1/11
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 81/2023 van 22 juni 2023
Dossiernummer : DOS-2021-00731
Betreft : Klacht inzake camerabewaking (sluikstort)
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Christophe Boeraeve en Frank De Smet, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: De heer X, hierna “de klager”;
De verweerders: Y1, hierna “eerste verweerder”; en
Y2, hierna “tweede verweerder”.
Beslissing ten gronde 81/2023 – 2/11
I. Feiten en procedure
1. Op 1 februari 2021 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen de tweede verweerder.
De klacht betreft het plaatsen van een bewakingscamera door de eerste verweerder bij een
glasbak. Klager ontving een brief van de tweede verweerder waarin staat dat hij
waarschijnlijk een overtreding heeft begaan omdat hij na het plaatsen van zijn lege flessen
in de glasbak een of meer flessen naast de bak heeft laten staan. Hierdoor kon hem een
boete worden opgelegd.
2. Op 16 februari 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
3. Op 18 maart 2021 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de
Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst,
samen met de klacht en de inventaris van de stukken.
4. Op 13 april 2021 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag
bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal overgemaakt aan
de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG).
Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en besluit
dat:
1. er geen sprake is van een inbreuk op artikel 5, lid 1, a) en lid 2, artikel 6, lid 1 AVG en
artikel 24 AVG
2. er geen sprake is van een inbreuk op artikel 5 van de wet van 21 maart 2007 tot
regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's 1 (hierna:
Camerawet) en artikelen 1 en 4 van het Koninklijk besluit van 10 februari 2008 tot
vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking
plaatsvindt2 (hierna: KB van 10 februari 2008).
Het verslag bevat daarnaast vaststellingen die verder gaan dan het voorwerp van de klacht.
De Inspectiedienst stelt, in hoofdlijnen, vast dat:
3. er sprake is van een inbreuk op artikel 30, lid 1, lid 2 en lid 3 AVG.
5. Op 27 oktober 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98
WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
1
BS 31 mei 2007.
2
BS 21 februari 2008.
Beslissing ten gronde 81/2023 – 3/11
6. Op 27 oktober 2022 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis
gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG.
Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun
verweermiddelen in te dienen.
Voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht werd de
uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders
vastgelegd op 7 december 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klager op
28 december 2022 en ten slotte deze voor de conclusie van dupliek van de verweerders op
18 januari 2023.
Voor wat betreft de vaststellingen buiten het voorwerp van de klacht werd de uiterste datum
voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders vastgelegd op
7 december 2022.
7. Op 28 oktober 2022 aanvaardt de tweede verweerder elektronisch alle communicatie
omtrent de zaak.
8. Op 3 november 2022 vraagt de tweede verweerder een kopie van het dossier (artikel 95,
§ 2, 3° WOG), dewelke hem werd overgemaakt op 21 november 2022.
9. Op 7 december 2022 ontvangt de Geschillenkamer een aangepaste versie van het register
van verwerkingsactiviteiten van de tweede verweerder.
II. Motivering
II.1. Identificatie van de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker
10. De Geschillenkamer stelt vast dat zowel de klacht als het antwoord van de klager op de
vragen van de Inspectiedienst duidelijk stipuleren dat de klacht gericht is tegen de tweede
verweerder. De klager stelt zich in zijn klacht de vraag of de bewakingscamera die
beeldmateriaal van hem heeft verzameld dat werd gebruikt voor het opleggen van een GAS-
boete rechtsgeldig werd geplaatst. Uit onderzoek van de Inspectiedienst blijkt echter dat de
eerste verweerder de verwerkingsverantwoordelijke is voor de bewakingscamera
beschreven in de klacht en dat de tweede verweerder in dit kader optreedt als verwerker in
het kader van het uitschrijven van de GAS-boete op basis van de camerabeelden. De partijen
betwisten deze vaststelling niet. De eerste verweerder dient dus gekwalificeerd te worden
als verwerkingsverantwoordelijke en de tweede verweerder als verwerker voor wat betreft
de litigieuze verwerking.
II.2. Artikel 5, lid 1, a) (rechtmatigheid) j° artikel 6, lid 1 AVG en artikel 5, lid 2 j° artikel 24,
lid 1 AVG
11. De litigieuze verwerking in onderhavige zaak betreft het maken van beeldmateriaal door één
of meerdere camera’s aan de glasbak waarbij dit beeldmateriaal achteraf gebruikt werd in
Beslissing ten gronde 81/2023 – 4/11
het kader van het opleggen van een GAS-boete. De vraag rijst of de verwerking van
persoonsgegevens door deze bewakingscamera’s op rechtmatige wijze gebeurt en of in dit
kader de passende technische en organisatorische maatregelen getroffen werden om de
naleving van de AVG te waarborgen.
12. De Geschillenkamer herinnert eraan dat ingevolge artikel 5, lid 1, a) AVG persoonsgegevens
rechtmatig verwerkt moeten worden. Dit betekent dat de verwerking moet gebeuren op
basis van de verwerkingsgronden zoals bepaald in artikel 6, lid 1 AVG.
13. De Inspectiedienst stelt op basis van zijn onderzoek vast dat de verwerking noodzakelijk is
voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de
uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is
opgedragen (artikel 6, lid 1, e) AVG). De taak van algemeen belang in kwestie is het
voorkomen en bestrijden van sluikstorten, zwerfvuil en bescherming van de openbare
netheid en gezondheid. Hierbij verwijst het inspectieverslag eveneens naar artikel 9.3 van
de algemene politieverordening Y1, die stipuleert dat, wanneer een overtreding van een
bepaling is begaan met een motorvoertuig, bij afwezigheid van de bestuurder, de
administratieve geldboete ten laste wordt gelegd van de houder van de kentekenplaat van
het voertuig. De houder van de kentekenplaat mag met alle middelen aantonen wie op het
ogenblik van de feiten met het voertuig reed. Indien de houder van de kentekenplaat de
inbreuk niet weerlegt of ontkent, wordt de administratieve boete hem ten laste gelegd. In
zijn privacyverklaring informeert de eerste verweerder de betrokkenen eveneens dat
persoonsgegevens verwerkt kunnen worden in het kader van het algemeen belang. Gelet
op het bovenstaande komt de Inspectiedienst tot de conclusie dat de verwerking van de
persoonsgegevens van de klager plaatsvindt in het kader van het algemeen belang en dat
deze verwerking noodzakelijk is voor het vervullen van die taak van algemeen belang,
waardoor er geen inbreuk op artikel 5, lid 1, a) en artikel 6, lid 1 AVG wordt vastgesteld.
14. Artikel 24, lid 1 van de AVG verplicht de verwerkingsverantwoordelijke om, rekening
houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de
qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van
natuurlijke personen, passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om
te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met AVG
wordt uitgevoerd. Deze maatregelen moeten ook worden geëvalueerd en zo nodig
bijgewerkt. Dit artikel weerspiegelt het in artikel 5, lid 2 van de AVG neergelegde beginsel
van "verantwoordingsplicht", volgens hetwelk "de verwerkingsverantwoordelijke
verantwoordelijk is voor de naleving van lid 1 en dit moet kunnen aantonen". Artikel 24, lid 2
van de AVG bepaalt dat, wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten,
de in artikel 24, lid 1 van de AVG genoemde maatregelen, een passend
gegevensbeschermingsbeleid omvatten dat door de verwerkingsverantwoordelijke wordt
Beslissing ten gronde 81/2023 – 5/11
uitgevoerd. Aangezien geen inbreuk op artikel 5, lid 1, a) en artikel 6, lid 1 AVG werd
vastgesteld, concludeert de Inspectiedienst dat er ook geen sprake is van een inbreuk op
artikel 5, lid 2 en artikel 24, lid 1 AVG.
15. Op basis van het inspectieverslag en gelet op het feit dat de klager geen argumenten heeft
aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt, ziet de Geschillenkamer geen redenen om
hieromtrent een afwijkend standpunt in te nemen. Bijgevolg concludeert de
Geschillenkamer dat er geen sprake is van een schending van artikel 5, lid 1, a) en lid 2,
artikel 6, lid 1 en artikel 24, lid 1 van de AVG in hoofde van de eerste verweerder.
II.3. Artikel 5 Camerawet en artikelen 1 en 4 KB van 10 februari 2008
16. Op basis van artikel 5 van de Camerawet en artikelen 1 en 4 van het KB van 10 februari 2008.
is het noodzakelijk dat de verwerkingsverantwoordelijke bepaalde regels naleeft als hij wil
overgaan tot het plaatsen en gebruiken van een of meerdere vaste bewakingscamera’s in
een niet-besloten plaats. De verplichtingen uit de voormelde artikelen waarvan de naleving
wordt onderzocht in het kader van het inspectieonderzoek kunnen worden samengevat als
volgt:
a. de beslissing tot het plaatsen wordt genomen door een openbare overheid die
verwerkingsverantwoordelijke is;
b. nog vóór de plaatsing moet de verwerkingsverantwoordelijke een positief advies
krijgen van de betrokken gemeenteraad, die daarvoor de korpschef raadpleegt;
c. er wordt door de verwerkingsverantwoordelijke bij de toegang tot de niet- besloten
plaats een pictogram geplaatst dat aangeeft dat er camerabewaking plaatsvindt.
Dat pictogram moet overeenkomstig artikelen 1 en 4 van het KB van
10 februari 2008 zijn aangebracht op een aluminiumplaat van minstens 1,5 mm
dikte met als afmetingen 0,60 x 0,40 m en op zichtbare en leesbare wijze bepaalde
vermeldingen bevatten.
17. Tijdens het inspectieonderzoek voert de eerste verweerder het volgende aan:
“
a. Het betreft hier een tijdelijke vaste bewakingscamera op een niet-besloten plaats,
op het hele grondgebied van de gemeente. De gemeente maakt gebruik van vaste
tijdelijke bewakingscamera's. Daarom zijn op alle invalswegen van de gemeente
pictogrammen aangebracht. Foto's en voorbeelden van deze pictogrammen kan u
in bijlage 2 terugvinden, alsook de werkopdracht om de pictogrammen te plaatsen
(bijlage 3). De pictogrammen zijn opgemaakt volgens het Koninklijk besluit van
10 februari 2008 over het aangeven van camerabewaking. Een voorbeeld van een
opschrift onder het pictogram vindt u in bijlage 4.
Beslissing ten gronde 81/2023 – 6/11
b. De camera zou sinds maart 2019 tot heden in gebruik zijn aangezien de gemeente
deze locatie als een sluikstortgevoelige locatie beschouwde en dit nog steeds het
geval zou zijn.
c. Er werd een advies van de korpschef verkregen voor de plaatsing van deze camera
en u kan dit advies vinden in bijlage 5, meer bepaald in punt 2.1 over verplaatsbare
(tijdelijk vaste) camera's.
d. De korpschef werd geraadpleegd alvorens de camera geplaatst werd alsook de
dienst maatschappelijke veiligheid, de dienst leefmilieu, de gemeenschapswachten
en andere leden van het lokale politiekorps.
e. Er werd een beslissing van de gemeenteraad van Y1 genomen hieromtrent. Het
uittreksel hiervan vindt u in bijlage 6.”
18. Na onderzoek van deze antwoorden en de bijlagen, concludeert de Inspectiedienst dat
artikel 5 van de Camerawet en artikelen 1 en 4 van het KB van 10 februari 2008 werden
nageleefd.
19. Gelet op het inspectieverslag en het feit dat de klager geen tegenargumenten aanvoert, ziet
de Geschillenkamer geen redenen om een afwijkend standpunt hieromtrent in te nemen.
De Geschillenkamer concludeert dan ook dat er geen sprake is van een schending van
artikel 5 van de Camerawet en artikelen 1 en 4 van het KB van 10 februari 2008 in hoofde
van de eerste verweerder.
II.4. Artikel 30, lid 1, lid 2 en lid 3 AVG
20. Op basis van het register van verwerkingsactiviteiten stelt de Inspectiedienst vast dat de
tweede verweerder verwerkingen van persoonsgegevens uitvoert, zowel als verwerker als
in de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke. De Inspectiedienst zal dan ook de
naleving door de tweede verweerder van de vereisten inzake dit register beoordelen in het
licht van de toepasselijke hoedanigheid en de respectievelijke verplichtingen.
21. Krachtens artikel 30, lid 1 AVG moet elke verwerkingsverantwoordelijke een register
bijhouden van de verwerkingsactiviteiten die onder zijn verantwoordelijkheid worden
uitgevoerd. Artikel 30, lid 1, a) tot en met g) AVG bepaalt dat, met betrekking tot de in de
hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke verrichte verwerkingen, de volgende
informatie beschikbaar moet zijn:
a) de naam en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en eventuele
gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken en, in voorkomend geval, van de
vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke en van de functionaris voor
gegevensbescherming;
b) de verwerkingsdoeleinden;
Beslissing ten gronde 81/2023 – 7/11
c) een beschrijving van de categorieën van betrokkenen en van de categorieën van
persoonsgegevens;
d) de categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden
verstrekt, onder meer ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
e) indien van toepassing, doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een
internationale organisatie, met inbegrip van de vermelding van dat derde land of die
internationale organisatie en, in geval van de in artikel 49, lid 1, tweede alinea AVG,
bedoelde doorgiften, de documenten inzake de passende waarborgen;
f) indien mogelijk, de beoogde termijnen waarbinnen de verschillende categorieën van
gegevens moeten worden gewist;
g) indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische
beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 32, lid 1 AVG.
22. Overeenkomstig artikel 30, lid 2 AVG houdt de verwerker een register bij van alle
categorieën van verwerkingsactiviteiten die zij ten behoeve van een
verwerkingsverantwoordelijke hebben verricht. Dit register bevat de volgende gegevens:
a) de naam en de contactgegevens van de verwerkers en van iedere
verwerkingsverantwoordelijke voor rekening waarvan de verwerker handelt, en, in
voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke of
de verwerker en van de functionaris voor gegevensbescherming;
b) de categorieën van verwerkingen die voor rekening van iedere
verwerkingsverantwoordelijke zijn uitgevoerd;
c) indien van toepassing, doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een
internationale organisatie, onder vermelding van dat derde land of die internationale
organisatie en, in geval van de in artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, de
documenten inzake de passende waarborgen;
d) indien mogelijk, een algemene beschrijving van de technische en organisatorische
beveiligingsmaatregelen als bedoeld in artikel 32, lid 1.
23. De Inspectiedienst doet aangaande het register van verwerkingsactiviteiten van de tweede
verweerder volgende vaststellingen, zoals hierna samengevat.
24. Het register van de verwerkingsactiviteiten van de tweede verweerder dat werd bezorgd
aan de Inspectiedienst voldoet niet aan de voormelde minimumvereisten. Concreet stelt de
Inspectiedienst in dat verband de volgende inbreuken vast:
Beslissing ten gronde 81/2023 – 8/11
a) de contactgegevens van de tweede verweerder zijn niet volledig (cf. artikel 30, lid 1, a)
en lid 2, a) van de AVG) aangezien de e-mailadressen […] en […] uit de website en de
privacyverklaring van de tweede verweerder (stukken 13 en 14) niet worden vermeld;
b) de beschrijving van de categorieën van betrokkenen is onvolledig (cf. artikel 30, lid 1, c)
van de AVG) aangezien in de kolommen “Categorie betrokkene” meermaals de woorden
“Medewerker”, “Politici” en “contactpersonen van aangesloten vennoten” worden
vermeld terwijl niet duidelijk is via een beschrijving wat die woorden concreet betekenen
c) de beschrijving van de categorieën van persoonsgegevens is onvolledig (cf. artikel 30,
lid 1, c) van de AVG) aangezien in de kolommen “Categorie persoonsgegevens”
meermaals de woorden “persoonlijke identificatiegegevens”, “strafrechtelijke
gegevens”, “medische gegevens”, en “financiële gegevens” worden vermeld terwijl niet
duidelijk is via een beschrijving wat die woorden concreet betekenen;
d) de naam en contactgegevens van iedere verwerkingsverantwoordelijke voor rekening
waarvan de tweede verweerder als verwerker handelt, staan niet vermeld (cf. artikel 30,
lid 2, a) AVG) en ontbreken dus onder meer in de tabbladen “Bestuurlijke handhaving” en
“Wijk-werken”.
25. De Geschillenkamer wijst erop dat, om de in de AVG vervatte verplichtingen doeltreffend te
kunnen toepassen, het van essentieel belang is dat de verwerkingsverantwoordelijke en de
verwerkers een overzicht hebben van de verwerkingen van persoonsgegevens die zij
uitvoeren. Dit register is dan ook in de eerste plaats een instrument om de
verwerkingsverantwoordelijke of verwerker te helpen bij de naleving van de AVG voor de
verschillende gegevensverwerkingen die zij uitvoert omdat het register de belangrijkste
kenmerken ervan zichtbaar maakt. De Geschillenkamer is van oordeel dat dit
verwerkingsregister een essentieel instrument is in het kader van de reeds vermelde
verantwoordingsplicht (artikel 5, lid 2, en artikel 24 AVG) en dat dit register ten grondslag ligt
aan alle verplichtingen die de AVG aan de verwerkingsverantwoordelijke en verwerker
oplegt. Het is dan ook van belang dat deze volledig en juist is.
26. Op 7 december 2022 heeft de Geschillenkamer een aangepast register van
verwerkingsactiviteiten van de tweede verweerder ontvangen. De Geschillenkamer stelt
vast dat dit register van verwerkingsactiviteiten tegemoet komt aan verschillende
vaststellingen van de Inspectiedienst.
27. Voor wat betreft de laatste vaststelling van de Inspectiedienst, te weten de vermelding van
de naam en contactgegevens van iedere verwerkingsverantwoordelijke voor rekening
waarvan de tweede verweerder handelt, merkt de Geschillenkamer op dat hieraan nog niet
tegemoet gekomen werd. De Geschillenkamer stelt vast dat de tweede verweerder voor
verschillende verwerkingen optreedt als verwerker, zonder te verduidelijken voor welke
Beslissing ten gronde 81/2023 – 9/11
verwerkingsverantwoordelijke zij handelt. Aldus oordeelt de Geschillenkamer dat er sprake
is van een inbreuk op artikel 30, lid 2, a) AVG.
28. Volledigheidshalve wijst de Geschillenkamer erop dat uit het register van
verwerkingsactiviteiten blijkt dat de functies van functionaris voor gegevensbescherming
en de veiligheidsconsulent door dezelfde persoon uitgevoerd worden. Hierbij merkt de
Geschillenkamer op dat uit het Hof van Justitie recent heeft geoordeeld er sprake kan zijn
van een belangenconflict in de zin van artikel 38, lid 6 AVG wanneer aan een functionaris
voor gegevensbescherming andere taken of plichten worden toevertrouwd die hem ertoe
zouden brengen de doeleinden van en de middelen voor de verwerking van
persoonsgegevens bij de verwerkingsverantwoordelijke of zijn verwerker vast te stellen.
Dit moet van geval tot geval worden nagegaan op basis van een beoordeling van alle
relevante omstandigheden, met name de organisatiestructuur van de
verwerkingsverantwoordelijke of zijn verwerker, en in het licht van de toepasselijke regeling
in haar geheel, daaronder begrepen het eventuele beleid van de
verwerkingsverantwoordelijke of zijn verwerker.3
29. De Geschillenkamer is van oordeel dat de tweede verweerder het verwerkingsregister, zij
het onvolledig, heeft overgemaakt in elektronische vorm per mail op het eerste verzoek ?
van de Inspectiedienst. Bijgevolg oordeelt de Geschillenkamer dat er geen inbreuk is op
artikel 30, lid 3 AVG.
III. Sancties
30. Op basis van de stukken uit het dossier stelt de Geschillenkamer vast dat er sprake is van
een inbreuk op artikel 30 lid 2, a) AVG.
31. Krachtens artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om:
"1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te
oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving
3
HvJEU 9 februari 2023, X-FAB Dresden GmbH & Co. KG t. FC, C-453/21, ECLI:EU:C:2023:79.
Beslissing ten gronde 81/2023 – 10/11
ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of
een internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die
het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van
de Gegevensbeschermingsautoriteit."
III.1. Inbreuk op artikel 30 lid 2, a) AVG
32. De Geschillenkamer is van oordeel dat een berisping op basis van artikel 100, §1, 5 WOG in
deze zaak is aangewezen voor de inbreuk op artikel 30, lid 2, a) AVG. De Geschillenkamer
oordeelde dat het register van verwerkingsactiviteiten dat werd overgemaakt door de
tweede verweerder onvolledig is, zoals vastgesteld in het inspectieverslag. In dit kader
merkt de Geschillenkamer op dat, hoewel de tweede verweerder weliswaar momenteel
stappen onderneemt om deze inbreuken recht te zetten, er te weinig inspanningen geleverd
zijn om het register van verwerkingsactiviteiten op punt te stellen zoals bepaald in artikel 30
AVG. Ook hieromtrent wijst de Geschillenkamer er nogmaals op dat de AVG intussen al bijna
vijf jaar toepasselijk is en al zeven jaar geleden in werking is getreden.
III.2. Overige grieven
33. De Geschillenkamer gaat over tot een sepot van de overige grieven en vaststellingen van de
Inspectiedienst omdat zij op basis van de feiten en de stukken uit het dossier niet tot de
conclusie kan komen dat er sprake is van een inbreuk op de AVG. Deze grieven en
vaststellingen van de Inspectiedienst worden bijgevolg als kennelijk ongegrond beschouwd
in de zin van artikel 57, lid 4 van de AVG.4
IV. Publicatie van de beslissing
34. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
4
Zie punt 3.A.2 van het Sepotbeleid van de Geschillenkamer, dd. 18 juni 2021, te raadplegen via
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf.
Beslissing ten gronde 81/2023 – 11/11
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
- op grond van artikel 100, §1, 5° WOG een berisping te formuleren voor wat betreft de
inbreuk op artikel 30, lid 2, a) AVG in hoofde van de tweede verweerder; en
- op grond van artikel 100, §1, 1° WOG de overige grieven te seponeren.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van
beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 5.
Het verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.6, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
5
"Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat."
6
"Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief
gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd."