Autoriteit Persoonsgegevens
Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag
Bezuidenhoutseweg 30, 2594 AV Den Haag
T 070 8888 500 - F 070 8888 501
autoriteitpersoonsgegevens.nl
Aangetekend
Bijlage 2 – Openbare versie beslissing op bezwaar
[VERTROUWELIJK]
Datum Ons kenmerk Uw brief van
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK] [VERTROUWELIJK]
Contactpersoon
[VERTROUWELIJK]
Onderwerp
Beslissing op bezwaar
Geachte [VERZOEKER],
Hierbij ontvangt u het besluit van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) op het bezwaarschrift van
24 december 2017 dat u namens [CLIËNTEN] heeft ingediend. Het bezwaar is gericht tegen het besluit van
de AP van 15 november 2017 (kenmerk [VERTROUWELIJK]), waarbij het verzoek om handhaving van uw
cliënten is afgewezen. Het besluit van 15 november 2017 wordt hierna als het primaire besluit aangeduid.
1. Inleiding
1. U heeft bij brief van 15 augustus 2017 de AP namens uw cliënten verzocht om handhavend op te treden
vanwege gestelde overtreding van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) op het adres
[VERTROUWELIJK]. Op het adres [VERTROUWELIJK] is [VERTROUWELIJK] gevestigd. Het perceel en
de panden die zich daarop bevinden zijn eigendom van [VERTROUWELIJK]. Aan de bedrijfswoning en een
van de bedrijfspanden, [VERTROUWELIJK], zijn twee beveiligingscamera’s geïnstalleerd, die volgens uw
cliënten gericht zijn op de openbare weg. Volgens uw cliënten worden zij met die camera’s meerdere keren
per dag gefilmd wanneer zij als buurtbewoners gebruik maken van de openbare weg. Uw cliënten menen
dat de wijze waarop de camera’s zijn opgesteld niet noodzakelijk is voor het doel waarvoor ze zijn
opgehangen, namelijk de beveiliging van eigendommen en personen op het perceel. Daarmee overtreden
[VERANTWOORDELIJKE]volgens uw cliënten de Wbp.
Bijlage(n) 3 1
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
2. Verloop van de procedure
2. Bij brief van 15 augustus 2017, ontvangen op 16 augustus 2017, heeft u een verzoek om handhaving
ingediend bij de AP.
3. Bij besluit van 15 november 2017 heeft de AP uw verzoek om handhaving afgewezen.
4. Bij brief van 24 december 2017 heeft u namens uw cliënten bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit
van 15 november 2017.
5. Bij brief van 16 januari 2018 heeft de AP [VERANTWOORDELIJKE ]medegedeeld dat zij hen als
belanghebbende aanmerkt in deze procedure.
6. Bij brief van 5 februari 2018 heeft de AP u medegedeeld dat de beslissing op bezwaar met zes weken is
verdaagd op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7. Bij brief van 27 februari 2018 heeft u nadere stukken ingediend.
8. Bij brief van 1 maart 2018 heeft de gemachtigde van [VERANTWOORDELIJKE] nadere stukken ingediend.
9. Op 12 maart 2018 heeft de AP een hoorzitting gehouden. Van het horen is een verslag gemaakt. Dit verslag
is als bijlage 1 bij dit besluit gevoegd.
10. Bij brief van 16 maart 2018 bent u in de gelegenheid gesteld te reageren op de nadere stukken die de
gemachtigde van [VERANTWOORDELIJKE] bij brief van 1 maart 2018 heeft ingediend en heeft de AP u
medegedeeld dat de beslissing op bezwaar wordt verdaagd op grond van artikel 7:10, vierde lid, onder a,
van de Awb. Tevens heeft u een afschrift ontvangen van de brief van 16 maart 2018 van de AP aan de
gemachtigde van [VERANTWOORDELIJKE] waarin [VERANTWOORDELIJKE] in de gelegenheid wordt
gesteld te reageren op de nadere stukken die u bij brief van 27 februari 2018 heeft ingediend en waarin zij
wordt verzocht om toezending van nadere informatie, waar de AP tijdens de hoorzitting om heeft
gevraagd.
11. Bij brief van 26 maart 2018 heeft u een schriftelijke reactie gegeven op de nadere stukken van de
gemachtigde van [VERANTWOORDELIJKE].
12. Bij brieven van 29 en 30 maart 2018 heeft de gemachtigde van [VERANTWOORDELIJKE] nadere
informatie toegestuurd en een schriftelijke reactie gegeven op de door u ingediende nadere stukken. Bij
brief van 5 april 2018 heeft de AP u een afschrift van deze stukken toegezonden.
13. Op 10 april 2018 heeft de AP een onderzoek ter plaatse uitgevoerd aan [VERTROUWELIJK] te
[VERTROUWELIJK]. Van dit onderzoek is een verslag opgesteld, die als bijlage 2 bij dit besluit is gevoegd.
2/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
14. Bij brief van 20 april 2018 heeft de AP [VERANTWOORDELIJKE] verzocht binnen twee weken een
schriftelijke bevestiging te sturen waarin zij verklaart de door de AP in de brief genoemde aanbevelingen
binnen een redelijke termijn uit te voeren.
15. Bij e-mail van 1 mei 2018 heeft [VERANTWOORDELIJKE] toegezegd de aanbevelingen uit te voeren in
samenwerking met de leverancier van de camera’s en haar gemachtigde.
3. Wettelijk kader
16. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in bijlage 3 bij dit besluit. In verband met het van toepassing
zijn van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) met ingang van 25 mei 2018 vindt de
beoordeling van uw bezwaar plaats op grond van de AVG.
4. Handhavingsverzoek
17. Bij brief van 15 augustus 2017 heeft u namens uw cliënten de AP verzocht om handhavend op te treden
tegen de eigenaren van [VERTROUWELIJK] te [VERTROUWELIJK]. Aan dit adres zijn twee camera’s
bevestigd die volgens uw cliënten op de openbare weg zijn gericht en bij voortduring een gedeelte van de
openbare weg filmen. Omdat uw cliënten, naar zij stellen, als buurtbewoners meerdere malen per dag
gebruik maken van dat gedeelte van de openbare weg, worden zij regelmatig gefilmd. U heeft de AP
verzocht om [VERANTWOORDELIJKE] te verplichten de positie van de camera’s te wijzigen, zodat niet
langer opnames van de openbare weg worden gemaakt. U bent van mening dat de positie van de camera’s,
waarbij de openbare weg wordt gefilmd, niet noodzakelijk is voor de beveiliging van het bedrijf c.q. de
bedrijfsgronden.
5. Het primaire besluit
18. De AP heeft in haar besluit van 15 november 2017 uw verzoek om handhaving afgewezen. Met het plaatsen
van de camera’s is beoogd de eigendommen en personen die zich met toestemming op het terrein
bevinden te kunnen beveiligen en zo nodig onderbouwd aangifte te kunnen doen van
beveiligingsincidenten. [VERANTWOORDELIJKE] hebben op verzoek van de AP de stand van de camera’s
aangepast en deze zo veel als mogelijk op het eigen terrein gericht, waardoor een beperkt deel van de
openbare weg wordt gefilmd. Uit de foto’s van de camerabeelden maakt de AP op dat dit noodzakelijk is
om de eigendommen te kunnen beveiligen en zo nodig aangifte te doen. De inbreuk op de belangen van
betrokkenen – het gefilmd worden bij het passeren van het pand en bijbehorend terrein – is niet
onevenredig in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Het doel kan ook niet op een minder
nadelige manier worden bewerkstelligd. Tot slot concludeert de AP dat de inbreuk op de personen die de
camera’s passeren zoveel als mogelijk is beperkt en de inbreuk niet opweegt tegen de belangen van de
[VERANTWOORDELIJKE]. Gelet hierop is de AP van oordeel dat het verwerken van persoonsgegevens
door middel van cameratoezicht is toegestaan en geen sprake is van een overtreding van de Wbp.
3/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
6. Gronden van het bezwaar
19. Uw cliënten kunnen zich niet vinden in het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek. In het
bezwaarschrift betoogt u dat de AP onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [VERANTWOORDELIJKE]
een gerechtvaardigd belang hebben bij het cameratoezicht. De AP maakt volgens u de aard en de ernst van
de incidenten die hebben meegespeeld bij het primaire besluit onvoldoende kenbaar, waardoor het voor
uw cliënten onduidelijk en oncontroleerbaar is welke incidenten de grondslag vormen voor een
gerechtvaardigd belang bij het cameratoezicht. Verder voert u aan dat de AP ten onrechte het standpunt
heeft ingenomen dat het proportionaliteitsbeginsel niet onevenredig is geschonden in verhouding tot het
te dienen doel, nu uw cliënten telkens bij het passeren voor hun dagelijks functioneren van het
[VERTROUWELIJK] worden gefilmd en van de [CLIËNTEN] ook een deel van [VERTROUWELIJK] terras
wordt gefilmd. Dit is volgens u niet noodzakelijk voor het doel “beveiligen van de eigendommen”. U
betoogt dat de AP heeft miskend dat de camera aan de bedrijfswoning een 360° camera is en dat zij ten
onrechte is uitgegaan van een bepaalde stand van de camera’s, nu die eenvoudig weer kan worden
aangepast en alleen door het plaatsen van vaste en permanente kappen op de camera’s voorkomen kan
worden dat onnodig de openbare weg wordt gefilmd. In het bezwaarschrift voert u verder aan dat de AP
onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verwerking van de persoonsgegevens niet op een minder nadelige
wijze kan worden bereikt. U stelt zich op het standpunt dat het beveiligen van het terrein ook goed
mogelijk is door het installeren van een interne beveiligingsinstallatie. U voert tevens aan dat de AP de
belangen van [VERANTWOORDELIJKE] ten onrechte laat prevaleren boven het privacybelang van uw
cliënten. Tot slot betoogt u dat het cameratoezicht ten onrechte niet bij de AP is gemeld op basis van
artikel 27 van de Wbp en dat ten onrechte niet is voldaan aan de verplichting om betrokkenen vooraf door
middel van bebording te informeren dat zij ook op de openbare weg worden gefilmd.
7. Hoorzitting
20. Op 12 maart 2018 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in het kader van de onderhavige
bezwaarschriftprocedure. Daarbij waren u en [CLIËNTEN], [VERANTWOORDELIJKE] haar gemachtigde
[VERTROUWELIJK] aanwezig. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat u bijgaand aantreft.
8. Beoordeling van het bezwaar: ontvankelijkheid
21. Alvorens de AP het bezwaar beoordeelt, dient zij eerst vast te stellen of uw cliënten belanghebbende zijn
als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het door u namens hen
ingediende verzoek om handhaving. Kunnen uw cliënten niet worden aangemerkt als belanghebbende bij
het verzoek om handhaving, dan kan dat verzoek om die reden niet worden aangemerkt als een aanvraag
in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb en is de reactie op dit verzoek geen besluit, zodat daartegen
geen bezwaar kan worden gemaakt. Onder belanghebbende wordt in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb
verstaan “degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken”. Uit jurisprudentie volgt dat het
belang individualiseerbaar, reëel, actueel en concreet bepaalbaar moet zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraak
van het CBb van 8 december 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BV0546).
22. Vaststaat dat uw cliënten wonen naast en tegenover het gebied waarin de camera’s zijn geplaatst.
[CLIËNT] woont op [VERTROUWELIJK] en [CLIËNT] op [VERTROUWELIJK]. Zij zijn gerechtigde ten
aanzien van een onroerend goed in dat gebied. [CLIËNT] is eigenaar van het perceel gelegen tegenover dat
4/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
van [VERANTWOORDELIJKE]. [CLIËNT] is eigenaar van het derde perceel gelegen naast dat van
[VERANTWOORDELIJKE]. Voor de toegang tot hun woning zijn zij hoofdzakelijk aangewezen op het deel
van de openbare weg waarop de camera’s gericht zijn. Gelet hierop is het aannemelijk dat zij zich, anders
dan andere weggebruikers, meerdere keren per dag zowel zichtbaar lopend of fietsend in persoon als in de
auto op het gedeelte van de openbare weg (moeten) begeven waarop de camera’s zijn gericht. Dit betreft
een verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 1, aanhef en onder a en b, van de Wbp. Gelet op
de situering van hun percelen zullen uw cliënten vaker dan andere weggebruikers gebruik maken van het
gedeelte van [VERTROUWELIJK] waarop de camera’s gericht zijn en frequent worden gefilmd. Naar het
oordeel van de AP hebben uw cliënten daarmee een individueel belang bij het handhavingsverzoek
strekkende tot aanpassing van de stand van de camera’s.
23. De situatie waarin uw cliënten zich bevinden is anders dan die in de door [VERANTWOORDELIJKE]
overlegde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 21 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:590).
In die zaak was appellante niet woonachtig of werkzaam in het gebied waarin de camera’s waren geplaatst,
was niet aannemelijk gemaakt dat appellante genoodzaakt was duurzaam en op gezette tijden in het
gebied te verblijven en was zij geen gerechtigde ten aanzien van een onroerend goed in het gebied.
24. Uw cliënten zijn gelet op het vorenstaande naar het oordeel van de AP belanghebbende bij het door u
namens hen ingediende handhavingsverzoek en zij kunnen derhalve bezwaar maken tegen het primaire
besluit van 15 november 2017.
9. Beoordelingskader
25. De AP beoordeelt ingevolge artikel 7:11 van de Awb op grond van uw bezwaar of zij bij het primaire besluit
terecht heeft besloten tot afwijzing van uw handhavingsverzoek. Vervolgens wordt beoordeeld of een
verandering van feiten en omstandigheden sinds het primaire besluit aanleiding geeft het primair besluit
te herroepen en een andersluidend besluit te nemen. De volledige heroverweging van het primaire besluit
op grond van artikel 7:11 van de Awb vindt plaats aan de hand van de feiten zoals die zich voordoen op het
moment van de heroverweging (ex-nunc toetsing). Dit betekent onder meer dat met het van toepassing
worden van de AVG en de intrekking van de Wbp op 25 mei 2018 uw bezwaar wordt beoordeeld op grond
van de AVG.
26. De AP zal in reactie op uw bezwaarschrift niet ingaan op zaken die niet direct van belang zijn voor de
beantwoording van die vraag.
10. Beoordeling van de bezwaargronden
Gerechtvaardigd belang
27. U voert aan dat de AP onvoldoende heeft gemotiveerd waarom [VERANTWOORDELIJKE] een
gerechtvaardigd belang hebben bij het cameratoezicht.
28. Voor een beroep op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG, dient aan drie cumulatieve
voorwaarden te worden voldaan:
1. De eerste voorwaarde is of het een gerechtvaardigd belang betreft. Een gerechtvaardigd belang moet
5/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
rechtmatig zijn (in overeenstemming met toepasselijk EU- en nationaal recht), voldoende duidelijk zijn
verwoord (voldoende specifiek) om de afweging uit te kunnen voeren met de belangen en de fundamentele
rechten van de betrokkene en werkelijk een aanwezig belang vertegenwoordigen (niet speculatief);
2. Betreft het een gerechtvaardigd belang, dan wordt vervolgens beoordeeld of de verwerking van de
persoonsgegevens noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang waarbij tevens
wordt getoetst aan de proportionaliteit en subsidiariteit: is de inbreuk voor betrokkene in verhouding tot
het met de verwerking te dienen doel? En kan het doel niet op een minder voor de betrokkene nadelige
wijze worden verwezenlijkt?;
3. Vervolgens vindt als derde cumulatieve voorwaarde een afweging plaats tussen de belangen van de
verantwoordelijke en de betrokkene. Bij die afweging worden mede betrokken de gevolgen voor de
betrokkene alsmede de (aanvullende) waarborgen die de verantwoordelijke heeft getroffen ter
voorkoming en beperking van de ongewenste gevolgen voor betrokkenen.
29. Voor een beroep op artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG, dient een gerechtvaardigd belang
rechtmatig te zijn, voldoende duidelijk te zijn verwoord en werkelijk een aanwezig belang te
vertegenwoordigen.1 [VERANTWOORDELIJKE] exploiteren op de [VERTROUWELIJK] onder meer een
[VERTROUWELIJK]. Met het cameratoezicht beogen [VERANTWOORDELIJKE] hun eigendommen en
de goederen en personen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te beveiligen en zo nodig onderbouwd
aangifte te kunnen doen van beveiligingsincidenten. De bescherming van eigendom vormt de uitoefening
van een fundamenteel recht zoals opgenomen in artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de
Europese Unie en artikel 1 van het eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
en is als zodanig een gerechtvaardigd belang. Daarnaast staat tussen u en [VERANTWOORDELIJKE] niet
ter discussie dat zich in het recente verleden in elk geval een incident bij de bedrijfswoning van
[VERANTWOORDELIJKE] heeft voorgedaan, [VERTROUWELIJK]. Daarmee is het belang dat
[VERANTWOORDELIJKE] hebben bij het cameratoezicht daadwerkelijk aanwezig en niet speculatief.
Buiten beschouwing kan worden gelaten of en zo ja, welke andere beveiligingsincidenten zich hebben
voorgedaan.
Noodzakelijkheid
Toetsing proportionaliteitsbeginsel
30. U voert aan dat de AP ten onrechte heeft geoordeeld dat de inbreuk op het recht op bescherming van
persoonsgegevens van uw cliënten in verhouding staat tot het met het cameratoezicht te dienen doel
(proportionaliteitsbeginsel). U stelt dat uw cliënten elke keer bij het passeren van de camera’s worden
gefilmd en dat een deel van het perceel van [CLIËNT] wordt gefilmd. Dit staat volgens u niet in verhouding
tot het doel. Dat de stand van de camera’s ten tijde van het primaire besluit is gewijzigd, waarborgt niet dat
dit een permanente situatie is, nu dit volgens u eenvoudig is aan te passen.
31. Om deze bezwaargrond te kunnen beoordelen dient de AP de feitelijke situatie met betrekking tot het
cameratoezicht vast te stellen, nu hierover tussen u [VERANTWOORDELIJKE] verschil van mening
bestaat. Om die reden heeft de AP op 10 april 2018 op het adres [VERTROUWELIJK] te
[VERTROUWELIJK] een onderzoek ter plaatse uitgevoerd.
1
Opinie 06/2014 WP29 on the notion of legitimate interests of the data controller under Article 7 of Directive 95/46/EC, p. 25.
6/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
32. Tijdens het onderzoek ter plaatse heeft de AP vastgesteld dat er twee camera’s beelden maken van een deel
van de openbare weg. De eerste camera is een buitencamera, rechts van de ingang van het bedrijfspand
[VERTROUWELIJK]. Deze camera heeft een vaste horizontale beeldhoek van 69,4°. De tweede camera is
een buiten dome camera aan de bedrijfswoning. Deze camera heeft een vaste horizontale beeldhoek van
73,1°. De AP heeft vastgesteld dat op de beelden een deel van de openbare weg te zien is. Zij heeft tevens
vastgesteld dat als een persoon zich op de openbare weg bevindt, hij alleen zichtbaar is vanaf de voeten tot
aan de onderste helft van het hoofd, als hij aan de uiterste rand van de openbare weg staat, vlak voor het
hekwerk voor de bedrijfswoning en het bedrijfspand [VERTROUWELIJK]. Het gezicht is dan niet volledig
in beeld. Een persoon die verder van die uiterste rand op de openbare weg staat is niet met het gezicht in
beeld. Een persoon die tussen het hekwerk voor de bedrijfswoning of het bedrijfspand [VERTROUWELIJK]
en de uiterste rand van de openbare weg staat, is volledig met het gezicht in beeld. De AP heeft ook
vastgesteld dat het kenteken van een auto die met normale snelheid over de openbare weg rijdt niet
leesbaar is wanneer met de beelden wordt meegekeken, omdat de camera’s haaks op de openbare weg
staan gericht. Het kenteken is mogelijk wel leesbaar te maken als de beelden achteraf worden opgevraagd
en worden uitvergroot. De AP heeft vastgesteld dat op geen van de beelden van de camera’s een deel van
het perceel van [CLIËNT] zichtbaar is.
33. De beelden die de AP tijdens het onderzoek ter plaatse heeft gezien zijn dezelfde als die op de foto’s die
[VERANTWOORDELIJKE] ten tijde van het primaire besluit aan de AP hebben overgelegd. Er is dan ook
geen grond voor het oordeel dat de stand van de camera’s sinds het primaire besluit is aangepast. Ook
heeft de AP vastgesteld dat de buiten dome camera aan de bedrijfswoning een horizontale beeldhoek heeft
van 73,1° en niet, anders dan u stelt, een beeldhoek heeft van 360°. De AP acht het op zichzelf aannemelijk
dat de stand van de camera’s aangepast kan worden, maar is van oordeel dat, anders dan u stelt, het niet
aannemelijk is dat dit op een eenvoudige manier kan. De stand van de camera’s kan niet op afstand
worden bestuurd of gewijzigd gedurende het filmen. Om de stand van de camera’s aan te passen moet
eerst de bevestiging aan de gebouwen worden losgeschroefd en vervolgens na aanpassing van de
camerastand weer worden bevestigd. Dit vergt derhalve een handmatige en arbeidsintensieve handeling.
Voor de dome camera aan de bedrijfswoning geldt daarnaast dat eerst de kap over de camera moet worden
losgeschroefd. Vervolgens kan de camera naar boven of naar beneden worden bijgesteld. Het is gelet
hierop niet mogelijk om de gekozen beeldhoek tijdens het filmen doorlopend te wijzigen vanuit het pand
van [VERANTWOORDELIJKE], bijvoorbeeld om personen te volgen of om in- en uit te zoomen.
34. De AP heeft vastgesteld dat voorbijgangers op de openbare weg zo min mogelijk in beeld komen, zoals
beschreven in randnummer 32. Voor zover de camera’s zijn gericht op de openbare weg is dit beperkt tot
dat deel van de weg voor zover dat onvermijdelijk is voor de bescherming van personen en eigendommen.
Het filmen van dit beperkte gedeelte van de openbare weg is noodzakelijk om de eigendommen van
[VERANTWOORDELIJKE] en de goederen en personen die aan hun zorg zijn toevertrouwd te beveiligen
en zo nodig onderbouwd aangifte te kunnen doen van beveiligingsincidenten. Het is niet mogelijk om de
camera’s zo te plaatsen dat zij de openbare weg in het geheel niet filmen. In dat geval zouden de
eigendommen niet afdoende kunnen worden beschermd omdat eventuele personen die bijvoorbeeld
vernielingen zouden willen aanbrengen dan volledig buiten beeld zouden blijven. Voor zover de openbare
7/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
weg wordt gefilmd is dit beperkt tot die plekken waar personen die bijvoorbeeld recht voor het hek staan
bij de bedrijfswoning en het pand [VERTROUWELIJK] van [VERANTWOORDELIJKE] in beeld worden
gebracht. Door deze afbakening worden hierbij niet meer personen in beeld gebracht dan strikt
noodzakelijk is voor het doeleinde beveiliging van eigendommen en personen. De AP is dan ook van
oordeel dat de geconstateerde inbreuk op de belangen van uw cliënten – het gefilmd worden bij het
passeren van de bedrijfswoning en het bedrijfspand van [VERANTWOORDELIJKE] – niet onevenredig is
in verhouding tot het met het cameratoezicht te dienen doel. Van strijdigheid met het
proportionaliteitsbeginsel is niet gebleken.
Toetsing subsidiariteitsbeginsel
35. Voorts voert u aan dat de AP onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verwerking van de persoonsgegevens
niet op een minder nadelige wijze kan worden bereikt, nu het beveiligen van het terrein ook goed mogelijk
is door het installeren van een interne beveiligingsinstallatie (subsidiariteitsbeginsel).
36. Het doel van het cameratoezicht is het beveiligen van eigendommen en personen en het zo nodig
onderbouwd aangifte kunnen doen van beveiligingsincidenten. Voor het goed kunnen beveiligen en
onderbouwen van een aangifte is het noodzakelijk dat de te beschermen eigendommen en personen
inclusief die eigendommen en personen die zich vlak voor het hek op het eigen terrein bevinden in beeld
worden gebracht. Beveiligingsincidenten waarbij de bescherming van die eigendommen en personen in
gevaar komt of dreigt te komen, kunnen afkomstig zijn van personen die zich op het eigen terrein van
[VERANTWOORDELIJKE] bevinden. Voor de bescherming van de eigendommen en personen is het
echter ook noodzakelijk om rekening te houden met beveiligingsincidenten die veroorzaakt kunnen
worden door personen die zich begeven aan de rand van de eigendommen van [VERANTWOORDELIJKE]
die grenzen aan de openbare weg. Om dat doel te bereiken is het noodzakelijk dat in ieder geval de
perceelgrens die is afgeschermd door een hek en een beperkt gedeelte van de openbare weg dat direct
hieraan grenst gefilmd kunnen worden. Zonder het plaatsen van camera’s die dit in beeld brengen kunnen
beveiligingsincidenten en mogelijke daders niet in beeld worden gebracht. Anders dan u betoogt kan dit
doel niet worden bereikt door het installeren van een interne beveiligingsinstallatie, omdat daarmee
daders die vanaf de openbare weg vlak voor het hek of op het perceel vernielingen aanrichten niet
afdoende in beeld worden gebracht.
37. De AP is dan ook van oordeel dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt niet op een
minder nadelige wijze kan worden verwerkelijkt. Van strijdigheid met het subsidiariteitsbeginsel is geen
sprake. De AP oordeelt dat ook voldaan is aan het tweede criterium, het noodzakelijkheidsvereiste.
Belangenafweging
38. U voert aan dat de AP de belangen van [VERANTWOORDELIJKE] ten onrechte laat prevaleren boven het
privacybelang van uw cliënten. Uw standpunt onderbouwt u door aan te voeren dat door middel van een
andere plaatsing van de camera’s hetzelfde doel kan worden bereikt en de inbreuk op de privacy kan
worden voorkomen.
8/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
39. Bij de toetsing van het gerechtvaardigd belang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef onder f, van de
AVG, dient een afweging plaats te vinden tussen de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke en de
betrokkene. De belangen van de verwerkingsverantwoordelijke dienen in geval van een geslaagd beroep
op gerechtvaardigd belang, zwaarder te wegen dan de belangen of grondrechten en fundamentele
vrijheden van betrokkene die nopen tot bescherming van persoonsgegevens. Deze belangenafweging
bestaat uit:
a) een beoordeling van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke;
b) de gevolgen voor betrokkenen;
c) de voorlopige balans, en
d) de (aanvullende) waarborgen die de verwerkingsverantwoordelijke heeft getroffen ter voorkoming en
beperking van de ongewenste gevolgen voor betrokkenen.
40. Zoals de AP heeft geoordeeld in randnummer 29 hebben [VERANTWOORDELIJKE] een gerechtvaardigd
belang dat rechtmatig is – de bescherming van personen en eigendommen – en dat daadwerkelijk
aanwezig is. De gevolgen voor het recht op bescherming van persoonsgegevens van betrokkenen staan
naar het oordeel van de AP in verhouding tot het met het cameratoezicht te dienen doel (randnummer 34)
en dat doel kan niet op een minder nadelige wijze worden bereikt (randnummer 37). De inbreuk op het
recht op bescherming van persoonsgegevens wordt veroorzaakt door twee camera’s die als gevolg van de
huidige vaste beeldhoeken voorbijgangers op de openbare weg zo min mogelijk in beeld brengen
(randnummer 32). De impact op de privacy is beperkt tot datgene wat noodzakelijk is om de
eigendommen van [VERANTWOORDELIJKE] en de goederen en personen die aan hun zorg zijn
toevertrouwd te beveiligen en zo nodig onderbouwd aangifte te kunnen doen van beveiligingsincidenten.
De voorlopige balans valt daarmee naar het oordeel van de AP uit ten voordele van het belang van
[VERANTWOORDELIJKE] om hun eigendommen te beschermen.
41. Ten aanzien van de toetsing of [VERANTWOORDELIJKE] voldoende (aanvullende) waarborgen hebben
getroffen ter voorkoming en beperking van de ongewenste gevolgen voor betrokkenen, weegt de AP de
volgende omstandigheden mee.
42. De beelden worden opgeslagen op de harde schijf van een videorecorder, waarbij de beelden automatisch
na twee weken worden gewist. Uit pagina 23 van de Beleidsregels cameratoezicht kan worden afgeleid dat
de maximale bewaartermijn waarbinnen het bewaren van de betreffende persoonsgegevens nog
noodzakelijk kan worden geacht in beginsel vier weken is. Deze termijn is gebaseerd op het inmiddels
vervallen artikel 38, zesde lid, van het Vrijstellingsbesluit Wbp. De AP is dan ook van oordeel dat met het
automatisch verwijderen van de camerabeelden na twee weken de persoonsgegevens niet langer worden
bewaard dan noodzakelijk is voor het doel “beveiligen van personen of goederen”. Deze termijn geeft
[VERANTWOORDELIJKE] voldoende gelegenheid om beelden terug te kijken en waar nodig aangifte te
doen. Daarmee voldoen [VERANTWOORDELIJKE]. naar het oordeel van de AP aan het beginsel genoemd
in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. Daarin is bepaald dat persoonsgegevens moeten
worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor
de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is.
9/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
43. De videorecorder is beveiligd met een wachtwoord. Daarmee wordt voorkomen dat onbevoegden toegang
kunnen krijgen tot de camerabeelden. Alleen [VERANTWOORDELIJKE] hebben toegang tot de beelden
op de videorecorder.
44. [VERTROUWELIJK]. [VERANTWOORDELIJKE] heeft bij het onderzoek ter plaatse verklaard dat
[VERTROUWELIJK] toegang heeft tot de life beelden. Bij [VERTROUWELIJK] fout inloggen wordt de
toegang tot de beelden van de camera’s [VERTROUWELIJK] geblokkeerd. Van de inlogpogingen worden
logfiles bijgehouden door de leverancier van de camera’s. De activiteiten die [VERANTWOORDELIJKEN]
met de camerabeelden uitvoeren evenals pogingen van anderen om daartoe ongeautoriseerd toegang te
verkrijgen worden gelogd.
45. Tot slot worden, zoals hierna in randnummer 50 wordt beschreven, voorbijgangers op de openbare weg
naar het oordeel van de AP in voldoende mate geïnformeerd over het cameratoezicht en de mogelijkheid
dat zij gefilmd worden.
46. De AP heeft geconstateerd dat met voornoemde maatregelen voldoende is zorggedragen voor een
afdoende bescherming van de persoonsgegevens. Ten overvloede merkt de AP op dat zij bij brief van
20 april 2018 naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse aan [VERANTWOORDELIJKE] nog een aantal
aanbevelingen heeft gedaan om de bescherming verder te optimaliseren. Aanbevolen is om het
wachtwoord van de videorecorder twee maal per jaar te wijzigen, afspraken te maken met de leverancier
van de camera’s over wie de logfiles periodiek controleert en het netwerk waarop de camera’s verbonden
zijn te scheiden van het netwerk waarop gasten via het wifinetwerk kunnen inloggen.
47. Zoals in randnummer 40 is overwogen valt de voorlopige balans van de belangenafweging naar het
oordeel van de AP uit ten voordele van het belang van [VERANTWOORDELIJKE] om hun eigendommen
te beschermen. De maatregelen zoals beschreven in randnummers 42 tot en met 45 vormen volgens de AP
in dit specifieke geval voldoende grondslag voor het oordeel dat [VERANTWOORDELIJKE] voldoende
(aanvullende) waarborgen hebben getroffen ter voorkoming en beperking van de ongewenste gevolgen
van het cameratoezicht voor uw cliënten. De bij brief van 20 april 2018 door de AP gedane aanbevelingen
aan [VERANTWOORDELIJKE]. zijn bedoeld om de beperking van de ongewenste gevolgen van het
cameratoezicht verder te optimaliseren en doen derhalve niet af aan deze conclusie. Daarbij weegt de AP
mee dat [VERANTWOORDELIJKE] bij e-mail van 1 mei 2018 heeft toegezegd deze aanbevelingen uit te
zullen voeren. De AP is dan ook van oordeel dat het privacybelang van uw cliënten niet prevaleert boven de
belangen van [VERANTWOORDELIJKE].
Conclusie
48. De AP komt gezien het voorgaande tot de conclusie dat artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG,
[VERANTWOORDELIJKE]. een grondslag biedt voor het cameratoezicht.
10/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
Informatieplicht
49. U voert aan dat niet is voldaan aan de verplichting om betrokkenen door middel van bebording vooraf te
informeren dat zij ook op de openbare weg worden gefilmd.
50. De AP heeft tijdens het onderzoek ter plaatse vastgesteld dat op de deur van het bedrijfspand
[VERTROUWELIJK], waaraan de buitencamera is bevestigd, een rode sticker is geplakt met de afbeelding
van een camera. Op de voordeur van de bedrijfswoning, waaraan de buiten dome camera is bevestigd, is
een blauwe sticker geplakt met de afbeelding van een camera. De AP is van oordeel dat uit de context
duidelijk kan worden afgeleid wat het doel van het cameratoezicht is en wie de
verwerkingsverantwoordelijke is, zodat een bord met een symbool van een camera voldoende is.2 De AP
heeft vastgesteld dat de stickers bij het passeren van de panden vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar
zijn. Gelet hierop is de AP van oordeel dat voorbijgangers op de openbare weg in voldoende mate worden
geïnformeerd over het cameratoezicht. De AP is dan ook van mening dat geen sprake is van een
overtreding van de informatieverplichting van artikel 14 van de AVG.
Meldplicht artikel 27 van de Wbp
51. Uw betoog dat het cameratoezicht ten onrechte niet bij de AP is gemeld op basis van artikel 27 van de Wbp
kan niet slagen, reeds omdat met het van toepassing worden van de AVG op 25 mei 2018 de meldplicht is
vervallen.
Conclusie
52. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb heeft de AP het bestreden besluit heroverwogen naar
aanleiding van de aangevoerde bezwaren. Bij deze heroverweging heeft de AP beoordeeld of zij terecht
heeft besloten om uw verzoek om handhaving af te wijzen. De AP komt gelet op het vorenstaande tot de
conclusie dat er geen sprake is van een overtreding van de AVG. Voor zover sprake is van een verandering
van relevante feiten en omstandigheden sinds het primaire besluit, geven deze geen aanleiding het
primaire besluit te herroepen en een andersluidend besluit te nemen.
2
Zie de Beleidsregels cameratoezicht, p. 28.
11/12
Datum Ons kenmerk
20 juni 2018 [VERTROUWELIJK]
11. Dictum
De Autoriteit Persoonsgegevens verklaart het bezwaar ongegrond.
Een kopie van dit besluit zond ik aan de gemachtigde [VERANTWOORDELIJKE].
Hoogachtend,
Autoriteit Persoonsgegevens,
Namens deze,
mr. T.L.J. Drouen
Directeur Juridische Zaken en Wetgevingsadvisering
Rechtsmiddelenclausule
Indien u het niet eens bent met dit besluit kunt u binnen zes weken na de datum van verzending van het
besluit ingevolge de Algemene wet bestuursrecht een beroepschrift indienen bij de rechtbank (sector
bestuursrecht) in het arrondissement, waarbinnen uw woonplaats valt. U dient een afschrift van dit besluit
mee te zenden. Het indienen van een beroepschrift schort de werking van dit besluit niet op.
12/12