger beroep.
Met "gewoon hoger beroep" bedoelt het Marktenhof het beroep gebracht voor elke jurisdictie die
door het Gerechtelijk Wetboek aangewezen is om recht te spreken over de zaak op basis van een
verhaal dat tegen een beslissing van een rechter van de rechterlijke orde gewezen in eerste aanleg
wordt ingediend en dit op basis van de rechtsmacht van deze appelrechter (die gebruik maakt van
het devolutief karakter) met het oog op het herzien van het geding in feite en in rechter en met het
oog op het "her-oordelen" dit wil zeggen het opnieuw beoordelen van het geschil in feite en in rechte
mits desgevallend nieuwe middelen en argumenten in aanmerking te nemen alsmede desgevallend,
1 PAGE - 01-00001493070-0011-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 12
nieuwe of andere bewijsstukken, alles in functie van de evolutie die het geschil in feite en in rechte
ondergaat (desgevallend zelfs ingevolge het in werking treden van nieuwe wetgeving sedert het
inleiden van het geding).
Het Marktenhof oefent rechterlijke controle uit (in één enkele aanleg) over de beslissingen van
bepaalde bestuurlijke overheden, maar alvorens te kunnen overwegen om een beslissing
desgevallend (in het kader van haar volheid van rechtsmacht) te vervangen door haar eigen
beslissing, is het noodzakelijk dat de bestreden beslissing ofwel onregelmatig ofwel onwettelijk sensu
/ato is.
5.3.3.
Het (enige) "beroep" dat in het kader van voornoemd artikel 108 § 1 van de GBA-wet kan ingesteld
worden voor het Marktenhof is een beroep/verhaal tegen de (administratieve) beslissing zelf. Het
staat de Bank X of de klager zelf uiteraard altijd vrij de 'gewone' burgerlijke rechter te vatten
(bijvoorbeeld inzake schadevergoeding).
Een verhaal/beroep tegen een beslissing kan uiteraard enkel ingesteld worden tegen de bestuurlijke
overheid sensu /ato die de (bestreden) beslissing heeft genomen.
Het volgt duidelijk uit de tekst van voornoemd artikel 108 § 1 dat de bestuurlijke overheid die de
beslissing heeft genomen, te weten de GBA, de verwerende partij is ten aanzien van een dergelijk
verhaal/beroep.
Het is de administratieve overheid sensu /ato, d.w.z. de overheid, die in één van de leges speciales
die rechtsmacht verlenen aan het Marktenhof, de bestreden beslissing heeft genomen, die de
verwerende partij is in het geding dat strekt tot de vernietiging (minstens hervorming) van de
administratieve beslissing.
De overheid die de bestreden beslissing heeft genomen kan op tegensprekelijke wijze, de
rechtsgeldigheid en gegrondheid van de genomen beslissing verdedigen voor het Marktenhof.
5.3.4.
De vordering die ingesteld wordt tegen de klager (waaromtrent de GBA een beslissing treft), is niet
ontvankelijk (ratione personae) in de mate dat deze vordering gesteld is tegen deze klager.
De Bank X vordert geen enkele maatregel tegenover Y, zij vraagt enkel dat de door de GBA
getroffen beslissing zou vernietigd worden en dat het Markten hof haar eigen beslissing zou in de
plaats stellen.
5.3.5.
Er is geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag nu het antwoord erop niet van aard
kan zijn het geschil te beslechten.
De vraag of de GBA al dan niet in de zaak kan betrokken worden is niet relevant voor het beoordelen
van de vraag of de vordering die door de Bank X enkel en alleen tegen Y is ingesteld, al dan niet
ontvankelijk kan zijn.
r PAGE 01-00001493070-0012-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 13
7'-10
Tegen Y heeft de Bank X geen enkel belang om de beslissing te horen vernietigen. Y is één
van de (wellicht talrijke} klanten van de bank wiens naam een accent bevat en wiens naam door
de bank beweerdelijk verkeerd wordt geschreven.
5.3.6.
De Bank X laat ten onrechte gelden:
"Art. 78 AVG bepaalt dat de lidstaten van de Europese Unie ervoor moeten zorgen dat iedere
natuurlijke persoon of rechtspersoon een doeltreffende voorziening in rechte ·kan instellen
tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit. Dit
artikel stipuleert het volgende:
1. Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk..
beroep, heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht om tegen een
hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een
doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.
[...]
3. Een procedure tegen een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld bij de
gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd.
4. Wanneer een procedure wordt ingesteld tegen een besluit van een
toezichthoudende autoriteit waaraan een advies of een besluit van het Comité in het
kader van het coherentiemechanisme is voorafgegaan, doet de toezichthoudende
autoriteit dat advies of besluit aan de gerechten toekomen.
Deze bepaling wordt verduidelijkt in overweging 143 van de AVG:
"[...] Onverminderd dit recht uit hoofde van artikel 263 VWEU dient iedere natuurlijke
of rechtspersoon het recht te hebben om tegen een besluit van een toezichthoudende
autoriteit dat ten aanzien van die persoon rechtsgevolgen heeft, voor het bevoegde
nationale gerecht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen. Een dergelijk
besluit heeft meer bepaald betrekking op de uitoefening van met onderzoek, correctie
en toestemming verband houdende bevoegdheden door de toezichthoudende
autoriteit, of op de afwijzing van klachten. Het recht een doeltreffende voorziening in
rechte in te stellen geldt echter niet voor door de toezichthoudende autoriteiten
getroffen maatregelen die niet juridisch bindend zijn, zoals adviezen. Een vordering
tegen een toezichthoudende autoriteit dient te worden ingesteld bij de gerechten van
de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd, en dient in
overeenstemming te zijn met het procesrecht van die lidstaat. Die gerechten dienen
volledige rechtsmacht uit te oefenen, waaronder rechtsmacht om alle feitelijke en
juridische vraagstukken in verband met het bij hen aanhangige geschil te
onderzoeken. Wordt een klacht door een toezichthoudende autoriteit afgewezen, dan
kan de klager beroep instellen bij de gerechten in dezelfde lidstaat. [....]"
De verwijzingen van Bank X naar de artikelen 78 AVG en 143 AVG en naar een arrest VEBIC van
7 december 2010 in de zaak C-439/08 van het Hof van Justitie zijn niet relevant. De
genoemde artikelen stellen nergens dat de klager in het geding zou kunnen betrokken worden, het
geciteerde arrest betreft een probleem van mededinging dat niet toepasbaar is te_ dezen.
Geen van deze artikelen stelt dat een rechtspersoon (hier Bank X } tegen een klant (hier Y moet
kunnen ageren om een beslissing die door een administratieve overheid (hier GBA} werd genomen
te zien vernietigen en hervormen.
f PAGE 01-00001493070-0013-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 14
Deze bepalingen stellen enkel dat hij ten aanzien van wie een administratieve beslissing is getroffen
moet beschikken over een verhaal voor een onafhankelijke rechter. Deze rechter is te dezen het
Marktenhof.
Er is dienvolgens door voornoemd artikel 108 § 1 van de GBA-wet perfect voldaan aan de Europese
eisen.
5.3.7.
In de mate dat de Bank X haar vordering richt- enkel tegen Y - is deze manifest
onontvankelijk ratione personae.
5.4. De gegrondheid van het beroep in de mate als gericht tegen de GBA - de schending van
artikel 16 AVG.
5.4.1.
Het algemeen kader van de AVG is opgebouwd rond transparantie, rechtmatige verwerking en de
juistheid van de verwerkte gegevens. Binnen dit kader dient het inzagerecht te worden geplaatst, ten
einde de betrokkene de mogelijkheid te geven om na te gaan of zijn persoonsgegevens juist en
rechtmatig worden verwerkt.
Artikel 16 AVG stelt:
"De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld
rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met in achtneming
van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van
onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te
verstrekken."
5.4.2.
De Bank X stelt dat er geen verplichting bestaat tot vermelden van accenten bij hoofdletters, dat er
geen sprake is van "persoonsgegevens" dus geen grond tot toepassing van een recht tot
rectificatie, dat het recht op privacy en de uitoefening van het rectificatierecht geen absolute
rechten zijn en dat Y misbruik van zijn rechten maakt door het recht op rectificatie in rechte
daadwerkelijk te willen afdwingen.
5.4.3.
De GBA laat gelden dat artikel 16 AVG zonder enig voorbehoud het recht verleent aan de
rechtsonderhorigen onverwijld een rectificatie te verkrijgen van onjuiste persoonsgegevens. De juiste
schrijfwijze van de naam behoort tot deze persoonsgegevens.
5.4.4.
De GBA laat terecht gelden dat conform artikel 4.1) van de AVG "persoonsgegevens" "alle informatie
[omvatten] over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon ("de betrokkene"); als
identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden
geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator als een naam, een identificatienummer,
locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de
r PAGE 01-00001493070-0014-0022-01-01-�
L _J
--�-��------------------------
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 15
--_ -----
fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die
natuurlijke persoon.,,
Zij stelt terecht:
"29. De ma a tsta f om de correcte schrijfwijze va n een (fa milie)na a m te bepa len, is
vanzelfsprekend de officiële schrijfwijze van deze na a m, zoals geregistreerd in de databank
met bevolkingsgegevens van de betrokken lidstaat (wat België betreft, het rijksregister). Ter
zake bevat de officiële schrijfwijze van de familienaam van dhr. Y een accent aigu op de "e"
(é) - getuige de identiteitskaart van dhr. Y {STUK 4, bijlage A).
30. Na de vaststel/ing dat Bank X zijn familienaam heeft verwerkt zonder rekening te
houden met dit dia kritisch teken, was dhr. Y derha lve gerechtigd om een onverwijlde
rectificatie van deze onjuiste spel/ing van zijn familienaam te vragen, overeenkomstig artikel
16 van de AVG. De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft vervolgens
terecht een inbreuk op artikel 16 van de AVG vastgesteld, toen Bank X weigerde om dit
recitificatieverzoek in te willigen.
De stelling als zou de betrokkene geen recht hebben dat zijn naam correct zou verwerkt worden,
faalt naar recht. Wat taalkundige regels dienaangaande mogen beweren is niet relevant. Een naam is
geen 'woord' dat tot door taalregels gereguleerde materie behoort.
De omstandigheid dat Y zelf in een mailadres geen accent op de laatste letter van zijn naam zou
plaatsen geeft de Bank X geen enkel recht om zulks ook te doen.
Het behoort een deugdelijk werkende bankinstelling om de namen van haar klanten correct en
behoorlijk te vermelden en te verwerken, de stelling dat een ouderwets computerprogramma daar
niet in slaagt, is niet dienstig.
De omstandigheid dat de naam "Y" correct op de identiteitskaart van betrokkene is vermeld 1 door
de administratieve overheden die deze identiteitskaart hebben afgeleverd toont afdoende aan dat
het technisch perfect mogelijk is om de naam correct te schrijven.
Het feit dat het technisch een 'inspanning' zou vragen om een computerprogramma te gebruiken dat
wel degelijk accenten op hoofdletters plaatst, is niet ernstig en niet relevant.
Het thans (anno 2019!) stellen dat het aanpassen van een computerprogramma een aantal maanden
werk zou vergen en/of financiële meerkosten voor de bankinstelling zou uitmaken, laat de Bank X
niet toe om de rechten van de betrokkene te miskennen.
De rechten die aan de persoon worden toegekend zijn gelijk te stellen met resultaatsverbintenissen
in hoofde van de verwerker van de persoonsgegevens.
Van een correct werkende bankinstelling mag verwacht worden dat zij - wanneer zij een
computerprogramma gebruikt - zij over een computerprogramma beschikt dat beantwoordt aan de
huidige normen, waartoe het voornoemde recht op correcte schrijfwijze van de naam behoort.
Het recht op rectificatie is een grondrecht.
De GBA verwijst terecht naar artikel 5.1) dat stelt:
1 Zie stuk 4 A in het dossier van de GBA.
IPAGE 01-00001493070-0015-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 16
"Art. 5.1. Persoonsgegevens moeten: [...] d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle
redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de
doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren
('Juistheid")".
Deze bepaling werd tevens als volgt hernomen in artikel 170 van de wet van 30 juli 2018 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens
(Kaderwet privacy):
"Art. 170. Persoonsgegevens: [...] 4 ° zijn nauwkeurig en worden, zo nodig, bijgewerkt. Alle
redelijke maatregelen worden getroffen om de persoonsgegevens die, uitgaande van de
doeleinden waarvoor zij worden verkregen of waarvoor zij verder worden verwerkt,
onnauwkeurig of onvolledig zijn, te wissen of te verbeteren.,,
5.4.5.
De verwijzingen naar standpunten of beslissingen in andere EU-lidstaten zijn niet relevant en binden
het Marktenhof niet.
Ten overvloede, dient te worden vastgesteld dat er ter zake hoe-dan-ook geenszins sprake is van
rechtsmisbruik in hoofde van dhr. Y en/of de Geschillenkamer van de
Gegevensbesche rmingsa uto rite it.
Y heeft zijn rectificatieverzoek en vervolgens zijn recht om een klacht in te dienen bij een
toezichthoudende autoriteit (zoals gewaarborgd door artikel 77.1 van de AVG en artikel 58 e.v. van
de GBA-wet) op een normale wijze uitgeoefend.
Indien de Bank X enige schade zou hebben geleden dan is deze enkel te wijten aan het feit dat zij
anno 2019 nog steeds niet op een correcte en behoorlijke wijze de namen van haar klanten kan
vermelden in al haar computerprogramma's.
Het normaal uitoefenen van een rectificatie- en klachtenrecht dat aan een betrokkene is toegekend,
kan op zichzelf nooit een misbruik van recht opleveren. De betrokkene moet volgens de AVG
integendeel zijn rectificatie- en klachtenrecht te alle tijden kunnen uitoefenen. Dit betekent echter
niet automatisch dat de verwerkingsverantwoordelijke en/of de toezichthoudende autoriteit altijd
gevolg moet geven aan de verzoeken van de betrokkene, gedaan in het kader van de uitoefening van
zijn recht. Een dergelijke inwilliging zal afhangen van het al-dan-niet voldaan zijn van de ter zake
geldende voorwaarden.
De vraag of Y schade zou lijden ten gevolge van de verkeerde vermelding van zijn familienaam,
is niet relevant. Een dergelijke voorwaarde wordt noch door de AVG, noch door de Kaderwet
privacy, noch door de GBA-wet opgelegd, en zou in tegenspraak zijn met artikel 8, lid 3 Handvest
EU, dat het recht op rectificatie expliciet noemt als een onderdeel van de kern van het
grondrecht van eenieder op de bescherming van zijn persoonsgegevens.
De beweerde (potentiële) 'schade' van Bank X vloeit niet voort uit de uitoefening van een
subjectief recht in hoofde van de GBA, doch uit de uitoefening van een overheidsbevoegdheid op
basis van het objectief recht. De vraag of deze overheidsbevoegdheid correct werd uitgeoefend, is
het voorwerp van het voorliggende beroep, en raakt aan de grond van de zaak.
rPAGE 01-00001493070-0016-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 17
De bewoordingen van artikel 16, eerste zin, AVG laten geen ruimte om de 'redelijkheid' van een
rectificatieverzoek te beoordelen, en minstens (in ondergeschikte orde) kon door de GBA worden
vastgesteld dat de motieven die Bank X opgaf/opgeeft om het rectificatieverzoek van Y
te weigeren, onvoldoende zijn.
5.5. De gegrondheid van het beroep in de mate als gericht tegen de GBA - de schending van
artikel 12.3 AVG.
5.5.1.
De Bank X laat verder gelden: "geen schending van art. 12.3 AVG
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit acht ook een inbreuk op art. 12. 3
AVG bewezen.
Deze beslissing faalt naar recht.
Art. 12.3 AVG bepaalt:
"De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval
binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22
informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit
van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens
twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene
binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging.
Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien
mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.,,
Concluante wijst erop dat geïntimeerde zijn vraag heeft gesteld bij brief van 6 februari 2018 en dat
de 'Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) pas op 25 mei 2018 in werking is
getreden (art. 99.2 AVG).
Art. 282 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met
betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens bepaalt:
"De wettelijke verplichtingen zoals vastgelegd in de Verordening en in deze wet doen geen
afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de persoonsgegevensverwerkingen die de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker heeft verricht vóór d� inwerkingtreding van
,
voormelde verplichtingen. ,
Bovendien ligt er ook voor wat betreft de brief van 31 mei 2018 van de heer Y, waarop
concluante antwoordde op 2 juli 2018, geen schending van art. 12.3 AVG voor.
r PAGE 01-00001493070-0017-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 18
De Gegevensbeschermingsautoriteit geeft op haar website immers volgende toelichting in verband
met art. 12 AVG:
"U moet in principe niet betalen voor de informatie die u hebt opgevraagd. Maar als het
overduideliik is dat uw verzoeken ongegrond zijn of overmatig, bijvoorbeeld omdat u steeds
hetzelfde opnieuw vraagt, mag diegene die uw gegevens verwerkt:
• ofwel een redelijke vergoeding aanrekenen om zijn administratieve kosten te dekken
die hij heeft moeten maken om u de gevraagde informatie te geven of om de
maatregelen te treffen waarnaar u hebt gevraagd;
• ofwel het verzoek weigeren.
In dat geval moet diegene die uw persoonsgegevens verwerkt aantonen dat uw verzoek
duidelijk ongegrond of overmatig is."
(eigen onderlijning)
Concluante had de heer Y reeds bij mail van 15 mei 2018 aangetoond dat zijn vraag
ongegrond was (stuk 2), waardoor concluante zijn verzoek mocht weigeren."
5.5.2.
De GBA repliceert hierop:
"32. B ank X meent ten onrechte dat de bestreden beslissing (ten dele) een incorrecte
toepassing maakt van artikel 12.3 van de AVG. Dit is evenwel niet correct.
33. Artikel 12.3 van de AVG luidt (in zijn relevante onderdelen):
''Art. 12.3 De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder
geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22
informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven."
34. Welnu, op 6 februari 2018 richtte dhr. Y een willig verzoek aan bank X teneinde
rectificatie te verkrijgen van de onjuiste verwerking van zijn familienaam. Dit verzoek
werd negatief beantwoord door de Bank X,· middels een e-mail van mei 2018 (waarvan
de exacte datum en tijdstip niet werd meegedeeld aan de
Gegevensbeschermingsautoriteit).
35. Na inwerkingtreding van de AVG op 25 mei 2018 (art. 99.2 van de AVG), richtte dhr.
Y vervolgens op 31 mei 2018 een rectificatieverzoek in de zin van artikel 16 van de AVG aan
de B ank X, met uitdrukkelijke verwijzing naar "de Europese regelgeving die mij recht geeft
op het inkijken en laten verbeteren van mijn persoonsgegevens waarover U beschikt" {STUK
2, bijlage A). Dit rectificatieverzoek werd pas op 2 juli 2018 (negatief) beantwoord door de
Bank X B elgië {STUK 7, bijlage A). Zodoende werd door de Bank X niet
"onverwijld en in ieder geval binnen een maand" informatie verstrekt over het gevolg
dat aan het verzoek is gegeven.
36. Het gegeven dat artikel 282 van de Kaderwet privacy bepaalt dat "de wettelijke
verplichtingen zoals vastgelegd in de Verordening en in deze wet[...] geen afbreuk [doen] aan
de rechtsgeldigheid van de persoonsgegevensverwerkingen die de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker heeft verricht vóór de inwerkingtreding van
voormelde verplichtingen" is ter zake niet relevant. Het rectificatieverzoek van dhr. Y van
31 mei 2018, dat zich baseerde op de (op dat moment in voege zijnde) AVG, beoogde
immers de rectificatie van zijn persoonsgegevens zoals deze op dat moment (en heden)
worden verwerkt door de Bank X. Ook de bestreden beslissing van de
Gegevensbeschermingsautoriteit geldt voor de toekomst, en stelt de rechtsgeldigheid van de
persoonsgegevensverwerkingen van Bank X vóór 25 mei 2018 als zodanig niet in vraag."
1 PAGE 01-00001493070-0018-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 19
5.5.3.
Het overschrijden van de termijn van artikel 12.3 AVG is niet op zich bij wijze van een wettelijke regel
gesanctioneerd.
· Het ter kennis brengen aan de klager bij schrijven van 15 mei 2018 (voordat de GBA-wet in werking
trad) dat de verwerker op zijn verzoek niet zal of niet kan ingaan, is een antwoord. Dit antwoord
moest niet herhaald worden telkens Y dezelfde vraag zou herhalen.
Doordat de Bank X tijdig een antwoord heeft gegeven, heeft zij de regel van voornoemd artikel
12.3 AVG de facto afdoende nageleefd.
5.6. De naleving van de motiveringsverplichting door de Geschillenkamer van de GBA.
5.6.1.
In de bestreden beslissing is de besluitvorming als volgt gemotiveerd:
Uit het onderzoek door de Geschillenkamer gevraagd aan de inspectiedienst op grond van art. 94, 1 °
van de wet van 3 december 2017 volgt dat een inbreuk op de voormelde bepalingen als bewezen
moet worden beschouwd. De argumentatie die door de verwerkingsverantwoordelijke werd gegeven,
namelijk dat geen gevolg kon worden gegeven aan het verzoek van de klager omwille van de
technische onmogelijkheid d_aartoe binnen de huidige informaticatoepassing, wordt niet als afdoende
, 1
beschouwd.
Het onderzoek van de inspectiedienst is niet bijgevoegd aan de beslissing zelf. De beslissing is niet
afdoende formeel gemotiveerd.
5.6.2. 2
De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke
overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op "afdoende" wijze.
Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil
zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn,
dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.
De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de
voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing
zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene
met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing te bestrijden.
De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op
motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording
van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen.
2 Vergelijk met: RvS (14e k.) nr. 239.322, 9 oktober 2017, http: //www.raadvst-consetat.be;
TBP 2018, 106, noot -; TGR-TWVR 2017, 344; T.Gem. 2018, 63.
IPAGE 01-00001493070-0019-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 20
Bij de beoordeling van de naleving van de materiële motiveringsplicht is de rechter, te dezen het
Marktenhof, niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel
van de administratieve overheid, die in casu over een discretionaire bevoegdheid beschikt.
Het Marktenhof is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is
uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond
daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
Het volstaat dat duidelijk, desnoods bondig, in de beslissing zelf wordt aangegeven op welke gronden
zij berust. De formele motivering moet dan ook geen uitweidingen bevatten over gegevens die de
betrokken rechtzoekende reeds kent. Indien wordt verwezen naar adviezen of verslagen, volstaat het
in het kort het voorwerp en de inhoud van die stukken te vermelden, zonder dat het nodig is ze in
extenso over te nemen of ze als bijlage bij de beslissing te voegen 3•
5.6.3.
De affirmatie "uit een onderzoek volgt dat de inbreuk als bewezen moet beschouwd worden"
voldoet niet aan de wettelijke vereiste.
Het inspectieverslag wordt door de GBA neergelegd als zijnde stuk 8 uit zijn dossier. Dit is een verslag
van 28 maart 2019.
Op bladzijde 3 is enkel volgende motivering gesteld:
Vaststelling 2: Recht op recti
ficatie (artikel 16 van de
AVG)
De Inspectiedienst stelt
vast dat de Bank X in
dit dossier de verplichting
artikel 16, eerste zin van opgelegd door
de AVG niet heeft nageleefd.
In het antwoord van de Bank X
NV bij het schrijven met
07/02/2019 (cf. dossierstuk vragen van de Inspectiedienst
13) wordt im mers vermeld van
dat het recht op rectificatie
worden toegepast omdat niet kan
de door de Bank X gebr
ui�te informatica�
dat niet
toelaten, terwijl dat geen
rechtsgeldige reden is om
de niet:toepassing van a�
AVG te verantwoorden. I 16 van de
In de mate dat deze (summiere) motivering (zoals zij voorkomt in het inspectieverslag) prima facie
zou kunnen volstaan om de beslissing afdoende te motiveren, stelt het Marktenhof evenwel vast dat
te dezen, deze (summiere) motivering niet voorkomt in de bestreden beslissing en de GBA niet
aantoont dat deze motivering aan Y bekend was voordat de beslissing werd getroffen derwijze dat
de beslissing dienvolgens niet voldoet aan de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet.
5.6.4.
De Bank X laat niet als middel gelden dat de beslissing nietig zou zijn want aangetast door een
motiveringsgebrek.
De motievencontrole raakt de openbare orde niet zodat het Marktenhof het gebrek aan deugdelijke
motieven niet ambtshalve kan aanvoeren 4.
3
R.v.St., 29 juni 1993, b.v.b.a. Vedesca, nr. 43.526.
4 MAREEN, D., De motieven van de administratieve rechtshandeling, TBP 2000, 20-38. Zie
tevens: R.v.St., Droeshout voormeld; P. DE WOLF, "Het ambtshalve aanvoeren van
rechtsmiddelen door de Raad van State uitspraak doende over annulatieberoepen tegen een
1 PAGE 01-00001493070-0020-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 21
Een middel wordt als van openbare orde beschouwd wanneer het belang ervan de belangen der
rechtzoekende overstijgt, zodat het niet van deze laatste - die enkel voor zijn eigen belangen mag
opkomen - kan afhangen of het middel al dan niet als annulatie-grond in aanmerking zal genomen
worden 5•
Het Marktenhof stelt dienvolgens enkel vast dat de bestreden beslissing prima facie - en zonder dat
daaromtrent een tegensprekelijk debat werd gevoerd - niet lijkt te voldoen aan de voornoemde wet
van 29 juli 1991 doch het Marktenhof vermag niet om ambtshalve deze beslissing, waarvan de
rechtsgeldigheid en conformiteit aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, niet wordt
betwist, te sanctioneren.
In de mate dat door het door het Marktenhof opgeworpen motiveringsgebrek invloedloos is op de
beslechting van onderhavig geschil is er ook geen aanleiding opdat het Marktenhof dienaangaande
de debatten zou heropenen teneinde de partijen te horen.
6. Beslissing.
Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond.
7. De kosten,
Overeenkomstig de wet van 21 april 2007 en het KB van 26 oktober 2007 wordt de
rechtsplegingvergoeding begroot op de basisvergoeding van € 1.440,00.
Om deze redenen,
Het hof, rechtdoende op tegenspraak
Gezien artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
administratieve rechtshandeling", T.B.P. 1986, 22; J. SALMON, Conseil d'Etat, Brussel,
Bruylant, 1987, 266.
5
B. KORNPROBST, La notion de partie et le recours pour excès de pouvoir, uitgave van La
Pensée Universitaire, 338.
1 PAGE 01-00001493070-0021-0022-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2019/AR/1006 - p. 22 7'f!I
Veroordeelt de Bank X tot de kosten van het hoger beroep, vereffend op 1.560,00 euro (400,00
rolrecht hoger beroep + 20,00 euro bijdrage Budgettair Fonds + 1440,00 rechtsplegings
vergoeding ten voordele van eerste verwerende partij).
Veroordeelt Bank X, verzoekende partij, overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der
registratie-, hypotheek- en griffierechten tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het
rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400,00 euro, en tot het definitief ten laste nemen van de
bijdrage van€ 20,00 Budgettair Fonds;
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 09 oktober 2019 door
M. BOSMANS Raadsheer dd.voorzitter
IA-M.W TTERS Raadsheer
O.DUGARDYN Plaatsvervangend raadsheer
B. VANDERGUCHT Griffier
B.VANDERGUCHT
1 PAGE 01-00001493070-0022-0022-01-01-�
L _J