1/6
Geschillenkamer
Beslissing 91/2024 van 13 juni 2024
Dossiernummer : DOS-2024-00832
Betreft : Klacht naar aanleiding van de verplichting tot het voorleggen van (een kopie
van) van de identiteitskaart bij een financiële bankinstelling vanwege fraudepreventie
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”
Beslissing 91/2024 — 2/6
I. Feiten en procedure
1. Op 29 november 2023 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen de verweerder.
2. De ouders van de klager verhuurden een onroerend goed aan een familielid. Bij beëindiging
van de woninghuurovereenkomst werd een vrijgave van de huurwaarborg
overeengekomen. In dit kader werd door verweerder, een bankkantoor, aan de klager
gevraagd om ofwel een kopie te bezorgen van de identiteitskaart van de verhuurders, i.e.
haar ouders, ofwel dat beide ouders zich persoonlijk naar het bankkantoor zouden begeven
met het oog op de identificatie. Initieel heeft de klager dit geweigerd omdat zij stelt dat
noch de antiwitwaswetgeving, noch de wetgeving inzake woninghuur een dergelijk
vereiste oplegt in het kader van de vrijgave van de huurwaarborg. Bovendien was het voor
haar ouders omwille van hun gezondheid niet mogelijk om zich persoonlijk naar de
verweerder te begeven. Met het oog op een snelle vrijgave van de waarborg heeft de klager
alsnog een kopie van de identiteitskaart van haar ouders bezorgd, waarbij zij uitdrukkelijk
aangeeft dat deze handeling niet impliceert dat zij akkoord gaat met het vereiste om deze
documenten voor te leggen.
3. Op 14 februari 2024 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
II. Motivering
4. Op basis van de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn, en op basis
van de bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 95, § 1 WOG zijn
toebedeeld, beslist de Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu
gaat de Geschillenkamer over tot het seponeren van de klacht overeenkomstig artikel 95,
§ 1, 3° WOG, op basis van de hiernavolgende motivering.
5. Wanneer een klacht geseponeerd wordt, dient de Geschillenkamer haar beslissing
trapsgewijs te motiveren1 en:
- een technische seponering uit te spreken indien het dossier geen of niet voldoende
elementen bevat die tot een veroordeling kunnen leiden, of indien er onvoldoende
uitzicht bestaat op een veroordeling wegens een technische belemmering,
waardoor zij niet tot een beslissing kan komen;
1
Hof van Beroep Brussel, Sectie Marktenhof, 19de kamer A, Kamer voor marktzaken, arrest 2020/AR/329, 2 september 2020,
p. 18.
Beslissing 91/2024 — 3/6
- of een beleidssepot uit te spreken, indien ondanks de aanwezigheid van elementen
die tot een sanctie kunnen leiden, de voortzetting van het onderzoek van het
dossier niet opportuun lijkt in het licht van de prioriteiten van de
Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals gespecificeerd en toegelicht in het
sepotbeleid van de Geschillenkamer2.
6. In het geval op meer dan één grond wordt geseponeerd, dienen de sepotgronden (resp.
technisch sepot en beleidssepot) in volgorde van belangrijkheid te worden behandeld 3.
7. In het voorliggend dossier gaat de Geschillenkamer over tot een seponering van de klacht,
op grond van beleidsmatige sepotgronden. Hieronder volgt een uiteenzetting van de
redenering van de Geschillenkamer die aan de basis ligt van de beslissing waarom zij het
onwenselijk acht verder gevolg te geven aan het dossier en derhalve beslist niet over te
gaan tot, inter alia, een behandeling ten gronde.
8. In casu acht de Geschillenkamer het niet opportuun om in te gaan op een behandeling ten
gronde vanwege de lage slaagkans van de klacht. Overeenkomstig artikel 6 van de AVG zijn
er zes mogelijke rechtsgronden waarop een verwerkingsverantwoordelijke een verwerking
kan baseren. In de stukken die worden aangebracht door klager blijkt duidelijk dat
verweerder de verwerking van de identiteitskaart van klager kadert in de verplichtingen die
worden opgelegd aan een financiële bankinstelling overeenkomstig de Wet tot
voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking
van het gebruik van contanten van 6 oktober 2017 (hierna: de Antiwitwaswet(geving)).
9. Er dient dus te worden gewezen op de Antiwitwaswetgeving die van toepassing is op
financiële bankinstellingen (in het bijzonder artikel 8, §2, 1°, artikel 19, §1, 1° en 3°, artikel 21,
§1 en 26, §1 en 27 en artikel 30, 33 en 35). Deze bepalingen verplichten banken om personen
te identificeren en verifiëren, niet enkel in het begin van de zakelijke relatie, maar tevens
doorlopend wanneer er zich occasionele verrichtingen voordoen (wat in casu het geval is).4
10. De Geschillenkamer verwijst in deze naar de identificatieplicht (volgens het Know-Your-
Customer/Ken-Uw-Klant principe), alsook naar de waakzaamheidsplicht die is voorzien in
de Antiwitwaswetgeving.5 De Geschillenkamer acht de lopende klachtprocedure geen
2
In dit verband verwijst de Geschillenkamer naar haar sepotbeleid zoals uitvoerig uiteengezet op de website van de GBA:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf
3
Cf. Titel 3 – In welke gevallen zal mijn klacht waarschijnlijk worden geseponeerd door de Geschillenkamer? van het
sepotbeleid van de Geschillenkamer.
4
G. GOYVAERTS en V. SEYNAEVE, « [Preventief luik van de antiwitwaswetgeving] De wet van 18 september 2017” in A.
TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht, Wolters Kluwers Belgium, Mechelen, 2023, 3056.
5
Wet van 18 september 2018 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking
van het gebruik van contanten, hierna “Antiwitwaswet”:
https://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2017/09/18/2017013368/justel; en Reglement van de Nationale Bank van België van
21 november 2017 betreffende de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme; D. Goens, Data
protection bij financiële instellingen, Intersentia, Antwerpen, 2018, 442 e.v.
Beslissing 91/2024 — 4/6
beletsel voor verweerder om te weigeren de gevraagde vrijgave van de huurwaarborg uit
te voeren indien klager blijft weigeren de gevraagde identificatiebewijzen van haar ouders
en/of de actualisering van deze identificatiebewijzen over te maken aan de verweerder en
dat in het licht van de eerder aangehaalde Antiwitwaswetgeving.6 De Geschillenkamer wijst
erop dat de instellingen die onderhevig zijn aan deze antiwitwasverplichtingen een
procedurele verwerkingsactiviteit hebben ontwikkeld die aanneembaar is en dat het
voorleggen van (een kopie van) de elektronische identiteitskaart voor
antiwitwasdoeleinden door de Geschillenkamer niet in vraag wordt gesteld. Ook de
noodzakelijke/wettelijke actualisering van de persoonsgegevens via opnieuw een kopie of
inlezing van de identiteitskaart, wordt door de Geschillenkamer niet in vraag gesteld.
11. Het is omwille van het bestaan van een dergelijke wettelijke verplichting in hoofde van
verweerder dat de Geschillenkamer het niet opportuun acht om betreffende klacht ten
gronde te behandelen. Zij kan prima facie immers geen overtreding van de AVG vaststellen.
12. De Geschillenkamer beslist om opportuniteitsredenen geen gevolg te geven aan het
dossier. Onder artikel 77 van de AVG geniet iedere betrokkene wiens persoonsgegevens
worden verwerkt binnen het territoriaal toepassingsgebied van de AVG, van een
klachtenrecht. Dit objectief klachtenrecht impliceert echter niet dat elke klacht ook
grondig kan en zal onderzocht worden door de bevoegde autoriteit, gezien het intrinsieke
gebrek aan middelen.7 De Belgische wetgever heeft te dezen “de nood voor de
Gegevensbeschermingsautoriteit om selectief te kunnen optreden met het oog op een
effectief en efficiënt handhavingsbeleid” uitdrukkelijk erkend.8
13. Ten tweede, en in ondergeschikte orde, stelt de Geschillenkamer vast dat de klacht kadert
in een ruimere context waarvan het meer opportuun is dat deze behandeld wordt door een
andere bevoegde autoriteit.9 De Geschillenkamer stelt vast dat de klacht moet gekaderd
worden in de ruimere context van de vrijgave van de huurwaarborg en de toepasselijke
procedures hiertoe opgezet door de verweerder overeenkomstig de vigerende wetgeving
hieromtrent. De Geschillenkamer acht het niet opportuun voor haar om de procedures van
de verweerder inzake de vrijgave van de huurwaarborg te toetsen aan de toepasselijke
wetgeving ter zake. Dit indachtig oordeelt de Geschillenkamer dat haar tussenkomst in
casu niet strikt noodzakelijk is en dat het voor de klager meer opportuun is om zich te
6
Zie in het bijzonder artikel 35 van de Antiwitwaswet
7
Vgl. Hof van Justitie EU, arrest van 16 juli 2020, DPC t. Facebook Ireland & Maximillian Schrems, C-311/18, par. 112
8
Eigen benadrukking in citaat, cfr. Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Memorie van Toelichting bij het
Wetsontwerp tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, Doc. 2648/001 (Zittingsperiode 54), beschikbaar via:
https://www.dekamer.be/kvvcr/showpage.cfm?section=/flwb&language=nl&cfm=/site/wwwcfm/flwb/flwbn.cfm?lang=N&leg
islat=54&dossierID=2648, 51
9
Sepotgrond B.3 van het sepotbeleid van de Geschillenkamer, dd. 18 juni 2021, te raadplegen via
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf.
Beslissing 91/2024 — 6/6
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.14, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
Om de klager in staat te stellen andere mogelijke rechtsmiddelen te overwegen, verwijst de
Geschillenkamer de klager naar de toelichting in haar sepotbeleid.15
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
14
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.
15
Cf. Titel 4 – Wat kan ik doen als mijn klacht wordt afgesloten? van het sepotbeleid van de Geschillenkamer.