¶ ile paragrafa bağlantı verin veya alıntıyı künyesiyle kopyalayın. Üretilen bağlantı kimlikleri resmî paragraf numarası değildir.
10

| Repertoriumnummer 2021 / 5648 |
| --- |
| Datum van uitspraak 16 juli 2021 |
| Rolnummer 2021/AR/1044 |
Uitgifte
| Uitgereikt aan | Uitgereikt aan | Uitgereikt aan |
| --- | --- | --- |
| op € BUR | op € BUR | op € BUR |
☑
Niet aan te bieden aan de ontvanger
Tussenarrest :
voorlopige maatregelen
in voortzetting 10 november 2021
# Hof van beroep
# Brussel
Sectie Marktenhof
Kamer voor marktzaken
Kamer Vac 2
# Arrest
| Aangeboden op |
| --- |
| Niet te registreren |
COVER 01-00002249579-0001-0009-01-01-1

Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 2
INZAKE :
**FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, ON 0308.357.159, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 33 bus 49, verzoekende partij,
vertegenwoordigd door mr. PEYPE Lynn loco mr. DEBUSSERE Frederic, mr. PEYPE Lynn loco mr. FITEN Bernd en mr. PEYPE Lynn loco mr. SOMERS Geert, advocaten, allen kantoorhoudende te 1000 BRUSSEL, Joseph Stevensstraat 7
tegen beslissing nr. 66/2021 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit in datum van 4 juni 2021in zaak nr. DOS-2020-00818, hierna “bestreden beslissing”,
TEGEN :
**De GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT**, hierna aangeduid als “GBA”, onafhankelijke openbare instelling (toezichthoudende autoriteit), ON 0694.679.950, met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Drukpersstraat 35, verwerende partij;
vertegenwoordigd door mr. ROETS Joos, mr ROETS Joos loco mr. CLOOTS Elke en mr. ROETS Joos loco Mr. BUGGENHOUDT Claire, advocaten, allen kantoorhoudende te 2018 ANTWERPEN, Oostenstraat 38 bus 201
***
1.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Brussel op 5 juli 2021 heeft de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN (hierna FOD FINANCIËN) overeenkomstig artikel 108, §1 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna WOG) beroep ingesteld tegen de beslissing nr. 66/2021 van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna GBA) van 4 juni 2021 in zaak nr. DOS-2020-00818.
2.
Het beroep strekt ertoe:
Het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens:
PAGE 01-00002249579-0002-0009-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 3
Op de inleidingszitting of een nabije zitting bij tussenarrest:
- de opheffing te bevelen van de voorlopige uitvoerbaarheid van de bevelen van de beslissing van de GBA van 4 juni 2021 in DOS-2020-00818 totdat het Hof ten gronde uitspraak gedaan zal hebben;
- te zeggen voor recht dat elke eventueel reeds genomen uitvoeringsmaatregel onmiddellijk ongedaan gemaakt moet worden;
- de zaak voor al het overige aan te houden;
Vervolgens na verdere instaatstelling :
Vast te stellen dat de bestreden beslissing nr. 66/2021 van 4 juni 2021 in zaak nr. DOS-2019-01377 onwettig/ongegrond is, en in elk geval de bestreden beslissing te vernietigen;
De GBA te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, deze laatste begroot op 1.440,00 EUR.
3.
Ter terechtzitting van 15 juli 2021 worden de debatten beperkt tot de vraag tot opheffing van de voorlopige uitvoerbaarheid van de bestreden beslissing en tot het bevel om reeds gedane uitvoeringsmaatregelen ongedaan te maken.
4.
De uiteenzetting van de feiten is niet dienstig in deze stand van het geding.
5.
De FOD FINANCIËN laat (binnen het kader van voornoemd beperkt debat) volgend middel gelden:
MIDDEL 1: De uitvoering van de bestreden beslissing houdt een ernstig nadeel in voor de verzoeker.
De FOD FINANCIËN motiveert dit middel door zich te beroepen op de rechtspraak van het Marktenhof in zijn arresten van 19 februari 2020, 2 september 2020, 16 september 2020 en 27 januari 2021.
6.
Overeenkomstig artikel 108, §1, tweede lid WOG dat stelt: “Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de geschillenkamer bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt is de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep” is de bestreden beslissing van 4 juni 2021 uitvoerbaar bij voorraad.
PAGE 01-00002249579-0003-0009-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 4
6.1.
In de mate dat het Marktenhof op grond van artikel 6.1 EVRM en het Unierecht, inzonderheid artikel 47 HGEU, moet waken over een doeltreffend verhaal, dat slechts zinvol is wanneer de verzoekende partij ten aanzien van wie de bestreden beslissing werd genomen niet ‘onder druk’ wordt gezet doordat de beslissing van de GBA voorlopig uitvoerbaar is, heeft het Hof alleszins rechtsmacht om de voorlopige uitvoerbaarheid op te schorten.
Artikel 78, lid 1 AVG ¹ bepaalt:
“Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een toezichthoudende autoriteit.
1. Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.
2. Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep heeft iedere betrokkene het recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien de overeenkomstig de artikelen 55 en 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de uit hoofde van artikel 77 ingediende klacht.
3. Een procedure tegen een toezichthoudende autoriteit wordt ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de toezichthoudende autoriteit is gevestigd.
4. Wanneer een procedure wordt ingesteld tegen een besluit van een toezichthoudende autoriteit waaraan een advies of een besluit van het Comité in het kader van het coherentiemechanisme is voorafgegaan, doet de toezichthoudende autoriteit dat advies of besluit aan de gerechten toekomen.”
Punt (143) van de preambule stelt:
“(143) [...] Onverminderd dit recht uit hoofde van artikel 263 VWEU dient iedere natuurlijke of rechtspersoon het recht te hebben om tegen een besluit van een toezichthoudende autoriteit dat ten aanzien van die persoon rechtsgevolgen heeft, voor het bevoegde nationale gerecht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen. Een dergelijk besluit heeft meer bepaald betrekking op de uitoefening van met onderzoek, correctie en toestemming verband houdende bevoegdheden door de toezichthoudende autoriteit, of op de afwijzing van klachten. [...]
Artikel 66 AVG ² stelt een spoedprocedure in voor het geval er dringende maatregelen moeten getroffen worden. Uit dit gegeven (en het feit dat ook luidens de artikelen 60 ³ en 62 ⁴ AVG de
¹ Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
² “In buitengewone omstandigheden kan een betrokken toezichthoudende autoriteit, wanneer zij van mening is dat er dringend moet worden opgetreden om de rechten en vrijheden van
PAGE 01-00002249579-0004-0009-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 5
toezichthoudende autoriteit een voorlopige maatregel kan nemen op het grondgebied van de lidstaat waarvoor zij bevoegd zijn) volgt dat het niet de bedoeling was van de Europese wetgever om de beslissingen van de Geschillenkamer van een autoriteit van een lidstaat uitvoerbaar bij voorraad te maken.
Nu het hoger beroep (het gewoon administratief hoger beroep) tegen een beslissing van een administratief rechtscollege (hetgeen de GBA niet is) in de regel schorsend werkt, is de burger (sensu lato d.w.z. zowel de fysieke persoon als de rechtspersoon) die zich gegriefd voelt door een beslissing van de Geschillenkamer van de GBA, gerechtigd voor het Marktenhof de opschorting van de bij de WOG gestelde uitvoerbaarheid bij voorraad in limine litis te vorderen.
# 6.2.
De “voorlopige uitvoerbaarheid van rechtswege” is verdedigbaar wanneer het beroep een ‘gewoon hoger beroep’ is waarbij de zaak in feite en in rechte van meet af aan her-beoordeeld wordt door een andere rechter van de rechterlijke orde. In dat geval zijn de benoemingsregels, de regels van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van zowel de eerste rechter als de appelrechter gelijk.
Dit is niet zo wanneer het gaat om een “één aanleg” beroep voor de rechter van de rechterlijke orde (te dezen het Marktenhof) dat te oordelen heeft over een beslissing getroffen door een orgaan van een administratieve overheid waarvan de leden, in het geval van de GBA, zijn aangeduid door een meerderheidsstemming in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en geen rechters zijn.
Vermits het Marktenhof oordeelt over de merites van een administratieve beslissing op grond van het naleven, niet enkel van de regels van de desbetreffende wetgeving, maar tevens van de regels van behoorlijk bestuur sensu lato en van de grondrechten sensu lato, en het Marktenhof daarenboven steeds uitspraak doet binnen een zeer redelijke termijn volgens de rechtsplegingsprincipes ‘zoals in kortgeding’, past het dat het Hof, wanneer de verzoekende partij zulks expliciet vraagt, de voorlopige tenuitvoerlegging desgevallend kan opschorten totdat het Hof uitspraak heeft gedaan over de merites van het ingestelde verhaal zelf.
Het verhaal tegen een administratieve beslissing is mede slechts dan doeltreffend, in de zin van artikel 47 HGEU, wanneer de verzoekende partij niet onder druk wordt gesteld om meteen een geldboete te betalen en/of zich te schikken naar de beschikkingen van de bestreden beslissing.
betrokkenen te beschermen, in afwijking van het in de artikelen 63, 64 en 65 bedoelde coherentiemechanisme of van de in artikel 60 bedoelde procedure, onverwijld voorlopige maatregelen met een bepaalde geldigheidsduur van ten hoogste drie maanden nemen die beogen rechtsgevolgen in het leven te roepen op het eigen grondgebied.”
³ Artikel 61, 11: “Indien, in buitengewone omstandigheden, een betrokken toezichthoudende autoriteit het met reden dringend noodzakelijk acht dat in het belang van bescherming van de belangen van betrokkenen wordt opgetreden, is de in artikel 66 bedoelde spoedprocedure van toepassing.”
⁴ Artikel 62, 7 : “Wanneer een gezamenlijke werkzaamheid is gepland en een toezichthoudende autoriteit niet binnen één maand aan de in lid 2, tweede zin, van dit artikel vastgestelde verplichting voldoet, kunnen de andere toezichthoudende autoriteiten een voorlopige maatregel nemen op het grondgebied van de lidstaat waarvoor zij bevoegd zijn overeenkomstig artikel 55. In dat geval wordt geacht dat er overeenkomstig artikel 66, lid 1, dringend moet worden opgetreden en dat dit een dringend advies of een dringend bindend besluit van het Comité vereist overeenkomstig artikel 66, lid 2.”
PAGE 01-00002249579-0005-0009-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 6
# 6.3
Bij arrest van 30 juni 2021 (2021 MR 1)⁵ heeft het Marktenhof zijn stelling (zoals samengevat onder punt 6.2 hiervoor) nog verduidelijkt.
In geval van strijdigheid van Europese wettelijke normen (zoals artikel 47 HGEU) met nationale wettelijke normen (zoals artikel 108 § 1 WOG), kunnen nationale normen alleen dan van toepassing zijn voor zover ze niet onverenigbaar zijn met de Europese norm.
Hieruit volgt dat de norm van artikel 108 § 1 WOG restrictief moet worden uitgelegd en dat in geval van dubbelzinnigheid of onzekerheid over de vraag of het recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet in gevaar wordt gebracht door een nationale regel, moet worden aangenomen dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte wel in gevaar zou kunnen komen door de toepassing van de nationale regel, die de onmiddellijke en niet opgeschorte tenuitvoerlegging van het bestreden besluit vereist.
Er moet dienvolgens in concreto worden nagegaan in hoeverre de rechten van de verzoekende partij niet onomkeerbaar zouden worden geschonden indien de bestreden beslissing voorlopig en onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd, daar waar het Marktenhof pas later⁶ ten gronde zal beslissen over de merites van het beroep.
# 6.4.
Het volstaat evenwel niet – om de voorlopige tenuitvoerlegging te zien opschorten en/of de uitvoeringsmaatregelen tijdelijk ongedaan te zien maken – dat de theoretische beschouwingen (met verwijzing naar artikel 47 HGEU en de ervan afgeleide bepalingen van supranationaal recht) worden aangehaald.
Om de opschorting en het ongedaan maken te horen bevelen door het Marktenhof dient de verzoekende partij te motiveren en te bewijzen (en dus niet enkel te beweren) dat de toepassing van de regel van artikel 108 § 1 WOG in dit concrete geval een schending en krenking zou uitmaken van het recht op een doeltreffend verhaal zoals de omschrijving ervan door het Marktenhof (zie 6.2 en 6.3 hiervoor).
Het uitgangspunt voor de beoordeling zijn de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen, oordelen en bevelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing
⁵ Het Hof stelt aldaar letterlijk in het Frans : « En cas de conflit de normes législatives européennes (tel que l'article 47 CDFUE) avec des normes législatives nationales (tel que l'article IV.90 § 3 CDE), les normes nationales ne peuvent s'appliquer que pour autant qu'elles ne soient pas inconciliables avec la norme européenne. Il y a lieu d'examiner dans quelle mesure les droits des parties requérantes ne seraient pas irréversiblement violés au cas où la décision attaquée sortirait ses effets dès le 6 juillet 2021, alors que ce n'est qu'en novembre 2021 que la Cour des marchés aura à statuer sur les mérites du recours » (Comp. Commission/Pilkington Group [C 278/13 P(R), EU:C:2013:558]. « Il s'ensuit que la norme de l'article IV.90 § 3 CDE doit s'interpréter restrictivement et qu'en cas d'ambiguïté ou d'incertitude quant à savoir si le droit au recours effectif n'est pas mis en péril par une norme nationale, il y a lieu de considérer que le droit au recours effectif pourrait être mis en péril par la norme nationale, imposant l'exécution immédiate et non suspendue de la décision attaquée. »
⁶ te dezen in november 2021
PAGE 01-00002249579-0006-0009-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 7
aangewende rechtsmiddel blijft in beginsel – in dit stadium van de beoordeling door het Hof - buiten beschouwing.
Dit kan anders zijn indien de bestreden beslissing, waartegen het verhaal wordt ingesteld, klaarblijkelijk prima facie berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien zich na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden hebben voorgedaan of zijn aan het licht gekomen, die in concreto kunnen rechtvaardigen dat van de principiële uitvoerbaarheid van die bestreden beslissing (minstens tijdelijk) wordt afgeweken.
# 6.5.
Het Marktenhof stelt te dezen vast dat de FOD FINANCIËN in het voorliggende verzoekschrift geen enkel concreet element bijbrengt om haar vordering tot opschorten te rechtvaardigen.
Ook ter terechtzitting van 15 juli 2021 werden geen feitelijke en concrete elementen voorgebracht om nog maar enigszins aannemelijk te maken dat de FOD FINANCIËN door de uitvoerbaarheid van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou lijden dat zou opwegen tegen het algemeen belang ingeroepen door de GBA en/of het belang van de klager.
De FOD FINANCIËN vermeldt niet en bewijst ook niet, hoe zij door de voorlopige tenuitvoerlegging derwijze onder druk zou gesteld worden dat zulks haar belangen tot verdediging in de hangende vervolging schaadt.
Nu de FOD FINANCIËN te dezen de concrete motivering en de bewijzen niet bijbrengt is haar verzoek (binnen het kader van het beperkte debat) niet gegrond.
# 6.6.
Het past de partijen akte te verlenen van hun conclusiekalender en de zaak voor behandeling ten gronde vast te stellen op de zitting van 10 november 2021 om 9.30 uur voor een pleitduur van 180 minuten.
# OM DEZE REDENEN,
# HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak ;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;
Alvorens uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en de grond van het ingestelde beroep;
Uitspraak doende bij tussenarrest binnen het beperkte debat (1) om de opheffing te bevelen van de voorlopige uitvoerbaarheid van de bevelen van de beslissing van de GBA van 4 juni 2021 totdat het Marktenhof ten gronde uitspraak gedaan zal hebben en (2) te zeggen voor recht dat elke eventueel reeds genomen uitvoeringsmaatregel onmiddellijk ongedaan gemaakt moet worden;
PAGE 01-00002249579-0007-0009-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 8
Verklaart het verzoek ongegrond en wijst de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN ervan af;
Geeft de partijen akte van hun akkoord over de conclusiekalender voor het in staat stellen van de zaak ten gronde;
- Zegt dat de GBA conclusie zal nemen uiterlijk op 27 augustus 2021;
- Zegt dat de FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN conclusie zal nemen uiterlijk op 8 oktober 2021;
- Zegt dat de GBA syntheseconclusie zal nemen uiterlijk op 29 oktober 2021;
Stelt de zaak in voortzetting voor behandeling ten gronde op de openbare terechtzitting van het Marktenhof op woensdag 10 november 2021, om 9.30 uur (zaal 1.32) voor 180 minuten;
Houdt al het overige aan.
Dit arrest werd gewezen door het Marktenhof – vakantiekamer Vac 2, van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit:
M. BOSMANS
Raadsheer dd. voorzitter
A-M. WITTERS
Raadsheer
M DAMS
Raadsheer
die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd, bijgestaan door
B. VANDERGUCHT Griffier,
B. VANDERGUCHT
M. DAMS
A-M. WITTERS
Mevrouw A-M. WITTERS, raadsheer en Mevrouw M DAMS, raadsheer, verkeren in de onmogelijkheid om de uitgesproken beslissing te ondertekenen.
PAGE 01-00002249579-0008-0009-01-01-4
Hof van beroep Brussel – 2021/AR/1044 – p. 9
Het arrest werd door uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de vakantiekamer Vac 2 van het hof van beroep te Brussel op 16 juli 2021,
waar aanwezig waren:
M. BOSMANS
B. VANDERGUCHT
Raadsheer dd. voorzitter
Griffier,
B. VANDERGUCHT
M. BOSMANS
PAGE 01-00002249579-0009-0009-01-01-4