1/9
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 73/2024 van 13 mei 2024
Dossiernummer : DOS-2019-02880
Betreft : een klacht tegen de installatie en het gebruik van bewakingscamera’s in de
gemeenschappelijke delen van een appartementsblok
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”;
De verweerster 1: Y1, hierna “de verweerster 1”;
De verweerster 2: Y2, hierna “de verweerster 2”, hierna samen “de verweersters” genoemd.
Beslissing ten gronde 73/2024 — 2/9
I. Feiten en procedure
1. Het voorwerp van de klacht betreft de installatie en het gebruik van bewakingscamera’s in
de gemeenschappelijke delen van een appartementsblok.
2. Op 21 mei 2019 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen
verweerster 2.
De klager is eigenaar van een appartement en lid van de vereniging van mede-
eigenaars. In de gemeenschappelijke gedeeltes van het gebouw waar het
appartement deel van uitmaakt, werden camera’s geïnstalleerd door verweerster 1
zonder dat de klager daar individuele toestemming voor had gegeven. Zowel de
verweerster 1 (installateur) als de verweerster 2 (syndicus) zouden toegang hebben
tot de beelden. Deze beelden worden op een onbekende locatie bewaard voor een
onbekende duur.
3. Op 12 juni 2019 werd de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van
de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 26 juni 2019 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG
dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
5. Op 28 juni 2019 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld
van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens
worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun
verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweersters werd
daarbij vastgelegd op 29 juli 2019, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 29
augustus 2019 en deze voor de conclusie van repliek van de verweersters op 30 september
2019.
6. Op 17 juli 2019 ontving de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
verweerster 1.
Verweerster 1 maakte de Geschillenkamer erop attent dat bepaalde stukken die
waren opgenomen in de inventaris, niet waren bijgevoegd bij de aangetekende
zending. Zij vroeg alsnog deze stukken te mogen ontvangen.
Verweerster 1 stelde dat de installatie werd geplaatst in opdracht van de
verweerster 2, die de vereniging van mede-eigenaars vertegenwoordigde. Zij
achtte zich niet verantwoordelijk voor de verwerking van de beelden van de
camera’s. Zij wist niet of deze camera’s opnamen en er zou geen onderhouds- noch
Beslissing ten gronde 73/2024 — 3/9
servicecontract zijn. Zij had evenmin een account om de beelden te kunnen
raadplegen.
De verweerster 1 haalde echter ook aan dat de klager diverse signaalkabels had
beschadigd, de stickers betreffende de camerabewaking had verwijderd en de
verweerster 1 had bedreigd. Zij wenste schadeloos gesteld te worden voor de
geleden schade.
7. Op 22 juli 2019 maakte ook verweerster 2 de Geschillenkamer erop attent dat bepaalde
stukken ontbraken bij het aangetekend schrijven van 28 juni 2019.
8. Op 29 juli 2019 ontving de Geschillenkamer het bericht van tussenkomst van de
vertegenwoordiger van de klager. Op 22 augustus maakte de klager de Geschillenkamer
erop attent dat hij geen conclusies van de verweerster 2 had ontvangen en dat de
beweringen van verweerster 1 “volstrekt irrelevant” waren.
9. Vanwege het ontbreken van enkele stukken in het dossier dat werd overgemaakt aan de
partijen op 28 juni 2019, besliste de Geschillenkamer op 18 september 2019 om nieuwe
conclusietermijnen vast te stellen zodat de partijen zich konden baseren op alle stukken van
het dossier.
10. Op 19 september 2019 worden de betrokken partijen opnieuw per aangetekende zending in
kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel
98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen
om hun verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweersters werd
daarbij vastgelegd op 18 oktober 2019, deze voor de conclusie van repliek van de klager op
4 november 2019 en deze voor de conclusie van repliek van de verweersters op 18
november 2019.
11. Op 19 september 2019 antwoordde verweerster 1 dat hij de bedoeling van het schrijven van
eerder die dag niet begreep, dat de klager niet meer op het bewuste adres woonde en dat hij
enkel een vergoeding vroeg voor “onze gemaakte kosten en roekeloos, tergend beding”. Op
23 september 2019 liet verweerster 1 eveneens weten dat het adres van zijn bedrijf niet
correct was.
12. Op 17 oktober 2019 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
verweerster 2 voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de
klacht.
Verweerster 2 stelde dat de klager een appartement, een autobox en een
autostaanplaats bezat in het gebouw, maar dat de klager niet woonachtig was in het
gebouw.
Beslissing ten gronde 73/2024 — 4/9
Naar aanleiding van verschillende incidenten, te wijten aan “onderlinge vetes”,
kwam de vraag van verschillende mede-eigenaars om een veiligheidssysteem met
camera’s te plaatsen in de inkomhal en de garages.
De plaatsing van de camera’s werd ter beslissing op de Algemene Vergadering van
22 januari 2018 voorgelegd, waar de plaatsing unaniem werd goedgekeurd, de
onthouding van enkele eigenaars, waaronder de klager, niet meegenomen. Deze
goedkeuring werd door verweerster 2 aangetoond met een kopie van het verslag
van deze Algemene Vergadering.
De verweerster 2 verduidelijkte dat dergelijke beslissingen binnen de vereniging
van mede-eigenaars door middel van een stemming werden genomen en dus niet
individueel, wat de klager opwierp als tegenargument. Daarenboven zou de klager
4 maanden beroepstermijn tegen een beslissing van de vereniging van mede-
eigenaars hebben indien hij niet akkoord zou zijn met de beslissing. De klager had
de beslissing voor het plaatsen van de camera’s niet aangevochten, waardoor de
beslissing volgens artikel 577-9 §2 B.W. definitief en bindend zou zijn geworden.
Eind 2018 werden de camera’s geïnstalleerd en werden de stickerpictogrammen
geplaatst. De klager zou deze stickers meerdere keren hebben verwijderd omdat
zij tweetalig zouden zijn, wat volgens de klager niet mocht. De verweerster 2 stelde
dat de klager ook diverse signaalkabels zou hebben doorgeknipt en de verweerster
1 zou hebben bedreigd.
De camera’s zouden niet doorlopend in gebruik zijn geweest en zouden al enkele
maanden buiten werking zijn. De beelden zouden na 48 uur automatisch gewist
worden en de verweerster 2 had de beelden ook nooit geconsulteerd. De
verweerster 2 was vanuit dit opzicht overtuigd in regel te zijn met de geldende
wetgeving omtrent camera’s.
In juli 2019 zou de klager een scherm van één van de camera’s onbruikbaar gemaakt
hebben door middel van een alcoholstift. Samen met de klacht deed dit incident de
verweerster 2 beslissen de camera’s buiten werking te stellen. Sinds 10 juli 2019
zouden de camera’s geen beelden meer hebben gemaakt.
Om zich alsnog in regel te stellen, had verweerster 2 op 16 oktober 2019 aangifte
gedaan van de camera’s bij de lokale politie, ondanks het feit dat ze al enkele
maanden buiten werking waren. De verweerster 2 toonde dit aan met een kopie van
de aangifte.
Beslissing ten gronde 73/2024 — 5/9
De verweerster 2 had de definitieve verwijdering of het opnieuw in werking stellen
van de camera’s op de agenda van de Algemene Vergadering van januari 2020
geplaatst.
13. Op 1 november 2019 ontving de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager.
De klager stelde vast dat de verweerster 2 ondubbelzinnig toegaf dat de geldende
wetgeving werd overtreden door de plaatsing en het gebruik van de camera’s,
waarop de klager verzocht een administratieve sanctie op te leggen aan de
verweerster 2. De klager las deze erkenning van de verweerster 2 in de volgende
paragraaf:
“Mocht de algemene vergadering op dat moment beslissen om de camera’s terug
in werking te stellen, dan zal de [verweerster 2] er absoluut op toezien en er zorg
voor dragen dat dit geheel in overeenstemming gebeurt met de geldende
wetgeving terzake”.
Ten overvloede betwistte de klager de feitelijke argumenten van de verweerster 2
waarvan hij van mening was dat ze niet ter zake dienende waren.
• De klager was niet officieel ingeschreven op het adres in kwestie, maar
verbleef daar wel regelmatig en woonde wel degelijk op het adres ten tijde
van de plaatsing van de camera’s.
• Inzake de beweerde vetes tussen eigenaars zou het slechts om beweringen
van 1 mede-eigenaar gaan, die door de verweerster 2 zou zijn bestempeld
als een oplichter. De klager beweerde eveneens dat deze mede-eigenaar
ook toegang tot de gemaakte beelden zou hebben gehad.
• Inzake de goedkeuring van de camera’s op de algemene vergadering van
22 januari 2018 was de klager van mening dat de goedkeuring enkel een
princiepsbeslissing betrof, aangezien er nog offertes moesten worden
aangevraagd en daarna goedgekeurd. Deze offertes werden nooit aan de
bewoners voorgelegd. Tijdens de algemene vergadering van 21 januari
2019 had de klager hierover een opmerking gemaakt, wat werd
aangetoond met een kopie van het verslag van de bewuste algemene
vergadering:
“[de klager] geeft aan dat de installatie van de camera voor haar onwettig is
gelet op het ontbreken van grondslag met name de individuele
toestemming van elke eigenaar afzonderlijk. [de klager] voegt eraan toe dat
enkel de beslissing tot plaatsen van de camera’s is genomen op de vorige
algemene vergadering en niet de modaliteiten.
Beslissing ten gronde 73/2024 — 6/9
[de verweerster] voegt hieraan toe dat de beslissing tot plaatsing camera’s
en het in dienst stellen werden uitgevoerd voor de inwerkingtreding van de
nieuwe GDPR wetgeving. [de verweerster] zal informatie inwinnen hoe dit
kan worden in orde gebracht. [de verweerster] zal dit aan de interne DPO
officer voorleggen.”
De klager zou niet geïnformeerd zijn over de bevindingen van de DPO, noch
zouden de bewoners op de hoogte zijn gebracht van de inwerkingstelling
van de camera’s. De modaliteiten van de plaatsing werden evenmin
vastgelegd.
• De klager beweerde dat niet bij elke camera een pictogram werd geplaatst
en dat deze stickers slechts 1 maal werden verwijderd in het bijzijn van de
verweerster 1 omwille van het niet conform zijn aan de wetgeving. De klager
ontkende ook kabels te hebben beschadigd of de verweerster 1 te hebben
bedreigd.
• De klager stelde zich ook vragen bij het niet functioneren van de camera’s
aangezien de diodes op de camera’s nog functioneren en er nog een
maandelijks abonnement wordt aangerekend bij Proximus.
• De klager stelde dat het feit dat de verweerster 2 wist dat hij met een
alcoholstift het scherm van een camera onbruikbaar had gemaakt, bewees
dat de camera wel degelijk nog werkte en dat de beelden wel degelijk
werden bekeken.
Tenslotte stelde de klager de vraag wie de eigenlijke verwerkings-
verantwoordelijke was voor deze camera’s, wat ook een vereiste van de wet van 21
maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera’s 1
(hierna: de camerawet) zou zijn.
14. Op 15 november 2019 ontving de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de
verweerster 2.
Inzake de vete onder de mede-eigenaars zouden reeds 3 mede-eigenaars klacht
hebben neergelegd bij de politie tegen de klager. De verweerster 2 toonde dit aan
met 3 PV’s van de politie.
Inzake de offertes voor de beslissing tot het installeren van de camera’s tijdens de
algemene vergadering van 22 januari 2018 zou het feit dat deze nog niet
voorhanden waren op die vergadering irrelevant zijn aangezien dit enkel de
financiële uitwerking van de beslissing betrof.
1
BS 31 mei 2007.
Beslissing ten gronde 73/2024 — 7/9
Inzake het verwijderen van de stickerpictogrammen stelde de verweerster 2 vast
dat de klager dit toegaf voor 1 maal. De verweerster 2 beweerde echter dat de
klager dit meerdere malen had gedaan.
Inzake het doorknippen van de signaalkabels, het verwijderen van de
stickerpictogrammen en de bedreigingen naar de verweerster 1, trachtte de
verweerster 2 dit aan te tonen met e-mailcorrespondentie tussen verweerster 1 en
verweerster 2. In deze communicatie bevestigde de verweerster 1 de feiten zoals
voorgesteld door de verweerster 2.
Inzake een mede-eigenaar die toegang tot de beelden zou hebben gehad, was de
verweerster 2 stellig dat dit niet het geval was.
Inzake het vandalisme op een scherm van een camera stelde de verweerster 2 vast
dat de klager dit erkende. Sinds 10 juli 2019 zouden de camera’s geen beelden meer
opnemen.
Tenslotte verzocht de verweerster rekening te houden met de eenmalige
vergissing en het ontbreken van elke opzet ten aanzien van de erkende inbreuk op
de camerawetgeving. De verweerster 2 vroeg eveneens in rekening te nemen dat
“de personen die door middel van de camera’s gefilmd werden, zich allen akkoord
hadden verklaard met de camera’s en de locatie ervan […]”. Om dit aan te tonen
verwees de verweerster 2 naar de goedkeuring voor de installatie van de camera’s
in het verslag van de algemene vergadering van 22 januari 2018.
15. Op 22 juli 2020, 16 augustus 2020, 25 mei 2021, 14 december 2022, 19 december 2022 en
6 februari 2024 informeerde de klager naar de voortgang van het dossier en drong deze aan
op een snelle behandeling van de klacht zodat deze kon worden afgesloten.
II. Motivering
16. Vooreerst wil de Geschillenkamer opmerken dat het huidige geschil dateert van 2019.
Vanwege een gebrek aan en verschuivingen in de personeelsbezetting van de
Geschillenkamer werd na het indienen van de conclusie van repliek van de verweerster
onvoldoende vooruitgang geboekt in dit dossier, ondanks de verschillende herinneringen
van de klager. Gezien de procedure ten gronde, waarbij partijen reeds conclusies hadden
uitgewisseld en de – prima facie - complexiteit van dit dossier, werd geopteerd om deze
klacht niet op te nemen in de zogenoemde Tabula Rasa-oefening van de Geschillenkamer
van mei 2023 waarbij éénmalig een groot aantal zaken werd geseponeerd, met het oog op
de beheersing van achterstanden.
17. De recente aanwervingen van personeel binnen de Geschillenkamer hebben toegelaten dit
dossier alsnog prioritair te behandelen met de nodige aandacht.
Beslissing ten gronde 73/2024 — 8/9
18. Op basis van de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn, en op basis
van de bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 100, § 1 WOG zijn
toebedeeld, beslist de Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu
gaat de Geschillenkamer over tot het seponeren van de klacht overeenkomstig artikel 100,
§ 1, 1° WOG, op basis van de hiernavolgende motivering.
19. De Geschillenkamer stelt in de conclusies vast dat de klacht die bij haar werd neergelegd
een nevengeschil is bij een ruimer geschil waarvoor andere hoven of rechtbanken,
administratieve rechtscolleges of autoriteiten bevoegd zijn.2 In de conclusies leest de
Geschillenkamer immers een geschil omtrent:
a. Burenruzies – verweerster 2 spreekt van “onderlinge vetes” en in de stukken zijn 3
processen verbaal van de politie terug te vinden waarbij 3 bewoners getuigen
tegen de klager. De klager stelde dan weer dat het maar om 1 medebewoner zou
gaan en dat deze als oplichter zou zijn bestempeld door verweerster 2.
b. Vandalisme – de verweersters beweren dat de signaalkabels van de camera’s zijn
doorgeknipt door de klager, wat deze laatste ontkent. Een scherm van een camera
is ook onklaar gemaakt met behulp van een alcoholstift, wat de klager niet ontkent.
c. Bedreigingen – de verweersters beweren dat de klager de verweerster 1 heeft
bedreigd, wat de klager ontkent.
d. Beslissingsprocedure binnen de algemene vergadering van de vereniging van
mede-eigenaars – de verweerster 2 stelt dat de beslissing voor het plaatsen van de
camera’s conform de wetgeving is gebeurd, ook al stemde de klager tegen. De
klager betwist dit en stelt nooit toestemming gegeven te hebben voor de installatie
van de camera’s.
e. Vergoeden van geleden schade – de verweerster 1 wenst vergoed te worden voor
de geleden schade, al maakt deze niet duidelijk wat de schade exact is.
f. Taalgebruik in verband met de camera-pictogrammen – deze pictogrammen
werden volgens de verweersters meerdere malen verwijderd omwille van de
tweetaligheid van de pictogrammen. De klager bevestigt dat hij éénmaal de
pictogrammen heeft verwijderd omdat deze niet conform de wetgeving zouden
zijn.
De Geschillenkamer oordeelt dat haar tussenkomst in dit geschil niet strikt noodzakelijk is
en dat zij daarenboven geen zicht, noch bevoegdheid heeft over de meeste elementen in
het geschil. Daarenboven is een tussenkomst van de Geschillenkamer in de specifieke
omstandigheden van dit dossier niet het meest geschikt. Immers, de Geschillenkamer kan,
2
Cf. criterium B.3 in het sepotbeleid van de Geschillenkamer.