1/9
Geschillenkamer
Beslissing 165/2022 van 18 november 2022
Dossiernummer : DOS-2022-01504
Betreft : Klacht omtrent de contactopsporing in het kader van COVID-19
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans,
voorzitter, alleenzetelend;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene
verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers
op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
.
De klager: Mevrouw X, hierna “de klager”; .
.
De verweerder: Y, hierna “de verwerkingsverantwoordelijke”.
Beslissing 165/2022 - 2/9
I. Feiten en procedure
1. Op 21 maart 2022 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de
verwerkingsverantwoordelijke.
2. Het voorwerp van de klacht is tweeledig. Ten eerste betreft de klacht de contactopsporing in het kader
van COVID-19. De klager werd opgebeld door contactonderzoekers van de
verwerkingsverantwoordelijke naar aanleiding van vastgestelde besmetting van COVID-19 binnen het
gezin van de klager, en van derden die aan het gezin van de klager gelinkt kunnen worden. Deze
contacten vonden plaats op 3 februari 2022. De klager stelt dat de medewerker van de
verwerkingsverantwoordelijke niet kon antwoorden op haar vragen in verband met de
gegevensverwerkingen in het kader van de contactopsporing. Naar aanleiding van deze contacten
heeft de klager op 4 februari 2022 bij de verwerkingsverantwoordelijke een verzoek tot informatie
ingediend om meer informatie te bekomen omtrent de verwerking van haar persoonsgegevens. Ten
tweede betreft de klacht het niet beantwoorden van het verzoek tot informatie van de klager door de
verwerkingsverantwoordelijke. De klager stelt dat dit verzoek werd ingediend volgens de procedure
zoals aangegeven in de privacyverklaring van de dienst Contactopsporing van de
verwerkingsverantwoordelijke. De klager voert aan geen enkel antwoord te hebben ontvangen.
3. Op 11 april 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de
artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, §1 WOG overgemaakt aan de
Geschillenkamer.
4. Op 3 mei 2020 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het
verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de
inventaris van de stukken.
5. Op 23 juni 2022 wordt overeenkomstig artikel 96, §1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het
verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de
inventaris van de stukken.
6. Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en besluit dat de
Inspectiedienst dat de klager geen blijk kan geven van een voldoende belang. Bijgevolg concludeert de
Inspectiedienst dat het onnodig is om van dit dossier andere elementen te onderzoeken.
7. Op 19 juli 2022 wordt overeenkomstig artikel 96, §2 het verzoek van de Geschillenkamer tot het
verrichten van een aanvullend onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst.
8. Op 8 augustus 2022 wordt het aanvullend onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het
verslag bij het dossier gevoegd en door de Inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de
Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG).
Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht en besluit het volgende:
Beslissing 165/2022 - 3/9
- geen inbreuk op artikel 5, lid 1, a) en lid 2 van de AVG, artikel 6, lid 1 van de AVG en artikel 24, lid 1
van de AVG; en
- geen inbreuk op artikel 12, lid 1 van de AVG, artikel 13, lid 1 en lid 2 van de AVG, artikel 14, lid 1 en lid
2 van de AVG, artikel 5, lid 2 van de AVG, artikel 24, lid 1 van de AVG en artikel 25, lid 1 van de AVG.
II. Motivering
II.1. Belang van de klager
9. In zijn Inspectieverslag merkt de Inspectiedienst op dat er geen elementen zijn die erop wijzen dat de
klager beschikt over een voldoende belang. De Inspectiedienst concludeert dat de klager een
verwerkingspraktijk van de verwerkingsverantwoordelijke aanklaagt, maar die verwerkingspraktijk
niet concreet linkt aan zichzelf. De klager beweert immers dat bepaalde persoonsgegevens
betreffende haarzelf, haar gezin en derden werden verwerkt, maar dat niet kan aantonen. De klager zou
bijgevolg volgens de Inspectiedienst een publiek belang nastreven.
10. Aangaande het belang in hoofde van de klager verwijst de Geschillenkamer naar artikel 58 WOG dat
luidt als volgt: ”Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen
bij de Gegevensbeschermingsautoriteit”. Conform artikel 60, alinea 2 WOG is een klacht ontvankelijk
wanneer zij:
- opgesteld is in één van de landstalen;
- een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de
verwerking waarop zij betrekking heeft;
- zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
11. Krachtens artikel 4.1 AVG is de persoon die betrokken is bij de verwerking van persoonsgegevens, de
persoon op wie de gegevens die het voorwerp van de verwerking uitmaken betrekking hebben.
12. De Geschillenkamer heeft in eerdere beslissingen1 als volgt overwogen omtrent deze kwestie :
“Hoewel de AVG de 'klacht' benadert vanuit het standpunt van de betrokkene, door de
controleautoriteiten verplichtingen op te leggen wanneer een persoon een klacht indient (zie de
artikelen 57, 1., f) en 77 van de AVG), belet de AVG niet dat het nationaal recht andere personen dan de
betrokkenen de mogelijkheid geeft om een klacht in te dienen bij de nationale controleautoriteit. De
mogelijkheid van een dergelijke aanhangigmaking stemt overigens overeen met de opdrachten die
door de AVG aan de controleautoriteiten worden toegekend. In dat opzicht en algemeen genomen,
zorgt elke controleautoriteit voor: de monitoring en handhaving van de toepassing van de AVG (artikel
1
Zie onder meer beslissing 106/2022 dd. 2 juni 2022, beslissing 117/2021 dd. 22 oktober 2021, 80/2020 dd. 17 december 2020 en
beslissing 30/2020 dd. 8 juni 2020, te raadplegen via
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/publicaties/beslissingen
Beslissing 165/2022 - 4/9
57, 1.,a) AVG), en de verrichting van alle andere taken die verband houden met de bescherming van
persoonsgegevens (artikel 57, 1., v) AVG).”
Kortom, de WOG sluit niet uit dat een andere persoon dan de betrokkene of de persoon die door de
betrokkene gemachtigd is, zoals bedoeld in artikel 220 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, een
klacht kan indienen bij de GBA. Meer bepaald oordeelt de Geschillenkamer dat artikel 58 WOG elke
persoon de mogelijkheid biedt een klacht in te dienen, op voorwaarde dat de klager blijk geeft dat hij er
voldoende belang bij heeft.2
13. In onderhavige zaak stelt de Geschillenkamer vast dat de klager hieromtrent het volgende schreef aan
de Inspectiedienst:
“Tijdens de gesprekken die ik had met de medewerkers van de dienst Contactopsporing werd me
gevraagd verschillende persoonsgegevens mee te delen van mijn dochter, mezelf, andere leden van
het gezin en derden met wie zij contact had gehad. Zo werd mij onder meer gevraagd het
rijksregisternummer te bevestigen van mijn dochter, alsook mijn burgerlijk status, mijn adres, het
telefoonnummer van mijn man, van mijn moeder en de medische klachten die elke van deze personen
al dan niet vertoonden. Deze gegevens betreffen mijn inziens allemaal persoonsgegevens. Het leek
erop alsof deze persoonsgegevens vervolgens minstens ook geregistreerd werden in de systemen van
de dienst Contactopsporing aangezien mijn moeder en man kort nadien werden opgebeld door
dezelfde dienst.”
14. Hieruit blijkt dat er niet alleen sprake is van een publiek belang, zoals de Inspectiedienst concludeert in
het Inspectieverslag.
15. De Geschillenkamer stelt vast dat ook verschillende persoonsgegevens van de klager werden
verwerkt, zoals het adres, de burgerlijke staat, het telefoonnummer en haar relaties met haar kinderen
en moeder. Ook kan de moeder optreden in het belang van haar (minderjarige) dochter. Voor wat
betreft de persoonsgegevens van haar echtgenoot en moeder of haar dochter zelf, toont de klager
geen belang aan, noch toont zij enige vertegenwoordigingsbevoegdheid aan. In de klacht duidt de
klager aan dat zij de klacht in eigen naam indient. Deze beslissing zal dan ook enkel betrekking hebben
op de persoonsgegevens die betrekking hebben op de klager zelf..
II.2. Transparantieverplichtingen
16. Steunend op de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn en op basis van de
bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 95, §1 WOG zijn toebedeeld, beslist de
Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu gaat de Geschillenkamer over tot
2
Zie in die zin ook Marktenhof, 2022/AR/42 dd. 8 juni 2022.
Beslissing 165/2022 - 5/9
het seponeren van de grieven met betrekking tot de transparantieverplichtingen overeenkomstig
artikel 95, §1, 3° WOG, uitgaande van de hiernavolgende motivering.
17. De Geschillenkamer dient in het geval van een sepot trapsgewijs te onderzoeken en motiveren3:
- of er onvoldoende uitzicht bestaat op een veroordeling, waarna een technisch sepot volgt;
- of een succesvolle veroordeling technisch haalbaar zou zijn maar op gronden, aan het algemeen
belang ontleend, een (verdere) vervolging onwenselijk is, waarna een beleidssepot volgt.
In het geval op meer dan één grond wordt geseponeerd, dienen de sepotgronden (resp. technisch sepot
en beleidssepot) in volgorde van belangrijkheid te worden behandeld.4
18. Op basis van de informatie waarover de Geschillenkamer op dit ogenblik beschikt, acht zij het op heden
onmogelijk om verder gevolg te geven aan de grieven inzake de transparantieverplichtingen voor de
redenen die hierna zullen worden uiteengezet. Bijgevolg beslist zij over te gaan tot een technisch sepot.
19. Voor wat betreft de grieven inzake de transparantieverplichtingen gaat de Geschillenkamer over tot
een technisch sepot aangezien de Geschillenkamer, op basis van de feiten, de in de klacht aangevoerde
juridische grieven, en het aanvullend Inspectieverslag niet tot de conclusie kan komen dat er sprake is
van een inbreuk op de AVG en op de regelgeving inzake gegevensbescherming.5
20. Op basis van artikel 12, lid 1 van de AVG, artikel 13, lid 1 en lid 2 van de AVG en artikel 14, lid 1 en lid 2 van
de AVG is het noodzakelijk dat de VV aan de betrokkenen beknopte, transparante en begrijpelijke
informatie bezorgt over de persoonsgegevens die verwerkt worden. De voormelde
transparantieverplichtingen vormen een concretisering van de algemene transparantieverplichting in
artikel 5, lid 1, a) van de AVG. De Geschillenkamer heeft bovendien eerder benadrukt dat de informatie
die overeenkomstig artikelen 13 en 14 van de AVG door de verwerkingsverantwoordelijke moet
worden bezorgd aan de betrokkenen volledig en duidelijk moet zijn. 6 De Inspectiedienst stelt in zijn
aanvullend verslag vast dat de Privacyverklaring over de gegevensverwerking en bescherming in het
kader van het contactonderzoek COVID-19 voor de betrokkenen:
- transparant en toegankelijk is door het gebruik van duidelijke titels en taalgebruik en gemakkelijk
toegankelijk is via de webpagina https://www.zorg-en-gezondheid.be/privacy-bij-contactonderzoek
(cf. artikel 12, lid 1 van de AVG), en;
- de nodige informatie verstrekt over de verwerkte persoonsgegevens (cf. artikel 13, lid 1 en lid 2 van
de AVG en artikel 14, lid 1 en lid 2 van de AVG).
3
Cf. arrest Hof van Beroep Brussel (Marktenhof), 2 september 2020, nr. 2020/5460, 18.
4
Ibidem.
5
Cf. criterium A.2. in het sepotbeleid van de Geschillenkamer.
6
Beslissing ten gronde 41/2020 van 29 juli 2020 van de Geschillenkamer van de GBA beschikbaar via de webpagina
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/publicaties/beslissingen.
Beslissing 165/2022 - 6/9
21. Verwijzend naar het aanvullend Inspectieverslag ziet de Geschillenkamer geen reden om een afwijkend
standpunt hieromtrent in te nemen. De klacht dient derhalve als kennelijk ongegrond te worden
beschouwd in de zin van artikel 57.4 van de AVG.
II.3. Uitoefening van het recht op inzage
22. Steunend op de elementen van het dossier stelt de Geschillenkamer vast dat de klager op 4 februari
2022 haar recht van inzage overeenkomst artikel 15 AVG heeft uitgeoefend, waaraan de
verwerkingsverantwoordelijke volgens de klager onvoldoende gevolg gegeven heeft. Op basis van de
stukken van het dossier stelt de Geschillenkamer vast dat de voorziene termijn van één maand
overeenkomstig artikel 12.3 AVG door de verwerkingsverantwoordelijke niet gerespecteerd werd.
23. De Geschillenkamer is van oordeel dat op grond van bovenstaande analyse dient te worden
geconcludeerd dat door de verwerkingsverantwoordelijke een inbreuk op de bepalingen van de AVG
werd gepleegd, dewelke rechtvaardigt dat in casu wordt overgegaan tot het nemen van een beslissing
op grond van artikel 95, §1, 5° WOG, meer bepaald de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen om
gevolg te geven aan de uitoefening door de klager van diens recht van inzake (artikel 15 AVG) en dit in
het bijzonder gelet op de stukken die de klager heeft bijgebracht waaruit blijkt dat de klager haar recht
op inzage heeft uitgeoefend, maar de verwerkingsverantwoordelijke daaraan geen gevolg heeft
gegeven.
24. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 WOG op grond van de door de klager ingediende klacht, in het kader van de
‘procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde 7 en geen beslissing ten gronde van de
Geschillenkamer in de zin van artikel 100 WOG. De Geschillenkamer heeft aldus beslist om op grond
van de artikelen 58.2.c) en 95, §1, 5° van de wet van 3 december 2017, de
verwerkingsverantwoordelijke te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om
zijn rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht op inzage zoals bepaald in artikel 15 AVG.
25. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verwerkingsverantwoordelijke in kennis te stellen van het feit
dat deze een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de mogelijkheid te stellen
zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen.
26. Indien de verwerkingsverantwoordelijke evenwel niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige
prima facie beslissing en van oordeel is dat deze feitelijke en/of juridische argumenten kan laten gelden
die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, kan deze via het e-mailadres
[email protected] een verzoek tot behandeling ten gronde van de zaak richten aan de
Geschillenkamer en dit binnen de termijn van 30 dagen na de kennisgeving van deze beslissing.
7
Afdeling 3, Onderafdeling 2 WOG (artikelen 94 t.e.m. 97).
Beslissing 165/2022 - 7/9
De tenuitvoerlegging van onderhavige beslissing wordt desgevallend gedurende voormelde periode
geschorst.
27. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de Geschillenkamer de
partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 WOG uitnodigen hun verweermiddelen
in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten bij het dossier te voegen. De onderhavige beslissing
wordt desgevallend definitief opgeschort.
28. De Geschillenkamer wijst er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde van de zaak kan
leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 WOG 8.
29. Tot slot wijst de Geschillenkamer nog op het volgende : indien één van beide partijen gebruik wenst te
maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het kopiëren van het dossier (artikel 95, §2, 3° WOG),
dient deze zich te wenden tot het secretariaat van de Geschillenkamer, bij voorkeur via
[email protected] teneinde een afspraak vast te leggen. Indien om een kopie van het
dossier wordt verzocht, worden de stukken zo mogelijk elektronisch of anders per gewone post
bezorgd.9
III. Publicatie van de beslissing
30. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer,
wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is
evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden
bekendgemaakt.
8
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te
bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het
dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
9
In verband met de buitengewone omstandigheden ingevolge COVID-19 wordt de mogelijkheid van afhalen bij het secretariaat van de
Geschillenkamer NIET geboden. Bovendien vindt alle communicatie in beginsel elektronisch plaats.
Beslissing 165/2022 - 8/9
OM DEZE REDENEN,
- beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
op grond van art. 95, §1, 3° WOG de grieven uit de klacht inzake de transparantieverplichtingen
te seponeren.
- beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit eveneens, onder
voorbehoud van de indiening van een verzoek door de verwerkingsverantwoordelijke tot
behandeling ten gronde overeenkomstig artikel 98 e.v. WOG, om:
o op grond van artikel 58.2.c) AVG en artikel 95, §1, 5° WOG de
verwerkingsverantwoordelijke te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek van de
klager zijn rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht op inzage (artikel 15 AVG) dit
binnen de termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van deze beslissing;
o de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen de Gegevensbeschermingsautoriteit
(Geschillenkamer) per e-mail binnen dezelfde termijn op de hoogte te stellen van het
resultaat van deze beslissing via het e-mailadres [email protected]; en
o bij gebrek aan tijdige uitvoering van het hierboven gestelde door de
verwerkingsverantwoordelijke, de zaak ambtshalve ten gronde te behandelen
overeenkomstig artikelen 98 e.v. WOG
De Geschillenkamer zal een afschrift van de voorliggende beslissing aan de
verwerkingsverantwoordelijke bezorgen.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving
tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Beslissing 165/2022 - 9/9
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel
1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 10. Het verzoekschrift
op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel
1034quinquies van het Ger.W.11, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter
van het Ger.W.).
(get). Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer
10
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
11
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan
de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.