ECLI:NL:RBMNE:2026:2730 text/xml public 2026-06-11T09:34:48 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-20 UTR 26/1203 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2730 text/html public 2026-06-11T09:34:28 2026-06-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2730 Rechtbank Midden-Nederland , 20-05-2026 / UTR 26/1203
Verzoek om voorlopige voorziening, spoedeisend belang niet onderbouwd, afgewezen
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1203
uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoekers] , uit [plaats] , verzoekers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden (gemachtigde: mr. R. Yahya).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een besluit van het college over de verwerking van persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensverwerking (AVG). Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Procesverloop
3. Verzoekers hebben op 3 juli 2025 een verzoek ingediend op grond van de AVG, onder meer om te motiveren dan wel te onderbouwen met welk doeleinde persoonsgegevens zijn verwerkt.
4. Bij besluit van 29 juli 2025 heeft het college beslist op dit verzoek. Omdat verzoekers het niet eens waren met dit besluit hebben zij een bezwaarschrift ingediend. Verzoekers hebben tijdens deze bezwaarprocedure de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 september 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorziening te treffen afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Met het bestreden besluit van 18 december 2025 op het bezwaar van verzoekers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 26/285.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. De voorzieningenrechter moet beoordelen of verzoekers de beroepsprocedure kunnen afwachten, zonder dat er een voorlopige voorziening wordt getroffen. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als er een spoedeisend belang is bij de gevraagde voorziening.
6. In het bestreden besluit heeft het college bepaald dat de verwerkingen van de persoonsgegevens hebben plaatsgevonden in het kader van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Deze taken vallen onder publieke taak van de gemeente. De verwerking van de persoonsgegevens die daarmee samenhangt, vindt plaats op grond van artikel 6, eerste lid, onder e, van de AVG. De openbaarmaking in het kader van Woo-verzoeken geschiedt op basis van de wettelijke verplichting op grond van de Woo, wat onder de AVG kwalificeert als verwerking op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, van de AVG.
7. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tijdens de beroepsprocedure. Dit verzoek om voorlopige voorziening richt zich op de verwerking van drie brieven uit 2020 (30 juli 2020, 7 augustus 2020 en 14 augustus 2020), een mailcorrespondentie (6-14 augustus 2020) en de verwerking van het telefonisch overleg van 14 juni 2024. Volgens verzoekers is geen enkele grondslag uit artikel 6 van de AVG evident van toepassing. Verzoekers voeren daartoe aan dat het college geen enkele wettelijke taak of bevoegdheid had om persoonsgegevens en dossierinformatie met een derde te delen.
8. Zij verzoeken bij wijze van een voorlopige voorziening te bepalen dat het college zich onthoudt van ieder gebruik - direct of indirect - van de gegevensverwerkingen en dat het college - als verwerkingsverantwoordelijke - alle derden aan wie deze stukken zijn verstrekt informeert dat deze verwerkingen hangende het beroep niet mogen worden gebruikt of als rechtmatig mogen worden beschouwd, zolang niet onherroepelijk is vastgesteld dat deze verwerkingen voldoen aan artikelen 5 en 6 van de AVG. Verzoekers wijzen ter onderbouwing van hun spoedeisend belang op het feit dat zij dagelijks concrete en voortdurende schade ondervinden door de verwerkingen van de persoonsgegevens als genoemd onder rechtsoverweging 7.
9. Verzoekers stellen dat sprake is van een spoedeisend belang omdat zij concrete, actuele en reeds intredende onomkeerbare gevolgen ondervinden van het bestreden besluit. Het spoedeisend belang is gelegen in het voorkomen dat een civiele bindende uitspraak onomkeerbaar wordt beïnvloed door een onrechtmatig gedeelde en tevens onrechtmatig tot stand gekomen gemeentelijke beoordelingsbrief, het voorkomen van een aantoonbaar onjuist en onrechtmatig veiligheidsoordeel in een situatie waarin de veiligheid van bewoning daadwerkelijk in het geding is en het voorkomen van herhaling van onrechtmatige gegevensverwerkingen die op basis van het besluit de onjuiste grondslag overnemen met blijvende en niet-herstelbare gevolgen. De voorlopige voorziening ziet niet op een definitieve beoordeling van het geschil, maar op het voorkomen van verdere doorwerking van de onrechtmatige verwerking en het voorkomen van mogelijk nieuwe onrechtmatige verwerkingen tijdens de beroepsprocedure.
10. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van 18 september 2025 waarin het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tijdens de bezwaarprocedure is afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nog steeds niet blijkt van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Er is ook nu niet gebleken van onomkeerbare gevolgen in afwachting van de behandeling van zijn beroep. Verzoekers hebben nog steeds niet onderbouwd hoe een oordeel in deze zaak over de AVG-grondslag van verstrekkingen aan de aannemer (en dus niet over de inhoudelijke juistheid van de verstrekte stukken) van belang kan zijn in de lopende civiele zaak tegen de aannemer. Zij stellen dat de besluitvorming van invloed is op de voortgang van de civiele procedure, maar dat dit daadwerkelijk zo zou zijn onderbouwen zij op geen enkele manier.
11. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
12. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RBMNE:2025:5220.