1/23
Geschillenkamer
Beslissing 16/2025 van 24 januari 2025
Dossiernummer : DOS-2023-03278
Betreft : behandeling ten gronde van klachten gericht tegen DPG Media met betrekking
tot cookies op de websites ‘hln.be’, ‘demorgen.be’, ‘vtm.be’ en ‘7sur7.be’
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klagers: X1, hierna “eerste klager”, en X2, hierna “tweede klager”, beiden
vertegenwoordigd door noyb -European Center for Digital Rights, ,hierna “de
klagers”;
De verweerder: DPG Media, vertegenwoordigd door mr. MAARTEN STASSEN, hierna “de
verweerder”
Beslissing 16/2025 — 2/23
I. Feiten en procedure
1. Het voorwerp van het dossier gaat terug op vier klachten die op 19 juli 2023 werden
ingediend bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en betrekking hebben op de websites (1)
https://www.hln.be (klacht eerste klager), (2) https://www.demorgen.be (klacht eerste
klager), (3) https://www.vtm.be (klacht eerste klager) en (4) https://www.7sur7.be (klacht
tweede klager). De klachten werden alle vier tezamen op 24 augustus 2023 ontvankelijk
verklaard door de Eerstelijnsdienst en aan de Geschillenkamer overgemaakt. 1
2. Op 21 september 2023 werden de partijen in het dossier, samengevat, op de hoogte gesteld
dat de Geschillenkamer voornemens was om tot een schikkingsvoorstel over te gaan.
3. Op 20 oktober 2023 werd aan de partijen een schikkingsvoorstel verzonden, waarbij de
Geschillenkamer gebruik maakte van haar bevoegdheid onder het artikel 95, §1, 2° van de
wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna:
“WOG”).
4. Op 30 oktober 2023 heeft de vertegenwoordiger van de klagers een antwoord op het
schikkingsvoorstel overgemaakt, waarbij zij een aantal verzoeken tot de Geschillenkamer
richtte tot wijziging of aanpassing van de voorwaarden voor de schikking. De
Geschillenkamer heeft het schikkingsvoorstel niet aangepast naar aanleiding van deze
verzoeken.2
5. Op 17, 23 en 28 november 2023 vonden in het kader van de schikkingsprocedure
verschillende uitwisselingen plaats tussen de verweerder, DPG Media, en de
Geschillenkamer – waarbij de klagende partij steeds in kopie kon meelezen.
6. Op 1 december 2023 nam de Geschillenkamer een beslissing tot intrekking van beslissing
tot schikkingsvoorstel.
7. Tegen de beslissing dd. 1 december 2023 tot intrekking van schikkingsvoorstel werd door
de verweerder beroep ingesteld bij het Marktenhof, overeenkomstig artikel 108 § 1 WOG,
aldaar behandeld onder het rolnummer 2023/AR/1613. Op 6 september 2024 heeft het
Marktenhof in een arrest dit beroep ontvankelijk, doch niet gegrond verklaard.
8. Op 5 februari 2024 heeft de Geschillenkamer partijen uitgenodigd te concluderen
overeenkomstig artikel 95, §1, 1° j° artikel 98 van de Wet van 3 december 2017 tot oprichting
1
De ontvankelijke klachten worden door de Eerstelijnsdienst overgemaakt aan de Geschillenkamer (art. 62, § 1 van de wet van
3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit).
2
Temporeel volgend op het plaatsvinden van de schikkingsprocedure in onderhavig dossier, heeft de Geschillenkamer een
schikkingsbeleid gepubliceerd op haar website, waarvan in december 2024 een geüpdatete tweede versie werd gepubliceerd,
beschikbaar via: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/schikkingsbeleid-van-de-
geschillenkamer.pdf.
Beslissing 16/2025 — 3/23
van de Gegevensbeschermingsautoriteit (“WOG”). Tegen deze beslissing heeft DPG Media
beroep ingesteld bij het Marktenhof in een zaak met rolnummer 2024/AR/439.
9. Op 9 oktober 2024 heeft het Marktenhof uitspraak gedaan in het beroep tegen de brief van
5 februari 2024, waarbij het beroep van DPG Media ontvankelijk en gegrond werd verklaard.
De Geschillenkamer bezorgde dit arrest aan de partijen in de administratieve procedure op
22 oktober 2024, daags na de ontvangst ervan.
10. De Geschillenkamer heeft vervolgens beide partijen de kans gegeven – in een ad hoc
procedure die niet expliciet wordt voorzien door de wetgever – om ingevolge het
vernietigingsarrest van het Marktenhof eerst positie in te nemen omtrent het mandaat en
het (proces-)belang van de klagers en hun vertegenwoordiger, alvorens een beslissing in de
zin van artikel 95 § 1 WOG te nemen.
11. Deze beslissing volgt op en houdt rekening met (i) de positionering die de klagers via hun
vertegenwoordiger Noyb overmaakten op 15 november 2024, en (ii) de positionering die de
verweerder overmaakte op 20 december 2024 aan de Geschillenkamer – beperkt tot het
(proces-)belang en de mandatering bij het indienen van de litigieuze klachten.
12. Ingevolge artikel 95, § 2, 3° van de WOG alsmede artikel 47 van het reglement van interne
orde van de GBA kunnen de partijen om een afschrift van het dossier verzoeken. Indien één
van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het
kopiëren van het dossier, dient deze zich te wenden tot het secretariaat van de
Geschillenkamer, bij voorkeur via […].
II. Motivering
II.1. Procedurele context: arrest Marktenhof 9 oktober 2024
13. In haar arrest oordeelt het Marktenhof dat het beroep tegen de brief van 5 februari 2024
ontvankelijk is, omdat de brief (i) een lijst van vermeend weerhouden inbreuken vermeldt, 3
en (2) de bewoordingen hanteert “op basis van de stukken in het dossier, met inbegrip van
het klachtenformulier”, en dit niet doet uitschijnen dat het dossier meer gestoffeerd is dan
het door Noyb ingediende klachtformulier. Om die reden stelt het Marktenhof dat het
beroep “in deze zeer specifieke context” ontvankelijk is.4
3
Vgl. Marktenhof, 24 februari 2021, 2020/AR/1159, §3.7: “Teneinde de volledige uitoefening van de rechten van de
verdediging en het recht op een eerlijk proces te waarborgen, is het derhalve van essentieel belang dat de partij, de partij die
wordt vervolgd, volledig en definitief moet worden geïnformeerd over de feitelijke en juridische aspecten die haar worden
verweten in de procedure voor de Geschillenkamer. ” Vrije vertaling van : “Il est dès lors essentiel, afin de garantir le plein
exercice des droits de la défense, et le droit à un procès équitable, que la partie faisant l'objet des poursuites puisse, à
l'entame de la procédure devant la Chambre Contentieuse, être parfaitement et définitivement informée des éléments de
fait et de droit qui lui sont reprochés.”
4
Marktenhof, 9 oktober 2024, 2024/AR/439, p. 22.
Beslissing 16/2025 — 4/23
14. Het Marktenhof heeft in haar arrest van 9 oktober 2024 het beroep tegen de brief van 5
februari 2024 gegrond verklaard en de beslissing vervat in die brief van de Geschillenkamer
– dewelke de instaatstelling in de zin van artikel 95 § 1° WOG en de uitnodiging tot
concluderen in de zin van artikelen 98-99 WOG omvatte – vernietigd omwille van (i) een
formeel en materieel motiveringsgebrek, en (ii) het ontbreken van de vermelding van de
rechtsmiddelen die ertegen kunnen worden ingesteld.
15. Voor wat betreft het motiveringsgebrek, verwijst het Marktenhof naar een eerdere
beslissing5 van de Geschillenkamer in een dossier6 waarnaar de klagende partij lopende
onderhavige procedure had verwezen. In dat dossier was de Inspectiedienst opgetreden en
had de Geschillenkamer – na het doorlopen van de procedure ten gronde als bedoeld in
artikel 98 en volgende WOG – de klacht geseponeerd, sterk samengevat omwille van de
fictiviteit van het verleende mandaat. Nu de klagende partij het laatstgenoemde dossier
lopende onderhavige procedure had vermeld, stelt het Marktenhof in haar arrest:
“In het door NOYB expliciet zelf aangehaalde 'vergelijkbare' dossier DOS-2021-
06483 heeft de Geschillenkamer op 24 januari 2024 (dus voor het nemen van de
thans Bestreden Beslissing) beslist (stuk 21 GBA Beslissing 22/2024) de klacht te
seponeren omdat 'NOYB onvoldoende belang aantoont om te ageren' en dat 'de
werkelijke klager geen procesbelang heeft'.
[…]
In de onderhavige zaak wordt aannemelijk gemaakt door DPG Media dat de
Geschillenkamer in de Bestreden Beslissing had moeten motiveren waarom ze haar
oordeel over het vermeend gebrek aan procesbelang in hoofde van NOYB
ogenschijnlijk aanhield tot na afloop van de volledige instaatstelling en behandeling ten
gronde.
[…]
In voorliggend geval is het Marktenhof van oordeel dat er geen enkele verantwoording
wordt verschaft voor de verschillende behandeling van zogenaamd vergelijkbare
situaties en dat het Marktenhof dus niet in staat wordt gesteld om na te gaan of het
5
Beslissing 22/2024 van de Geschillenkamer dd. 24 januari 2024, publiek raadpleegbaar via:
https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-22-2024.pdf, hierna ook “VOO-
beslissing”.
6
De klagende partij had dit dossier aangemerkt als ‘vergelijkbaar’ met onderhavig dossier, lopende de administratieve
procedure.
Beslissing 16/2025 — 5/23
oordeel van de Geschillenkamer op dit punt niet kennelijk onredelijk is.” (de
Geschillenkamer benadrukt)7
16. Uit dit arrest blijkt dat het Marktenhof de Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024 aanduidt
als relevant stuk dat de Geschillenkamer dient te betrekken in de onderhavige procedure,
hoewel overeenkomstig eerdere rechtspraak van het Marktenhof administratieve
beslissingen (net zoals gerechtelijke beslissingen) geen precedentswaarde kennen. 8 Elk
dossier dient immers binnen de omstandigheden in concreto te worden beoordeeld.9 De
VOO-beslissing ten gronde van januari 2024, van oorsprong vreemd aan de onderhavige
procedure, behoorde op het moment van de vernietigde beslissing tot de behandeling ten
gronde en de uitnodiging tot concluderen in het onderhavig dossier niet tot de stukken, en
de verweerder heeft op geen enkel moment voorafgaand aan de brief van februari 2024 de
relevantie van het VOO-dossier of de beslissing in dat dossier in de onderhavige procedure
aangevoerd. De verweerder had reeds volledige toegang tot het dossier voorafgaand en
lopende de schikkingsprocedure vooraan de administratieve procedure, en had reeds vanaf
september 2023 recht op toegang tot onder meer de uitwisselingen tussen de
Eerstelijnsdienst en Noyb in verband met het (proces-)belang van de klagers.
17. De Geschillenkamer begrijpt uit het arrest van het Marktenhof om die reden een bijzondere
motiveringsplicht binnen onderhavig dossier, waarbij de Geschillenkamer de verschillende
behandeling tussen dit dossier en het dossier dat aanleiding gaf tot beslissing 22/2024 van
24 januari 2024 (“VOO-dossier”) dient toe te lichten, en dit sowieso had moeten doen
omwille van de vermelding zijdens de klagende partij dat het VOO-dossier gelijkaardig zou
zijn.
18. Deze beslissing van de Geschillenkamer is geen voorafname op de definitieve positionering
van de Gegevensbeschermingsautoriteit wat betreft een voorziening in cassatie tegen het
arrest van het Marktenhof dd. 9 oktober 2024 in het dossier met rolnummer 2024/AR/439
en doet ter zake geen afbreuk aan enig recht of middel, noch bevat zij enige nadelige
erkenning.
II.2. Bijzondere motivering instaatstelling
II.2.1. De discretionaire bevoegdheid onder artikel 95 § 1 WOG en het procedureel
belang van de VOO- beslissing
19. Ten eerste, in de fase voorafgaand aan de behandeling ten gronde, wordt het punt van de
mandatering en de vaststelling van het (proces-)belang zijdens de klagende partij in het
7
Marktenhof, 9 oktober 2024, 2024/AR/439, p. 26.
8
Marktenhof, 1 december 2021, 2021/AR/1044, p. 17.
9
Marktenhof, 10 december 2023, 2023/AR/817, p. 39-40.
Beslissing 16/2025 — 6/23
voorliggend dossier geenszins procedureel verschillend behandeld van het VOO-dossier. De
Geschillenkamer heeft in het VOO-dossier niet aan de Inspectiedienst gevraagd om de
mandatering en het (proces-)belang te onderzoeken; de vragen van de Geschillenkamer
volgden slechts op de vaststellingen in dit onderzoek. 10 Belangrijker echter, de keuze om
dergelijk onderzoek aanhangig te maken bij de Inspectiedienst behoort tot de discretionaire
bevoegdheid van de Geschillenkamer. 11 Binnen de Europese Economische Ruimte worden
jaarlijks meer dan 100.000 klachten ingediend die door de toezichthoudende autoriteiten
allemaal “met de nodige voortvarendheid en zorgvuldigheid”12 dienen te worden behandeld,
en daarbij kunnen niet alle Belgische klachten voor een onderzoek bij de Inspectiedienst
worden voorgelegd.13
20. Ten tweede, met betrekking tot de relevantie van de beslissing in het VOO-dossier, stellen
de klagers in hun standpunt voor de Geschillenkamer, omtrent het “vergelijkbaar” karakter
met het VOO-dossier:
“Bovendien is de e-mail van noyb in dit verband door DPG Media en het Marktenhof ten
aanzien van de bewoordingen “vergelijkbare” dossier uit zijn verband getrokken. noyb
heeft hiermee louter bedoeld dat het gaat om klachtenprocedures die dezelfde materie
betreffen, namelijk onrechtmatige cookiebanners, en dat in dergelijke zaken het
gebruikelijk is via HAR-bestanden aan te tonen dat daadwerkelijk cookies worden geplaatst
waarbij persoonsgegevens worden verwerkt.” (de Geschillenkamer benadrukt)14
Het heet dus dat de klagers uitdrukkelijk betwisten dat zij het dossier VOO als
“vergelijkbaar” hebben bestempeld op het punt van de mandatering en het (proces-)belang.
De Geschillenkamer merkt daarbij op dat deze betwisting zijdens de klagers – a fortiori nu de
klagers niet tussenkwamen in de procedure voor het Marktenhof dewelke aanleiding gaf tot
het arrest van 9 oktober 2024 – van belang is voor de verdere uiteenzetting in deze
beslissing.
21. Er zij ten derde opgemerkt dat de partijen hun standpunten niet hebben beperkt tot de
beslissing in het VOO-dossier, maar dat zij ook andere dossiers in hun standpunt hebben
vermeld. Met name maken de partijen ook melding van de beslissing 112/2024 van 6
10
Hetzelfde geldt ook voor de Roularta-beslissing; zie Beslissing 112/2024 van 6 september 2024, §30.
11
Artikel 94, 1° WOG.
12
HvJEU arrest van 26 september 2024, TR t. Land Hessen, C-768-21, §32; HvJEU Arrest van 9 januari 2025, Österreichische
Datenschutzbehörde t. F.R., C-416/23, §36.
13
In België worden sinds 2018 jaarlijks vele honderden klachten ingediend, vgl. Gegevensbeschermingsautoriteit,
jaarverslagen 2016-2023, beschikbaar via: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/de-
autoriteit/jaarverslagen; over de Europese cijfers, vgl. Europese Commissie communicatie van 25 juli 2024, Second report on
the application of the General Data Protection Regulation, COM(2024) 357 final, sectie 2.3, zie ook 2.5.2 met betrekking tot
"Difficulties handling a high number of complaints".
14
Standpunt klagers, 15 november 2024, par. 63.
Beslissing 16/2025 — 7/23
september 2024 van de Geschillenkamer (de “Roularta-beslissing”).15 Gelet op deze
vermeldingen, en gelet op de bijzondere motiveringsplicht die het Marktenhof ingevolge de
vermelding van andere dossiers in deze specifieke omstandigheden heeft geïntroduceerd,
zal de Geschillenkamer ook deze aspecten – zij het beperkt – behandelen.
22. De Geschillenkamer merkt in dit kader verder, en louter ten overvloede, op dat de
verweerder slechts de mandatering en het (proces-)belang aan de kaak stelde (in februari
2024) ingevolge de transparante en onmiddellijke publicatie van de VOO-beslissing op de
website van de GBA (in januari 2024), net zoals de klagers zich bewogen voelden de klachten
neer te leggen na het lezen van de schikkingsbeslissingen van de Geschillenkamer in
dossiers die werden geïnitieerd door het Directiecomité van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. De transparantie van de Geschillenkamer en bij
uitbreiding de GBA – de publicatie van beslissingen is niet verplicht nu de Geschillenkamer
geval per geval beslist over een publicatie – heeft net aanleiding gegeven tot alle
rechtskundige en feitelijke debatten die vandaag voorliggen.16 De Geschillenkamer
verwelkomt dit debat, maar verduidelijkt tegelijk dat het debat met argumenten ten gronde
dient plaats te vinden in de context waarbinnen de wetgever deze voorzien heeft, namelijk
lopende de procedure ten gronde in de zin van artikelen 98 e.v. WOG.
II.2.2. De in concreto beoordeling van het vermeend gelijkaardig karakter met de VOO-
(en Roularta-)beslissing
23. De partijen gaan in hun respectievelijke standpunten van 15 november 2024 en 20
december 2024 beiden in op de gelijkenissen resp. verschillen tussen onderhavig dossier en
– met name – de elementen in de VOO-beslissing, en zoals hiervoor vermeld ook de
Roularta-beslissing.
24. Het staat buiten kijf dat de klachten niét op dezelfde manier tot stand zijn gekomen in de drie
dossiers.
25. Voor wat betreft de VOO-beslissing kan verwezen worden naar volgende feiten en tijdslijn.
15
Tegen de seponeringsbeslissingen VOO en Roularta hebben de respectievelijke klagers of hun vertegenwoordiger geen
beroep ingesteld bij het Marktenhof..
16
In elk geval leidt de transparantie van de GBA en haar Geschillenkamer dus onmiskenbaar tot een hogere kwaliteit van de
argumenten en het rechtskundig debat, en verschilt zij van de transparantie bij vele andere administratieve en rechterlijke
autoriteiten; voor dit laatste zijn verschillende oorzaken, zie o.m. VANDERSTICHELE, G., “Bijdrage aan een visie voor de
rechtspraak in een digitale samenleving (1)”, Substack, 13 januari 2025, beschikbaar via:
https://gvanderstichele.substack.com/p/bijdrage-aan-een-visie-voor-de-
rechtspraak?r=4rtka&utm campaign=post&utm medium=web&triedRedirect=true.
Beslissing 16/2025 — 8/23
i. Op 30 mei 2021 verzendt Noyb een precontentieuze brief naar VOO, waarin zij een
“ontwerpklacht” toezendt aan VOO teneinde deze laatste aan te zetten zich in regel te
stellen op basis van de door Noyb aangekaarte vermeende inbreuken; 17
ii. Op 31 mei 2021 publiceert Noyb een persbericht – eveneens vermeld18 in de VOO-
beslissing – waarin zij verduidelijkt dat zij als vereniging 560 gelijkaardige
ontwerpklachten heeft gestuurd naar bedrijven in 33 landen, en dat zij zinnens was dit
verder op te drijven tot “10.000 verdere klachten”. In het persbericht wordt
uitdrukkelijk de werkwijze van Noyb weergegeven, zowel in tekst als visueel.
a) In tekst, onder meer:
“Om dit zeer wijdverspreide probleem aan te pakken, heeft noyb een systeem
ontwikkeld dat automatisch verschillende soorten schendingen ontdekt. Het
juridische team van noyb beoordeelt elke website, terwijl het systeem
automatisch een GDPR-klacht genereert.”19 (de Geschillenkamer onderlijnt en
benadrukt)
Hieruit blijkt dat binnen dit specifieke project (i) het Noyb als vereniging is die op
zoek gaat naar inbreukmakende verwerkingsverantwoordelijken en niet op
initiatief van concrete betrokkenen met actuele en bestaande grieven in de zin
van de AVG, (ii) dat Noyb daarvoor gebruikmaakt van geautomatiseerde middelen,
die verder de afstand tussen de uiteindelijk betrokken klager en de oorsprong van
de klacht aantoont, en (iii) dat Noyb expliciet niet spreekt van betrokkenen of
klagers, maar wel van haar “juridisch team” voor het onderzoek van de geviseerde
verwerkingsverantwoordelijken. Uit dit laatste blijkt meer dan duidelijk dat de
uiteindelijke klagers dus niet ageerden als betrokkenen in private hoedanigheid,
maar wel als medewerkers (al dan niet vrijwillig, en ongeacht hun concrete statuut)
van de vereniging Noyb.
17
Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024, overweging 4.
18
Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024, overweging 24 en haar voetnoot 5.
19
Vrije vertaling van de volgende passage uit het Engelse persbericht: “To address this extremely wide-spread issue, noyb has
developed a system that automatically discovers different types of violations. The noyb legal team reviews each website, while
the system automatically generates a GDPR complaint.” Het persbericht wordt vermeld in de VOO-beslissing; Beslissing
22/2024 van 24 januari 2024, overweging 24 en haar voetnoot 5.
Beslissing 16/2025 — 9/23
b) Visueel wordt de tekstuele uitleg alleen verder bevestigd in hetzelfde persbericht:
20
Van links naar rechts leest de tijdslijn die door Noyb zelf verspreid werd in het Nederlands:
“Globale Scan” – “Lijst geviseerden” – “Diepgaand nazicht” – “Ontwerpklacht” –
“Schikkingsoptie” – “Formele Klacht”;
iii. Pas op 2 augustus 2021, nadat VOO had nagelaten haar praktijken aan te passen
volgens de voorstellen gedaan door Noyb, verleent klager een mandaat; 21
iv. Op 10 augustus 2021 legt Noyb uiteindelijk – namens de klager in dat dossier – klacht
neer bij de Gegevensbeschermingsautoriteit.22
26. De tijdslijn23 in VOO kan dus als volgt worden voorgesteld:
20
Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024, overweging 24 en haar voetnoot 5; het persbericht van Noyb met de titel “Noyb
beoogt ‘cookie banner terreur’ te beëindigen en legt meer dan 500 AVG-klachten neer” (“noyb aims to end ‘cookie banner
terror’ and issues more than 500 GDPR complaints”) is beschikbaar via: https://noyb.eu/en/noyb-aims-end-cookie-banner-
terror-and-issues-more-500-gdpr-complaints.
21
Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024, overweging 6.
22
Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024, overweging 1.
23
De visualisering dient louter ter verduidelijking van de overwegingen van de Geschillenkamer en voor het goede begrip van
partijen en de andere lezer; zij bevat geen dragende motieven voor de onderhavige beslissing, en in het geval van
onduidelijkheid in het verschil tussen het schema en de tekst van de beslissing, prevaleert in elk geval de tekst.
Beslissing 16/2025 — 11/23
die een medewerker op instructie, en ongeacht de vrijwillige aard van de
klachtneerlegging, zou hebben vastgesteld);
3) De kunstgreep – die verder gaat dan de neerlegging van de klacht op een wijze
die rechtsmisbruik uitmaakt – om de facto gebruik te kunnen maken van het in
België niet geactiveerde artikel 80.2 AVG teneinde globale en accessoire
problematieken te kunnen aankaarten in functie van de beleidsdoelstellingen van
de vereniging Noyb.
Voorts wordt wat betreft de zaak Roularta integraal verwezen naar de sepotmotieven die
in die beslissing worden aangewend.27
29. Als besluit: uit de verklaringen van zowel vertegenwoordigers van Noyb als verklaringen van
de klagers konden in de dossiers VOO en Roularta bepaalde voorafgaande instructies
worden vastgesteld vanwege Noyb aan de (toekomstige) betrokkenen c.q. klagers. Zo
verklaarde de klager in de zaak VOO expliciet dat de dossiers aan hem werden ‘toegewezen’
(Beslissing 22/2024, § 46). Zulke verklaringen zijn afwezig in het onderhavig administratief
dossier. In de twee voormelde dossiers lagen er bovendien publiek beschikbare elementen
voor die dit objectief onderscheid verder bewezen. In de zaak VOO, bijvoorbeeld, verstuurde
Noyb “precontentieuze brieven” naar onder meer VOO op basis van bezoeken die volgden
op de geautomatiseerde identificatie van een “target list”, i.e. een “lijst van geviseerden”
(Beslissing 24/2024, §24). In de zaak Roularta, bijvoorbeeld, was er een project geïnitieerd
door Noyb dat reeds de identiteit van de ondernemingen in kwestie vastlegde binnen een
mediatiek opgezet project met 101 klachten (Beslissing 112/2024, §40).
II.2.3. Concrete antwoorden op de (sub-)middelen van partijen i.v.m. (proces-)belang en
mandatering
30. Hierboven werd al aangetoond dat het onderhavig dossier verschilt in aard en
feitenconstellatie van zowel het dossier VOO als het dossier Roularta. Hieronder gaat de
Geschillenkamer verder in op de argumenten van met name de verweerder, om tot het
besluit te komen dat in casu sprake is van een rechtmatig, rechtstreeks en persoonlijk
belang in hoofde van de klagers, alsook dat er geen sprake is van rechtsmisbruik.
31. In het bijzonder gaat de Geschillenkamer in op de drie middelen in het standpunt van de
verweerder voorafgaand aan deze beslissing, waarvan de titels als volgt luiden:
Eerste middel: de verkeerde voorstellingen en objectief verifieerbare onjuistheden in de
Klachten zijn van dien aard dat er niet op een betrouwbare manier kan worden aangetoond
dat Verweerster persoonsgegevens van Klagers heeft verwerkt, waardoor Klagers niet als
27
Beslissing 112/2024 van 6 september 2024, sectie II.3.
Beslissing 16/2025 — 12/23
“betrokkenen” in de zin van artikel 4.1 AVG gekwalificeerd kunnen worden om krachtens
artikel 77 of artikel 80.1 AVG een klacht tegen Verweerster in te dienen, waardoor ze geen
procesbelang hebben om onderhavige procedure te voeren.
Tweede middel: Aangezien noyb alle aspecten van de Klachten onafhankelijk van een
opdracht van een betrokkene had bepaald alvorens de omstandigheden die aanleiding
gaven tot de Klachten te genereren om ze daarna bij de GBA in te dienen, was noyb de
eigenlijke klager in de Klachten, terwijl noyb in België niet over het recht beschikt om
klachten in te dienen onafhankelijk van de opdracht van een betrokkene en daarom Klagers
inschakelde als middel om de Klachten krachtens artikel 80.1 AVG juncto artikel 77 AVG in
te dienen, is het duidelijk dat noyb trachtte op een kunstmatige manier een procesbelang te
creëren voor onderhavige procedure om haar vooraf bepaalde doelen te bereiken, wat
rechtsmisbruik is en waardoor de Klachten geseponeerd dienen te worden.
Eerste sub-middel: de Klachten maken deel uit van het “Cookie Banners”-project van noyb.
Tweede sub-middel: de Klachten maakten deel uit van een sub-project en werden door
noyb gegenereerd op basis van specifieke door noyb doelbewust bepaalde selectiecriteria.
Derde sub-middel: Klagers werkten als juridisch stagiair in opdracht van noyb bij het
genereren van de Klachten.
Vierde sub-middel: noyb beschikt in België niet over het recht om onafhankelijk van de
opdracht van een betrokkene klacht in te dienen bij de GBA en gebruikt daarom de
procedure krachtens artikel 80.1 AVG om het niet beschikken van een recht krachtens
artikel 80.2 AVG te omzeilen, wat rechtsmisbruik uitmaakt.
Derde middel: Vergelijking met Beslissing 22/2024 van 24 januari 2024 van de
Geschillenkamer.
32. Ten eerste, het feit dat de klagers deze vaststellingen op werkcomputers van Noyb hebben
gemaakt, is op zich geen bezwaar en doet niet af aan het feit dat daarbij ook
persoonsgegevens van de klagers kunnen verwerkt worden. Het is zelfs – zoals de
Geschillenkamer ook benadrukte in de Roularta-beslissing28 – op zich niet problematisch te
noemen voor de klachtneerlegging dat Noyb ten tijde van de mandatering de stagemeester
was van de klagers, en dat Noyb (uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend) een forum bood aan
klagers om AVG-klachten in te dienen die stoelden op de eigen grieven, omdat dit op zich
geen blijk geeft van het artificieel creëren van grieven of een procesbelang, een fictieve
mandatering, dan wel rechtsmisbruik.
De klagers merken in hun standpunt 29
terecht op dat artikel 77 AVG in een laagdrempelig
28
Beslissing 112/2024 van 6 september 2024, overweging 98.
29
Standpunt klagers, 15 november 2024, par. 29.
Beslissing 16/2025 — 13/23
klachtenrecht voorziet en dat uit de klachten genoegzaam blijkt dat de klagers – die zich
onverkort presenteren als betrokkenen die zelf het initiatief namen tot de klachten30 – een
belang hebben bij het indienen van de klachten.
Daarbij zij benadrukt dat het forum dat Noyb biedt voor het indienen van klachten, onder
meer aan personen die (als stagiair of in andere hoedanigheid) voor de vereniging werkzaam
zijn, geen probleem op zich vormt – zeker niet in die mate dat het om deze reden volstaat de
klacht te verwerpen, net omdat het geen uitdrukkelijk rechtsmisbruik uitmaakt of artificieel
een (proces-)belang creëert.31
33. Ten tweede leest de Geschillenkamer in het eerste middel van het standpunt van de
verweerder dat deze laatste betwist dat de persoonsgegevens van de klagers zelf zouden
zijn verwerkt. Nochtans is niet eens in alle omstandigheden vereist dat de
persoonsgegevens van de klager zijn verwerkt om dienend klacht te kunnen indienen.32
34. In elk geval verklaren de klagers nadrukkelijk dat zij de websites hebben bezocht op 10
februari 2023 en dat “hun persoonsgegevens door DPG Media zijn verwerkt via cookies.” 33
Zoals de klagers opmerken in hun standpunt zijn zij als respectievelijk Belg of
Nederlandstalig burger wat betreft hun nieuwsgaring “ook deels afhankelijk van DPG
Media”, gelet op het beperkte aantal media-aanbieders in België.
Zelfs al zou er betwisting zijn over het concrete moment van het bezoek van de klagers – in
weerwil van de verklaringen van deze klagers toegepast volgens het principe van de goede
trouw34 – dan is het nog zo dat het feit dat de klagers menen dat de verwerkingen van de
litigieuze websites inbreuk uitmaken op de verwerking van hun persoonsgegevens,
voldoende is om klacht te kunnen indienen bij de GBA. In die zin heeft het Hof van Cassatie
sowieso al het volgende verduidelijkt:
“Door op die grond te oordelen dat een inbreuk op artikel 5, lid 1, c), AVG niet
bewezen is en de litigieuze beslissing van de eiseres te vernietigen, terwijl niet
vereist is dat de persoonsgegevens van de klager daadwerkelijk verwerkt zijn
opdat de eiseres naar aanleiding van een klacht corrigerende maatregelen of een
administratieve geldboete kan opleggen, na de vaststelling dat een praktijk bestaat
30
Standpunt klagers, 15 november 2024, par. 46: “Klagers hebben de websites van DPG Media daadwerkelijk zelf en op eigen
initiatief bezocht, zonder hiertoe op enigerlei wijze door noyb te zijn aangezet. In het bijzonder na de kennisneming van de reeds
getroffen schikkingsbeslissing die de GBA met betrekking tot de websites, hadden klagers problemen met de cookiebanner-
praktijk van DPG Media.” (de Geschillenkamer benadrukt en onderlijnt)
31
Vgl. In dezelfde zin, Beslissing Geschillenkamer 113/2024, 6 september 2024, §89.
32
Cass., V t. GBA, C.20.03223.N, ECLI:BE:CASS:2021: ARR.20211007.1N.4, §6:
“Door op die grond te oordelen dat een inbreuk op artikel 5, lid 1, c), AVG niet bewezen is en de litigieuze beslissing van de
eiseres te vernietigen, terwijl niet vereist is dat de persoonsgegevens van de klager daadwerkelijk verwerkt zijn opdat de
eiseres naar aanleiding van een klacht corrigerende maatregelen of een administratieve geldboete kan opleggen, na de
vaststelling dat een praktijk bestaat die aanleiding geeft tot een inbreuk op het beginsel van minimale gegevensverwerking,
verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.” (de Geschillenkamer onderlijnt).”
33
Standpunt klagers, 15 november 2024, par. 11.
34
Vgl. artikel 1.9, lid 1 Burgerlijk Wetboek: “De goede trouw wordt vermoed.”
Beslissing 16/2025 — 14/23
die aanleiding geeft tot een inbreuk op het beginsel van minimale
gegevensverwerking, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar
recht.”35 (de Geschillenkamer onderlijnt).
35. Nergens kan de verweerder onomkeerbaar bewijzen (bijvoorbeeld op basis van verklaringen
of persberichten van klagers of Noyb) dat de bezoeken op 10 februari 2023 niet door de
klagers gebeurden of dat er sprake is van een misleiding bij het aanvoeren van bewijzen –
hoogstens gaat het over onzorgvuldigheden van de vertegenwoordiger bij het kaderen en
dateren van bepaalde bewijsstukken:
a. De omstandigheid dat er na het initiële bezoek van de klagers op 10 februari 2023
ook andere personen van Noyb zouden zijn geweest die bewijsmateriaal
vergaarden in voorbereiding van het mandaat en de klacht, bewijst niet dat de
initiële bezoeken niet door klagers geschiedden en/of dat de persoonsgegevens
van de klagers al dan niet verwerkt zouden zijn;
b. Dat er verder schermafbeeldingen werden gemaakt door andere personen van
andere aspecten van de cookiebanners, of met betrekking tot de banner die het
intrekken van de toestemming regelt, met de bewijsvoering dat er andere laptops
zijn gebruikt voor het maken van die screenshots, bewijst niet dat het niet de
klagers zijn die op 10 februari 2023 uit eigen beweging de websites bezochten en
besloten klacht in te dienen;
c. Het feit dat op de dag van de bezoeken door de klagers, i.e. 10 februari 2023,
cookies zouden geweigerd zijn – en op latere data niet – en dat daarom vaststaat
dat geen persoonsgegevens van de klagers zijn verwerkt en dat daarom geen
klacht kan worden ingediend, faalt op twee punten naar recht, nu (i) van klagers niet
kan gevraagd worden dat zij – in het geval zij de cookies inderdaad geweigerd
zouden hebben, zoals de verweerder aanvoert – meestappen in de vermeend
inbreukmakende praktijk om klacht te kunnen indienen,36 en (ii) het de klagers zijn
die naar hun verklaringen op 10 februari 2023 de vermeend inbreukmakende
praktijk vaststelden en op dat moment “van mening”37 waren dat er een inbreuk op
de hen betreffende persoonsgegevens kon worden vastgesteld waarvoor zij Noyb
overeenkomstig artikel 80.1 AVG mandateerden. De klagers verwijzen voor dit
laatste aspect terecht naar overweging 142 van de preambule van de AVG, dat stelt
35
Cass., C.20.03223.N, beschikbaar via: https://juportal.be/JUPORTAwork/ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211007.1N.4 NL.pdf;
§6:
36
Ibid.
37
Zie verwoording artikel 77.1 AVG en overweging 142 van haar preambule in het licht van artikel 80.1 AVG.
Beslissing 16/2025 — 15/23
dat een betrokkene een vertegenwoordiger kan aanschrijven zodra hij of zij “van
oordeel is” dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde van de AVG.
36. Ten derde stelt de verweerder, eveneens in haar eerste middel, dat er allerlei verkeerde
bewijzen worden aangeleverd, omdat er bijvoorbeeld stukken worden aangeleverd die enkel
de URL “https://myprivacy.dpgmedia.be” vermelden, en niet de websites waarover de
litigieuze klachten handelen, zoals Het Laatste Nieuws of De Morgen. 38 Dit is een kennelijk
niet dienend argument, omdat het net de eerstgenoemde URL is waarop elke
websitebezoeker kan terechtkomen bij het bezoeken van de voornoemde twee litigieuze
websites om daar al dan niet toestemming te geven voor het plaatsen van cookies.
Daarnaast laat de verweerder na te stellen welke schermafbeeldingen dan in concreto
gemanipuleerd zouden zijn waardoor de feitelijke voorstellingen van de litigieuze
cookiebanners dermate wijzen op een ontbrekend (proces-)belang van de klager voor de
initiële bezoeken en hun grieven die in dat kader bestonden.
In elk geval wijst niets in dit kader op een gebrekkig mandaat of een ontbrekend
procesbelang; het staat de verweerder uiteraard wel vrij de waarachtigheid of pertinentie
van bepaalde stukken te betwisten in het kader van de behandeling ten gronde van het
dossier.
Het is voor de instaatstelling van de zaak allerminst relevant of gepast dat de
Geschillenkamer zich reeds uitspreekt over het voldoende bewijskrachtige karakter van
bepaalde stukken voor het vaststellen van een inbreuk, zoals de HAR-bestanden die de
klagers bijvoegden. Argumenten van de verweerder ter zake worden – in functie van de
goede rechtsbedeling – dan ook niet verder behandeld.
37. Ten vierde wijst de verweerder in het eerste sub-middel van haar tweede middel op de
onderverdeling van de litigieuze klachten – op de website van de verweerder – van de
klagers onder het project “Cookie Banners”, en stelt de verweerder dat Noyb in casu
kunstmatig klachten zou hebben gecreëerd in weerwil van de opstelling van artikel 80.1 AVG
(met onderscheid t.a.v. artikel 80.2 AVG, hetgeen niet werd ‘geactiveerd’ in de Belgische
wetgeving). Het feit dat bepaalde klachten onder bepaalde projecten worden
onderverdeeld, wijst op zich niet op het feit dat Noyb deze klachten op kunstmatige wijze –
en met name niet op initiatief van de betrokken klagers – zou hebben opgesteld en
ingediend. Het feit dat Noyb – na het verzoek hiertoe door de klagers – zou hebben
gecoördineerd met die klagers, en dat zij de klachten kan onderbrengen onder een bepaalde
categorie van werkzaamheden en projecten, kan bezwaarlijk worden gezien als een element
dat op zich voldoende is om te spreken van een kunstmatig gecreëerde klacht (of, voor zover
de verweerder daarop doelt, rechtsmisbruik of een fictief mandaat).
38
Standpunt verweerder, 20 december 2024, §§25-32..
Beslissing 16/2025 — 16/23
38. Ten vijfde wijst de verweerder in haar tweede sub-middel onder haar tweede middel op het
feit dat de klachten deel uitmaakten van een sub-project en door Noyb gegenereerd werden
op basis van specifieke door Noyb bepaalde selectiecriteria:
a. De elementen die de verweerder aanvoert in verband met de onderverdeling op de
publiek beschikbare websites van Noyb, bevestigen net dat de klachten als sub-
project uitdrukkelijk los lijken te staan van bepaalde andere (cookie-)projecten, met
name die projecten waarbij Noyb centraal en gecoördineerd thema’s en
verwerkingsverantwoordelijken vastlegt binnen deze of gene eigen opgezette
projectacties;
b. Het feit dat de klagers in gezamenlijk overleg beoogden de klachten in te dienen,
met het doeleinde zich vertegenwoordigd te zien door Noyb en deze klachten te
laten onderbrengen bij de categorieën van andere cookiebanner-klachten, toont
geen enkele voorafgaande instructie aan dewelke wijst op rechtsmisbruik of een
ontbrekend procesbelang in de verhouding tussen de klagers en Noyb;
c. Daar waar de verweerder stelt dat Noyb niet vermeldt dat zij optreedt in naam van
specifieke klagers en in dat kader vermeldt dat er specifiek werd gekeken naar de
schikkingsbeslissingen van de GBA tegen bepaalde mediabedrijven – weze
vermeld dat het wel degelijk Noyb is die als vertegenwoordiger van de klagers
onder de verwoording van artikel 80.1 AVG klacht indient bij de toezichthoudende
autoriteit. Het feit dat Noyb zichzelf aanwijst als indiener van de klachten is de iure
eenvoudigweg correct (voor zover dit verder een pertinent zou vormen voor de
aanwezigheid van rechtsmisbruik of een fictief mandaat);
d. Het feit dat de dossiernummers stuk per stuk gelijklopen met de lijst (op websites)
van Noyb die schikkingsbeslissingen van de GBA houdende onder meer een
voorgaande schikking met de verweerder weergeven, toont wederom allerminst
aan dat het Noyb is die een voorafgaande instructie gaf aan de klagers; hoogstens
toont dit enkele feit aan dat de klagers hebben gebruikgemaakt van de informatie
beschikbaar op de website(s) van Noyb;
e. Het feit dat bewijsstukken werden ingedeeld in een map die vermeldt dat het om
een deel van “lopende projecten” (“ongoing projects”) gaat, bewijst – wederom –
geen voorafgaande instructie, maar louter dat de klagers gebruikmaakten van de
faciliteiten die hen werden aangeboden bij Noyb, alwaar zij van het forum dat hen
werd geboden gebruikmaakten om hun grieven in de vorm van klachten (en naar
hun bewoording onder “projecten”) neer te leggen met Noyb als
vertegenwoordiger;
Beslissing 16/2025 — 17/23
f. Het feit dat (één van) de klagers de klacht in een Engelstalige map heeft c.q. hebben
opgeslagen, is geenszins een relevant element en bewijst, opnieuw, louter dat de
klagers gebruikmaakten van de faciliteiten die hen werden aangeboden bij Noyb,
alwaar zij van het forum dat hen werd geboden gebruikmaakten om hun grieven in
de vorm van klachten (en naar hun bewoording onder “projecten”) neer te leggen
met Noyb als vertegenwoordiger;
g. Het feit dat de klagers zich bedienen van dezelfde categorisering als deze van
Noyb, dewelke spreekt van bepaalde types inbreuken, bewijst geenszins een
voorafgaande instructie van Noyb; het toont louter aan dat klagers gebruikmaakten
van de instrumenten (waaronder templates, standaardparagrafen e.d.m.) die
werden aangeboden bij Noyb, alwaar zij van het forum dat hen werd geboden
gebruikmaakten om hun grieven in de vorm van klachten (en naar hun bewoording
onder “projecten”) neer te leggen met Noyb als vertegenwoordiger;
h. Dat er na de eerste bezoeken van de klagers van de websites en na het ontstaan
van hun grieven ter zake, ook andere medewerkers van Noyb bewijsgaring deden
terwijl er op dat moment nog geen formeel mandaat voor Noyb bestond, bewijst
geen voorafgaande instructie van Noyb waarbij de grieven van de klagers zouden
zijn ‘gestuurd’; dit bewijst enkel dat er al coördinatie was vóór de formele
mandatering van Noyb, hetgeen op zich niet problematisch is en net als goede
praktijk kan worden aangemerkt opdat geen klachten worden ingediend waaraan
geen zorgvuldige bewijsgaring en voorbereiding voorafgaat;
i. Dat één van de klagers het woord neemt in het persbericht van Noyb omtrent de
litigieuze klachten en daarbij aangeduid wordt als “juridisch stagiair bij noyb” (en
niet als één van de klagers), bewijst ook geen voorafgaande instructie van Noyb aan
deze persoon als klager – voorafgaand aan het ontstaan van de grieven – en uit het
weergegeven citaat39 blijkt net dat ook de klager in kwestie (door het gebruik van
“wij”) zelf de praktijk als grievend ervoer.
39. Ten zesde verwijst de verweerder in het derde sub-middel van haar tweede middel naar het
feit dat beide klagers als juridisch stagiair “in opdracht van Noyb” werkten bij het
genereren van de klachten. Nogmaals zij erop gewezen dat het onbetwistbaar vaststaat dat
de klagers ten tijde van het ontstaan van hun grieven en het bezoeken van de litigieuze
websites, inderdaad trainees (“stagiairs”) waren, maar dat de wet nergens uitsluit dat een
stagemeester of werkgever zijn of haar trainees of medewerkers vertegenwoordigt bij het
39
De volledige quote, weergegeven in het standpunt van de verweerder dd. 20 december 2024 (§92) luidt: “Wij zijn geschokt
dat ondanks de duidelijkheid van de geldende cookie-vereisten, de betrokken nieuwswebsites nog steeds de basisprincipes
niet respecteren die gelden voor het ontwerp van cookiebanners. Het respecteren van de privacy van hun gebruikers is in het
bijzonder belangrijk omdat deze websites veel bezoekers hebben.”
Beslissing 16/2025 — 18/23
neerleggen van klachten in de zin van artikel 80.1 AVG.
De Geschillenkamer heeft ook nooit geponeerd dat het loutere feit dat klagers op het
moment van de klachtneerlegging ook “trainee” of “stagiair” waren, of enigerlei andere
functie als medewerker bij Noyb hadden, op zich een voldoende element vormt om klachten
ingediend binnen een vertegenwoordigingsrelatie onder artikel 80.1 AVG, te verwerpen.
Echter, dit speelde wel mee in de contextualisering van de motieven van de beslissingen
waarbij klachten werden verworpen (met name in de dossiers VOO en Roularta), omdat daar
onmiskenbare (o.m. publiek beschikbare) bewijsstukken voorlagen die bewezen dat de
grieven niet terug te brengen waren tot de betrokken klagers – en dat hun
persoonsgegevensverwerkingen kunstmatig werden geconstrueerd (wat bovendien ook
een risico op schade meebrengt, zoals de Geschillenkamer toelichtte in de beslissing
Roularta40).
40. Verder haalt de verweerder nog een aantal bijkomende feitelijke elementen aan die zij
relevant vindt in dit kader, dewelke voor de Geschillenkamer eveneens geen aanleiding
geven tot enigerlei motief om de klachten te verwerpen.
41. Het is niet van belang dat Noyb stelt dat het om trainees (“stagiairs”) dan wel “vrijwilligers”
gaat, en dat er daarom beweerdelijk geen sprake kan zijn van enige dwang. De
Geschillenkamer benadrukt – net zoals zij deed in de beslissingen Roularta en Mediahuis41 –
dat een stagerelatie wel degelijk een zekere ondergeschiktheid impliceert (bijvoorbeeld
omdat een al dan niet succesvolle stage gevolgen kan hebben voor de professionele carrière
van een persoon), en dat er dus wel degelijk een risico van dwang kan spelen, alsook
mogelijke belangenconflicten kunnen optreden.42
42. Dat de verweerder in zijn standpunt uitgebreid ingaat op het statuut van de vrijwilliger doet
in die zin niet ter zake, nu het voor de Geschillenkamer niet relevant is – en nooit is geweest
– dat het statuut van “vrijwilliger” beweerdelijk minder risico op dwang zou inhouden dan de
status van een medewerker in loondienst. Het enige wat hier het standpunt zou kunnen
wijzigen, is wanneer er bewijs voorligt dat er concrete projecten of instructies waren om de
concrete klachten in te dienen, die – inderdaad – op bijvoorbeeld een belangenconflict43
zouden kunnen wijzen.
43. In hetzelfde kader verwijst de verweerder ook naar een zaak voor het Hof van Justitie, die
werd aangedragen door de klagers, om te stellen dat Noyb ook voor het Hof van Justitie al
40
Beslissing Geschillenkamer 112/2024, 6 september 2024, § 77.
41
Beslissing 113/2024 van de Geschillenkamer, beschikbaar via:
https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-113-2024-van-6-september-2024.pdf.
42
Dit zou overigens evenzeer een risico kunnen zijn in een relatie tussen een vrijwillig medewerker en de aanbieder van de
vrijwillige werkplaats.
43
Vgl. Beslissing Geschillenkamer 112/2024, 6 september 2024, § 79.
Beslissing 16/2025 — 19/23
(voormalig) medewerkers vertegenwoordigde. Deze zaak is niet relevant, omdat de
rechtstoegang voor de toezichthoudende autoriteiten in elk geval verschilt met deze van de
hoven en rechtbanken en, daarnaast, de zaak in niets te maken had met de
vertegenwoordiging voor de toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 80.1 AVG.
44. Ten zevende, in het vierde sub-middel van haar tweede middel stelt de verweerder, sterk
samengevat, dat er sprake is van rechtsmisbruik omdat artikel 80.2 AVG niet is uitgevoerd
in de Belgische wetgeving en dat Noyb de klagers daarom zou instrumentaliseren om via
artikel 80.1 AVG het klachtrecht te kunnen uitoefenen. De Geschillenkamer herhaalt dat het
feit dat Noyb in het verleden fictieve mandaten zou hebben gebruikt, dan wel rechtsmisbruik
zou hebben gepleegd, op zich niet volstaat opdat er in casu een fictief mandaat aanwezig is
dan wel van rechtsmisbruik sprake is. Waar de verweerder aanvoert dat Noyb
“onafhankelijk van een betrokkene” een klacht zou hebben neergelegd, faalt haar
argument naar recht; er is in dit dossier een duidelijk vertegenwoordigingsmandaat
aanwezig voor de twee betrokken klagers, en de klagers verklaren dat zij zelf het initiatief
hebben genomen voor de klachten.
45. Ten achtste, voor wat betreft het onderscheid met het dossier VOO, argumenteert de
verweerder in diens derde middel dat vele elementen gelijklopen met het onderhavig
dossier. De verschillen, daarentegen, zijn volgens de verweerder (sterk samengevat) dat in
de zaak VOO de Inspectiedienst optrad en een verwerking van persoonsgegevens van
klagers werd aangetoond, wat hier niet het geval zou zijn. De Geschillenkamer ziet echter
niet in hoe in de zaak VOO de verwerking van persoonsgegevens meer vaststond dan in
onderhavige zaak, en hoe de tussenkomst van de Inspectiedienst in deze zaak meer had
kunnen aantonen dat de klagers effectief zelf op 10 februari 2023 de litigieuze websites
hadden bezocht (en in die zin, meer bewijzen van het tegendeel kunnen aanbrengen –
hetgeen het bewijzen van een negatief feit meebrengt, nu de klagers het tegendeel
aanvoeren). Geen van de door de verweerder aangevoerde elementen wijst er op dat hier
evenzeer sprake zou zijn van een fictief mandaat (dan wel een ontbrekend procesbelang of
de aanwezigheid van rechtsmisbruik), net omdat het dossier VOO in de feitenconstellatie
wezenlijk verschilt van onderhavige zaak (supra, sectie 3.3).
II.3. De beslissing tot behandeling ten gronde (artikel 95, §1, 1° WOG)
46. Al deze overwegingen in acht genomen, en overeenkomstig artikel 95, §1, 1° WOG beslist de
Geschillenkamer tot de behandeling ten gronde van het dossier 44, waarvan hier kennis
wordt gegeven45 en waarin de partijen verweermiddelen zullen kunnen indienen.
44
Art. 95, § 1, 1° van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
45
Art. 98 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Beslissing 16/2025 — 20/23
47. Voor wat betreft het procedurele punt in verband met het (proces-)belang van de klagers en
de mandatering van hun vertegenwoordiger, maakt dit een prima facie beslissing uit, nu de
debatten ten gronde eveneens toelaten – en steeds hadden toegelaten – argumenten en
middelen aan te voeren die aanleiding zullen geven tot een beslissing onder artikel 100
WOG, waaronder een seponeringsbeslissing.
48. Gezien de voorzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de Geschillenkamer
de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 van de WOG uitnodigen
hun verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten bij het dossier te
voegen.
49. De geschillenkamer wijst er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde van de
zaak kan leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 van de WOG. 46
50. Gelet op de eerdere uitwisselingen met de partijen in het Nederlands en het bevinden van
de zetel van de verweerder in eentalig Nederlands taalgebied, wordt het Nederlands
gehanteerd als proceduretaal.
51. Op basis van de stukken in het dossier, met inbegrip van het klachtenformulier, stelt de
Geschillenkamer vast dat de reikwijdte van deze zaak betrekking heeft op de volgende
vermeende inbreuken door de verweerder:
1. Vermeende inbreuken op art. 10/2 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van
persoonsgegevens (B.S. 5/9/2018, hierna “GBW”), in samenhang met enerzijds artikel
125, §1, 1° van de Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie
(B.S. 20/6/2005, hierna “WEC”; deze bepaling wordt vermeld in het art. 10/2 GBW) en
anderzijds met artikel 6.1.a. van de Algemene Verordening Gegevensbescherming
(EU 2016/679, publ. 4/5/2016, hierna “AVG”): de klagers stellen in elk van de vier
46
Artikel 100. § 1. De Geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de
gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te
bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het
gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
Beslissing 16/2025 — 21/23
klachten voor elk van de vier litigieuze websites dat de toestemmingsvereisten niet
gerespecteerd zouden worden, met name doordat er geen “weigeren”-optie bestaat op
het eerste informatieniveau van de cookiebanner. In die zin handelen de vermeende
inbreuken over het feit dat er geen rechtsgeldige toestemming is in het kader van de
Belgische uitvoeringsbepalingen van de e-Privacyrichtlijn (EU 2002/58) in samenhang
gelezen met de voornoemde bepalingen van de AVG, voor wat betreft
persoonsgegevensverwerkingen die plaatsvinden ingevolge het plaatsen van cookies;
2. Vermeende inbreuken op artikelen 5.1.a. AVG en 6.1.a. AVG: de klagers stellen in elk
van de vier klachten dat het gebruik van verschillende kleuren voor de cookiebanner
die gehanteerd wordt in het kader van het verstrekken van toestemming, in casu
misleidend zou zijn. In die zin handelen de vermeende inbreuken om het respecteren
van de beginselen inzake rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie, alsook het
rechtsgeldig verlenen van toestemming.
Ambtshalve werpt de Geschillenkamer ook, gezien de kennelijke samenhang, de
toestemmingsvereisten onder de eerder genoemde artikelen 10/2 GBW en 125, §1, 1°
WEC op in dit kader – gezien de link met het plaatsen van cookies en
toestemmingsvereisten in die wettelijke bepalingen. De verweerder dient dus ook deze
artikelen te betrekken in het verweer ter zake;
3. Vermeende inbreuken op art. 4(11) juncto art. 7.3 AVG: de klagers stellen in elk van hun
vier klachten dat het intrekken van de toestemming niet net zo makkelijk is als het
geven van toestemming in het kader van het plaatsen van toestemming. In die zin
stellen alle klachten dat betrokkenen eerst een aantal stappen op de litigieuze websites
moeten doorlopen om vooreerst al enige toestemming te kunnen intrekken, waarna
het intrekken van elke toestemming die is gegeven – bijvoorbeeld maar niet beperkt
tot het geval wanneer een betrokkene voorafgaand alle cookies gelijktijdig had
aanvaard – enkel afzonderlijk zou kunnen. Ambtshalve werpt de Geschillenkamer ook,
gezien de kennelijke samenhang, de toestemmingsvereisten onder de eerder
genoemde artikelen 10/2 GBW en 125, §1, 1° WEC op in dit kader – gezien de link met
het plaatsen van cookies en toestemmingsvereisten in die wettelijke bepalingen. De
klacht aangaande de website ‘7sur7’ vermeldt in dit kader ook een vermeende inbreuk
op art. 5.1.a. AVG, nu het niet behoorlijk of transparant zou zijn dat in de sectie omtrent
het cookiebeleid op de litigieuze website geen knop of link vervat zit om
cookievoorkeuren aan te passen, alsook dat de vermelde rubriek ook niet beschikbaar
zou zijn op de litigieuze website. De verweerder dient dus ook deze artikelen te
betrekken in het verweer ter zake.
Beslissing 16/2025 — 23/23
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 47. Het
verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.48, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
47
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
48
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.