1/51
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 77/2023 van 16 juni 2023
Dossiernummer : DOS-2022-01379
Betreft: klacht wegens weigering om te voldoen aan de uitoefening van het recht op
gegevenswissing en wegens onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens
betreffende een tuchtsanctie
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Yves Poullet enen Christophe Boeraeve, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna- "AVG";
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna WOG;
Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met
betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna “WVG");
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15
januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: mevrouw X, vertegenwoordigd door mr. Etienne Wéry, hierna "de klager";
De verweerder: Orde der apothekers, met maatschappelijke zetel op het adres Henri
Jasparlaan 94, 1060 Sint-Gillis, ingeschreven onder het ondernemingsnummer
Beslissing ten gronde 77/2023 – 2/51
0218.024.029, vertegenwoordigd door mr. Jérémie Doornaert, hierna "de
verweerder".
I. Feiten en procedure
1. Op 24 maart 2022 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
(hierna "GBA"). De klacht heeft betrekking op de onrechtmatige verwerking door de
verweerder van met name persoonsgegevens betreffende een door de verweerder
opgelegde tuchtsanctie (hierna "de betwiste gegevens"), en de weigering van de verweerder
om in te gaan op een verzoek om wissing van deze betwiste gegevens.
I.1. Relevante feiten
I.1.1. De bij zaak betrokken partijen
2. De klager is apotheker-eigenaar van apotheek Z. Op 22 december 2016 wordt hem een
tuchtsanctie door de verweerder opgelegd.
3. De verweerder, de Orde der apothekers, is een beroepsorde die is opgericht bij de wet van
19 mei 1949 en wordt geregeld door Koninklijk Besluit nr. 80 betreffende de Orde der
apothekers1 (hierna "KB nr. 80") en bij het koninklijk besluit van 29 mei 1970 tot regeling van
de organisatie en werking der raden van de Orde der apothekers (hierna "KB van 29 mei
1970"). De Orde geniet heeft publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid.2
4. De Orde der apothekers :
a. heeft een taak van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid 3 ;
b. bestaat uit drie organen, namelijk de provinciale raden (één provinciale raad in elke
provincie)4, de raden van beroep (één Franstalige raad van beroep en één
Nederlandstalige raad van beroep)5 en de nationale raad6 ;
c. heeft regelgevende, tuchtrechtelijke en administratieve bevoegdheden: deze
bevoegdheden zijn over de bovengenoemde organen van de Orde verdeeld via de
verschillende taken die KB nr. 80 aan hen heeft voorbehouden;
1
Koninklijk Besluit nr. 80 van 10 november 1967 betreffende de Orde der apothekers, BS, 14 november 1967.
2
KB nr. 80, artikel 1.
3
KB nr. 80, artikel 1..
4
KB nr. 80, artikel 5, eerste lid.
5
KB nr. 80, artikel 12, § 1.
6
KB nr. 80, artikel 1; artikel 12, § 1.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 3/51
d. omvat "alle houders van het wettelijk of van het buitenlands wettelijk erkend
diploma van apotheker, die in België woonachtig zijn en ingeschreven zijn op de lijst
van de Orde van de provincie waar zij hun woonplaats hebben.[...]”7 ;
e. treedt in rechte op door de nationale raad "en is […] vertegenwoordigd door de
voorzitter of, bij diens ontstentenis, door de plaatsvervangende voorzitter van deze
raad, samen met de bijzitter”8.
5. De organisatie en de taken van de nationale raad zijn voornamelijk vastgelegd in de artikelen
14 en 15 van KB nr. 80.
6. Behalve het vaststellen van zijn reglement van orde9 en "de algemene beginselen en de
regels [...] betreffende de zedelijkheid, de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid, de
waardigheid en de toewijding die onontbeerlijk zijn voor de uitoefening van het beroep; deze
beginselen en regelen vormen de Code van pharmaceutische plichtenleer »10, heeft de
nationale raad ook tot taak11 :
"1° een repertorium bij te houden van de door de provinciale raden of door de raden
van beroep in tuchtzaken gewezen beslissingen die niet meer voor beroep vatbaar
zijn; met het oog op het aanvullen of nader omschrijven van de bepalingen van de
Code van plichtenleer op basis van die rechtspraak, deze code, zo daartoe redenen
zijn, aan te passen;
[…]
3° alle nodige maatregelen te treffen voor de verwezenlijking van het doel van de
Orde;
4° de bijdragen, nodig voor de werking van de verschillende organen van de Orde
te bepalen en te innen; [...]”.
(de Geschillenkamer onderstreept)
7. De organisatie en de taken van de provinciale raden zijn voornamelijk vastgelegd in de artikelen 5
tot en met 11 van KB nr. 80. In iedere provincie "wordt een provinciale raad van de Orde der
apothekers opgericht, die gezag en rechtsmacht heeft over de apothekers die op de lijst van de
Orde van die provincie zijn ingeschreven, overeenkomstig artikel 2 [...].” 12 (de Geschillenkamer
7
KB nr. 80, artikel 2. "Om de artsenijbereidkunde in België te mogen uitoefenen, moet iedere apotheker op de lijst van de
Orde ingeschreven zijn. [... ] Niemand mag ingeschreven zijn op meer dan één lijst der provinciale lijsten, die samen de lijst
van de Orde uitmaken. [...] " (KB nr. 80, artikel 2, § 2).
8
KB nr. 80, artikel 3.
9
KB nr. 80, artikel 14, § 2.
10
KB nr. 80, artikel 15, § 1.
11
KB nr. 80, artikel 15, § 2.
12
KB nr. 80, artikel 5, eerste lid.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 4/51
onderstreept) De provinciale lijsten maken samen de lijst van de Orde uit13.
Elke provinciale raad stelt zijn eigen reglement van orde op, waarvan de tekst ter definitieve
goedkeuring wordt voorgelegd aan de nationale raad.
8. De provinciale raden14 zijn ook bevoegd om:
«1° de lijst van de Orde op te maken
[…]
2° te waken over het naleven van de regelen van de pharmaceutische plichtenleer
en over de handhaving van de eer, de bescheidenheid, de eerlijkheid en de
waardigheid van de leden van de Orde. Hiertoe zijn zij belast met het treffen van
tuchtmaatregelen15 wegens fouten die de op hun lijst ingeschreven leden in de
uitoefening van hun beroep of naar aanleiding ervan begaan, alsook wegens zware
fouten bedreven buiten de beroepsbezigheid, wanneer die fouten de eer of de
waardigheid van het beroep kunnen aantasten;
3° op eigen initiatief of op hun verzoek, aan de leden van de Orde, adviezen te
verstrekken over vragen van de pharmaceutische plichtenleer, die geen oplossing
krijgen in de bij het artikel 15, § 1, bepaalde code of in de rechtspraak gevestigd bij
toepassing van § 2, 1° van hetzelfde artikel; adviezen worden ter goedkeuring aan
de nationale raad gezonden en daarna aan de provinciale raad medegedeeld die ze
overmaakt aan de betrokken apothekers;
4° de bevoegde overheden kennis te geven van de daden van onwettige
uitoefening van de artsenijbereidkunde waarvan zij kennis hebben;
5° op gezamenlijk verzoek van de belanghebbenden in laatste aanleg te beslissen
over alle geschillen betreffende de door de apotheker aan zijn kliënt gevraagde
honoraria, behoudens bedingen tot toekenning van bevoegdheid die neergelegd
zijn in de overeenkomsten of verbintenissen, gesloten inzake de ziekte- en
invaliditeitsverzekering;
6° gevolg te geven aan elk verzoek om advies vanwege de hoven en rechtbanken
omtrent betwistingen betreffende honoraria. » 16
13
KB nr. 80, artikel 2, vierde lid. "Niemand mag ingeschreven zijn op meer dan één lijst der provinciale lijsten" (KB nr. 80,
artikel 2, vierde lid).
14
KB nr. 80, artikel 6.
15
KB nr. 80, art. 16: "De provinciale raad kan de volgende sancties opleggen: waarschuwing, censuur, berisping, schorsing in
het recht het beroep uit te oefenen gedurende een termijn die twee jaar niet mag te boven gaan en schrapping van de lijst
der Orde. De apothekers die, door een niet meer voor beroep vatbare beslissing in het recht het beroep uit te oefenen
geschorst werden, verliezen voorgoed het recht van verkiesbaarheid en, voor de duur van de schorsing, het recht deel te
nemen aan de verkiezingen van de provinciale raad."; KB nr. 80, artikel 25, § 4: "Alleen met een twee derde meerderheid kan
de raad van beroep een sanctie toepassen wanneer de provinciale raad er geen heeft uitgesproken of de door die raad
uitgesproken sanctie verzwaren. ».
16
KB nr. 80, artikel 6.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 5/51
(de Geschillenkamer onderstreept)
9. Artikel 16 van KB nr. 80 vermeldt dat de provinciale raad de volgende sancties kan opleggen:
waarschuwing, censuur, berisping, schorsing in het recht het beroep uit te oefenen
gedurende een termijn die twee jaar niet mag te boven gaan en schrapping van de lijst der
Orde.
10. De organisatie en de taken van de raad van beroep zijn voornamelijk vastgelegd in de
artikelen 12 en 13 van KB nr. 80. Naast het opstellen van zijn reglement van interne orde dat
aan de nationale raad ter definitieve goedkeuring wordt voorgelegd, moet elke raad van
beroep17 kennis nemen van "het hoger beroep tegen de beslissingen die onderscheidenlijk
zijn genomen door de provinciale raden met het Nederlands of het Frans als voertaal, en die
artikel 6, 1° of 2° toepassen”18.
I.1.2. Context van de zaak
11. Aan de klager werd op 22 december 2016 in tweede aanleg door de Franstalige raad van
beroep een tuchtsanctie - namelijk een berisping - opgelegd. Deze sanctie werd opgelegd
naar aanleiding van de schending van de essentiële beginselen van het beroep van
apotheker wegens de volgende handelspraktijken: reclamespots, de installatie van
reclamebanners op een website en het gebruik van Google AdWords-diensten. De klager
ging in beroep tegen deze beslissing, maar het Hof van cassatie verwierp het beroep op 5
januari 2018.
12. Op 1 september 2017 diende de klager, samen met andere apothekers, een klacht in bij de
Belgische Mededingingsautoriteit (hierna "BMA") om de beperkende praktijken van de
verweerder aan te klagen, zowel wegens zijn normbepalend beleid als wegens de
uitoefening van zijn disciplinaire opdracht. In reactie op deze klachten nam de BMA twee
beslissingen tot sluiting, waarbij de eerste beslissing verbintenissen van de verweerder en
de tweede beslissing een schikking inhield. 19 Een van de door de verweerder voorgestelde
verbintenissen bestond erin de Code van farmaceutische plichtenleer (hierna "de Code") te
hervormen, om de beperkende interpretatie van mededinging door tuchtinstanties op het
gebied van reclame en handelspraktijken te verhelpen, of de Code om de vijf jaar te herzien,
rekening houdend met de beslissingspraktijk van de tuchtraden, om te voorkomen dat zij
interpretaties hanteren die de mededinging beperken.20
17
KB nr. 80, artikel 12, § 1; de raad van beroep hanteert het Frans als voertaal en de raad van beroep hanteert het Nederlands
als voertaal.
18
KB nr. 80, artikel 13.
19
Belgische Mededingingsautoriteit, beslissing van 15 oktober 2019, BMA-2019-P/K-34 en beslissing van 15 oktober 2019
BMA-2019-P/K-35; stukken 8 en 9 van de klager; stukken 4 en 5 van de verweerder.
20
Belgische Mededingingsautoriteit, beslissing van 15 oktober 2019, BMA-2019-P/K-34 en beslissing van 15 oktober 2019,
BMA-2019-P/K-35, paragrafen 177 t.e.m. 182; stukken 8 en 9 van de klager; stukken 4 en 5 van de verweerder.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 6/51
13. Naar aanleiding van deze beslissingen heeft de verweerder in januari 2020 een nieuwe Code
aangenomen.21
14. Op 27 januari 2020 maande de klager de verweerder formeel aan om over te gaan tot de
wissing in "alle registers, bestanden en andere 'strafregisters' van de Orde, van alle
informatie in verband met de op 22 december 2016 gegeven berisping, en om alle
verwerkingen met betrekking tot deze persoonsgegeven te staken “.22 Volgens de klager
zou de door de Franstalige raad van beroep uitgesproken beslissing van 22 december 2016
het resultaat zijn van een concurrentieverstorende praktijk die als zodanig door de BMA
werd gesanctioneerd. Deze beslissing zou onwettig zijn en de gegevensverwerkingen in een
dergelijke beslissing zouden derhalve in strijd zijn met de AVG.
15. In deze ingebrekestelling noemt de klager twee ondervonden nadelen: door zijn sanctie zou
hij niet verkiesbaar zijn voor de verkiezingen van de provinciale raad, de raad van beroep en
de nationale raad, en deze sanctie zou als verzwarende omstandigheid kunnen worden
beschouwd bij eventuele toekomstige tuchtrechtelijke beslissingen23.
16. Ten slotte stelt de klager verschillende schendingen van bepalingen van de AVG aan de
kaak: de verweerder zou zowel de beginselen van minimale gegevensverwerking, juistheid
en opslagbeperking hebben geschonden, omdat de opslag van een onwettige
tuchtbeslissing niet relevant of noodzakelijk zou zijn, als het beginsel van transparantie dat
in de artikelen 12, 13 en 14 is neergelegd.24 Wat betreft het ontbreken van een
bewaartermijn, wijst hij erop dat de Orde geen bewaartermijn voor de tuchtrechtelijke
gegevens heeft vastgesteld, zoals vereist door artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG. De
tuchtrechtelijke sancties zouden derhalve nooit worden gewist. De klager verzocht dus de
betwiste gegevens te wissen overeenkomstig artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG.
17. Op 22 april 2020 antwoordt de verweerder op het verzoek van de klager 25. Samengevat is
er volgens de verweerder geen sprake van dat de tuchtsanctie die tegen de klager is
genomen ongeldig is gemaakt door de beslissingen van de BMA en de aanneming van de
21
Paragrafen 84 en 85 van de conclusie van repliek van de verweerder; nieuwe Code van farmaceutische plichtenleer,
artikel 125, beschikbaar op https://www.ordredespharmaciens.be/assets/files/PHARMA-Code-double-A4-
v.%C3%A9lectronique-avec-liens-r15.pdf
22
Stuk 1 van de klager en stuk 9 van de verweerder.
23
Wat betreft de invloed van een bestaande tuchtrechtelijke beslissing ten aanzien van een apotheker op een toekomstige
beslissing, wijst de raadsman van de klager erop dat "een beslissing van 12 december 2017 van de provinciale raad van Luik
mevr. X een schorsing van het recht op beroepsuitoefening heeft opgelegd voor een periode van drie dagen, waarbij deze
zware sanctie werd gerechtvaardigd door het bestaan van een sanctie voor eerder soortgelijk(reclame)gedrag. Deze
schorsing is nooit in werking getreden, omdat mevr. X tegen deze beslissing in beroep is gegaan en de procedure bij de raad
van beroep werd geschorst na een klacht bij de Mededingingsautoriteit, maar zij illustreert wel het risico. " (punt 4 van de
bijlage bij de op 24 maart 2022 ingediende klacht). De Geschillenkamer merkt op dat deze schade nooit is bewezen.
24
De klager wijst er in zijn e-mail van 27 januari 2020 op dat de Orde nooit de verplichte informatie heeft verstrekt over de
verwerkingen die door de Orde of andere tuchtorganen die daarvan afhangen worden uitgevoerd, over de nadere regels
voor de uitvoering ervan en de rechten die daarmee zijn verbonden, en dat er geen informatie betreffende de AVG ter
beschikking wordt gesteld van de apothekers op de website van de Orde om hen in kennis te stellen van de
gegevensverwerkingen die hen betreffen.
25
Stuk 2 van de klager en stuk 10 van de verweerder. Paragraaf 34 van de conclusie van antwoord en paragraaf 35 van de
conclusie van repliek van de verweerder.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 7/51
nieuwe Code. De gegevens zouden nog steeds toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk
zijn, aangezien zij gebruikt kunnen worden voor de beoordeling van recidive in de context
van nieuwe tuchtzaken en de evaluatie van kandidaturen om stagemeester te worden,
evenals voor de beoordeling van de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor de verschillende
raden. De bewaring van tuchtsancties is nog steeds relevant, gezien de jaarlijkse aanvragen
van universiteiten die de deontologische achtergrond van kandidaat-stagemeesters
controleren. De lijst van apothekers, die tuchtsancties bevat, is trouwens maar voor een
beperkt aantal mensen toegankelijk. De verweerder geeft aan dat hij zich kan beroepen op
twee uitzonderingen waarin artikel 17, lid 3, van de AVG voorziet, namelijk enerzijds een
wettelijke verwerkingsverplichting van de Orde (artikel 17, lid 3, punt b, van de AVG), en
anderzijds, de onderbouwing van zijn rechtsvordering (artikel 17, lid 3, punt e), van de AVG).
18. In dezelfde brief verklaart de verweerder ook zich te bezinnen over het beginsel van
opslagbeperking voor gegevens.
I.2. Procedure
I.2.1. Ontvankelijkheid van de klacht
19. Zoals vermeld in punt 1 dient de klager op 24 maart 2022 een klacht in bij de GBA.
20. Op 7 april 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 van de WOG, en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1, van
de WOG aan de Geschillenkamer overgemaakt.
I.2.2. Voorwerp van de klacht
21. In zijn klacht26 betreurt de klager dat de verweerder na zijn verzoek van 27 januari 2020 de
betwiste gegevens niet heeft gewist. Hij betreurt dat het beginsel van inschrijving ad vitam
aeternam van elke sanctie in een tuchtdossier nog steeds van toepassing is, ondanks de
door de verweerder in april 2020 aangekondigde belofte om zich hierover te beraden, en
klaagt erover dat het persoonlijke tuchtdossier van een apotheker toegankelijk is zonder
toegangsbeperking. Hij verzet zich tegen de redenering van de Orde, die de onbeperkte
opslag van sancties rechtvaardigt op grond van hun relevantie voor het beoordelen van
recidive in de context van nieuwe zaken en de beoordeling van de kandidaturen van
stagemeesters.
22. De klager wijst op andere schendingen van bepalingen van de AVG. De verweerder zou de
fundamentele beginselen, vastgelegd in artikel 5, lid 1, van de AVG, hebben geschonden,
26
Punten 3 t.e.m. 5 van de bijlage bij de op 24 maart 2022 ingediende klacht.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 8/51
aangezien, volgens de klager, gegevens met betrekking tot de tuchtsanctie moeten worden
gelijkgesteld aan gerechtelijke gegevens en passende garantiemaatregelen vereisen. Ten
slotte zou de verweerder ook artikel 17 van de AVG hebben geschonden door te weigeren
de betwiste gegevens te wissen ondanks een ingebrekestelling daartoe (punten 14 tot en
met 16).
23. De verzoeken van de klager met betrekking tot de betwiste gegevens zijn de volgende:
- De wissing uit zijn persoonlijke dossier van de berisping die hem op 22 december
2016 werd gegeven;
- Het verbod voor de verweerder om deze informatie ter gelegenheid van een nieuwe
tuchtprocedure mee te delen;
- Het bevel voor de verweerder om zijn privacyverklaring voor apothekers van 28 mei
2020 te wijzigen om er elke verwijzing in te schrappen naar gerechtvaardigd belang
als rechtmatigheidsgrond voor verwerkingen in het kader van zijn tuchtrechtelijke
taak.
- Het bevel voor de verweerder om zijn privacyverklaring voor apothekers te wijzigen
om deze in overeenstemming te brengen met de beginselen van de AVG, met name
de beginselen van opslagbeperking en van minimale gegevensverwerking.
I.2.3. Onderzoek ten gronde door de Geschillenkamer
24. Op 1 september 2022 beslist de Geschillenkamer, op grond van artikel 95, § 1, 1°, en artikel
98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
25. Dezelfde dag worden de betrokken partijen per aangetekende brief in kennis gesteld van de
bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, en in artikel 98 van de WOG. Tevens worden zij
op grond van artikel 99 van de WOG op de hoogte gebracht van de termijnen om hun
conclusies in te dienen. Voor de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de
klacht werd de uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de
verweerder vastgelegd op 30 september 2022, deze voor de conclusie van repliek van de
klager op 21 oktober 2022 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de
verweerder op 4 november 2022.
26. In dezelfde brief verzoekt de Geschillenkamer de partijen hun argumenten betreffende de
volgende beweringen uiteen te zetten:
- Schending van de beginselen van doelbinding, minimale gegevensverwerking,
juistheid en opslagbeperking (artikel 5, lid 1, punten b), c), d), e), van de AVG);
- Schending van het rechtmatigheidsbeginsel (artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG).
Beslissing ten gronde 77/2023 – 9/51
- Schending van artikel 10 van de AVG betreffende gerechtelijke gegevens;
- Schending van artikel 17 van de AVG met betrekking tot het verzoek om
gegevenswissing.
27. Op 1 september 2022 bevestigt de klager de ontvangst van een op 1 september 2022
verzonden brief waarin de partijen in kennis worden gesteld van het feit dat de
Geschillenkamer heeft besloten om over te gaan tot een onderzoek ten gronde van de
klacht.
28. Op 2 september 2022 bevestigt de verweerder de ontvangst van de bovengenoemde brief,
aanvaardt hij alle communicatie omtrent de zaak elektronisch te ontvangen, en geeft hij te
kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord,
overeenkomstig artikel 98 van de WOG. Hij vraagt diezelfde dag eveneens een kopie van
het dossier (artikel 95, § 2, 3°, van de WOG), die hem op 8 september 2022 wordt
toegezonden..
I.2.4. De argumenten van de partijen
29. Op 30 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de
verweerder. Een samenvatting van zijn volledige argumentatie volgt in de punten 45 en
volgende.
I.2.4.1. Standpunt van de klager
30. Op 20 oktober 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager.
Zijn betoog kan als volgt worden samengevat.
1. Wat betreft het beginsel van opslagbeperking (artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG)
31. De klager is van mening dat het onbeperkt opslaan van persoonsgegevens met betrekking
tot door de verweerder getroffen tuchtsancties, dat wil zeggen tijdens de volledige
loopbaan van een apotheker, buitensporig is. Dit buitensporige karakter zou ook versterkt
worden door het feit dat de verweerder geen onderscheid maakt tussen de ernst van de
opgelegde sancties: een lichte sanctie, in dit geval de sanctie van berisping die in december
2016 is opgelegd, zou niet gedurende de volledige loopbaan van een apotheker bewaard
moeten blijven.
32. De klager beschuldigt de verweerder ervan zich te verschuilen achter het gebrek aan
precisie in de wet met betrekking tot de periode gedurende welke de gegevens worden
opgeslagen om geen passende opslagperiode vast te stellen, en benadrukt dat het aan de
verwerkingsverantwoordelijke is om de leemte in de wet op te vullen, krachtens artikel 5, lid
2, en overweging 39 van de AVG.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 10/51
2. Wat betreft de naleving van het beginsel van doelbinding (artikel 5, lid 1, punt b), van
de AVG)
33. De klager is van mening dat de opslag ad vitam aeternam van een gegeven, in dit geval de
sanctie van berisping, het beginsel van minimale gegevensverwerking schendt: een
gegeven is relevant en passend voor het bereiken van een doel zolang de opslagperiode
voor datzelfde doel gerechtvaardigd is. De klager erkent dat de Orde op een gegeven
moment onethisch gedrag kan sanctioneren op grond van haar wettelijke taak. Hij begriipt
echter niet waarom deze op een bepaald moment gemaakte beoordeling blijvend moet zijn
en het beroepsleven van de apotheker moet beïnvloeden "tot diens dood", zonder
mogelijkheid tot schrapping of herbeoordeling.
3. Wat betreft het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5, lid 1, punt c),
van de AVG)
34. Wat het beginsel van doelbinding betreft, koppelt de klager de naleving van dit beginsel aan
het beginsel van opslagbeperking: een gegeven dat te lang wordt bewaard kan niet opnieuw
worden verwerkt voor het oorspronkelijke doel ervan.
4. Wat betreft het beginsel van juistheid (artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG)
35. De klager beweert dat het beginsel van juistheid van persoonsgegevens moet worden
onderzocht in het licht van het doel waarvoor de gegevens worden verwerkt, en wijst op het
onderscheid tussen "de waarheidsgetrouwheid" van het gegeven (die volgens hem verwijst
naar betrouwbaarheid) en "de juistheid van het gegeven" (die verwijst naar het verband
tussen het gegeven en het doel van de verwerking). Een waarachtig gegeven kan onjuist
worden in de zin van de AVG wanneer het niet meer relevant is ten aanzien van het
oorspronkelijk nagestreefde doel. De bewaring van een tuchtsanctie is derhalve
aanvaardbaar om recidive te beoordelen, maar slechts voor een bepaalde periode.
5. Wat betreft het rechtmatigheidsbeginsel (artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG)
36. Volgens de klager moet het rechtmatigheidsbeginsel worden toegepast in combinatie met
de andere beginselen van artikel 5. De schendingen die de klager de verweerder toeschrijft,
leiden bijgevolg tot de schending van het rechtmatigheidsbeginsel. Om zijn woorden kracht
bij te zetten, verwijst de klager naar het arrest Google Spain van het Hof van Justitie van de
Europese Unie (hierna "het HvJ-EU") dat in herinnering brengt dat de onrechtmatigheid van
een gegevensverwerking "niet enkel het gevolg kan zijn van de omstandigheid dat deze
gegevens onnauwkeurig zijn maar, in het bijzonder, ook omdat zij ontoereikend, niet ter zake
dienend of bovenmatig zijn voor de doeleinden van de verwerking, omdat zij niet zijn
Beslissing ten gronde 77/2023 – 11/51
bijgewerkt of omdat zij langer worden bewaard dan noodzakelijk is, tenzij de bewaring ervan
is vereist wegens historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden." 27
37. Verder, onder verwijzing naar de privacyverklaring van de verweerder, betwist de klager de
grondslag voor bepaalde verwerkingen op basis van de rechtmatigheid van het
gerechtvaardigde belang in de zin van artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG. De verweerder zou
zich niet kunnen beroepen op een dergelijke rechtmatigheidsgrond vanwege zijn taak van
algemeen belang. Bovendien zouden de criteria voor de bewaartermijn van de gegevens te
vaag zijn. Deze vaagheid zou een schending van de beginselen van behoorlijkheid en
transparantie tot gevolg hebben.
38. Volgens de klager moeten de door de verweerder uitgevoerde verwerkingen gebaseerd zijn
op een wettelijke verplichting (artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG) of een taak van algemeen
belang (artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG).
6. Wat betreft de naleving van artikel 10 van de AVG
39. Voor de klager moeten deontologische sancties, wegens hun kenmerken en hun gevolgen,
met name voor het vermogen om het beroep uit te oefenen, worden opgenomen in het
begrip strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 van de AVG.
Bijgevolg had de verweerder volgens de klager moeten zorgen voor passende waarborgen
voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen.
7. Wat betreft de naleving van artikel 17 van de AVG
40. Volgens de klager zou de bewaring van persoonsgegevens niet meer noodzakelijk zijn voor
de doeleinden waarvoor ze zijn verzameld en worden de gegevens verwerkt zonder dat er
regels zijn in verband met hun bewaartermijn. De verweerder had dus moeten ingaan op zijn
verzoek tot wissing van de betwiste gegevens. Door zijn verzoek tot uitoefening van het
recht op gegevenswissing af te wijzen, zou de verweerder de bepalingen van artikel 17, lid 1,
punten a), d) en e), van de AVG hebben geschonden.
41. De klager betwist de door de verweerder aangevoerde rechtvaardigingen om geen gevolg
te geven aan zijn recht op wissing van persoonsgegevens. Ten eerste beroept de
verweerder zich op een wettelijke verplichting, die de verwerking van strafrechtelijke
gegevens noodzakelijk maakt (artikel 17, lid 3, punt b)). De verweerder voelt zich wettelijk
verplicht deze gegevens te verwerken op grond van verschillende verplichtingen:
- Het bijhouden van de lijst van apothekers en de uitvoering van de tuchtrechtelijke
taken van de Orde der apothekers (artikelen 8, 12, 14 en 15 van KB nr. 80);
- De doorgifte van gegevens betreffende een tuchtsanctie aan de FOD
Volksgezondheid in het kader van de permanente federale gegevensbank van
27
HvJ-EU, arrest van 13 mei 2014, Google Spain SL en Google Inc, C-131/12, §92.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 12/51
beroepsbeoefenaars uit de gezondheidszorg (op basis van de artikelen 97 en
volgende van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening
van gezondheidszorgberoepen). Deze gegevensbank heeft informatie nodig over
de inschrijving op de lijst en de tijdelijke of definitieve intrekking van het recht van
beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg om hun beroep uit te oefenen;
- De doorgifte van tuchtsancties aan andere lidstaten via het IMI-systeem (op grond
van artikel 114/1 van de wet van 10 mei 2015). Deze gegevensbank heeft informatie
nodig over de beperking op het uitoefenen van hun beroep voor
beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg.
42. Ten tweede rechtvaardigt de verweerder zijn weigering tot wissing van de
persoonsgegevens van de klager met de noodzaak de betwiste gegevens te blijven
verwerken voor de onderbouwing van zijn rechtsvordering (artikel 17, lid 3, punt e), van de
AVG). Aangezien de klager bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring tegen
bepaalde bepalingen van de Code van farmaceutische plichtenleer heeft ingesteld, zou de
verweerder de betwiste gegevens moeten verwerken in het kader van deze procedure.
43. Wat de eerste door de verweerder aangevoerde rechtvaardiging betreft, weerlegt de klager
de noodzaak om de gegevens in kwestie door te geven om te voldoen aan deze wettelijke
verplichtingen: lichte sancties zouden geen gegevens zijn die in deze gegevensbanken
worden opgenomen. Artikel 114/1 van de wet van 10 mei 2015 zou niet vereisen dat
persoonsgegevens betreffende een lichte tuchtsanctie worden meegedeeld, omdat
dergelijke gegevens niet onder de informatie vallen waarop de verplichting in dat artikel
betrekking heeft. Het artikel heeft betrekking op een beperking of een verbod op het
uitoefenen van de beroepsactiviteit, hetgeen geen berisping is. Wat de permanente federale
bank voor beroepsbeoefenaars van gezondheidszorg betreft, zouden deontologische
sancties geen deel uitmaken van de mee te delen informatie. Alleen tijdelijke of definitieve
intrekkingen moeten worden vermeld, hetgeen de doorgifte van de betwiste gegevens niet
rechtvaardigt.
44. Ten slotte, wat betreft de tweede rechtvaardiging betreffende de uitoefening van de
rechten van de verweerder om zich in rechte te verdedigen, heeft de nog hangende
procedure tussen de partijen voor de Raad van State betrekking op de Code van
farmaceutische plichtenleer, die is aangenomen door de nationale raad, het regelgevend
orgaan van de verweerder. Volgens de klager is het beheer van tuchtsancties de
verantwoordelijkheid van de tuchtorganen van de verweerder en niet van zijn regelgevend
orgaan. De klager beweert dat de verweerder geen rekening houdt met het bij wet
vastgestelde onderscheid tussen zijn tuchtrechtelijke organen en zijn regelgevend orgaan
als hij zich op deze uitzondering op gegevenswissing beroept om een tuchtsanctie te
bewaren.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 13/51
I.2.4.2. Standpunt van de verweerder
45. Op 4 november 2022 ontvangt de Geschillenkamer de syntheseconclusie van de
verweerder.
a. Wat betreft het beginsel van opslagbeperking (artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG)
46. De verweerder heeft de criteria voor het bepalen van de bewaartermijn van de
persoonsgegevens die hij verwerkt, vastgesteld: "De verwerkingsverantwoordelijke
bewaart de persoonsgegevens (i) zolang dat nodig of relevant is voor de hierboven
genoemde doeleinden, (ii) gedurende de periode waarin dit wettelijk verplicht is, of (iii) zolang
gerechtelijke geschillen of onderzoeken kunnen plaatsvinden.”28 Deze criteria zouden
beantwoorden aan de vereiste in artikel 13, lid 2, van de AVG.
47. Wat betreft de betwiste gegevens, meent de verweerder dat de bewaartermijn ervan
redelijk is, aangezien de verwerking van persoonsgegevens betreffende de tuchtsanctie van
de klager is begonnen toen de sanctiebeslissing van kracht werd, na het cassatieberoep, dat
wil zeggen 5 februari 2018. De betwiste gegevens zouden aldus minder dan vijf jaar zijn
bewaard.
48. Meer in het algemeen stelt de verweerder ook dat de tuchtsancties worden bewaard tot het
einde van de loopbaan van de apothekers, aangezien KB nr. 80 hiertoe verplicht.
49. De verweerder beweert dat hij zich sinds 2020 bezint over de bewaartermijn van
tuchtsancties.
b. Wat betreft het beginsel van doelbinding (artikel 5, lid 1, punt b), van de AVG)
50. De verweerder is van mening dat de betwiste gegevens voor een welbepaald, uitdrukkelijk
omschreven en gerechtvaardigd doel zijn verzameld en verwerkt, namelijk om te voldoen
aan de wettelijke tuchtrechtelijke verplichtingen van de verweerder. De betwiste gegevens
zouden later verder zijn verwerkt op een wijze die verenigbaar is met het voornoemde doel.
c. Wat betreft het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5, lid 1, punt c),
van de AVG)
51. De verwerkte gegevens in kwestie zouden relevant zijn voor de doeleinden van de
verwerking waarvoor ze bedoeld zijn (dat wil zeggen het beheer van het tuchtdossier, de
beoordeling van de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor de raden van de verweerder). De
toegang tot de betwiste gegevens is bovendien beperkt. Dit beginsel zou dus niet worden
geschonden.
d. Wat betreft het beginsel van juistheid (artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG)
28
Pagina's 34 en 35 van de syntheseconclusie van de verweerder.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 14/51
52. De verweerder wijst erop dat de betwiste gegevens, met inbegrip van de sanctie, zijn
geregistreerd na het beroep in cassatie, en dat de door de BMA genomen beslissingen en de
aanneming van een nieuwe Code van farmaceutische plichtenleer deze gegevens niet
onjuist hebben gemaakt. De verweerder wijst erop dat toen de sanctie van berisping werd
opgelegd, het handelen van de klager door de raad van beroep 29 afkeurenswaardig werd
bevonden. Zelfs in de veronderstelling dat de vraag van de klager relevant zou zijn, is het
volgens de verweerder niet zeker dat de raad van beroep de feiten anders zou hebben
beoordeeld in het licht van de nieuwe bepalingen van de Code van farmaceutische
plichtenleer30. Het is dus niet buitensporig om de indicatie van de tuchtsanctie te bewaren,
met name om er rekening mee te houden in geval van recidive of om
verkiesbaarheidsvoorwaarden te beoordelen.
53. Ten slotte herinnert de verweerder eraan dat de klager in 2020 op grond van dit beginsel
had geëist dat "de gegevens zouden worden gewist of ten minste verbeterd door aan te
geven dat de vermeende onrechtmatige sanctie in strijd met het mededingingsrecht werd
opgelegd”31. Voor zover de klager niet aantoont dat de betwiste gegevens onjuist,
buitensporig of niet ter zake dienend zijn geworden, is de verweerder van mening dat het
beginsel van juistheid van de AVG niet is geschonden.
e. Wat betreft het rechtmatigheidsbeginsel (artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG)
54. De verweerder is van mening dat de redenering van de klager over het Google Spain-arrest
hier niet van toepassing is omdat de verweerder in het kader van de verwerking van de
betwiste gegevens geen enkel beginsel van de AVG heeft geschonden.
55. De verweerder preciseert ook dat het gerechtvaardigde belang, als rechtmatigheidsgrond
in de zin van artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG, niet wordt aangevoerd in het kader van de
verwerking van de betwiste gegevens. Voor deze verwerkingen beroept de verweerder zich
op een wettelijke verplichting.
f. Wat betreft de naleving van artikel 10 van de AVG
56. De verweerder beweert van zijn kant dat artikel 10 van de AVG ertoe strekt een verplichting
voor de wetgever te scheppen: in passende waarborgen voor de verwerking van
gerechtelijke sancties moet worden voorzien door de wetgeving van de Europese Unie of de
lidstaat, en niet de verwerkingsverantwoordelijken. De verweerder deelt mee dat hij
niettemin, bij gebrek aan duidelijke door de wetgever opgelegde waarborgen, het initiatief
had genomen om redelijke bewaartermijnen te bepalen, ervoor te zorgen dat gegevens in
verband met tuchtsancties slechts voor een beperkt aantal personen toegankelijk zijn, en
29
Punt 7.2.3 van de conclusie van antwoord van de klager; paragrafen 80 t.e.m. 86; 98 t.e.m. 101 van de conclusie van repliek
van de verweerder.
30
Idem.
31
Paragraaf 86 van de conclusie van repliek van de verweerder.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 15/51
technische en organisatorische maatregelen te nemen om de vertrouwelijkheid en de
integriteit van de genoemde gegevens te verzekeren. Daarom wijst de verweerder erop dat
er geen sprake kan zijn van een schending van artikel 10 van de AVG.
g. Wat betreft de naleving van artikel 17 van de AVG
57. De verweerder herinnert eraan dat de klager in zijn brief van 27 januari 2020 aanvankelijk
had gevraagd om schrapping van zijn betwiste gegevens, zich baserend op de
onrechtmatigheid van de sanctie (artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG). Aangezien de
verweerder de onrechtmatigheid van de sanctie betwistte, heeft hij geen gevolg gegeven
aan het verzoek. Hij betwist ook de nieuwe argumenten die de klager aanvoerde, omdat de
verwerkte gegevens nog altijd toereikend en ter zake dienend zijn, en de bewaartermijn
ervan redelijk is (minder dan vijf jaar na de definitieve oplegging van de sanctie).
58. De verweerder wijst bovendien op twee uitzonderingen op het recht op wissing van
persoonsgegevens die van toepassing zijn op zijn situatie (zie de punten 41 en 42): de
wettelijke verplichting om gegevens door te geven aan gegevensbanken die informatie
bevatten over beroepsbeoefenaars uit de gezondheidssector (artikel 17, lid 3, punt b), van
de AVG) en de onderbouwing van een rechtsvordering (artikel 17, lid 3, punt e), van de AVG).
59. Ten slotte verzekert de verweerder dat de betwiste gegevens in ieder geval zullen worden
gewist naar aanleiding van de goedkeuring van het nieuwe reglement van interne orde
(hierna "RIO") in maart 2023, middels de naleving van de voorwaarden van een nieuw
mechanisme voor het automatisch wissen van lichte sancties die meer dan vijf jaar geleden
zijn opgelegd32.
I.2.5. Het horen van de partijen
60. Op 20 oktober 2022 verklaart de klager dat hij van plan is gebruik te maken van de
mogelijkheid te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG.
61. Op 28 november 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal
plaatsvinden op 17 januari 2023. Op 16 januari 2023 vraagt de verweerder om uitstel van de
hoorzitting, hetgeen de Geschillenkamer met de goedkeuring van de klager accepteert. De
partijen gaan vervolgens akkoord om de hoorzitting tot 24 januari 2023 uit te stellen.
62. Op 24 januari 2023 worden de partijen door de Geschillenkamer gehoord.
63. Op 20 februari 2023 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen
toegezonden.
32
Dit werd door de verweerder tijdens de hoorzitting van 24 januari 2023 bevestigd.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 16/51
64. Op 24 februari 2023 ontvangt de Geschillenkamer van de verweerder een aantal
opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, die zij beslist bij haar beraadslagingen
in aanmerking te nemen. Van de klager heeft de Geschillenkamer daarentegen geen
opmerkingen ontvangen.
I.2.6. Het opleggen van een administratieve geldboete
65. Op 17 mei 2023 stelt de Geschillenkamer de verweerder in kennis van haar voornemen om
over te gaan tot het opleggen van een administratieve geldboete, alsmede van het bedrag
daarvan teneinde de verweerder de gelegenheid te geven zich te verdedigen, voordat de
sanctie effectief wordt opgelegd. Zij vraagt hem tevens een boekhoudkundige balans over
te maken.
66. Op 2 juni 2023 ontvangt de Geschillenkamer de reactie van de verweerder aangaande het
voornemen om een administratieve geldboete op te leggen en het bedrag daarvan, alsmede
de boekhoudkundige balans van de verweerder. De verweerder beweert dat de
Geschillenkamer zich baseert op elementen die in strijd zijn met die in het dossier, en begrijpt
de wetgevende context met betrekking tot de Orde der apothekers niet. Hij betwist ook
bepaalde criteria die de Geschillenkamer toepast bij het opleggen van een administratieve
geldboete.
67. De verweerder wijst er met name op dat er geen verzachtende omstandigheden voor hem
in aanmerking zijn genomen. Volgens hem heeft de verweerder sinds 2020 verschillende
initiatieven en pogingen ondernomen om de verwerking van de betwiste gegevens in
overeenstemming te brengen. Deze inspanning zou als verzachtende omstandigheid in
aanmerking moeten worden genomen bij het opleggen van een administratieve geldboete.
68. De verweerder geeft ook aan dat de tuchtsanctie die aan de klager was opgelegd, is gewist.
De Geschillenkamer merkt echter op dat hij hiervan geen bewijs levert. Deze argumenten
worden besproken in de punten 199 tot en met 208 van de onderhavige beslissing.
II. Motivering
II.1. Wat betreft de identificatie van de betwiste gegevens en de
verwerkingsverantwoordelijke
Beslissing ten gronde 77/2023 – 17/51
69. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 4, lid 1, van de AVG persoonsgegevens
definieert als “alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke
persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon
die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een
identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online
identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke,
fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die
natuurlijke persoon; […]”.
70. Een verwerking van persoonsgegevens verwijst naar "een bewerking of een geheel van
bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens,
al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen,
ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken,
verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking
stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegeven”33.
71. De Geschillenkamer stelt vast dat de aan de klager opgelegde sanctie en de informatie in
verband met deze sanctie persoonsgegevens bevatten in de zin van de AVG 34. Evenals de
partijen wijst de Geschillenkamer erop dat het aanleggen van een tuchtdossier voor een
apotheker, de inschrijving in dat dossier van een tuchtsanctie, en ook de raadpleging, de
mededeling en zelfs de opslag van de sanctie, op grond van artikel 4, lid 2, van de AVG,
allemaal verwerkingen van persoonsgegevens zijn.
72. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 4. lid 7, van de AVG de
verwerkingsverantwoordelijke definieert als “een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een
overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen,
het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer
de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het
lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de
verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen” . Het 35
begrip verwerkingsverantwoordelijke is een autonoom begrip in het Europees recht 36, dat
moet worden beoordeeld in het licht van de volgende criteria: de vaststelling van de
doeleinden van de betrokken gegevensverwerking en de vaststelling van de essentiële
33
AVG, artikel 4, lid 2.
34
Zie met name HvJ-EU, arrest van 2017, Nowak t. Data Protection Commission, § 34: ““iedere informatie” in de definitie van
het begrip “persoonsgegevens” (…) wijst er immers op dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om een ruime
betekenis te geven aan dit begrip, dat niet beperkt is tot gevoelige of persoonlijke informatie maar zich potentieel uitstrekt
tot elk soort informatie, zowel objectieve informatie als subjectieve informatie onder de vorm van meningen of
beoordelingen, op voorwaarde dat deze informatie de betrokkene ‘betreft’.
35
AVG, artikel 4, lid 7.
36
Zie bijvoorbeeld beslissing 63/2022 van de Geschillenkamer van 2 mei 2022, beschikbaar op
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/zonder-gevolg-nr.-63-2022.pdf
Beslissing ten gronde 77/2023 – 18/51
middelen hiervoor37. Volgens het Europees Comité voor gegevensbescherming is er in
principe geen beperking wat betreft het type entiteit dat de rol van
verwerkingsverantwoordelijke op zich kan nemen. 38
73. Op basis van het voorgaande begrijpt de Geschillenkamer dat de Orde der apothekers als
beroepsorde op het gebied van gezondheid, door de Belgische wetgever is belast met de
reglementering van het beroep van apotheker. Daarom wordt van de verweerder verwacht
dat hij een taak vervult van reglementering van de toegang tot het farmaceutische beroep,
van advies, raad en preventie, maar ook dat hij een tuchtrechtelijke taak uitvoert. Deze taken
van algemeen belang zijn dus door de wetgever aan de verweerder, de Orde der apothekers,
toegewezen. En al worden de activiteiten van de Orde en haar organen door wetgevende en
regelgevende maatregelen geregeld, de verweerder heeft een zekere vrijheid om de
middelen te bepalen die nodig zijn om deze doelen te bereiken. De Geschillenkamer leidt
hieruit af dat de Orde der apothekers de verwerkingsverantwoordelijke is voor de
verwerking van de betwiste gegevens en andere gegevens met betrekking tot
tuchtsancties.
II.2. Wat betreft het rechtmatigheidsbeginsel (artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG)
74. Het rechtmatigheidsbeginsel is een van de hoofdbeginselen van de AVG en is alleen al een
voorwaarde voor de toepassing van de andere beginselen van de AVG in het kader van de
verwerking van persoonsgegevens. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG,
moet een verwerking van persoonsgegevens behoorlijk, transparant en rechtmatig zijn. Om
rechtmatig te zijn, moet een verwerking van persoonsgegevens gestoeld zijn op een
rechtmatigheidsgrond in artikel 6 van de AVG. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke
om te bepalen welke rechtmatigheidsgrond passend is ten aanzien van het doel van de
verwerking.
75. Om deze redenen zal de Geschillenkamer eerst de naleving van dit beginsel onderzoeken
voordat zij ingaat op de andere grieven van de klacht.
76. Artikel 6, lid 1, van de AVG somt zes rechtmatigheidsgronden voor een verwerking op:
behalve de toestemming (art. 6.1.a) kan de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk
zijn voor de uitvoering van een overeenkomst (art. 6.1.b), om te voldoen aan een wettelijke
verplichting (art. 6.1.c), voor het vervullen van een taak van algemeen belang of van een taak
in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag (art. 6.1.e), voor de behartiging van
37
Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen
“verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG, versie 2.0 van 7 juli 2021, punt 39 e.v.
38
EDPB, op. cit., p. 11.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 19/51
de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde (art.
6.1.f), of om de vitale belangen van de betrokkene te beschermen (art. 6.1.d).
77. Elke verwerking moet worden gerechtvaardigd door een hierboven genoemde
rechtmatigheidsgrond. Wanneer één verwerking verschillende doeleinden nastreeft, moet
elk doel gebaseerd zijn op een rechtmatigheidsgrond.
78. In dit geval stelt de verweerder dat de verwerking van persoonsgegevens die het voorwerp
van de klacht uitmaakt, het bijhouden van een register van tuchtsancties is. 39 De
Geschillenkamer vindt deze voorstelling van de feiten door de verweerder echter
beperkend. Uit de stukken in het dossier, waaronder de conclusies van de verweerder en van
de klager, blijkt immers dat de klacht betrekking heeft op meerdere verwerkingen die met
de betwiste gegevens zijn uitgevoerd (opslag, raadpleging, doorgifte van de betwiste
gegevens.)
79. Uit de stukken in het dossier blijkt ook dat deze verwerkingen verschillende doeleinden
nastreven, namelijk de volgende:
1. Het beheer van een tuchtdossier40 ;
2. Het bijhouden van de lijst van de Orde41 ;
3. De beoordeling van de verkiesbaarheidsvoorwaarden van kandidaten voor de
verkiezingen van de organen van de verweerder 42 ;
4. De beoordeling van de kandidaturen om stagemeester te worden en de toezending
van deze beoordeling aan universiteiten43 ;
5. De doorgifte van de betwiste gegevens aan een federale gegevensbank die door
de FOD Volksgezondheid wordt bijgehouden44 ;
6. De doorgifte van gegevens aan een Europese gegevensbank op het IMI-systeem45 ;
7. Het bijhouden van een repertorium van rechtspraak van de raden om de beginselen
van de farmaceutische deontologie te ontwikkelen46 ;
8. De verdediging in rechte van de verweerder 47.
39
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 9, § 21.
40
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 29, § 71, waar wordt vermeld dat een tuchtsanctie in het dossier van de
apotheker is ingeschreven.
41
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 14, § 35, waar wordt vermeld dat de lijst van apothekers tuchtsancties bevat.
42
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 14, § 35.
43
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 14, § 35.
44
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 49, § 119.
45
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 50, § 119.
46
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 9, § 21.
47
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 50, § 120.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 20/51
80. Aangezien de verwerkingen voor deze doeleinden de opslag, raadpleging of doorgifte van
de betwiste gegevens vereisen, zal de Geschillenkamer voor elk doeleinde de
rechtmatigheidsgronden onderzoeken.
II.2.1. Het beheer van tuchtzaken
81. De verweerder voert meermaals het beheer van "tuchtzaken" aan als doel van de verwerking
van de betwiste gegevens.
82. Eerst en vooral wil de Geschillenkamer, om misverstanden te voorkomen, verduidelijken wat
zij in de onderhavige beslissing verstaat onder:
- Beheer van tuchtzaken: alle handelingen die door de provinciale raden en de raden van
beroep noodzakelijk worden geacht om het gedrag van apothekers te reguleren, met het
oog op het opleggen van de naleving van de farmaceutische deontologie 48 (gaande van
de opening van een onderzoek, tot het onderzoek van de zaak, de vervolging, het vonnis,
de doorgifte van een dossier aan een beroepsinstantie en de beoordeling van het risico
op recidive in geval van een vervolgprocedure 49). Het beheer van tuchtzaken vereist het
bijhouden van een tuchtdossier waaruit de huidige tuchtrechtelijke status van een
apotheker blijkt en dat de beslissingen bevat die tegen de apotheker zijn genomen;
- Tuchtdossier: het persoonlijke dossier, eigen aan iedere apotheker, met daarin de
tuchtsancties of andere beslissingen die tegen een apotheker zijn genomen. Dit dossier
geeft de tuchtrechtelijke status van een apotheker weer.
83. In dit geval beroept de verweerder zich op een wettelijke verplichting in de zin van artikel 6,
lid 1, punt c), van de AVG voor het beheer van tuchtzaken 50. Hiervoor roept de verweerder
artikel 15 van KB nr. 80 in, dat de nationale raad verplicht een repertorium van rechtspraak
bij te houden, de artikelen van KB nr. 80 die een tuchtbevoegdheid verlenen aan de
provinciale raden en de raden van beroep, 51 evenals de artikelen van KB nr. 80 die de
verkiesbaarheidsvoorwaarden bepalen om in aanmerking te komen voor functies bij de
organen van de verweerder.52
84. Volgens artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG kan de verwerking als rechtmatig worden
beschouwd als zij noodzakelijk is "om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de
verwerkingsverantwoordelijke rust". Zoals verduidelijkt door de Groep "artikel 29", moet de
verwerkingsverantwoordelijke, opdat hij zich kan beroepen op artikel 6, lid 1, punt c), van de
48
Zie J. ALARDIN, J. CASTIAUX, Le droit disciplinaire dans la jurisprudence, Bruxelles, Larcier, 2014, p. 50 : « L’action
disciplinaire a, en effet, pour objet de recherche si le titulaire d’une profession a enfreint les règles de déontologie ou de
disciplinaire ou a porté atteinte à l’honneur ou à la dignité de sa fonction ou de sa profession ».
49
Deze lijst is niet exhaustief.
50
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 43, § 103.
51
KB nr. 80, artikel 6, 2°, artikel 12, § 1, 1°.
52
KB nr. 80, artikel 8, § 1, artikel 12, § 1, 1°, artikel 14, § 1, 1°, tweede lid.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 21/51
AVG om persoonsgegevens te verwerken, daartoe verplicht zijn krachtens een wettelijke
norm.
85. Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 22 van de
Grondwet en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie, moet deze wettelijke norm de essentiële kenmerken van een gegevensverwerking
vastleggen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van
een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de
verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. In de voornoemde bepalingen wordt in dit
verband benadrukt dat de betrokken verwerking dient te worden omkaderd door een norm
die voldoende duidelijk en nauwkeurig is en waarvan de toepassing voor de betrokkenen
voorspelbaar is.53 Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de AVG, moet deze norm het
doeleinde of de doeleinden van de verwerking vaststellen.
86. De Geschillenkamer stelt echter vast dat de bepalingen van KB nr. 80 waarop de verweerder
zich beroept om zijn wettelijke verplichting aan te tonen (punt 82) niet uitdrukkelijk het
beheer van tuchtzaken vermelden. Zij staan de provinciale raden en de raden van beroep
hoogstens toe tuchtsancties op te leggen en de verkiesbaarheid van kandidaten bij
verkiezingen te beoordelen. De beoordeling van de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor de
verkiezingen van de organen van de verweerder streeft niet hetzelfde doel na als het beheer
van tuchtzaken. De Geschillenkamer stelt vast dat artikel 15 van KB nr. 80 inderdaad melding
maakt van het bijhouden van een repertorium van tuchtbeslissingen door de nationale raad,
maar het doel is duidelijk omschreven en strekt niet tot het beheer van tuchtzaken: dit
repertorium moet dienen om "met het oog op het aanvullen of nader omschrijven van de
bepalingen van de code van plichtenleer op basis van die rechtspraak, deze code, zo daartoe
redenen zijn, aan te passen."
87. In de wettelijke bepalingen die de verweerder inroept, is er dus geen sprake van het
bijhouden van een tuchtdossier of de beoordeling van recidive. De verweerder kan zich
derhalve niet beroepen op artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG om het beheer van tuchtzaken
te rechtvaardigen. Een hypothetische wettelijke verplichting op basis van KB nr. 80 zou
slechts een deel van de door de verweerder uitgevoerde verwerkingen kunnen
rechtvaardigen (KB nr. 80 vermeldt immers enkel het opleggen van een sanctie en de
raadpleging van sancties om de verkiesbaarheid van een kandidaat voor verkiezingen te
bepalen). Deze rechtsgrondslag, waarop de verweerder zich ten onrechte beroept, zou de
betrokkenen niet in staat stellen te begrijpen wat de omvang is van de verwerkingen die
worden uitgevoerd met persoonsgegevens met betrekking tot tuchtsancties. Deze
miskenning door de verweerder is dus niet verenigbaar met de verplichting tot
53
GBA, Beslissing ten gronde 47/2022 van 4 april 2022, p. 22, punt 106, beschikbaar op
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-47-2022.pdf .
Beslissing ten gronde 77/2023 – 22/51
transparantie. De verweerder heeft derhalve artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG
geschonden door zich te beroepen op een onjuiste rechtmatigheidsgrond.
88. De Geschillenkamer concludeert hieruit echter niet dat er geen passende rechtsgrondslag
is voor (de) verwerking(en) van gegevens in het kader van het beheer van tuchtzaken.
89. Gezien haar taken is het immers normaal dat een beroepsorde zoals de Orde der apothekers
een tuchtdossier van haar leden kan bijhouden om haar tuchtrechtelijke taak te vervullen.
90. Overeenkomstig artikel 6, lid , punt e), van de AVG kan de verwerking van persoonsgegevens
noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het
kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke
is opgedragen op grond van een wettelijke bepaling54. In tegenstelling tot de wettelijke
verplichting in artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, hoeven verwerkingen die noodzakelijk zijn
voor het vervullen van de taak van algemeen belang niet uitdrukkelijk in een wettelijke
bepaling te worden beschreven. De verwerkingen zijn volgens de Geschillenkamer eerder
gebaseerd op de taak van algemeen belang die aan de verwerkingsverantwoordelijke is
toegekend.55 De rechtsgrondslag moet op zijn minst de taken van algemeen belang of de
taken in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag definiëren die de noodzaak
van het verwerken van persoonsgegevens rechtvaardigen. De doel van de verwerking moet
ook in deze rechtsgrond worden bepaald 56.
91. Het begrip "verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van algemeen
belang" heeft een ruime werkingssfeer, aangezien het niet alleen betrekking heeft op
verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van een taak van algemeen belang in
strikte zin , maar ook op verwerkingen die noodzakelijk zijn voor de vervulling van taken die
rechtstreeks verband houden met die taak van algemeen belang, met inbegrip van
verwerkingen die noodzakelijk zijn voor het beheer en de werking van de organen die met
deze taak van algemeen belang zijn belast.
92. De Groep "artikel 29" merkte terecht op dat deze rechtsgrondslag relevant is voor: "een
beroepsvereniging, zoals een orde van advocaten of een raad van medische professionals
bekleed met het toepasselijke openbaar gezag, disciplinaire procedures uitvoeren tegen
sommige van haar leden"57.
93. In dit geval houdt het beheer van tuchtzaken verwerkingen in die noodzakelijk zijn voor de
uitoefening van de quasi-rechterlijke functies van de provinciale raden en de raden van
beroep van de Orde. Deze disciplinaire functies worden, in overeenstemming met artikel 6,
lid 3, van de AVG, uitsluitend toegekend door KB nr. 80 aan de provinciale raden en de raden
54
AVG, artikel 6, lid 3.
55
C. DE TERWANGNE, Le règlement général sur la protection des données, p. 136 ; W. KUNER The EU General Data
Protection Regulation (GDPR), a commentary, p. 336.
56
AVG, overweging 45.
57
Groep artikel 29, op. cit., p. 23.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 23/51
van beroep van de Orde. De beoordeling van het risico op recidive bij het bepalen van de op
te leggen sanctie is ook noodzakelijk voor de vervulling van deze taak.
94. Rekening houdend met het voorgaande, concludeert de Geschillenkamer dat de
verwerking van de betwiste gegevens voor het beheer van tuchtzaken door de
provinciale raden en de raden van beroep gerechtvaardigd is op basis van artikel 6, lid 1,
punt e), van de AVG, voor zover de genoemde verwerkingen worden uitgevoerd door de
bevoegde organen aan wie de uitoefening van tuchtrechtelijke functies is opgedragen.
II.2.2. De opstelling en het beheer van de lijst van de Orde
95. De verweerder beweert dat de tuchtrechtelijke status op de lijst van de Orde moet staan.
Hiervoor moet de verweerder kennis nemen van het tuchtdossier van de apotheker. KB nr.
80 vertrouwt echter de taak van het opstellen van een lijst van apothers toe aan de
provinciale raden58 en het KB van 4 juli 1970 legt de provinciale raden de procedure op die
moet worden gevolgd voor de inschrijving op de lijst. 59 De provinciale lijsten vormen samen
de lijst van de Orde.
96. De verweerder heeft niet alle doeleinden toegelicht waarvoor de lijst van de Orde wordt
bijgehouden. Uit de bovengenoemde bepalingen blijkt dat de inschrijving op de provinciale
lijsten het voor de provinciale raden mogelijk maakt de toegang tot het beroep te
controleren door van apothekers een bewijs van bevoegdheid te eisen, en dat zij ook een
voorwaarde is voor toegang tot het beroep. Bovendien heeft de lijst van de Orde, die wordt
gevormd door alle provinciale lijsten samen, een administratieve functie, doordat hij alle
apothekers die het beroep uitoefenen of het recht hebben om het beroep uit te oefenen in
België opsomt. Deze lijst moet de identificatiegegevens van de apothekers bevatten,
evenals hun tuchtrechtelijke status.
97. De Geschillenkamer is van oordeel dat de in punt 96 genoemde bepalingen de essentiële
elementen van de verwerking bevatten.60 De Geschillenkamer merkt echter op dat de
persoonsgegevens die op de lijst toegankelijk zijn, niet in deze bepalingen voorkomen. De
genoemde bepalingen volstaan echter om de verweerder in staat te stellen zich te baseren
op artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG voor het opstellen en beheren van de lijst van de Orde.
II.2.3. Beoordeling van de verkiesbaarheid van kandidaten voor de verkiezingen van
de organen van de verweerder
58
KB nr. 80, artikel 6, 2°.
59
KB van 4 juli 1970, artikelen 21 t.e.m. 26.
60
Hoewel niet uitdrukkelijk vermeld, zijn het doeleinde van een dergelijke verwerking, de verwerkingsverantwoordelijke en
de bevoegde organen, de ontvangers van de persoonsgegevens, en de categorieën van persoonsgegevens die nodig zijn
voor de inschrijving, opgenomen.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 24/51
98. Zoals eerder vermeld verplicht KB nr. 80 de organen van de verweerder rekening te houden
met de sancties die aan de kandidaten bij hun respectieve verkiezingen zijn opgelegd. Voor
de organen van de verweerder is een apotheker die een andere sanctie dan een berisping
heeft gekregen, niet verkiesbaar.61
99. Daarom moet de tuchtrechtelijke status van de kandidaat-apotheker dus worden
geraadpleegd.
100. Aangezien de doeleinden en de middelen van deze verwerking voldoende zijn omschreven,
stelt de Geschillenkamer vast dat de verwerking wordt gerechtvaardigd door een wettelijke
verplichting in de zin van artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG.
II.2.4. De beoordeling van de kandidaturen om stagemeester te worden en de
toezending van deze beoordeling aan universiteiten
101. De verweerder vermeldt ook de tuchtrechtelijke status van apothekers te raadplegen om
universiteiten te adviseren die hun kandidaturen voor stagemeester hebben ontvangen.
Zelfs als dit advies alleen de vorm heeft van een ja of een nee, 62 zijn de raadpleging en het
opstellen van dat advies verwerkingen van persoonsgegevens waarvoor een
rechtmatigheidsbasis in artikel 6 van de AVG is vereist. Het nagestreefde doeleinde -
universiteiten vertellen of potentiële toekomstige stagemeesters een profiel hebben dat
geschikt is om studenten apotheker op te leiden - is verschillend van dat van het beheer van
tuchtzaken.
102. De verweerder voert met betrekking tot dit doeleinde echter geen rechtmatigheidsgrond
aan. Hij bewijst ook niet hoe deze verwerking verenigbaar zou zijn met de oorspronkelijke
verwerking, het beheer van tuchtzaken (punt 142). De Geschillenkamer stelt derhalve vast
dat de verweerder artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG heeft geschonden door geen
passende rechtmatigheidsgrond voor deze gegevensverwerkingen te bieden.
II.2.5. De doorgifte van gegevens aan de federale gegevensbank CoBRHA en aan de
Europese gegevensbank
103. De verweerder geeft aan dat hij via de federale gegevensbank CoBRHA bepaalde gegevens
betreffende de inschrijving op de lijst en de tijdelijke of definitieve intrekking van het recht
om het beroep van apotheker uit te oefenen, aan de FOD Volksgezondheid moet
meedelen63.
61
KB nr. 80, artikel 8, § 1, artikel 12, § 1, 1°, artikel 14, §1, 1°, tweede lid.
62
PV van de hoorzitting, p. 13.
63
Gecoördineerde wet van 10 mei 2015, artikel 99, 7°.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 25/51
104. De verweerder moet informatie over beperkingen of verboden op de uitoefening van het
beroep van apotheker aan de bevoegde autoriteiten doorgeven, die op hun beurt de
autoriteiten van andere lidstaten informeren via het Informatiesysteem interne markt
(IMI)64.
105. Aangezien deze verwerkingen door de wet voldoende zijn afgebakend, aanvaardt de
Geschillenkamer de door de verweerder aangevoerde rechtmatigheidsbasis, dat wil zeggen
een wettelijke verplichting op grond van artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG.
II.2.6. Het bijhouden van een repertorium van rechtspraak
106. De verweerder baseert zich ten onrechte op artikel 15 van KB nr. 80 ter rechtvaardiging, op
grond van een wettelijke verplichting in de zin van artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, van het
beheer van tuchtzaken ten laste van de provinciale raden en de raden van beroep (punten 81
t.e.m. 95).
107. De Geschillenkamer merkt echter op dat de verweerder zich op deze bepaling van KB nr. 80
kan beroepen, maar enkel voor een verwerking van de betwiste gegevens voor het door
artikel 15 opgelegde doel, en ten laste van de nationale raad. Dit artikel legt de nationale raad
immers op een repertorium van door de nationale raden en raden van beroep uitgesproken
tuchtbeslissingen bij te houden. Het enige doel dat de wetgever voor een dergelijk
repertorium aangeeft, is het ontwikkelen van de beginselen van de farmaceutische
plichtenleer en het aanpassen van de Code van farmaceutische plichtenleer.
108. Het bijhouden van een dergelijk repertorium van rechtspraak door de nationale raad om de
plichtenleer te ontwikkelen is dus gebaseerd op een wettelijke verplichting in de zin van
artikel 6, lid 1, punt c), van de AVG, namelijk artikel 15 van KB nr. 80.
II.2.7. De vaststelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering
De verweerder beroept zich bovendien op het gerechtvaardigde belang als
rechtmatigheidsgrond in de zin van artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG om de betwiste
gegevens van de klager te verwerken. 65
II.2.7.3. Standpunt van de partijen
64
Gecoördineerde wet van 10 mei 2015, artikel 114/1.
65
Punt 10.2.2. van de conclusie van repliek van de klager; paragraaf 35, 120 en 121 van de conclusie van repliek van de
verweerder.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 26/51
109. De verweerder licht toe dat de klager een breder geschil met de Orde heeft, met name de
klacht die bij de BMA (punt 12)66 is ingediend, en dat door de klager op 2 maart 2020 een
beroep tot vernietiging bij de Raad van State is ingesteld. Hij moest daarbij verwijzen naar de
uitspraak van 22 december 2016 van de raad van beroep, en de procedure voor de Raad van
State zou nog lopen. Om deze laatste reden benadrukt de verweerder dat hij de betwiste
gegevens zal blijven verwerken in de nog lopende procedures, met name voor de Raad van
State, maar uitsluitend in deze context67.
110. De klager verduidelijkt dat zijn geschil met de verweerder voor de Raad van State betrekking
heeft op de nieuwe Code van farmaceutische plichtenleer: het is een geschil dat betrekking
heeft op de normatieve functie van de verweerder en niet op zijn tuchtrechtelijke functies.
Bovendien "regelt de wet met zorg de onafhankelijkheid van de provinciale raad en de raad
van beroep ten aanzien van de Orde als opsteller van de Code van farmaceutische
plichtenleer” 68. De klager voegt eraan toe dat de verweerder de noodzaak van onbeperkte
opslag inroept "(tot de dood van de betrokken apotheker) van de deontologische sancties
om de onderbouwing van zijn rechtsvordering te verzekeren" 69.
II.2.7.4. Standpunt van de Geschillenkamer
111. De Geschillenkamer wijst erop dat volgens artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG, de verwerking
van persoonsgegevens "noodzakelijk moet zijn voor de behartiging van het
gerechtvaardigde belang" van de verwerkingsverantwoordelijke (om volledig te zijn: of van
een derde).
112. Bovendien wordt het inroepen van het gerechtvaardigde belang uitdrukkelijk onderworpen
aan een aanvullende afwegingstoets, die tot doel heeft het belang en de grondrechten en de
fundamentele vrijheden van de betrokkenen te beschermen. Met andere woorden, het
gerechtvaardigde belang dat door de verwerkingsverantwoordelijke wordt behartigd, moet
worden afgewogen aan het belang of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de
betrokkene, waarbij het doel van de afweging is te voorkomen dat diens rechten en
vrijheden onevenredig zwaar worden getroffen.
113. Het belang dat de verwerkingsverantwoordelijke nastreeft, hoe legitiem en noodzakelijk
ook, kan alleen geldig worden ingeroepen als de grondrechten en de fundamentele vrijheden
van de betrokkenen niet prevaleren boven dat belang. Het Hof van Justitie van de Europese
66
Paragraaf 120 van de conclusie van repliek van de verweerder en paragraaf 25 en volgende met betrekking tot de klacht
bij de BMA.
67
Paragraaf 120 van de conclusie van repliek van de verweerder.
68
Punt 10.2.2. van de conclusie van repliek van de klager; paragraaf 35, 120 en 121 van de conclusie van repliek van de
verweerder.
69
In paragraaf 120 van zijn conclusie van repliek voegt de verweerder eraan toe dat hij nooit heeft beweerd dat het bewaren
van de gegevens tot de dood van de betrokken apotheker noodzakelijk was om zijn verdediging in rechte te waarborgen.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 27/51
Unie 70
heeft verduidelijkt dat deze drie voorwaarden - de behartiging van een
gerechtvaardigd belang door de verwerkingsverantwoordelijke (finaliteitstoets) (a), de
noodzakelijkheid van de verwerking voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang
(noodzakelijkheidstoets) (b) en de voorwaarde dat de grondrechten en fundamentele
vrijheden van de betrokkenen niet prevaleren boven het behartigde belang (afwegingstoets)
(c) - cumulatief zijn.
114. De verdediging in rechte is een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 48 van het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie. In het algemeen kan de verdediging in rechte
inderdaad worden beschouwd als een gerechtvaardigd belang dat rechtmatig is in het kader
van de toepassing van artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG. Overeenkomstig advies 06/2014
van de Groep artikel 29 over het begrip gerechtvaardigd belang, moet dit belang
daadwerkelijk en aanwezig zijn, d.w.z. niet speculatief 71. De Geschillenkamer stelt vast dat
het belang van de verweerder reëel en actueel is, wegens de procedure die hangende is voor
de Raad van State. Aan de eerste voorwaarde is bijgevolg voldaan.
115. Wat de tweede voorwaarde betreft, moet de verweerder aantonen dat de verwerking
noodzakelijk is voor de uitoefening van die verdediging in rechte. De noodzaak tot
verwerking van de betwiste gegevens impliceert dat de verdediging in rechte van de
verweerder voor de Raad van State zou worden gehinderd zonder de verwerking van de
betwiste gegevens. Een van de consequenties van dit noodzakelijkheidscriterium is de
naleving van het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5, lid 1, punt c), van de
AVG).
116. In dit geval merkt de Geschillenkamer op dat de procedure die door de klager bij de Raad van
State is aangespannen, gericht is op de schrapping van een aantal bepalingen van de nieuwe
Code van farmaceutische plichtenleer 72. De verweerder merkt op dat de
gegevensverwerking noodzakelijk was, omdat hij de beslissing van de raad van beroep van
22 december 2016 in zijn conclusie moest vermelden. Het gerechtvaardigde belang, als
rechtmatigheidsbasis, zou de nationale raad, als vertegenwoordiger in rechte van de
verweerder, alleen toestaan de betwiste gegevens in het kader van deze procedure te
verwerken.
117. Wat de derde voorwaarde betreft, moeten deze gegevensverwerkingen ook relevant en
evenredig zijn ten aanzien van het nauwkeurig omschreven doel van dit gerechtvaardigde
belang, namelijk de verdediging in rechte in het geschil voor de Raad van State. Dus moet er
nog voor worden gezorgd dat aan de vereisten van de afwegingstoets wordt voldaan. De
afwegingstoets vereist de afweging tussen de belangen van de
70
HvJ-EU, arrest van 11 december 2019, TK t. Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA, C-708/18, § 44.
71
Groep artikel 29, advies 06/2014, over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke"
in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, p. 27.
72
Vernietigd verzoekschrift, stuk 8 van de stukkenbundel van de verweerder.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 28/51
verwerkingsverantwoordelijke enerzijds, en de grondrechten en de fundamentele vrijheden
van de betrokkene, anderzijds.
118. De Geschillenkamer is van mening dat de verdediging in rechte een zwaarwegend belang is
dat een inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de
betrokkenen kan rechtvaardigen73. Een dergelijke inbreuk op het recht van de klager zou
gerechtvaardigd zijn. De verweerder is bovendien geen overheidsinstantie en kan dus een
gerechtvaardigd belang inroepen in het kader van de onderbouwing van zijn
rechtsvordering.
119. De verweerder mag zich dus beroepen op zijn verdediging in rechte als gerechtvaardigd
belang in de zin van artikel 6, lid 1, punt f), van de AVG om de verwerking van de betwiste
gegevens door de nationale raad te rechtvaardigen.
II.2.8. Conclusies over de naleving van het rechtmatigheidsbeginsel
120. Zoals hierboven is opgemerkt, heeft de verweerder zich gebaseerd op een ontoereikende
rechtmatigheidsgrond om verwerkingen in verband met het beheer van tuchtzaken te
rechtvaardigen (punten 81 t.e.m. 95). De verweerder heeft ook geen rechtmatigheidsgrond
aangevoerd om de verwerkingen in verband met aan de universiteiten verstrekte adviezen
te rechtvaardigen (punten 101 en 102). Op basis van deze vaststellingen is de
Geschillenkamer van oordeel dat de verweerder het beginsel van rechtmatigheid en
transparantie van artkel 5, lid 1, punt a), van de AVG heeft geschonden.
II.3. Wat betreft artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG (beginsel van opslagbeperking van
gegevens)
121. Het beginsel van opslagbeperking van gegevens houdt in dat de opslagperiode van
persoonsgegevens moet worden gedefinieerd en beperkt. Zij mag niet langer duren dan wat
strikt noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt 74. Het
toepassen van dit beginsel vermindert tevens het risico dat dergelijke gegevens ten nadele
van de betrokkene worden gebruikt.
122. De AVG schrijft geen opslagperiode voor persoonsgegevens voor, maar verplicht de
verwerkingsverantwoordelijke wel op zijn minst opslagcriteria aan te nemen ten aanzien van
de doeleinden die voor elke verwerking zijn vastgesteld 75. In principe moet de
73
Groep artikel 29, Advies 06/2014 over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking
verantwoordelijke" in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, p. 27.
74
AVG, overweging 39.
75
AVG, artikel 5, lid 2.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 29/51
opslagperiode, die door de verwerkingsverantwoordelijke is vastgesteld, bij het verkrijgen
van de persoonsgegevens aan de betrokkene worden meegedeeld 76.
123. De Orde heeft de volgende criteria vastgesteld voor het bepalen van de bewaartermijn van
de persoonsgegevens die hij verwerkt: "De verwerkingsverantwoordelijke bewaart de
persoonsgegevens (i) zolang dat nodig of relevant is voor de hierboven genoemde
doeleinden, (ii) gedurende de periode waarin dit wettelijk verplicht is, of (iii) zolang
gerechtelijke geschillen of onderzoeken kunnen plaatsvinden.”77
124. Gezien de doorslaggevende rol ervan bij de verwezenlijking van andere door de verweerder
nagestreefde doeleinden, zal de Geschillenkamer eerst de opslagbeperking van gegevens
met betrekking tot een tuchtdossier onderzoeken.
A. Bewaartermijn van tuchtsancties in het kader van het beheer van tuchtzaken
125. Concreet heeft de verweerder besloten om de gegevens in verband met tuchtsancties te
bewaren tot het overlijden van de apothekers die op de lijst der apothekers staan, of op zijn
minst tot het einde van hun loopbaan 78. Om deze bewaartermijn te rechtvaardigen, verwijst
de Orde naar KB nr. 80 waarin niet wordt aangegeven wanneer een sanctie verjaard is om
de verkiesbaarheidsvoorwaarden te bepalen. Aangezien KB nr. 80 niet uitdrukkelijk voorziet
in bepalingen betreffende de bewaartermijn van gegevens in tuchtzaken, heeft de
verweerder derhalve geconcludeerd dat de bepalingen van het koninklijk besluit de facto
een verwerking voor onbepaalde tijd vereisten, hetgeen een opslag van tuchtgegevens tot
aan het overlijden of het einde van de loopbaan van de apotheker rechtvaardigt.
126. Zoals al is gebleken, zijn deze bepalingen echter niet relevant als basis voor verwerkingen bij
het beheer van tuchtzaken. Dit argument is dus niet relevant om deze bewaartermijn te
rechtvaardigen.
127. Het beheer van tuchtzaken, met inbegrip van het bijhouden van een tuchtdossier, is in feite
gebaseerd op een taak van algemeen belang (punten 89 t.e.m. 94). Maar het zou verkeerd
zijn de lacune in een wetgevingstekst te interpreteren als toestemming om
persoonsgegevens onbeperkt in de tijd te verwerken. Een koninklijk besluit dat een taak van
algemeen belang oplegt in de zin van artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG moet worden
uitgelegd in overeenstemming met de AVG. De verwerkingsverantwoordelijke kan zich
derhalve niet onttrekken aan zijn verplichtingen, waaronder het vaststellen van de periode
76
AVG, artikel 13, lid 2, punt a).
77
Pagina's 34 en 35 van de syntheseconclusie van de verweerder.
78
Pagina 48 van de syntheseconclusie van de verweerder.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 30/51
gedurende welke persoonsgegevens moeten worden bewaard. Het was dus aan de
verweerder om een passende bewaartermijn voor het beheer van tuchtzaken vast te stellen.
128. De Geschillenkamer maakt onderscheid tussen twee soorten sancties: lichte sancties
(waarschuwingen en berispingen) en zware sancties (ernstigere sancties dan een berisping).
Een dergelijk onderscheid wordt ook door de verweerder gemaakt. 79
129. In dit geval is volgens de Geschillenkamer het bewaren van een tuchtsanctie in een dossier
tot aan de pensionering, ongeacht de ernst ervan, buitensporig en niet in overeenstemming
met de AVG. De verweerder legt bovendien niet uit waarom het bewaren van een lichte
sanctie tot aan het overlijden of het einde van de loopbaan van een apotheker relevant is om
bijvoorbeeld rekening te houden met recidive in een tuchtzaak.
130. Wat betreft de bewaartermijn die van toepassing is op de aan de klager opgelegde sanctie,
voert de verweerder ook aan dat de bewaartermijn voor de betrokken gegevens moet
worden vastgesteld vanaf 5 februari 2018, toen de beslissing over de aan de klager
opgelegde sanctie van kracht werd, dat wil zeggen dertig dagen vanaf de kennisgeving van
het arrest van het Hof van cassatie (punt 15). Een cassatieberoep in tuchtzaken heeft een
opschortende werking op de bestreden beslissing 80. De eerder genoemde verwerkingen die
de tuchtrechtelijke status van de klager betreffen (rekening houden met de sanctie om de
voorwaarden voor verkiesbaarheid en voor een functie van stagemeester te beoordelen, om
risico's op recidive te beoordelen, enz.) zouden pas na 5 februari 2018 hebben
plaatsgevonden. De klager heeft dat punt niet betwist. De Geschillenkamer is dan ook van
mening dat het begin van de bewaartermijn voor de tuchtsanctie die tegen de klager is
uitgesproken moet beginnen vanaf 5 februari 2018.
131. Dit laatste punt doet echter niets af aan de vaststelling dat de verweerder een buitensporig
beleid van gegevensopslag voerde voor gegevens in verband met tuchtsancties en dit wilde
toepassen voor de betwiste gegevens van de klager.
132. Concluderend heeft de verweerder nagelaten een redelijke bewaartermijn voor de opslag
van persoonsgegevens met betrekking tot tuchtsancties vast te stellen en dit zonder
rekening te houden met de ernst van de opgelegde sancties. De Geschillenkamer
concludeert dat een dergelijk opslagbeleid voor persoonsgegevens in strijd is met de
beginselen van opslagbeperking (artikel 5, lid 1, punt e), van de AVG).
133. Bovendien zal op het moment dat de onderhavige beslissing wordt genomen, de aan de
klager opgelegde tuchtsanctie meer dan vijf jaar nadat het arrest van het Hof van cassatie
in kracht van gewijsde is gegaan, zijn aangenomen. De Geschillenkamer is van mening dat
een bewaartermijn van meer dan vijf jaar voor een lichte tuchtsanctie buitensporig is.
79
Zie het Jaarverslag 2021 van de nationale raad van de Orde der apothekers, p. 27.
80
Gerechtelijk Wetboek, artikel 1121/5, 3°.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 31/51
134. De verweerder moet een beleid van beperkte gegevensopslag hanteren dat specifiek is
afgestemd op de behoeften bij de verwerking van tuchtzaken. De verweerder moet vaste
bewaartermijnen aannemen, afhankelijk van de soorten beslissingen in een tuchtdossier.
B. Bewaartermijn voor betwiste gegevens in het kader van andere verwerkingen
met betrekking tot de tuchtrechtelijke status dan het beheer van tuchtzaken
135. Aangezien de lijst van de Orde de tuchtrechtelijke status van een apotheker moet
weergeven op basis van zijn tuchtdossier, moet de vermelding van een tuchtsanctie op de
lijst van de Orde op die lijst gepubliceerd blijven zolang de tuchtsanctie in het individuele
tuchtdossier wordt bewaard.
C. Bewaartermijn van een tuchtsanctie in het repertorium van rechtspraak
136. De Geschillenkamer begrijpt uit artikel 15 van KB nr. 80 dat de nationale raad als taak heeft
een repertorium bij te houden van tuchtrechtelijke beslissingen om zijn rechtspraak te
ontwikkelen en niet om tuchtdossiers te beheren (punten 106 en 108).
137. De Geschillenkamer is van mening dat, om aan deze wettelijke verplichting te voldoen, het
nodig is de tuchtsanctie in dit repertorium langer te bewaren, maar alleen om aan dit
specifieke doel te voldoen.
II.4. Wat betreft artikel 5, lid 1, punt b), van de AVG (beginsel van doelbinding)
138. Het doeleinde van de verwerking berust op het feit dat elke verwerking van
persoonsgegevens een welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd
doeleinde moet hebben. Dit doeleinde van de verwerking moet worden gerespecteerd, het
moet toelaten de relevantie van de verzamelde gegevens te bepalen en het moet de
bewaartermijn van de gegevens vastleggen. Met andere woorden, als de gegevens eenmaal
zijn verzameld en voor een doeleinde zijn verwerkt, is het in principe niet meer mogelijk om
ze voor de verwerking voor een ander doel te gebruiken, onder voorbehoud van de
toepassing van artikel 6, lid 4, van de AVG.
139. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het beginsel van doelbinding inhoudt dat de
verwerkingsverantwoordelijke voordat hij met de verwerking begint, het doeleinde van de
verwerking moet bepalen, dat wil zeggen het doel dat hij met het gebruik van de
persoonsgegevens wil bereiken. Het doeleinde moet welbepaald, uitdrukkelijk omschreven
en gerechtvaardigd zijn, zodat een betrokkene kan begrijpen welke gegevens zullen worden
verwerkt en voor welke doelen.
140. De verdere verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die waarvoor de
gegevens aanvankelijk zijn verzameld, is enkel toegestaan indien die verdere verwerking
Beslissing ten gronde 77/2023 – 32/51
verenigbaar is met de doeleinden waarvoor de gegevens aanvankelijk werden verzameld,
zulks rekening houdend met het verband tussen de doeleinden waarvoor de gegevens zijn
verzameld en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking, het kader waarin de
gegevens zijn verzameld, de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking
voor de betrokkene en het bestaan van passende waarborgen. Een verenigbaar doeleinde is
bijvoorbeeld een doeleinde dat de betrokkene kan voorzien of dat op grond van een
wettelijke bepaling als verenigbaar kan worden beschouwd (zie artikel 6, lid 4, van de AVG).
Een verwerking is echter uitgesloten wanneer de oorspronkelijke verwerking met name is
gebaseerd op het nationaal of Europees recht.
141. De Geschillenkamer is van mening dat de door de verweerder aangevoerde doeleinden niet
voldoende welbepaald, dat wil zeggen specifiek, of uitdrukkelijk omschreven zijn. De
verweerder rechtvaardigt de verwerking van de betwiste gegevens namelijk op grond van
een verplichting om de "tuchtzaken" te beheren, of een repertorium van rechtspraak bij te
houden. Dit begrip is zeer vaag en stelt niet in staat de in punt 79 opgesomde doeleinden te
begrijpen. Bovendien is het gevolg van het gebruik van een vaag begrip om de doeleinden
van dergelijke verwerkingen te definiëren, dat deze doeleinden niet voldoende uitdrukkelijk
zijn omschreven.
142. De verweerder vermeldt ook verdere verwerkingen (namelijk de beoordeling van
verkiesbaarheidsvoorwaarden voor een functie als stagemeester) die verenigbaar zijn met
het oorspronkelijke doeleinde van het verzamelen van de betwiste gegevens (het beheer
van tuchtzaken).81 De verweerder bewijst echter niet dat aan de toepassingsvoorwaarden
voor een verdere verwerking die verenigbaar is met het oorspronkelijke doeleinde is
voldaan. De Geschillenkamer merkt bovendien op dat de aanvankelijke verwerkingen van de
betwiste gegevens zijn gebaseerd op een taak die door het Belgisch recht is opgelegd (zie
sectie II.2.1), hetgeen een verdere verwerking met dezelfde gegevens uitsluit.
143. De Geschillenkamer stelt derhalve vast dat het beginsel van doelbinding is geschonden
(artikel 5, lid 1, punt b), van de AVG), aangezien de verweerder de met de betwiste
gegevens nagestreefde doeleinden onvoldoende heeft gepreciseerd, waardoor deze
onvoldoende welbepaald en uitdrukkelijk omschreven waren.
II.5. Wat betreft artikel 5, lid 1, punt c), van de AVG (beginsel van minimale
gegevensverwerking)
144. Volgens het beginsel van minimale gegevensverwerking moeten gegevens die het
voorwerp van een verwerking uitmaken "toereikend, ter zake dienend en beperkt tot wat
noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt." Aan de vereiste van
81
Syntheseconclusie van de verweerder, p. 30, § 73.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 33/51
relevantie wordt voldaan indien de gegevens een noodzakelijke en voldoende band hebben
met de nagestreefde doeleinden. Het beginsel van minimale gegevensverwerking houdt
bovendien in dat persoonsgegevens enkel worden verwerkt wanneer dat doeleinde
redelijkerwijs kan worden bereikt door de verwerking in kwestie 82.
145. Om het beginsel van minimale gegevensverwerking te eerbiedigen, kunnen
verwerkingsverantwoordelijken maatregelen treffen zoals anonimisering,
pseudonimisering van gegevens (waardoor een persoon niet meer identificeerbaar is) 83 of
de aanwijzing van personen die toegang hebben tot de gegevens.
146. De Geschillenkamer zal de naleving van het beginsel van minimale gegevensverwerking in
het licht van elk nagestreefd doel onderzoeken.
A. Beheer van de tuchtzaken van de klager
147. Zoals hierboven vermeld in sectie II.2.1, is het bijhouden van een tuchtdossier noodzakelijk
voor de uitoefening van de quasi-rechterlijke functies van verwerkingsverantwoordelijken,
dat wil zeggen de provinciale raden en de raden van beroep van de Orde. Wanneer deze
laatsten hun door KB nr. 80 toegekende disciplinaire functie uitoefenen, moeten zij
persoonsgegevens in tuchtzaken verwerken, met name informatie doorgeven op basis
waarvan recidive kan worden beoordeeld of een tuchtprocedure in tweede aanleg kan
worden voortgezet. In dit geval kon de Geschillenkamer de doorgifte van tuchtrechtelijke
gegevens tussen de organen van de Orde niet identificeren en traceren, en betreurt zij dat
de verweerder geen uitleg heeft gegeven over de mededeling en/of doorgifte van
tuchtrechtelijke gegevens om recidive of verkiesbaarheidsvoorwaarden binnen de organen
van de Orde te beoordelen.
148. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het beginsel van minimale gegevensverwerking ook
een beperkte toegang tot persoonsgegevens impliceert. De interne doorgiften aan de Orde
moeten dus noodzakelijk zijn in het licht van de bevoegdheden van elk orgaan.
B. Beheer van de lijst van de Orde
149. De verweerder gaf ook aan dat de lijst van de Orde tuchtsancties "vermeldde" of "omvatte".
Ook verzekerde de verweerder dat een dergelijke verwerking in overeenstemming is met
het beginsel van minimale gegevensverwerking wegens de beperkte toegang, die in de
toekomst nog strenger zou zijn omdat hij alleen voor de instructeur en de verslaggever van
een tuchtorgaan toegankelijk zal zijn. De Geschillenkamer heeft twijfels bij deze bewering:
82
AVG, overweging 39.
83
AVG, artikel 4, 5°: Het gaat om « het verwerken van persoonsgegevens op zodanige wijze dat de persoonsgegevens niet
meer aan een specifieke betrokkene kunnen worden gekoppeld zonder dat er aanvullende gegevens worden gebruikt, mits
deze aanvullende gegevens apart worden bewaard en technische en organisatorische maatregelen worden genomen om
ervoor te zorgen dat de persoonsgegevens niet aan een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon worden
gekoppeld »
Beslissing ten gronde 77/2023 – 34/51
de verweerder lijkt het bijhouden van een dossier te verwarren met het bijhouden van de lijst
van de Orde.
150. In het licht van het doel van het beheer van de lijst van de Orde met gegevens in verband met
tuchtrechtelijke sancties, is het niet noodzakelijk dat de volledige sanctie toegankelijk is via
de raadpleging van de lijst van de Orde. Alleen een bijgewerkte vermelding van de
tuchtrechtelijke status is voldoende voor dit doel.
C. Ontwikkeling van deontologische beginselen op basis van rechtspraak
151. De verweerder wees ook op zijn verplichting om een reportorium van rechtspraak bij te
houden. De Geschillenkamer herinnert aan het precieze doel van een dergelijk repertorium
dat de nationale raad moet nastreven: de onwikkeling van deontologische beginselen.
152. Om te voldoen aan het beginsel van minimale gegevensverwerking, moet de verweerder
passende maatregelen treffen om dit repertorium van rechtspraak te beheren. De
verweerder moest dus overgaan tot pseudonimisering van de in een beslissing opgenomen
persoonsgegevens.
D. Beoordeling van de verkiesbaarheidsvoorwaarden van kandidaten voor de
verkiezingen van de organen van de verweerder
153. Zoals hierboven aangegeven zijn de organen van de verweerder verplicht om rekening te
houden met de tuchtrechtelijke status van een kandidaat voor hun verkiezingen. De
Geschillenkamer merkt echter op dat deze verwerking geen raadpleging van het dossier en
van de volledige tuchtsanctie vereist. Een sanctie bevat een grote hoeveelheid
persoonsgegevens met betrekking tot het gedrag van de overtreder. Om te voldoen aan het
beginsel van minimale gegevensverwerking zou het volstaan om de lijst van de Orde te
raadplegen, waarop een eventuele sanctie wordt vermeld.
E. Mededeling van betwiste gegevens aan de gegevensbank CoBRHA en de
gegevensbank van het IMI-systeem
154. Wat betreft de verwerkingen om te voldoen aan de wettelijke verplichting van de
verweerder om gegevens naar de genoemde gegevensbanken door te zenden, stelt de
Geschillenkamer vast dat de berisping geen maatregel is die het recht op uitoefening van
het beroep van apotheker beperkt of verbiedt. De mededeling van de betwiste gegevens is
in dat verband niet noodzakelijk om te voldoen aan de wettelijke verplichting van de
verweerder om via het IMI-systeem andere tuchtsancties dan de beperking van of het
verbod op de uitoefening van het beroep van apotheker aan andere lidstaten door te geven.
De Geschillenkamer voegt eraan toe dat artikel 114/1 van de gecoördineerde wet van 10 mei
2015 niet voorziet in de mededeling van alle tuchtrechtelijke gegevens van een apotheker,
noch van andere tuchtsancties dan de beperking van of het verbod op de uitoefening van
het beroep van apotheker.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 35/51
155. Bovendien, in tegenstelling tot de verweerder, constateert de Geschillenkamer dat artikel
99, 7°, van de wet van 15 mei 2015 84 bepaalt dat de door de verweerder door te geven
gegevens aan de gegevensbank CoBRHA gegevens zijn betreffende de inschrijving op de
lijst en betreffende de tijdelijke of definitieve intrekking van het recht tot uitoefening. Uit
deze bepaling blijkt dat de mededeling van gegevens betreffende tuchtrechtelijke sancties
die niet leiden tot een schrapping van de lijst of een tijdelijke of definitieve intrekking tot
uitoefening, niet noodzakelijk is om te voldoen aan de verplichting die is vastgelegd in artikel
99, 7°, van de wet van 15 mei 2015.
156. De Geschillenkamer merkt niettemin op dat de verweerder zich voor de doorgifte van
gegevens aan de FOD Volksgezondheid beroept op een protocol dat tussen de verweerder
en de FOD Volksgezondheid is gesloten.85 Dit protocol zou de mededeling van alle
tuchtsancties aan de FOD Volksgezondheid instellen, maar werd door de verweerder niet
aan de Geschillenkamer bezorgd en is niet vrij toegankelijk.
157. De Geschillenkamer stelt vast dat dit protocol niet beantwoordt aan de vereisten van artikel
6, lid 1, punt c), van de AVG om een wettelijke bepaling te vormen die een wettelijke
verplichting oplegt, omdat dit protocol voor de betrokkenen niet voorspelbaar is (punt 84).
158. De Geschillenkamer concludeert dan ook dat de verweerder artikel 5, lid 1, punt c), van de
AVG heeft geschonden door het meedelen van gegevens betreffende lichte sancties die
niet noodzakelijk waren voor het nagestreefde doel.
II.6. Wat betreft artikel 5, lid 1, punt d), van de AVG (beginsel van juistheid)
159. Het juistheidsbeginsel van artikel 5, lid 1, punt d), van de AVG bepaalt dat de verzamelde
gegevens moeten "juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen
moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor
zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren ". Concreet vertaalt
deze juistheidsmaatregel zich in specifieke waarborgen zoals de rectificatie van gegevens 86,
de wissing van gegevens die onjuist zijn en niet meer noodzakelijk zijn voor de doeleinden
waarvoor zij aanvankelijk zijn verzameld 87, of de beperking van de verwerking gedurende
een periode die de verwerkingsverantwoordelijke de mogelijkheid geeft de juistheid van de
84
Gecoördineerde wet van 10 mei 2015, art. 99: "De volgende diensten, instellingen en personen verschaffen aan de
permanente federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen de hierna bepaalde gegevens:
[…]
7° de Orde: de beroepsadressen evenals de gegevens betreffende de inschrijving op de lijst en betreffende de tijdelijke of
definitieve intrekking van het recht tot uitoefening maar zonder de redenen te vermelden die deze intrekking hebben
gemotiveerd;
[…] »
85
Conclusie van de verweerder, p. 50, § 119.
86
AVG, artikel 16.
87
AVG, artikel 17, lid 1, punt a).
Beslissing ten gronde 77/2023 – 36/51
persoonsgegevens te controleren88. Het actualiseren van gegevens is een aanvullende
schakel van het juistheidsbeginsel en is een meer concrete praktijk 89. Zodra een
gelegenheid tot bijwerken van gegevens zich voordoet, moet de
gegevensverwerkingsverantwoordelijke deze aangrijpen.
160. Het doel van dit beginsel is om verouderde gegevens tegen te gaan, waarvan het gebruik
niet relevant of zelfs nadelig voor de betrokkene kan zijn.
161. In zijn arrest Nowak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie gepreciseerd hoe de
naleving van dit beginsel moet worden beoordeeld: "[...] de nauwkeurigheid en de
volledigheid van persoonsgegevens [moeten] immers worden beoordeeld uitgaande van de
doeleinden waarvoor zij worden verzameld”90. Dit houdt in dat de
verwerkingsverantwoordelijke redelijke maatregelen treft om de juistheid van de
persoonsgegevens die hij verwerkt te waarborgen. De naleving van dit beginsel wordt met
meer of mindere strengheid beoordeeld, afhankelijk van de gevolgen van de verwerking van
een onjuist gegeven op de rechten en belangen van de betrokkene. Het juistheidsbeginsel
brengt een middelenverbintenis tot stand 91.
162. De AVG geeft geen definitie van de term "juistheid". De Groep artikel 29 verduidelijkte: "In
het algemeen wordt onder "juist" verstaan "juist in verhouding tot een feit" 92. Uit deze
interpretatie volgt dat de juistheid van subjectieve informatie niet kan worden
aangevochten op grond van het juistheidsbeginsel van de AVG. De grens tussen het
objectieve en subjectieve karakter van een gegeven is echter niet altijd duidelijk 93. Daarom,
in het kader van de verwerking van een sanctie of een door een disciplinair orgaan
uitgebracht formeel advies, wanneer een dergelijk advies is gebaseerd op normatieve
teksten waarvan de legaliteit wordt betwist, kan de verwerking van het advies in kwestie ter
discussie worden gesteld op grond van het juistheidsbeginsel. 94
163. Ter herinnering, de Geschillenkamer is niet bevoegd om te bepalen of een sanctie naar
aanleiding van daden van de klager kan worden opgelegd op grond van de nieuwe Code van
farmaceutische plichtenleer van de Orde der apothekers. De Geschillenkamer betwist
evenmin het bestaan van door de klager gestelde handelingen die de Franstalige raad van
88
AVG, artikel 18, lid 1, punt a).
89
G. HAAS, Guide juridique du RGPD : la réglementation sur la protection des données personnelles, 3 éd, Edition ENI, 2022,
p. 86 t.e.m. 89.
90
HvJ-EU, arrest van 20 december 2017, Nowak tegen Data Protection Commissioner, C-434/16, § 53.
91
C. DE TERWANGNE, « Les principes relatifs au traitement des données à caractère personnel et à sa licéité », in C. DE
TERWANGNE, K. ROSIER (dir.), Le Règlement Général de la Protection des Données (RGPD/GDPR) – Analyse approfondie,
Bruxelles, 2018, p. 111.
92
G29, Richtsnoeren betreffende de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-
131/12, "Google Spain en Inc. tegen Agencia Española de Protección de Datos (AEPD) en Mario Costeja González “, C-131/12,
p. 17.
93
C. DE TERWANGNE, op. cit., p. 111
94
C. DE TERWANGNE, op. cit., p. 112.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 37/51
beroep van de Orde ertoe hebben gebracht een schending van de essentiële beginselen van
het beroep van apotheker vast te stellen en hem te bestraffen (punt 11).
164. De Geschillenkamer is echter verbaasd dat de tuchtorganen van de Orde niet meer
gealarmeerd waren over een mogelijke actualisering van het tuchtdossier na de
goedkeuring van de nieuwe Code van farmaceutische plichtenleer en/of beslissingen van de
BMA in het kader van het beheer van tuchtzaken. De Geschillenkamer is van mening dat de
tuchtorganen van de Orde redelijkerwijs - op zijn minst na de goedkeuring van de nieuwe
Code van farmaceutische plichtenleer - moesten voorzien in de actualisering van
tuchtdossiers, met name om na te gaan of de bewaarde gegevens nog steeds de correcte
disciplinaire status weergaven met betrekking tot het normatieve kader van het beroep van
apotheker. In dit geval had de verweerder moeten nagaan of de aan de klager opgelegde
sancties op basis van de oude uitgave van de Code van farmaceutische plichtenleer opnieuw
zouden worden opgelegd krachtens die nieuwe code, en of in het licht van dat onderzoek het
handhaven van de opgelegde tuchtsanctie tegen de klager nog steeds een correcte
tuchtrechtelijke status weergaf.
165. De Geschillenkamer herinnert de verwerkingsverantwoordelijke er nogmaals aan dat, zoals
hierboven aangegeven (punt 160) het doel van dit beginsel de bestrijding is van verouderde
gegevens waarvan het gebruik niet relevant of zelfs schadelijk kan lijken voor de
betrokkene. Dit lijkt de situatie hier te zijn, aangezien de betwiste gegevens, namelijk de in
2018 aan de klager opgelegde sanctie op basis van de oude code, zijn verwerkt om recidive
en/of verkiesbaarheidsvoorwaarden van de klager voor de verschillende raden van de Orde
te beoordelen.
166. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder ondanks de goedkeuring van de nieuwe
Code van farmaceutische plichtenleer, de betwiste gegevens van de klager is blijven
verwerken zonder zelfs maar een actualisering van zijn tuchtdossier te overwegen,
aangezien de klager zich nog steeds niet verkiesbaar kon stellen voor de organen van de
verweerder. Anderzijds konden de feiten waarop de sanctie was gebaseerd hem in het kader
van nieuwe disciplinaire procedures blootstellen aan een zwaardere sanctie wegens
recidive. Ten tijde van het verzoek tot wissing van de klager in 2022, hadden dergelijke
bezwaren de provinciale raad moeten motiveren om de relevantie opnieuw te onderzoeken
van het bewaren van de tuchtsanctie van de klager in diens tuchtdossier, waarvoor de raad
verantwoordelijk was. In zijn conclusie en ten tijde van de hoorzitting kon de verweerder niet
bevestigen dat een dergelijke sanctie opnieuw zou worden opgelegd na de goedkeuring van
het nieuwe RIO, waaruit blijkt dat de herbeoordeling van het behoud van de tuchtsanctie in
het dossier van de klager niet was onderzocht.
167. Deze beoordeling door de provinciale raad mag niet worden beschouwd als een tweede kans
om in beroep te gaan tegen de beslissing om de sanctie te vernietigen. Zij beoogt de
Beslissing ten gronde 77/2023 – 38/51
relevantie te beoordelen van het bijwerken van de tuchtrechtelijke status van een apotheker
door te bepalen of de aanwezigheid van een tuchtrechtelijke beslissing in het tuchtdossier
van de apotheker nog steeds relevant is. Dit bijwerken van het tuchtdossier betekent niet
dat de tuchtrechtelijke beslissing in de rechtspraak van de raden van de verweerder wordt
gewist.
168. In het licht van het voorgaande stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder niet
voldoende middelen heeft ingezet om te voldoen aan het juistheidsbeginsel. Door het
tuchtdossier van de klager niet opnieuw te onderzoeken na de goedkeuring van de
nieuwe Code van farmaceutische plichtenleer, ondanks de door de klager aangevoerde
bezwaren en de ernstige aanwijzingen van het ontbreken van een grondslag voor het
behoud van een dergelijke sanctie, schendt de verweerder artikel 5, lid 1, punt d), van de
AVG.
II.7. Wat betreft de inbreuk op artikel 10 van de AVG
169. Met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke
veroordelingen en strafbare feiten bepaalt artikel 10 van de AVG: "Omvattende registers
van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van
de overheid." De AVG vereist dat dergelijke verwerkingen, wanneer zij niet onder toezicht
van de overheid worden uitgevoerd, worden geregeld bij Unierechtelijke of
lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van
de betrokkenen bieden.
170. Om het materiële toepassingsgebied van de AVG af te bakenen, controleert de
Geschillenkamer of de verwerking van deontologische sancties niet een van de
verwerkingen van persoonsgegevens is die zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van
de AVG. Artikel 2, lid 2, punt d), van de AVG 95 sluit inderdaad gegevensverwerkingen die
worden beschermd door Richtlijn 2016/680 van 27 april 2016 (hierna "de richtlijn Politie-
Justitie") uit van het materiële toepassingsgebied van de AVG. 96.
171. Om binnen het toepassingsgebied van de richtlijn Politie-Justitie te vallen, moet een
gegevensverwerking aan twee cumulatieve voorwaarden voldoen. Enerzijds moet zij een
van de doeleinden nastreven zoals vermeld in artikel 1, namelijk de voorkoming, het
onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van
95
Artikel 2, lid 2, punt d): "[...]2. Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens:
[...] d) door de bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van
strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van
gevaren voor de openbare veiligheid. »
96
Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de
voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 39/51
straffen97. Anderzijds moet de verwerking, ongeacht het doel ervan, worden uitgevoerd
door een bevoegde instantie in de zin van artikel 3, lid 7, van de richtlijn Politie-Justitie98.
172. Artikel 10 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen
met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna "kaderwet") bepaalt
daarentegen dat de door artikel 10 van de AVG bedoelde instanties, en die dus geen
bevoegde instanties zijn in de zin van artikel 3, lid 7, van de richtlijn Politie-Justitie,
publiekrechtelijke rechtspersonen mogen zijn, voor zover dat noodzakelijk is voor het
beheer van hun eigen geschillen99. De Geschillenkamer is van mening dat de Orde der
apothekers aan deze definitie beantwoordt, op grond van haar vaststellingen in deel II.1. De
verweerder is dus uitgesloten van het persoonlijke toepassingsgebied van de richtlijn
Politie-Justitie en artikel 10 van de AVG kan mogelijk op hem worden toegepast.
173. De Geschillenkamer moet nog bepalen of de tuchtsanctie kan worden beschouwd als
strafrechtelijke veroordeling, een begrip dat door de AVG niet wordt gedefinieerd. Daarom
moeten we ons wenden tot de richtlijn Politie-Justitie. Volgens overweging 13 van de richtlijn
Politie-Justitie is het begrip strafbaar feit een autonoom Unierechtelijk begrip zoals
uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna "HvJ-EU"). Om het
strafrechtelijke karakter van een sanctie te beoordelen heeft het HvJ-EU100 dezelfde criteria
gehanteerd als het Europese Hof voor de rechten van de mens in zijn arrest Engel 101: het
eerste is de juridische kwalificatie van de overtreding in het nationaal recht, het tweede de
aard van overtreding zelf en het derde de aard en de zwaarte van de sanctie die kan worden
opgelegd102.
174. Op basis van deze elementen stelt de Geschillenkamer vast dat een strafrechtelijke sanctie
naar Belgisch recht niet als strafrechtelijk wordt beschouwd. Dit criterium is echter niet
doorslaggevend103. De aard van de inbreuk, waarop zware sancties zijn gericht, heeft
repressieve doelstellingen tegen gedragingen die in strijd worden geacht met de essentiële
beginselen van het beroep, met als doel de algemene belangen van de samenleving, zoals
97
Richtlijn Politie-Justitie, artikel 1, lid 1.
98
Artikel 3, lid 7, van de richtlijn Politie-Justitie: ""bevoegde autoriteit":
a) a) iedere overheidsinstantie die bevoegd is voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare
feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de
openbare veiligheid; of
b) b) ieder ander orgaan dat of iedere andere entiteit die krachtens het lidstatelijke recht is gemachtigd openbaar gezag en
openbare bevoegdheden uit te oefenen met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van
strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van
gevaren voor de openbare veiligheid;"
99
Kaderwet, artikel 10, § 1::
« In uitvoering van artikel 10 van de Verordening wordt de verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke
veroordelingen en strafrechtelijke inbreuken of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen uitgevoerd :
1° door natuurlijke personen of door privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen voor zover dat noodzakelijk is
voor het beheer van hun eigen geschillen; [...] »
100
HvJ-EU (Grote kamer), 5 juni 2012 arrest Prokurator Generalny tegen Łukasz Marcin Bonda, C-489/10, § 37.
101
EHRM, 8 juni 1976, arresten Engel e.a. tegen Nederland, 5100/71, 5101/71, 5102/71, 5354/72, 5370/72, § 80-83.
102
Zie in die zin HvJ-EU, 5 juni 2012 Bonda, C‑489/10, § 37 ; HvJ-EU, 20 maart 2018, arrest Garlsson Real Estate e.a.,
C‑537/16, § 28, evenals HvJ-EU, 2 februari 2021, arrest Consob, C‑481/19, § 42.
103
HvJ-EU, 22 juni 202, Latvijas Republikas Saelma, C-439/19, § 88.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 40/51
de volksgezondheid, te beschermen. De zwaarte van een zware tuchtsanctie, door de
uitoefening van een beroep te verbieden, zou op zich hoog genoeg zijn om te voldoen aan de
derde voorwaarde uit de rechtspraak van het EHRM. Voor zware sancties wordt dus voldaan
aan de tweede en derde voorwaarden. Dit is echter niet het geval voor een lichte sanctie
zoals een berisping. Bijgevolg concludeert de Geschillenkamer dat artikel 10 van de AVG niet
van toepassing is op de verwerkingen die zijn uitgevoerd met de gegevens van de klager.
II.8. Wat betreft het verzoek tot wissing van de klager en de inbreuk op artikel 17 van de
AVG
II.8.1. Over de inbreuk op artikel 17 in 2020
175. Eerst en vooral, wat betreft het verzoek tot wissing van de klager in januari 2020, stelt de
Geschillenkamer vast dat dit verzoek voornamelijk was gebaseerd op het feit dat volgens de
klager de in 2016 opgelegde sanctie moet worden beschouwd als onwettig na de
beslissingen van de BMA en de goedkeuring van de nieuwe Code. De Geschillenkamer is niet
bevoegd om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van de sanctie in kwestie ten aanzien
van het mededingingsrecht of de huidige farmaceutische deontologie. Zij kan derhalve geen
schending van artikel 17, lid 1, punt d) door de verweerder vaststellen wanneer deze aangeeft
dat de opgelegde sanctie niet onwettig was, en dus ook de daaropvolgende verwerkingen
met betrekking tot deze sanctie niet.104
176. In 2020 stelde de klager al het gebrek aan een passend bewaartermijnbeleid door de
verweerder aan de orde en wees hij erop dat de sanctie buitensporig lang werd bewaard. De
wissing moest dus worden uitgevoerd wegens onrechtmatige verwerking op grond van
artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG. De Geschillenkamer kan de redenering van de klager
echter niet volgen. Een bewaartermijn van minder dan vier jaar voor een lichte tuchtsanctie
lijkt de Geschillenkamer a priori niet buitensporig. En alleen het ontbreken van een beleid
voor het bewaren van de betwiste gegevens is geen inbreuk die ernstig genoeg is om de
gevraagde wissing van de betwiste gegevens te rechtvaardigen. De verweerder heeft
derhalve artikel 17, lid 1, punt d), niet geschonden toen hij weigerde in te gaan op het
verzoek van de klager in 2020.
II.8.2. Over de toepassing van het recht op wissing zoals bepaald in artikel 17 van de
AVG
104
Als de verweerder niet verplicht was om alle verwijzingen naar de betwiste gegevens te wissen en alle verwerkingen met
de betwiste gegevens stop te zetten, had hij ten minste de juistheid van de tuchtrechtelijke status van de klager moeten
onderzoeken (deel II.6).
Beslissing ten gronde 77/2023 – 41/51
177. De Geschillenkamer stelt vast dat de klager zich in zijn in 2022 ingediende klacht beroept op
artikel 17, lid 1, punten a), d) en e), van de AVG om de wissing van de betwiste gegevens te
vragen. Het verzoek van de klager is om de betwiste gegevens uit zijn persoonlijke dossier
te verwijderen. Op basis van de conclusie van de klager en van zijn klacht, begrijpt de
Geschillenkamer dat de klager wenst dat de in 2016 opgelegde tuchtrechtelijke sanctie uit
zijn tuchtdossier wordt verwijderd en dat bijgevolg de verwerkingen in verband met zijn
tuchtrechtelijke status (meer in het bijzonder de beoordeling van
verkiesbaarheidsvoorwaarden voor de verkiezingen van de organen van de verweerder en
voor de status van stagemeester) worden stopgezet.
178. Op grond van artikel 17, lid 1, punt d), van de AVG kan een betrokkene deze wissing vragen
wanneer de verwerking van zijn gegevens onrechtmatig is. Deze bepaling heeft onder
andere betrekking op de schending van het rechtmatigheidsbeginsel van artikel 5, lid 1, punt
a), van de AVG. Het Hof van Justitie heeft het toepassingsgebied van deze bepaling
uitgebreid en gepreciseerd dat de onrechtmatige verwerking het gevolg kan zijn van andere
omstandigheden waarin gegevens "ontoereikend, niet ter zake dienend of bovenmatig zijn
voor de doeleinden van de verwerking, omdat zij niet zijn bijgewerkt of omdat zij langer
worden bewaard dan noodzakelijk is, tenzij de bewaring ervan is vereist wegens historische,
statistische of wetenschappelijke doeleinden." 105 Deze uitlegging wordt ook door het
Europees Comité voor gegevensbescherming bevestigd: "Het begrip “onrechtmatige
verwerking” moet eerst worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 6 AVG dat gewijd is
aan rechtmatigheid van de verwerking. Andere beginselen die zijn vastgesteld in het kader
van de AVG (zoals de beginselen van artikel 5 AVG of andere bepalingen van hoofdstuk II)
kunnen van nut zijn bij die interpretatie .”106
179. In het licht van alle voorgaande overwegingen stelt de Geschillenkamer vast dat de
verweerder niet aantoont de beginselen van doelbinding en minimale gegevensverwerking
(zie delen II.4 en II.5) en het juistheidsbeginsel (zie deel II.6) te hebben nageleefd in het kader
van de verwerkingen die met de betwiste gegevens zijn uitgevoerd. De Geschillenkamer
heeft de verwerking van de betwiste gegevens onrechtmatig verklaard.
180. Deze onrechtmatige verwerkingen vormen ernstige inbreuken, waaronder de schending
van meerdere essentiële beginselen van de AVG en bijgevolg heeft de klager het recht de
wissing van de betwiste gegevens uit zijn tuchtdossier te vragen op grond van artikel 17, lid
1, punt d), van de AVG.
105
HvJ-EU, arrest van 13 mei 2014, Google Spain SL en Google Inc, C-131/12, § 92.
106
EDPB, Richtsnoeren 5/2019 betreffende de criteria voor het recht om vergeten te worden in de zoekmachinezaken
krachtens de AVG, p. 10, § 35-36.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 42/51
181. De opslag van de betwiste gegevens in het tuchtdossier van de klager, die op het moment
dat de onderhavige beslissing wordt genomen al meer dan vijf jaar duurt, is bovendien niet
langer relevant.
182. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder twee uitzonderingen op het recht op
wissing van persoonsgegevens aanvoert die van toepassing zijn op zijn situatie: de
verwerking is noodzakelijk voor het nakomen van een wettelijke verplichting (artikel 17, lid
3, punt b), van de AVG) en voor de onderbouwing van een rechtsvordering (artikel 17, lid 3,
punt e), van de AVG).
183. Onder de aangevoerde wettelijk verplichtingen noemt de verweerder de bepalingen van KB
nr. 80. Zoals de Geschillenkamer hierboven heeft uiteengezet, verwijst artikel 15 van KB nr.
80 naar het bijhouden van een register van tuchtrechtelijke beslissingen, waarvan het
doeleinde duidelijk omschreven is: "met het oog op het aanvullen of nader omschrijven van
de bepalingen van de code van plichtenleer op basis van die rechtspraak, deze code, zo
daartoe redenen zijn, aan te passen". Deze specifieke verwerking houdt geen verband met
het beheer van tuchtzaken en vereist niet dat de betwiste gegevens in zijn tuchtdossier
worden bewaard.
184. Bovendien kan de taak van de verweerder om de lijst van de Orde bij te houden niet worden
ingeroepen tegen het verzoek tot wissing: de in de lijst van de Orde opgenomen
persoonsgegevens moeten de tuchtrechtelijke status van een apotheker weergeven, die
afhankelijk is van een bijgewerkt tuchtdossier. In feite zou de wissing van de betwiste
gegevens uit het tuchtdossier de facto de wissing van de vermelding van de sanctie op de
lijst van de Orde tot gevolg moeten hebben. Wat de andere met de betwiste gegevens
nagestreefde doeleinden betreft (beoordeling van de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor
verkiezingen en voor de status van leermeester), kan hierop dezelfde redenering worden
toegepast: de wissing van een tuchtsanctie zou logischerwijs de stopzetting van deze
verwerkingen tot gevolg moeten hebben.
185. Wat betreft de andere door de verweerder aangevoerde wettelijke verplichtingen die erin
bestaan de persoonsgegevens betreffende alle opgelegde tuchtsancties, zowel lichte als
zware, mee te delen aan twee gegevensbanken op grond van de gecoördineerde wet van 10
mei 2015, zoals eerder vermeld, zijn de betwiste gegevens niet relevant om deze doeleinden
te bereiken (punten 155 t.e.m. 157). De verweerder kan deze twee wettelijke verplichtingen
dus niet inroepen tegen het verzoek tot wissing van de klager.
186. Wat betreft de aangevoerde uitzondering voor de onderbouwing van een rechtsvordering
(artikel 17, lid 3, punt e), van de AVG), heeft de Geschillenkamer vastgesteld dat de
verweerder de betwiste gegevens voor de Raad van State mocht gebruiken. Deze
verdediging in rechte slaat enkel op de verwerking van de betwiste gegevens door de
nationale raad, het enige orgaan dat bevoegd is de verweerder in rechte te
Beslissing ten gronde 77/2023 – 43/51
vertegenwoordigen. Zij vereist niet dat de betwiste gegevens worden bewaard in het
tuchtdossier van de klager, dat door de bevoegde provinciale raad wordt bijgehouden.
187. Concluderend beveelt de Geschillenkamer, op basis van de vaststellingen hierboven, de
verweerder de betwiste gegevens in het tuchtdossier van de klager te wissen.
188. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig
artikel 19 van de AVG een kennisgevingsplicht heeft inzake de wissing van
persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke stelt iedere ontvanger aan wie
persoonsgegevens zijn verstrekt, in kennis van elke wissing van persoonsgegevens
overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de AVG, tenzij dit onmogelijk blijkt of onevenredig veel
inspanning vergt. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene informatie
over deze ontvangers indien de betrokkene hierom verzoekt.
II.9. Wat betreft de goedkeuring van een nieuw reglement van interne orde en de
inbreuken op de artikelen 23, 35 en 36 van de AVG
II.9.1. Standpunt van de partijen
189. De verweerder kondigde de aanneming van het nieuwe RIO van de nationale raad aan. Dit
nieuwe RIO voert mechanismen in voor wissing en rehabilitatie. Zij zijn bedoeld om lichte en
zware tuchtsancties te wissen, met hun respectieve procedures. Volgens de verweerder zou
het nieuwe RIO tegemoetkomen aan de grief van de klager.
190. De klager merkt op dat elk orgaan van de Orde van het koninklijk besluit de bevoegdheid
heeft gekregen om zijn eigen RIO op te stellen om zijn interne werking te regelen: elke
provinciale raad (art. 5 KB nr. 80), elke raad van beroep (art. 12 KB nr. 80) en de nationale
raad (art. 14 KB nr. 80). De klager benadrukt dat het doel van het RIO van de nationale raad,
net zoals alle RIO's van de andere organen van de Orde, is de interne werking van de
nationale raad te regelen, en niet om rechtsregels te creëren die kunnen worden
tegengeworpen aan de andere raden en de apothekers.
191. De klager verbaast zich erover dat de verweerder - om het huidige juridische kader te
vervolledigen - het RIO van de nationale raad heeft gewijzigd om zich in overeenstemming
te brengen met de bepalingen van de AVG, hetgeen in strijd zou zijn met de artikelen 23, 35
en 36 van de AVG en de artikelen 6 en 13 van het EVRM.
192. Wat betreft de status van het op 22 september 2020 aangenomen nieuwe RIO, betreurt de
klager dat de verweerder niet het volledige nieuwe RIO, maar enkel uittreksels, noch de
volledige beraadslaging van 22 september 2022, heeft meegedeeld. Hij voegt eraan toe dat
niemand kan bevestigen dat het nieuwe RIO ooit van kracht zal zijn.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 44/51
193. Wat de inhoud van het nieuwe RIO betreft, verbaast de klager zich erover dat de verweerder
afgeweken is van de aanbevelingen (aanneming van een formele wet) die hij evenwel aan de
GBA in 2020 heeft gevraagd, en het huidige juridische kader heeft vervolledigd door het RIO
van de nationale raad te wijzigen om te voldoen aan de bepalingen van de AVG, hetgeen in
strijd zou zijn met artikel 23 van de AVG.
194. De verweerder betwist de door de klager aangevoerde schendingen die voortvloeien uit de
goedkeuring van dit RIO. De artikelen 23, 35 en 36 van de AVG leggen de autoriteiten van
de lidstaten verplichtingen op, en niet aan de verwerkingsverantwoordelijke.
II.9.2. Standpunt van de Geschillenkamer
195. De Geschillenkamer merkt op dat elk orgaan van de Orde bevoegd is om zijn eigen RIO aan
te nemen. In tegenstelling tot de nationale raad stelt 107, elke provinciale raad108 en elke raad
van beroep109 zijn eigen RIO op dat aan de nationale raad wordt voorgelegd ter definitieve
goedkeuring van de tekst.
196. In het licht van alle voorgaande overwegingen concludeert de Geschillenkamer dat de
nationale raad niet bevoegd is om een RIO aan te nemen dat geldt voor alle organen. De
nationale raad kan derhalve zijn RIO niet aan de andere organen van de verweerder
opleggen, namelijk de provinciale raden en de raden van beroep. Bijgevolg verwijdert de
Geschillenkamer het door de verweerder voorgestelde nieuwe RIO uit haar onderzoek en
sluit zij in fine de door de klager aangevoerde vermeende schendingen van de artikelen 22,
35 en 36 van de AVG, en artikelen 6 en 13 van het EVRM, uit van de analyse.
III. Corrigerende maatregelen en sancties
197. Naast de corrigerende maatregelen om de verwerking in overeenstemming te brengen met
artikel 5, lid 1, punten a), b), c), d) en e), van de AVG en te voldoen aan het verzoek tot wissing
van de betwiste gegevens van de klager uit diens tuchtdossier, beslist de Geschillenkamer
eveneens een administratieve geldboete van 30.000 euro op te leggen, niet om een einde
te maken aan een gepleegde inbreuk, maar om de regels van de AVG doeltreffend te
handhaven. Zoals duidelijk blijkt uit overweging 148 , bepaalt de AVG immers dat straffen,
met inbegrip van administratieve geldboeten, worden opgelegd voor elke ernstige inbreuk
– dus ook bij een eerste vaststelling van een inbreuk –, naast of in plaats van passende
maatregelen die worden opgelegd.110 De Geschillenkamer toont hierna aan dat de door de
107
KB nr. 80, artikel 14, § 2.
108
KB nr. 80, artikel 5, eerste lid.
109
KB nr. 80, art. 12 en 13.
110
Overweging 148 bepaalt: “Met het oog op een krachtiger handhaving van de regels van deze verordening dienen straffen,
met inbegrip van administratieve geldboeten, te worden opgelegd voor elke inbreuk op de verordening, naast of in plaats
Beslissing ten gronde 77/2023 – 45/51
verweerder gepleegde schendingen van de beginselen van artikel 5 van de AVG geenszins
kleine inbreuken zijn en dat de geldboete geen onevenredige last aan een natuurlijk persoon
zou berokkenen in de zin van overweging 148 van de AVG, twee gevallen waarin kan worden
afgezien van een geldboete. Het feit dat het gaat om een eerste vaststelling van een door
de verweerder gepleegde inbreuk op de AVG doet op generlei wijze afbreuk aan de
mogelijkheid voor de Geschillenkamer om een administratieve geldboete op te leggen. De
Geschillenkamer legt de administratieve geldboete op in toepassing van artikel 58, lid 2,
punt i), van de AVG. Het instrument van de administratieve geldboete heeft geenszins tot
doel een einde te maken aan inbreuken. Daartoe voorzien de AVG en de WOG in een aantal
corrigerende maatregelen, waaronder de bevelen genoemd in artikel 100, §1, 8° en 9° van
de WOG.
198. Gelet op artikel 83 van de AVG, de rechtspraak 111 van het Marktenhof en de richtsnoeren van
de EDPB over de berekening van administratieve geldboeten112, motiveert de
Geschillenkamer het opleggen van een administratieve geldboete in concrete termen :
- Het schuldige gedrag van de verweerder: De vastgestelde inbreuk heeft te maken
met de grondbeginselen van de gegevensverwerking zoals bepaald in artikel 5 van
de AVG. Deze beginselen zijn van kracht sinds 25 mei 2018. De verweerder heeft
toegegeven dat hij er sinds 2020 over denkt zijn privacybeleid aan te passen. Een
reflectie is echter niet voldoende. Er moeten maatregelen worden genomen zodat
de verwerkingen van de betwiste gegevens in overeenstemming kunnen worden
gebracht. Bovendien heeft deze reflectie nog geen oplossing geboden voor de
problemen die door de klager aan de orde zijn gesteld en waarvan de verweerder al
jaren op de hoogte was en waarvan hij de mogelijke nadelige gevolgen kende.
Bijgevolg is de Geschillenkamer van mening dat het gedrag van de verweerder
nalatig was. Deze vaststelling laat haar toe te overwegen een administratieve
geldboete op te leggen.113
van passende maatregelen die door de toezichthoudende autoriteiten ingevolge deze verordening worden opgelegd. Indien
het gaat om een kleine inbreuk of indien de te verwachten geldboete een onevenredige last zou berokkenen aan een
natuurlijk persoon, kan in plaats van een geldboete worden gekozen voor een berisping. Er dient evenwel rekening te
worden gehouden met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met het opzettelijke karakter van de inbreuk, met
schadebeperkende maatregelen, met de mate van verantwoordelijkheid, of met eerdere relevante inbreuken, met de wijze
waarop de inbreuk ter kennis van de toezichthoudende autoriteit is gekomen, met de naleving van de maatregelen die
werden genomen tegen de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, met de aansluiting bij een gedragscode en met
alle andere verzwarende of verzachtende factoren. Het opleggen van straffen, met inbegrip van administratieve
geldboeten, moet onderworpen zijn aan passende procedurele waarborgen overeenkomstig de algemene beginselen van
het Unierecht en het Handvest, waaronder een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke rechtsbedeling.” [eigen
onderstreping]
111
Hof van Beroep Brussel (sectie Marktenhof), X t. GBA, arrest 2020/1471 van 19 februari 2020.
112
EDPB, Richtsnoeren 04/2022 over de berekening van administratieve geldboeten krachtens de AVG, versie 2.0, p. 17-25,
beschikbaar op https://edpb.europa.eu/system/files/2023-
06/edpb_guidelines_042022_calculationofadministrativefines_en.pdf
113
Zie met name het advies van advocaat-generaal N. EMILIOU in de zaak C-683/21, § 77-78, voor wie de vaststelling van
nalatigheid een minimumvereiste is om een administratieve geldboete op te leggen.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 46/51
- De ernst van de inbreuk: De geschonden bepalingen vormen de kern van de AVG:
de basisprincipes van een verwerking krachtens artikel 5 van de AVG. Inbreuken op
de voornoemde artikelen geven aanleiding tot de hoogste geldboeten in artikel 83,
lid 5, van de AVG.
De verwerkingen in kwestie hebben bovendien betrekking op het beheer van
tuchtsancties tegen apothekers. De inbreuk in verband met deze verwerkingen is
dus van dien aard dat zij schade kan toebrengen aan de betrokkenen. Aangezien de
verweerder bij wet is belast met het vervullen van een taak van algemeen belang op
nationaal niveau, zijn de betrokken verwerkingen ook van nationale reikwijdte en
kunnen zij alle in België werkzame apothekers in België treffen, aangezien de
inbreuken voortvloeien uit lacunes in het algemene privacybeleid van de
verweerder, en niet uit een geïsoleerd geval.
- Wat het niveau van de geleden schade114 betreft, voert de klager immateriële
schade aan wegens reputatieschade, evenals een mogelijke weigering van
goedkeuring als stagemeester en de niet-verkiesbaarheid bij de verschillende
organen van de verweerder. Deze schade kan alle betrokkenen treffen die door de
verweerder zijn gesanctioneerd. De Geschillenkamer kent het exacte aantal
apothekers niet aan wie een tuchtsanctie is of wordt opgelegd. 115 De
Geschillenkamer vermoedt dat een matig aantal betrokkenen mogelijk matige
schade kan ondervinden als gevolg van de vastgestelde inbreuk.
- De duur van de inbreuk: De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder een
ontoereikend privacybeleid heeft, met name wat betreft de toepassing van de
beginselen van rechtmatigheid, minimale gegevensbescherming, doelbinding en
opslagbeperking, minstens sinds 5 februari 2018, toen de sanctie aan de klager
werd opgelegd. De schending van deze beginselen waarvoor de Geschillenkamer
bevoegd is, vindt dus sinds 25 mei 2018 plaats.
Wat de schending van het juistheidsbeginsel betreft, merkt de Geschillenkamer op
dat de verweerder in januari 2020 een nieuwe Code van farmaceutische
plichtenleer heeft aangenomen die toleranter moest zijn ten aanzien van nieuwe
114
Zie met name overweging 75 van de AVG.
115
Bijvoorbeeld, volgens het Jaarverslag 2021 van de nationale raad van de Orde der apothekers, werden in 2021 ,44
sancties opgelegd, een stijging ten opzichte van voorgaande jaren. De Geschillenkamer leidt hieruit af dat er een matig
aantal apothekers is voor wie de verweerder een tuchtdossier bijhoudt.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 47/51
reclamemethoden. De klager heeft ook op 27 januari 2020 de gegrondheid van zijn
sanctie betwist door de verweerder een ingebrekestelling te sturen. In 2023 heeft
de verweerder de relevantie van het handhaven van de sanctie van de klager in het
licht van de nieuwe bepalingen van de Code van farmaceutische plichtenleer niet
geverifieerd. De Geschillenkamer is derhalve van mening dat dit deel van de inbreuk
in januari 2020 is begonnen.
- Over het ontbreken van verzachtende omstandigheden: De Geschillenkamer is van
mening dat de door de verweerder genoemde initiatieven niet van dien aard zijn dat
zij de opgelegde geldboete kunnen matigen. De AVG is immers in 2016
aangenomen en in 2018 in werking getreden. De beginselen van de AVG hadden
moeten worden nageleefd zodra de AVG van kracht werd. Gelet op de
vaststellingen in de onderhavige beslissing, waren deze inspanningen bovendien
onvoldoende om de klacht op te lossen.
- Nodige afschrikwekkende werking om verdere inbreuken te voorkomen: De
verweerder is van mening dat zijn privacybeleid niet onwettig is. Om eventuele
schendingen van de AVG te rechtvaardigen, voerde de verweerder aan dat het niet
zijn verantwoordelijkheid was om dit probleem op te lossen, maar die van de
wetgever. Een dergelijk standpunt getuigt van een gebrek aan begrip van het
belang van de wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens, met name
de basisbeginselen van gegevensverwerking. De Geschillenkamer is derhalve van
mening dat een administratieve geldboete moet worden opgelegd.
Het geheel van de hierboven uiteengezette elementen rechtvaardigt een doeltreffende,
evenredige en afschrikkende sanctie als bedoeld in artikel 83 van de AVG, rekening
houdend met de daarin bepaalde beoordelingscriteria. De Geschillenkamer wijst erop dat de
andere criteria van artikel 83, lid 2, van de AVG in dit geval niet van dien aard zijn dat zij leiden
tot een andere administratieve geldboete dan die welke de Geschillenkamer in het kader van
deze beslissing heeft vastgesteld.
199. In zijn reactie op het sanctieformulier betoogt de verweerder samenvattend dat de
Geschillenkamer zich op elementen baseert die in strijd zijn met de stukken in het dossier en
dat zij getuigt van een gebrek aan inzicht in het wettelijk kader, de rol en de bevoegdheden
van de Orde. De verweerder voert om zijn punt te verduidelijken argumenten aan die
betrekking hebben op de grond van de zaak. De Geschillenkamer is van mening dat de
Beslissing ten gronde 77/2023 – 48/51
motivering van de onderhavige beslissing tegemoetkomt aan de argumenten die door de
verweerder in zijn reactie zijn aangevoerd.
200. Wat betreft de criteria die in aanmerking zijn genomen om een administratieve geldboete
op te leggen, betoogt de verweerder het volgende:
i. De Geschillenkamer gaf aan dat de duur van de inbreuk moest worden berekend
vanaf 22 december 2016, maar dat zij pas bevoegd was vanaf 25 mei 2018. Volgens
de verweerder moet bijgevolg geen rekening worden gehouden met de datum van
22 december 2016, aangezien de sanctie pas op 5 februari 2018 inging. Bovendien,
hoewel de Geschillenkamer pas bevoegd is vanaf 25 mei 2018, houdt zij geen
rekening met de door de Orde genomen maatregelen om de problemen van het
bewaren van de gegevens op te lossen.
ii. De Geschillenkamer gaf aan dat de verweerder initiatieven had moeten nemen vanaf
de inwerkingtreding van de AVG, en dat de oplossing voor de problemen inzake
gegevensbescherming niet alleen aan de wetgever kon worden overgelaten.
Volgens hem heeft de verweerder zijn verantwoordelijkheid opgenomen, en heeft
hij zelfs maatregelen contra legem genomen om de verwerkingen in
overeenstemming te brengen met de beginselen van de AVG.
iii. De verweerder betwist de kwalificatie van zijn gedrag als "nalatig". In tegenstelling
tot hetgeen de Geschillenkamer in haar formulier schreef, is de reflectie van de
verweerder begonnen in 2020 (en niet in 2023), zoals blijkt uit de stukken in het
dossier. De verweerder zou de enige orde zijn onder de gereglementeerde
beroepen, die concrete maatregelen heeft getroffen om dit probleem te verhelpen.
iv. De verweerder beweert dat de door de klager geleden immateriële schade niet
voldoende bewezen is, en alleen is gebaseerd op de verklaringen van de klager.
v. De verweerder verklaart dat hij niet verantwoordelijk is voor de negatieve adviezen
van de universiteiten wegens het bestaan van een tuchtsanctie, of de niet-
verkiesbaarheid van kandidaten voor de organen van de Orde. Volgens de
verweerder is het de wetgever die in een onverkiesbaarheid voor onbepaalde tijd
voorziet.
vi. De Geschillenkamer is niet bevoegd om te beslissen of een tuchtsanctie al dan niet
gerechtvaardigd is.
vii. De Geschillenkamer houdt geen rekening met verzachtende omstandigheden.
viii. De aan de klager opgelegde sanctie is op 1 maart 2023 verwijderd, na de
goedkeuring van het nieuwe RIO van de nationale raad.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 49/51
201. De elementen van het sanctieformulier waarmee de Geschillenkamer rekening houdt,
worden hieronder besproken.
202. De Geschillenkamer heeft rekening gehouden met de opmerkingen van de verweerder wat
betreft de ingangsdatum van de tuchtsanctie, en dus de begindatum van de verwerkingen
die met de betwiste gegevens zijn uitgevoerd: de sanctie werd van kracht op 5 februari 2018.
Deze datumwijziging heeft echter geen invloed op de relevante duur van de inbreuk op de
AVG, die op 25 mei 2018 begon.
203. Wat betreft de in punt 200, i. en ii., aangevoerde argumenten, waren de genoemde
maatregelen op het moment van de sluiting van de debatten nog niet genomen. Geen enkel
tastbaar bewijs dat dergelijke maatregelen zijn getroffen, is aan de Geschillenkamer
bezorgd. Hoewel de reflecties al in 2020 begonnen, vereist de AVG bovendien dat alle
verwerkingen vanaf 25 mei 2018 aan de voorschriften voldoen. Een reflectie die het
voorwerp van de klacht niet oplost vóór de sluiting van de debatten kan de
verwerkingsverantwoordelijke niet vrijpleiten van zijn inbreuken op de AVG.
204. Wat de geleden immateriële schade betreft, bepaalt overweging 75 van de AVG dat de
toezichthoudende autoriteiten niet alleen rekening moeten houden met de geleden schade,
maar ook met de risico's op schade. Aangezien de door de verwerker uitgevoerde
verwerkingen betrekking hebben op tuchtsancties, is het zeer waarschijnlijk dat het
ontbreken van een beperking van een tijdslimiet voor het bewaren van dergelijke gegevens
zal leiden tot stigmatisering van de betrokkenen, van wie de tuchtsancties, ongeacht of ze
licht of zwaar zijn, in een tuchtdossier worden bewaard en zonder tijdslimiet worden
verwerkt.
205. De verweerder is verantwoordelijk voor de in deze beslissing genoemde verwerkingen. Het
is dus aan de verweerder om de beginselen van de AVG op dergelijke verwerkingen toe te
passen. Het argument in punt 200, v. is niet ter zake dienend.
206. Hoewel de Geschillenkamer niet bevoegd is om zich uit te spreken over de rechtmatigheid
of de mogelijkheid om een tuchtsanctie op te leggen, is zij wel bevoegd voor kwesties met
betrekking tot de verwerking van gegevens die in deze sancties zijn opgenomen.
207. Wat betreft de beoordeling van verzachtende omstandigheden zijn de door de verweerder
ondernomen stappen in de ogen van de Geschillenkamer niet doeltreffend. In de
richtsnoeren van de EDPB staat dat de maatregelen die door een verweerder worden
genomen, moeten worden onderzocht op hun doeltreffendheid en de tijd die nodig was om
ze te nemen.116 Er zij echter op gewezen dat de door de verweerder voorgestelde
maatregelen nog niet waren genomen toen de debatten werden gesloten. Bovendien vond
116
EDPB, Richtsnoeren 04/2022 over de berekening van administratieve geldboeten krachtens de AVG, versie 2.0, p. 27, §
76.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 50/51
de reflectie van de verweerder plaats tussen 2020 en 2023. De Geschillenkamer beweert
niet dat het in overeenstemming brengen van de door de verweerder uitgevoerde
verwerkingen een eenvoudige taak is en betwist niet dat de gezondheidscrisis voor
problemen heeft gezorgd. Maar aangezien de AVG sinds 25 mei 2018 van kracht is, hadden
hiervoor al veel eerder stappen moeten worden ondernomen.
208. Wat de wissing van de tuchtsanctie op 1 maart 2023 betreft, levert de verweerder hiervan
geen enkel bewijs. Bovendien, als deze wissing inderdaad heeft plaatsgevonden, is zij pas
gebeurd na de sluiting van de debatten.
209. Op basis van alle hierboven uiteengezette elementen, beslist de Geschillenkamer tot een
aanpassing van de voorgestelde sanctie van 50.000 euro naar 30.000 euro. De
geïdentificeerde schendingen rechtvaardigen een doeltreffend, evenredige en
afschrikkende sanctie als bedoeld in artikel 83 van de AVG, rekening houdend met de
beoordelingscriteria die daarin worden vermeld. De Geschillenkamer is van mening dat een
lichtere geldboete niet zou beantwoorden aan de vereiste criteria van artikel 83, lid 1, van de
AVG, volgens welke de administratieve geldboete niet alleen evenredig, maar ook
doeltreffend en afschrikkend moet zijn.
IV. Publicatie van de beslissing
210. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit gepubliceerd. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de klager rechtstreeks worden bekendgemaakt.
211. In het onderhavige geval beslist de Geschillenkamer om deze beslissing te publiceren met
de identificatie van de gegevens van de verweerder.
212. De Geschillenkamer preciseert dat deze publicatie met identificatie verschillende doelen
nastreeft.
213. Zij beoogt met betrekking tot de verweerder een doel van algemeen belang. De identificatie
van de verweerder is ook noodzakelijk voor het goede begrip van de beslissing en dus de
verwezenlijking van het doel van transparantie dat wordt nagestreefd met het beleid van de
Geschillenkamer om haar beslissingen te publiceren.
Beslissing ten gronde 77/2023 – 51/51
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit na beraadslaging om:
- Op grond van artikel 100, § 1, 13°, en artikel 101 van de WOG, de verweerder een
administratieve geldboete van 30.000 euro op te leggen wegens inbreuken op artikel
5, lid 1, punten a), b), c), d), en e), van de AVG.
- Op grond van artikel 100, § 1, 6°, van de WOG, de verweerder te gelasten te voldoen
aan het verzoek van de klager, dat wil zeggen de gegevens betreffende de tuchtsanctie
uit zijn tuchtdossier te verwijderen.
- Op grond van art. 100, § 1, 9°, van de WOG, de verweerder te bevelen dat de
verwerking in overeenstemming wordt gebracht met artikel 5, lid 1, punten a), b), c), d)
en e), van de AVG.
Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, § 1, van de WOG, beroep worden aangetekend
bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend door middel van een interlocutoir verzoekschrift dat
de in artikel 1034 ter van het Gerechtelijk Wetboek genoemde inlichtingen moet bevatten 117. Het
interlocutoir verzoekschrift moet bij de griffie van het Marktenhof worden ingediend
overeenkomstig artikel 1034 quinquies van het Ger.W.,118 of via het informatiesysteem e-Deposit
van het Ministerie van Justitie (artikel 32 ter van het Ger.W.).
(get.) Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
117
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
118
Het verzoekschrift, met de bijlage, wordt in evenveel exemplaren als er partijen zijn, per aangetekende brief aan de griffier
van de rechtbank toegezonden of bij de griffie neergelegd.