1/27
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 71/2020 van 30 Oktober 2020
Dossiernummer : DOS-2018-07299
Betreft : Online publicatie van beeldmateriaal met betrekking tot onroerend goed met
bijhorend adres en naam van bewoner
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna
WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
.
.
.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 2/27
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
- De klager : De heer X
- De verweerder : De heer Y
1. Feiten en procedure
1. Op 18 maart 2019 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna
GBA, tegen de verweerder.
Het voorwerp van de klacht betreft de online publicatie van beeldmateriaal op YouTube waarbij
de woning, meer bepaald de schouw van buurtbewoners die een houtvuur gebruiken in beeld
wordt gebracht waarbij ook de naam en het adres van de bewoner van de betreffende woning
wordt vermeld.
2. Op 28 maart 2019 wordt de klacht ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 van
de WOG, wordt de klager hiervan in kennis gesteld op grond van art. 61 WOG en wordt de klacht
op grond van art. 62, §1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
3. Op 17 april 2019 beslist de Geschillenkamer op grond van art. 95, §1, 1° en art. 98 WOG dat het
dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
4. Op 18 april 2019 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van
de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, alsook van deze in art. 98 WOG. Ook werden de
betrokken partijen op grond van art. 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun
verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van repliek van
de klager werd daarbij vastgelegd op 7 oktober 2019 en voor de verweerder 7 november 2019.
5. Op 26 april 2019 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder de mededeling dat hij de
tussenkomst van de Geschillenkamer niet aanvaardt en hij in beroep wenst te gaan bij het
Marktenhof tegen de beslissing van de Geschillenkamer dat het dossier gereed is voor behandeling
ten gronde. Daartoe voegt hij het schrijven d.d. 23 april 2019 bij, gericht aan de voorzitter van
het Marktenhof met daarin de motivatie van het bezwaar.
De verweerder stelt dat de Geschillenkamer een conclusieagenda opmaakt zonder neerlegging
van overtuigingsstukken.
Hij geeft ook aan dat hij niet aanvaardt onder druk te worden gezet door de Eerstelijnsdienst met
een hoge geldboete zonder in kennis te zijn gesteld van enige inhoudelijke klacht. Hierdoor zou
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 3/27
blijk zijn gegeven van partijdigheid en zou zijn gehandeld in strijd met het reglement van interne
orde van de GBA.
De verweerder vermeldt eveneens dat de klager voor dezelfde feiten klacht heeft neergelegd bij
het Openbaar Ministerie te [..]. De verweerder vraagt dienvolgens om beide dossiers samen te
voegen en te laten behandelen door de rechtbank te [..].
Verder meldt de verweerder aan de Geschillenkamer dat hij kennis heeft genomen van het
schrijven van de Geschillenkamer d.d. 18 april 2019, vraagt hij een kopie van het dossier (art.
95, §2, 3° WOG) en aanvaardt hij elektronisch alle communicatie omtrent de zaak (art. 98, 1°
WOG).
6. Op 10 mei 2019 ontvangt de Geschillenkamer vanwege het Hof van beroep te Brussel, enerzijds
de kennisgeving van het verzoekschrift inzake Y c/ GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT,
neergelegd ter griffie van het Hof, en anderzijds het verzoek om toezending van het
rechtsplegingsdossier overeenkomstig artikel 723 van het Gerechtelijk Wetboek.
7. Op 15 mei 2019 worden ingevolge het verzoek om toezending van het dossier van rechtspleging,
de stukken toegezonden aan het Hof.
8. Op 20 mei 2019 meldt de griffie van het Hof van beroep te Brussel aan de Geschillenkamer dat
de zaak ter zitting van 15 mei 2019 werd uitgesteld naar 22 mei 2019 voor regeling van de
conclusiekalender en pleitdatum.
9. Op 21 mei 2019 wordt een kopie van het dossier aan de verweerder overgemaakt. Daarin wordt
de verweerder er ook van op de hoogte gebracht dat een beslissing van de Geschillenkamer
uitvoerbaar bij voorraad is en derhalve de procedure voor de Geschillenkamer wordt voortgezet.
10. Op 24 mei 2019 stelt de verweerder de Geschillenkamer in kennis van de ontvangst van het
stukkenbundel en herhaalt hij zijn verzet tegen de voortzetting van de procedure voor de
Geschillenkamer.
11. Na een uitwisseling van verschillende stukken, meldt de griffie van het Hof van beroep te Brussel
op 27 mei 2019 per e-mail aan de Geschillenkamer dat de zaak ter zitting van 22 mei 2019 werd
uitgesteld naar 29 mei 2019 teneinde conclusietermijnen te bepalen. Dit bericht ontvangt de
Geschillenkamer eveneens op 5 juni 2019 bij gewone brief.
12. Op 28 mei 2019 maakt de verweerder aan de Geschillenkamer zijn conclusies over, dewelke hij
heeft opgesteld in het kader van zijn beroep ingesteld bij het Marktenhof. De elementen van zijn
beroep kunnen als volgt worden samengevat:
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 4/27
Het filmen van houtrook met vermelding van persoonsgegevens is noodzakelijk om de vitale
belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen. De
verweerder verwijst hiervoor naar artikel 6.1. d) en e) AVG en naar artikel 8 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De GBA vordert volgens de verweerder de verwijdering van “een video-opname” zonder enig
bewijsstuk aan te leveren waaruit de publicatie van persoonsgegevens blijkt. Bovendien voert
de verweerder aan dat de klager in zijn vraag om inlichtingen d.d. 20 december 2018 aan de
GBA de URL vermeldt van slechts één video-opname, hoewel er drie video-opnames werden
gemaakt van de rookemissie afkomstig van de houtkachel van de klager. De verweerder stelt
dienaangaande dat het voor hem onduidelijk is welke opname hij zou dienen te verwijderen.
De GBA zou hem daarover geen verduidelijking hebben verschaft.
Op basis van interne mailuitwisseling tussen twee personeelsleden van de GBA meent de
verweerder te kunnen stellen dat:
a) Er op 21 februari 2019 geen enkele inbreuk werd vastgesteld;
b) De GBA een Eerstelijnsdienst zou zijn die geen verdere stappen kan ondernemen. Ook
zou de klager door de Eerstelijnsdienst worden aangeraden om formeel klacht in te
dienen;
c) Men blijkbaar zou willen vermijden dat het dossier wordt doorgezonden naar inspectie.
13. Op 29 mei 2019 vindt een inleidingszitting plaats bij het Marktenhof. De
Gegevensbeschermingsautoriteit is daarbij niet aanwezig.
14. Op 12 juni 2019 velt het Marktenhof arrest.
Het arrest1 bevat in hoofdlijnen de volgende aandachtspunten aangaande de beoordeling van het
voorwerp van het verzoekschrift:
Vereiste van onpartijdigheid van de Geschillenkamer van de GBA
Het Marktenhof stelt vast dat de klacht werd ingediend op basis van adviezen die daartoe aan
de klager werden overgemaakt door de Eerstelijnsdienst van de GBA. Er is dus geen spontane
klacht, de klacht is ingediend na advies hiertoe uitgaande van de GBA.
Het Marktenhof stelt verder dat de klager de melding kreeg vanwege de GBA dat de publicatie
van een filmpje (met de vermelding van de naam en het adres van de persoon die inbreuk
pleegt op de wetgeving met betrekking tot de uitstoot) op zich geen schending van de
privacywetgeving uitmaakt doch dat “een dergelijke publicatie […] enkel met toestemming
[lijkt] te kunnen gebeuren”.
1
De integrale tekst van het arrest is beschikbaar op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit via volgende link:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-12-juni-2019-van-het-marktenhof.pdf
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 5/27
Vervolgens merkt het Marktenhof op dat er een mailadres “contact” is binnen de GBA via
hetwelk er contacten worden gelegd met personen die menen gegriefd te kunnen zijn en
waarbij een medewerker van de Eerstelijnsdienst van de GBA proactief om het invullen van
een klachtenformulier vraagt. Dit brengt het Marktenhof ertoe te stellen dat de omstandigheid
dat bepaalde personeelsleden van de GBA enerzijds adviezen geven en mailverkeer voeren
met personen die denken gegriefd te zijn en dat deze zelfde personeelsleden nadien, in
dezelfde zaak, desgevallend zouden kunnen fungeren als adviseur van de Geschillenkamer
van de GBA of in een andere hoedanigheid, vatbaar is voor kritiek en sanctie.
Inhoudelijk standpunt ten gronde van de GBA zonder klacht en zonder de partijen te hebben
gehoord
Het Marktenhof stelt dat de GBA reeds een inhoudelijk standpunt ten gronde heeft ingenomen
doordat in de brief van 31 januari 2019 is opgenomen: “de GBA verwacht dan ook de
verwijdering van het filmpje als dusdanig”. In een aanmaning gericht aan de verweerder werd
“nog een laatste maal de vraag tot verwijdering van het filmpje” herhaald door de GBA, alsook
werd er hem op gewezen dat de GBA zelf overtredingen kan sanctioneren “met geldboetes
die in bepaalde gevallen hoog kunnen oplopen”. Het Marktenhof verwijst ook nog naar een
advies van een ‘adviseur gegevensbeschermingscontroles’ van de GBA om het dossier over te
maken aan de Geschillenkamer van de GBA en de verweerder “te dwingen hiermee te
stoppen”.
Dit brengt het Marktenhof tot de vaststelling dat stellingnames ten gronde uitgaande van de
GBA – waar later één van haar organen te weten de Geschillenkamer als administratieve
rechter zal moeten oordelen over het al dan niet bewezen zijn van een beweerde inbreuk –
prima facie niet getuigen van een naleven van alle rechten van verdediging (vermoeden van
onschuld incluis) wars van elke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
Beslissing van de Geschillenkamer dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde
Aangaande de beslissing van de Geschillenkamer dat het dossier gereed is voor behandeling
ten gronde en daartoe een conclusiekalender heeft bepaald, stelt het Marktenhof dat het
ontvankelijk verklaren van een klacht niet vooruit loopt op de beoordeling ervan. Het is een
strikte controle van het formalisme dat het dossier ten gronde kan worden behandeld en
waarbij de Geschillenkamer conform artikel 94, 3° WOG de klacht wenst te behandelen zonder
eerst een onderzoek door de Inspectiedienst te laten verrichten. Daaraan voegt het
Marktenhof toe dat een conclusiekalender waarbij elke partij over ongeveer één maand
beschikt en waarbij de verwerende partij de laatste termijn verkrijgt conform is aan de regels
van de rechten van verdediging.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 6/27
Klacht bij het Openbaar Ministerie te [..] omtrent dezelfde feiten
Voor wat betreft de klacht die is ingediend bij het Openbaar Ministerie te [..] wijst het
Marktenhof op het algemeen beginsel le criminel tient le civil en état en stelt de vraag of er
(nog) aanleiding kan bestaan voor de GBA om een ‘bestraffing’ van de burger te vervolgen
wanneer er reeds (ogenschijnlijk) omtrent dezelfde feiten een strafonderzoek lopende is. Het
Hof verwijst naar de artikelen 95, § 3 en 100, § 2 WOG2, op basis waarvan mag worden
aangenomen dat de WOG geen afbreuk doet aan dit principe.
2
Art. 95. § 1. De geschillenkamer beslist over de opvolging die het geeft aan het dossier en is bevoegd:
1° te beslissen dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde;
2° een schikking voor te stellen;
3° de klacht te seponeren;
4° waarschuwingen te formuleren;
5° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
6° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
7° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg
dat aan het dossier wordt gegeven;
8° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
§ 2. In de gevallen vermeld in § 1, 4° tot 6°, stelt zij onverwijld de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis
van:
1° het feit dat een dossier aanhangig is;
2° de inhoud van de klacht, desgevallend met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van de klacht
kan worden afgeleid;
3° de mogelijkheid tot het raadplegen en het kopiëren van het dossier bij het secretariaat van de geschillenkamer,
desgevallend met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit van de indiener van de klacht kan worden afgeleid, alsmede
van de dagen en de uren waarop die raadpleging mogelijk is.
§ 3. Wanneer na toepassing van § 1, 7°, het openbaar ministerie er van afziet een strafvervolging in te stellen, een minnelijke
schikking of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voor te stellen, of
wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag
van ontvangst van het dossier, beslist de Gegevensbeschermingsautoriteit of de administratieve procedure moet worden
hernomen.
Art. 100. § 1. De geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de
gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te
bevelen;
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 7/27
Conclusiekalender zonder voorafgaande neerlegging van overtuigingsstukken
Uit artikel 98 WOG volgt dat wanneer de Geschillenkamer beslist dat het dossier gereed is
voor behandeling ten gronde, zij onverwijld de betrokken partijen per aangetekende zending
in kennis stelt van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2 WOG. Het Marktenhof
bevestigt dat deze wettelijke bepaling niet vereist dat stavingstukken moeten worden
toegevoegd.
Bedreiging van de burger met mogelijke veroordeling tot het betalen van hoge boetes
Het Marktenhof stelt dat, hoewel de bedreiging die wordt gericht aan de burger en waarbij
hem voorgespiegeld wordt dat hij tot het betalen van hoge boetes zal kunnen worden
veroordeeld door de GBA, deze niet in strijd is met een wettelijke bepaling, doch de GBA door
de gehele wijze van handelen wel minstens de schijn wekt niet onpartijdig te zullen optreden.
Recht om video-opnamen publiek te maken
De motieven waarop de verweerder zich beroept, met verwijzing naar de artikelen 6.1. d) en
e) AVG3 die hem het recht zouden geven om de gemaakte video-opnamen alsnog publiek te
maken, zijn niet aan de orde, vermits het Marktenhof niet is gevat door een verhaal tegen
een ‘beslissing’ ten gronde van de Geschillenkamer.
Het Marktenhof beslist dat nieuwe conclusietermijnen dienen te worden bepaald waarbij de eerste
termijn voor de heer Y ten vroegste vervalt op de laatste dag van de maand die aanvangt nadat
de procespartijen kennis hebben gekregen van het arrest.
15. In opvolging van het arrest beslist de Geschillenkamer op 26 juni 2019 om nieuwe
conclusietermijnen te bepalen.
16. Op 22 augustus 2019 wordt deze beslissing herzien op verzoek van de verweerder. De partijen
worden in kennis gesteld van de volgende conclusietermijnen:
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg
dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
§ 2. Wanneer na toepassing van § 1, 15°, het openbaar ministerie er van afziet een strafvervolging in te stellen, een minnelijke
schikking of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voor te stellen, of
wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag
van ontvangst van het dossier, beslist de Gegevensbeschermingsautoriteit of de administratieve procedure moet worden
hernomen.
3
Het Marktenhof vermeldt in punt 4.7. van het arrest artikel 6, d) en artikel 6, e) van de GBA-wet, maar dit moet worden
gelezen als artikel 6.1. d) en artikel 6.1. e) van de AVG.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 8/27
de uiterste datum voor de conclusie van antwoord van de verweerder wordt vastgelegd op 5
september 2019;
de uiterste datum voor de conclusie van repliek van de klager wordt vastgelegd op 5
oktober 2019;
de uiterste datum voor de conclusie van repliek van de verweerder wordt vastgelegd op 4
november 2019.
17. Op 28 augustus 2019 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
verweerder. Verweerder herneemt in de conclusie dezelfde elementen als deze naar voor gebracht
in zijn conclusie in de procedure voor het Marktenhof (zoals hierboven in hoofdlijnen samengevat)
en vult deze aan met de volgende elementen:
De klacht maakt melding van drie personeelsleden werkzaam bij de GBA die zouden zijn
betrokken bij de adviezen aan de klager.
De klacht die door de Eerstelijnsdienst werd ontvankelijk verklaard maakt naast de publicatie
van videobeelden met identificatiegegevens van de klager, ook melding van een vals Facebook
profiel dat door de verweerder zou worden gebruikt om laster te verspreiden. De verweerder
stelt dat daaromtrent geen enkel bewijs wordt geleverd. Doordat de klacht bij brief
ontvankelijk wordt verklaard door de Eerstelijnsdienst ondersteunen volgens de verweerder
de ondertekenaars ervan een misdrijf volgens artikel 66 Sw.
Er zou geen enkel bewijsstuk in het dossier aanwezig zijn, zodat de verweerder meent dat
moet worden beslist tot de buitenvervolgingstelling op grond van artikel 100, § 1, 2° WOG.
Het gebrek aan bemiddeling, ondanks de mogelijkheid en de plicht van de GBA om te
bemiddelen en een constructief advies uit te brengen.
Het gebrek aan toekenning per aangetekende brief van een laatste termijn voor het indienen
van een conclusie van repliek door de verweerder, in de conclusiekalender zoals bepaald na
het arrest van het Marktenhof. Dit werd rechtgezet, maar de verweerder beweert dat dit
aantoont dat de Geschillenkamer niet onpartijdig zal optreden.
De verweerder verzoekt om een schadevergoeding welke hij forfaitair begroot op 25.000 EUR.
18. Op 1 oktober 2019 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek vanwege de klager. De
klager haalt aan dat de klacht enkel betrekking heeft op het zonder toelating gebruiken van zijn
naam en de naam van zijn zaak “..” op YouTube filmpjes en op de publicatie ervan op de site
www.z.[..]. De desbetreffende YouTube filmpjes zijn inmiddels verwijderd. De klager veronderstelt
dat deze verwijdering waarschijnlijk het gevolg is van zijn eigen vraag aan de YouTube instanties
en door andere personen die deze manier van publiceren onfatsoenlijk vonden. De klager beweert
dat eind augustus 2019 de rubriek “..” op www.z.[..] enkel nog bij lidmaatschap is te openen om
te beletten dat een buitenstaander dit nog kan nagaan. Dit zou de enige rubriek zijn die privé is.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 9/27
19. Op 4 november 2019 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek vanwege de
verweerder. De conclusie van repliek herneemt volledig de op 28 augustus 2019 ingediende
conclusie van antwoord. De verweerder voegt daar enkel aan toe dat hij op 1 oktober 2019 de
conclusie van repliek van de klager heeft ontvangen, waarin wordt bevestigd dat de YouTube films
werden verwijderd door toedoen van de klager zelf. De verweerder verwijst naar herhaalde
schriftelijke vragen die door hem aan de GBA werden gesteld dienaangaande. Zo meldde de
verweerder aan de GBA dat drie video-opnames sinds 15/01/2019 en mogelijk veel vroeger, niet
meer online stonden. De verweerder haalt ook aan dat hij de GBA verzocht om duidelijkheid te
verschaffen over de verwijderde video-opnames, meer bepaald door wiens toedoen deze opnames
werden verwijderd, maar de GBA daar niet op inging.
20. Op 20 november 2019 wendt de Geschillenkamer zich tot het Parket van de Procureur des Konings
te [..] teneinde te vernemen welke de actuele stand van zaken betreft van het dossier dat door
het Openbaar Ministerie wordt behandeld om te kunnen bepalen over welke mogelijkheden de
Geschillenkamer nog beschikt om desgevallend corrigerend op te treden. De Geschillenkamer
verwijst daarvoor naar artikel 229, §2 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming
van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens , dat het
volgende bepaalt:
“Art. 229. § 1 […]
§ 2. Bij gebrek aan een protocol en voor de inbreuken bedoeld in de artikelen 222 en 223 beschikt
de procureur des Konings over een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de dag van
ontvangst van het origineel proces-verbaal, om aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit mee
te delen dat een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek werd opgestart of vervolging
werd ingesteld. Deze mededeling doet de mogelijkheid vervallen voor de toezichthoudende
autoriteit om haar corrigerende bevoegdheden uit te oefenen.
De bevoegde toezichthoudende autoriteit kan geen sanctie opleggen vóór het verstrijken van deze
termijn. Bij gebrek aan een mededeling vanwege de procureur des Konings binnen twee maanden,
kunnen de feiten enkel nog administratiefrechtelijk worden bestraft.”
21. Op 30 januari 2020 brengt de Geschillenkamer haar schrijven d.d. 20 november 2019 in
herinnering bij het Parket van de Procureur des Konings te [..]. Op dezelfde datum worden de
partijen op de hoogte gebracht van het schrijven gericht aan het Parket teneinde hen te
informeren over de behandeling van het dossier.
22. Eveneens op 30 januari 2020 meldt de klager dat hij het bericht van de Geschillenkamer omtrent
het schrijven aan het Parket heeft ontvangen. Verder meldt hij ook dat de verweerder inmiddels
de betreffende films met naamvermelding heeft verwijderd.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 10/27
23. Op 24 april 2020 deelt het Parket mee dat de feiten niet strafbaar zijn omdat ze geen misdrijf zijn
en omwille daarvan werd beslist het dossier af te sluiten zonder verder gevolg.
24. Op 19 juni 2020 reageert de verweerder op het bericht van de Geschillenkamer omtrent het
schrijven aan het Parket. Het dossier X zou volgens de verweerder worden onderzocht door een
onderzoeksrechter. De verweerder dringt er verder op aan dat de Geschillenkamer het dossier
objectief bekijkt rekening houdend met de opmerkingen van het Marktenhof, alsook dat de
Geschillenkamer een screening zou uitvoeren op het bezit en gebruik van houtkachels bij alle
personeelsleden van de GBA en ervoor te zorgen dat de gebruikers van houtkachels zich
onthouden.
25. Op 9 oktober 2020 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat op grond van artikel 52 van het
reglement van interne orde een hoorzitting zal plaatsvinden op 26 oktober 2020.
26. Op 26 oktober 2020 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. De verweerder, hoewel
behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen. De klager licht tijdens de hoorzitting zijn klacht toe.
Hierbij worden geen andere elementen aangebracht dan deze die reeds deel uitmaken van het
dossier. Hierna worden de debatten gesloten.
27. Op 27 oktober 2020 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd
overeenkomstig artikel 54 van het reglement van interne orde. De Geschillenkamer heeft geen
opmerkingen ontvangen met betrekking tot het proces-verbaal.
1. Rechtsgrond
Persoonsgegevens
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 11/27
Artikel 4. 1) AVG
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) „persoonsgegevens”: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke
persoon („de betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct
of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam,
een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die
kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of
sociale identiteit van die natuurlijke persoon;
[…]
Rechtmatigheid van de verwerking
Artikel 6.1. AVG
1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande
voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor
een of meer specifieke doeleinden;
b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene
partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te
nemen;
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de
verwerkingsverantwoordelijke rust;
d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere
natuurlijke persoon te beschermen;
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak
in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is
opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de
verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en
de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen,
zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea,
punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van
hun taken.
2. Motivering
a) Procedure
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 12/27
Voorafgaande opmerking
28. Deze zaak is het vervolg op het eerste arrest van het Marktenhof in een zaak tegen de
Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), genomen zeer kort na het aantreden van de leden van
deze autoriteit en op een tijdstip waarop de procedures voor de Geschillenkamer en – nog
belangrijker – de samenwerking tussen de GBA en het Marktenhof nog tot ontwikkeling moesten
komen.
Dit uit zich onder meer in de volgende omstandigheden:
- De feitelijke bezwaren van verweerder tegen de interne procedures bij de GBA dateren van
een periode voorafgaande aan een reorganisatie waarbij de taken van de verschillende
organen van de GBA ook organisatorisch zijn afgebakend.
- Het beroep op het Marktenhof van verweerder betreft een tussenbeslissing van de
Geschillenkamer om een zaak ten gronde te behandelen. Inmiddels heeft de Geschillenkamer
een praktijk ontwikkeld waarbij zij ervan uit gaat dat een dergelijke tussenbeslissing – waarin
wordt beslist het dossier ten gronde te behandelen – slechts een stap in de procedure is,
waartegen in beginsel geen beroep openstaat.
- De afwezigheid van de GBA op de inleidingszitting van 29 mei 2019 wordt verklaard doordat
dit de eerste maal was dat beroep tegen de GBA (Geschillenkamer) was ingesteld bij het
Marktenhof en de samenwerking nog vorm moest krijgen.
29. Inmiddels heeft het Marktenhof vastgesteld dat de Geschillenkamer een administratieve overheid
is en geen rechterlijke instantie en heeft de Geschillenkamer zelf verdere procedures ontwikkeld
en heeft zij - onder meer in haar beslissing 17/2020 4 en in beleidsdocumenten van de GBA 5 - de
essentie van haar functie verder uiteengezet.
Standpunt verweerder en oordeel Geschillenkamer
30. De verweerder voert een aantal argumenten aan waaruit zou blijken dat de procedure een aantal
gebreken zou vertonen, inzonderheid op het vlak van enerzijds de vereiste van onpartijdigheid
van de GBA en anderzijds het respect voor het recht van verdediging.
Bemiddelingsprocedure
4
Beslissing ten gronde 17/2020 van 28 april 2020
5
Strategisch Plan 2020-2025 en Beheersplan 2020
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 13/27
31. Vooreerst werpt de verweerder op dat de wijze van behandeling van het dossier door de
Eerstelijnsdienst niet getuigt van onpartijdigheid. De verweerder merkt terecht op dat de taak van
de Eerstelijnsdienst bij ontvangst van een verzoek er in eerste instantie in bestaat om bemiddelend
op te treden. Vermits de klager initieel geen klacht indiende, maar enkel een verzoek richtte aan
de GBA door middel van het centrale mailadres [email protected] van waaruit alle e-mails
gericht aan de GBA bij een eerste contact (ook alle daaropvolgende communicatie met de
Eerstelijnsdienst vindt plaats via datzelfde mailadres) worden gedispatcht naar de bevoegde dienst
binnen de GBA, werd het verzoek overgemaakt aan de Eerstelijnsdienst. Het is dan vooreerst de
taak van de Eerstelijnsdienst om op grond van artikel 60 6 WOG te onderzoeken of het verzoek
ontvankelijk is om vervolgens voor wat betreft de ontvankelijke verzoeken over te gaan tot de
behandeling ervan op grond van artikel 627, § 2, lid 1 WOG.
32. Uit de stukken van het dossier blijkt duidelijk dat de Eerstelijnsdienst gebruik heeft gemaakt van
haar bevoegdheid om een bemiddelingsprocedure te starten (artikel 228, § 1, 2° WOG) doordat
contact werd opgenomen met de verweerder. Voorafgaand aan de bemiddeling heeft de
Eerstelijnsdienst de verzoeker in kennis gesteld dat de verweerder door de GBA zou worden
gecontacteerd omtrent de problematiek. De verzoeker (thans klager) heeft zich daartegen niet
6
Artikel 60. De eerstelijnsdienst onderzoekt of de klacht of het verzoek ontvankelijk is.
Een klacht is ontvankelijk wanneer:
- zij opgesteld is in één van de landstalen;
- een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking waarop zij
betrekking heeft;
- zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Een verzoek is ontvankelijk wanneer:
- zij opgesteld is in één van de landstalen;
- zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
De eerstelijnsdienst kan de klager of de verzoeker uitnodigen om zijn klacht of verzoek toe te lichten.
7
Artikel 62. § 1. De ontvankelijke klachten worden door de eerstelijnsdienst overgemaakt aan de geschillenkamer.
§ 2. De ontvankelijke verzoeken worden door de eerstelijnsdienst behandeld.
Zo een minnelijk akkoord door tussenkomst van de eerstelijnsdienst tussen de partijen wordt bereikt stelt de eerstelijnsdienst
een rapport op waarin de bereikte oplossing en de conformiteit ervan met de wettelijke principes inzake gegevensbescherming
worden uiteengezet.
Een minnelijk akkoord sluit de toezichtsbevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit niet uit.
Indien geen minnelijk akkoord wordt bereikt neemt het oorspronkelijke verzoek tot bemiddeling de vorm aan van een klacht
die vervolgens door de eerstelijnsdienst wordt overgemaakt aan de geschillenkamer voor behandeling ten gronde:
1° met instemming van de verzoeker; of
2° wanneer de eerstelijnsdienst ernstige aanwijzingen vaststelt van het bestaan van een praktijk die aanleiding kan geven tot
een inbreuk op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten
die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens.
8
Artikel 22. § 1. De eerstelijnsdienst:
1° ontvangt de klachten en verzoeken die worden toegestuurd aan de Gegevensbeschermingsautoriteit;
2° kan een bemiddelingsprocedure opstarten;
3° bevordert de gegevensbescherming bij het publiek, waarbij specifieke aandacht wordt besteed aan minderjarigen;
4° bevordert de bewustwording bij de verantwoordelijken voor de verwerking en de verwerkers van hun verplichtingen;
5° verstrekt aan de betrokken personen informatie over de uitoefening van hun rechten.
§ 2. De eerstelijnsdienst staat onder leiding van de directeur van de eerstelijnsdienst.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 14/27
verzet. Tijdens de bemiddelingsprocedure heeft de verzoeker (klager) bovendien bevestigd dat hij
bemiddeling wenste doordat hij op 18 februari 2019 meldde aan de Eerstelijnsdienst dat de
verweerder nog steeds doorging met de publicatie op de website www.z.[..] en hij uitdrukkelijk
de verweerder vraagt om daarmee op te houden. De verzoeker (klager) voegt daaraan toe dat
een constructieve dialoog met de verweerder blijkbaar onmogelijk is.
33. Door middel van de briefwisseling die door de Eerstelijnsdienst aan beide betrokken partijen werd
gericht, heeft deze dienst de bemiddelende rol die de artikelen 22, § 1, 2° en 62, § 2, lid 2 WOG
voorzien, trachten te vervullen door in contact te treden met de verweerder en hem te vragen om
het desbetreffende filmpje – waarvan de verzoeker (thans klager) in zijn verzoek de link naar de
website had toegevoegd – met de bijhorende identificatiegegevens te verwijderen. Aangezien de
verweerder niet inging op het meermaals herhaalde verzoek van de Eerstelijnsdienst, kon deze
dienst enkel vaststellen dat geen minnelijk akkoord kon worden bereikt. In dergelijk geval bepaalt
artikel 62, §2, lid 4 WOG dat het oorspronkelijke verzoek tot bemiddeling de vorm aanneemt van
een klacht die vervolgens door de Eerstelijnsdienst wordt overgemaakt aan de Geschillenkamer
voor behandeling ten gronde mits instemming van de verzoeker, dan wel in geval van
vaststellingen van ernstige aanwijzingen van een praktijk die aanleiding kan geven tot een inbreuk
op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens. In die optiek heeft de
Eerstelijnsdienst in haar laatste brief9 aan de verweerder een verwittiging gericht dat bij uitblijven
van enig positief gevolg aan haar verzoek, mogelijks de procedure voor de Geschillenkamer zou
worden gestart dewelke over de mogelijkheid beschikt om inbreuken op de AVG te sanctioneren
met geldboetes. De Eerstelijnsdienst heeft zich in toepassing van artikel 62, § 2, lid 4, 1° WOG
eveneens tot de klager gericht 10 teneinde met diens instemming het verzoek tot bemiddeling als
klacht te laten behandelen door de Geschillenkamer. De Eerstelijnsdienst heeft weliswaar niet
louter om de toestemming gevraagd van de verzoeker (zijnde in de latere fase van de procedure
“de klager”) zoals de wet dit voorschrijft, maar heeft hem geïnformeerd over de mogelijkheid om
formeel klacht in te dienen indien hij dit zou wensen. Op basis van artikel 62, § 2, lid 4, 1° WOG
had de Eerstelijnsdienst er ook mee kunnen volstaan om enkel en alleen de toestemming te vragen
aan de verzoeker om zijn dossier over te maken aan de Geschillenkamer voor behandeling ten
gronde.
34. Deze mededeling aan de verzoeker (thans de klager) gebeurde in toepassing van artikel 62, § 2,
lid 4, 1° WOG en kan dus geenszins worden beschouwd als een advies vanwege de
Eerstelijnsdienst of “proactief” verzoek van deze dienst tot het invullen van het klachtenformulier,
noch als bijstand van deze dienst aan de klager waaruit de verweerder meent te kunnen afleiden
9
Brief van de Eerstelijnsdienst aan de verweerder d.d. 14 februari 2019
10
Brief van de Eerstelijnsdienst aan de klager d.d. 27 februari 2019
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 15/27
dat dit de veruiterlijking is van partijdigheid in de handelswijze van de GBA. Hierbij merkt de
Geschillenkamer meer in algemene zin nog op dat de AVG noch de WOG zich verzetten tegen een
actieve rol van de Eerstelijnsdienst in de contacten met burgers en organisaties. Zij stelt slechts
vast dat in de onderhavige zaak niet gebleken is van enig ingrijpen in de procedure.
Vatting van de Geschillenkamer
35. Bij gebrek aan minnelijk akkoord en doordat de verzoeker het klachtformulier invulde, gaf deze
ingevolge artikel 62, § 2, lid 4, 1° WOG de toestemming om het dossier te laten behandelen door
de Geschillenkamer. Aldus werd de Geschillenkamer gevat op grond van artikel 9211, 1° WOG.
Deze vatting van de Geschillenkamer heeft tot gevolg dat de Geschillenkamer in toepassing van
artikel 9412 WOG over de mogelijkheid beschikt om beroep te doen op de tussenkomst van de
Inspectiedienst. De Geschillenkamer heeft daarbij volledige beleidsvrijheid om te beslissen al dan
niet beroep te doen op de Inspectiedienst. In het algemeen hanteert de Geschillenkamer de lijn
dat de Inspectiedienst wordt betrokken indien zonder onderzoekshandelingen (artikel 58.1. AVG
en artikelen 64 t.e.m. 90 WOG) de feiten niet voldoende kunnen worden vastgesteld.
36. In voorliggend dossier is de Geschillenkamer, meteen na aanhangigmaking van de klacht,
overgegaan tot behandeling van de klacht zonder de Inspectiedienst te vatten (artikel 94, 3°
WOG) en heeft zij beslist dat het dossier gereed was voor behandeling ten gronde (artikel 95, §
1, 1° WOG). Het vragen van een onderzoek aan de Inspectiedienst werd door de Geschillenkamer
niet nodig geacht, omdat de feiten konden worden vastgesteld aan de hand van de stukken die
reeds behoorden tot het dossier. Het is aan het oordeel van de Geschillenkamer om te bepalen of
een onderzoek door de Inspectiedienst nodig is in een specifiek dossier.”
Bewijs
37. In tegenstelling tot wat de verweerder aanvoert, was er wel degelijk reeds bewijs in het dossier
aanwezig van de publicatie van het beeldmateriaal met daarbij naam en adres van de klager. Niet
alleen heeft de klager in zijn verzoek d.d. 20 december 2018 de betreffende YouTube-link vermeld,
11
Artikel 92. De geschillenkamer kan worden gevat:
1° door de eerstelijnsdienst, overeenkomstig artikel 62, § 1, voor de behandeling van een klacht;
2° door een betrokken partij die, overeenkomstig de artikelen 71 en 90, hoger beroep instelt tegen maatregelen van de
inspectiedienst;
3° door de inspectiedienst nadat deze een onderzoek heeft afgesloten overeenkomstig artikel 91 § 2.
12
Art. 94. Eens gevat kan de geschillenkamer:
1° een onderzoek vragen aan de inspectiedienst overeenkomstig artikel 63, 2° ;
2° de inspectiedienst verzoeken om een aanvullend onderzoek te verrichten wanneer de geschillenkamer wordt gevat
overeenkomstig artikel 92, 3° ;
3° de klacht behandelen zonder uit eigen beweging de inspectiedienst te hebben gevat.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 16/27
maar heeft de verweerder zelf aan de Eerstelijnsdienst de verwerking van de gegevens van de
klager toegegeven op 31 januari 2019, als volgt:
“De gegevens van de betrokkene zijn vermeld bij een gepubliceerde opname van luchtvervuiling
op het openbaar domein, de publicatie staat gelijk aan een persartikel.
Wij hebben van de betrokkene een reactie ontvangen, deze reactie werd gepubliceerd op de
website van het z”
38. Op 18 februari 2019 maakt de verweerder zelf melding van drie YouTube-linken betreffende de
klager, waaronder de link waarvan de klager melding maakte in zijn initiële verzoek met betrekking
tot diezelfde link, alsook nog twee andere YouTube-linken en voegt hij daaraan toe: “Al in 2017
publiceerden wij zijn vervuiling op YouTube, […]” ,
39. Deze stukken maken integraal deel uit van het dossier zoals voorgelegd aan de Geschillenkamer,
gelet op de toepassing van artikel 62, § 2, lid 4 WOG zoals hiervoor uiteengezet, waardoor de
Eerstelijnsdienst vervolgens in toepassing van artikel 62, §1 WOG de klacht overmaakt aan de
Geschillenkamer die aldus wordt gevat op grond van artikel 92, 1° WOG.
40. Tijdens de procedure voor de Geschillenkamer maakt de verweerder melding van drie video-
opnames van de rookemissie veroorzaakt door de verweerder en verklaart dat bij deze video-
opnames, waarop als dusdanig geen enkele privé- of gezinsactiviteit van de klager zichtbaar was,
wel degelijk werd overgegaan tot de publicatie van de persoonsgegevens van de klager. De feiten
zijn aldus voldoende vastgesteld.
41. Daarentegen, voor wat betreft de bewering van de klager dat de verweerder laster zou verspreiden
via een nep-account op Facebook, volgt de Geschillenkamer de verweerder, vermits deze bewering
van de klager niet wordt ondersteund door enig stuk bijgebracht door de klager.
Rol van de Inspectiedienst
42. Om de stelling te ondersteunen dat de GBA niet de vereiste van onpartijdigheid zou respecteren,
verwijst de verweerder ook nog naar een e-mail d.d. 21 februari 2019 tussen een personeelslid
van de Eerstelijnsdienst en een personeelslid van de Inspectiedienst. De Geschillenkamer stelt
vast dat deze interne e-mail enkel de voorbereiding bevatte van de brief die de Eerstelijnsdienst
aan de klager heeft gericht op 27 februari 2019. Zowel de e-mail als de brief bevestigen dat enkel
de Geschillenkamer over de bevoegdheid beschikt om sanctionerend op te treden bij vaststelling
van een inbreuk. De verweerder houdt verkeerdelijk voor dat uit deze passage zou kunnen worden
afgeleid dat er geen enkele inbreuk werd vastgesteld op 21 februari 2019. De e-mail en de
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 17/27
daaropvolgende brief aan de klager geeft duiding omtrent de bevoegdheid van de Eerstelijnsdienst
zoals vastgelegd in artikel 22, § 1 WOG.
43. Voor wat betreft de stelling van de verweerder dat uit het mailverkeer tussen de Eerstelijnsdienst
en de Inspectiedienst blijkt dat de personeelsleden blijkbaar willen vermijden dat het dossier
doorgezonden wordt naar de Inspectiedienst, merkt de Geschillenkamer op dat de
Eerstelijnsdienst instaat voor de ontvangst van elke klacht en elk verzoek en vervolgens de aard
van deze klachten en verzoeken bepaalt en dus ook de verdere afhandeling ervan. De
Eerstelijnsdienst beschikt daarbij over een beoordelingsmarge die mee bepaald kan worden door
verschillende overwegingen, zoals de ernst van de klacht of het verzoek. Om de goede werking
van de Geschillenkamer en de Inspectiedienst te verzekeren past het binnen de opdracht van de
Eerstelijnsdienst om erover te waken dat de andere diensten niet overbelast worden door dossiers
die op het niveau van de Eerstelijnsdienst zelf kunnen worden afgehandeld13. De Geschillenkamer
stelt vast dat de communicatie tussen Eerstelijns- en Inspectiedienst kadert binnen de
welbepaalde opdracht van de Eerstelijnsdienst om daar waar mogelijk, in dit geval de
Inspectiedienst, niet met een dossier te belasten.
44. Uiteraard is de Geschillenkamer, eens gevat door de klacht, niet gebonden door dergelijk overleg
tussen de Eerstelijnsdienst en de Inspectiedienst en zal de Geschillenkamer daar waar zij dit nodig
acht om tot een degelijke besluitvorming te komen, beroep doen op de tussenkomst van de
Inspectiedienst. De Geschillenkamer wijst er daarbij uitdrukkelijk op dat een zaak bij de
Inspectiedienst kan worden aangebracht door de Geschillenkamer (overeenkomstig art 94, 2 e
juncto art 63, 2e van de WOG), maar niet door de Eerstelijnsdienst. Niets verzet zich echter tegen
informeel contact tussen de Inspectiedienst en de Eerstelijnsdienst met het oog op een effectieve
uitvoering van de verschillende taken.
Onafhankelijkheid van de Geschillenkamer
45. De Geschillenkamer benadrukt verder – ten overvloede - ook nog dat op geen enkel ogenblik een
medewerker van de Geschillenkamer is tussengekomen in de fase voorafgaand aan de
13
Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (DOC 54 2648/001, blz.
40): “De eerstelijnsdienst staat in voor de ontvangst van elke klacht en elk verzoek en bepaalt vervolgens de aard van deze
klachten en verzoeken en dus ook de verdere afhandeling ervan. De eerstelijnsdienst beschikt daarbij over een
beoordelingsmarge die mee bepaald kan worden door verschillende overwegingen, zoals de prioriteiten vastgelegd door het
directiecomité of de ernst van de klacht of het verzoek. Om de goede werking van de geschillenkamer en de inspectiedienst te
verzekeren moet er bijvoorbeeld over gewaakt worden dat zij niet overbelast worden door dossiers die op het niveau van de
eerstelijnsdienst zelf kunnen worden afgehandeld.”
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 18/27
aanhangigmaking van de klacht bij de Geschillenkamer. Dit blijkt uit het feit dat van zodra de
Geschillenkamer werd gevat door de klacht, alle communicatie met de partijen plaatsvond via de
griffie van de Geschillenkamer en het daartoe bestemde e-mailadres litigationchamber@apd-
gba.be. Geen van de personeelsleden van de GBA die door de klager worden vernoemd in het
klachtformulier, noch enig ander personeelslid van de Eerstelijnsdienst of van de Inspectiedienst
is werkzaam voor de Geschillenkamer. Bovendien is er een strikte opdeling van de personeelsleden
binnen de GBA waarbij elk van de personeelsleden uitsluitend aan één enkele dienst binnen de
GBA is toegewezen.
46. De toewijzing aan één bepaalde dienst staat echter niet de principiële mogelijkheid in de weg dat
personeelsleden tevens werkzaamheden ten behoeve van een andere dienst verrichten. Uiteraard
moet worden voorkomen dat zij optreden in verschillende hoedanigheden voor onderscheiden
diensten in eenzelfde dossier. De WOG bepaalt niet dat er een strikte scheidingslijn moet zijn
tussen de medewerkers van de onderscheiden diensten waardoor de medewerkers van de GBA
zouden worden verhinderd van dienst te wijzigen, waardoor deze opeenvolgend voor de ene dienst
en vervolgens voor een andere dienst optreden.
47. Voor het overige staat het de Geschillenkamer volstrekt vrij om te bepalen hoe zij beslissingen
voorbereidt, wie daarbij wordt betrokken en welke medewerkers een beslissing voorbereiden.
Bovendien wijst de Geschillenkamer erop dat de beslissingen worden genomen door de leden van
de Geschillenkamer, zoals samengesteld op grond van artikel 33 WOG. De autonomie om
sanctionerend op te treden is mede verzekerd door de participatie van externe leden aan de
besluitvorming van de Geschillenkamer, onverminderd de bevoegdheid van de voorzitter van de
Geschillenkamer om alleen te zetelen.
Strafonderzoek omtrent dezelfde feiten
48. Hoewel de verweerder in zijn conclusies voor de Geschillenkamer niet nader ingaat op het feit dat
door de klager met betrekking tot dezelfde feiten klacht werd ingediend tegen de verweerder bij
het Openbaar Ministerie te [..], maar dit wel deed voor het Marktenhof dat in toepassing van het
beginsel le criminel tient le civil en état de vraag stelde of er (nog) aanleiding kan bestaan voor
de GBA om een bestraffing van de burger te vervolgen wanneer er reeds (ogenschijnlijk) omtrent
dezelfde feiten een strafonderzoek lopende is, licht de Geschillenkamer op dit punt de gevolgde
procedure toe.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 19/27
49. Het Marktenhof verwijst naar de artikelen 95, § 1, 7° WOG en 100, § 2 WOG waarin toepassing
wordt gemaakt van het principe le criminel tient le civil en état doordat in deze artikelen is bepaald
dat wanneer na overdracht van het dossier door de Geschillenkamer aan het parket van de
procureur des Konings te Brussel het Openbaar Ministerie ervan afziet een strafvervolging in te
stellen, een minnelijke schikking of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216 ter van
het Wetboek van strafvordering voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen
beslissing heeft genomen binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de dag van
ontvangst van het dossier, de Gegevensbeschermingsautoriteit beslist of de administratieve
procedure moet worden hernomen.
50. In voorliggend dossier heeft de Geschillenkamer het dossier dat bij haar aanhangig werd gemaakt
echter niet zelf overgemaakt aan het parket. De informatie dat omtrent dezelfde feiten een klacht
werd ingediend bij het Openbaar Ministerie werd door de verweerder kenbaar gemaakt aan de
Geschillenkamer. Teneinde te kunnen bepalen over welke mogelijkheden de Geschillenkamer nog
beschikte om desgevallend corrigerend te kunnen optreden, heeft zij zich gericht tot het Parket
van de Procureur des Konings te [..] om te vernemen welk gevolg aan het dossier werd gegeven.
In opvolging daarvan deelde het Parket mee dat de feiten niet strafbaar zijn omdat ze geen misdrijf
zijn en omwille daarvan werd beslist het dossier af te sluiten zonder verder gevolg. Dienvolgens
kan de Geschillenkamer de administratieve procedure hernemen.
Recht van verdediging
51. Vervolgens merkt de verweerder terecht op dat bij de bepaling van de nieuwe conclusietermijnen
in opvolging van het arrest van het Marktenhof hem geen laatste termijn werd gegeven teneinde
hem in staat te stellen te reageren op de conclusie van repliek van de klager, maar dit werd
meteen rechtgezet door de Geschillenkamer zodra dit werd opgemerkt. Precies omwille van het
belang dat de Geschillenkamer hecht aan het respect voor het recht van verdediging, heeft zij
bovendien ambtshalve beslist om de betrokken partijen te horen.
52. De Geschillenkamer benadrukt dat een onpartijdige en eerlijke behandeling over het volledige
traject moet worden verzekerd. Het door de verweerder opgeworpen probleem heeft betrekking
op de voorafgaande fase, maar de rechten van verdediging zijn niet geschonden, want de
verweerder heeft de kans gekregen om zijn argumentatie volledig naar voor te brengen door
middel van zijn conclusie van antwoord, alsmede repliek en daarenboven heeft hij zijn recht op
tegenspraak ten volle kunnen uitoefenen tijdens de hoorzitting van de Geschillenkamer.
b) Persoonsgegevens
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 20/27
53. Vooreerst acht de Geschillenkamer het nodig te verduidelijken waaruit de verwerking van
persoonsgegevens bestaat in voorliggend dossier. In de conclusie die de verweerder opstelde in
het kader van de procedure voor het Marktenhof, laat hij gelden dat de GBA om de verwijdering
van “een video-opname” verzoekt zonder enig nuttig bewijsstuk bij te brengen waaruit de
publicatie van persoonsgegevens zou blijken. De verweerder verwijst hiermee naar het schrijven
d.d. 31 januari 2019 dat hij daartoe ontving vanwege de Eerstelijnsdienst. Op dat ogenblik was er
nog geen sprake van enige formele klacht, zodat de GBA op dat ogenblik het verzoek
beantwoordde op grond van artikel 62, § 2 WOG waarin is bepaald dat de ontvankelijke verzoeken
door de Eerstelijnsdienst worden behandeld.
54. In het desbetreffende schrijven stelde de Eerstelijnsdienst uitdrukkelijk het volgende:
“Een foto/filmpje van een schouw valt in beginsel niet onder de privacywetgeving. In uw geval
plaatst u echter ook een naam en adres bij het filmpje waardoor er wel sprake is van een
verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG.
Deze stelt dat een verwerking enkel mogelijk is in “enkele limitatief omschreven gevallen” (artikel
6, 1 van de AVG).
In uw geval lijkt dit enkel met toestemming te kunnen gebeuren.”
55. Het Marktenhof meent in het arrest d.d. 12 juni 2019 te kunnen stellen dat de GBA door middel
van dit schrijven zou hebben gesteld dat de publicatie van een filmpje (met de vermelding van de
naam en adres van de persoon die inbreuk pleegt op de wetgeving met betrekking tot de uitstoot)
op zich geen schending van de privacywetgeving uitmaakt doch dat “een dergelijke publicatie […]
enkel met toestemming [lijkt] te kunnen gebeuren”.
56. De Geschillenkamer wenst enige mogelijke verwarring hieromtrent op te helderen. Het betreffende
schrijven vermeldt dat de publicatie van een foto/filmpje van een schouw als dusdanig geen
verwerking van een persoonsgegeven inhoudt waarop de privacywetgeving van toepassing zou
zijn, maar dat er daarentegen wel degelijk sprake is van een verwerking van persoonsgegevens
van zodra het filmpje samen met de naam en het adres van de betrokkene wordt gepubliceerd en
dat dergelijke publicatie in voorliggend geval enkel met toestemming kan gebeuren.
57. Dit schrijven moet worden gezien in het licht van de definitie van het begrip persoonsgegeven in
artikel 4, 1) van de AVG, zoals uitgelegd in Overweging 26 van de AVG, het Advies 4/2007 van de
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 21/27
Groep van de Groep Gegevensbescherming 14 en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de
EU.15 De Geschillenkamer verduidelijkt dat hoewel het begrip persoonsgegeven ruim moet worden
opgevat en daaronder elk gegeven valt aan de hand waarvan een natuurlijke persoon
identificeerbaar is, een video-opname van enkel en alleen een schouw waarop de uitstoot van
rook is te zien zonder dat deze de identificatie van een persoon op enigerlei wijze mogelijk maakt,
geen persoonsgegeven is. Die video-opname van de schouw wordt daarentegen wel een
persoonsgegeven van zodra identificatiegegevens van de natuurlijke persoon daarbij worden
vermeld.
58. In zijn conclusie van antwoord en repliek aan de Geschillenkamer stelt de verweerder dat op de
gepubliceerde video-opnames geen enkele privé- en gezinsactiviteit van de klager, noch van de
omwonenden zichtbaar is waardoor er van enig persoonsgegeven geen sprake zou zijn. De
publicatie van persoonsgegevens bij houtrook emissiebronnen kan volgens de verweerder
omwonenden wel in staat stellen om te achterhalen waar de houtrookhinder vandaan komt, en
zich desgevallend burgerlijke partij te stellen.
59. De Geschillenkamer stelt vast dat de publicatie in zijn geheel, zijnde het filmpje samen met de
naam en het adres van de klager, een verwerking uitmaakt van persoonsgegevens in de zin van
artikel 4, 1) AVG, waarbij de beginselen van gegevensbescherming moeten gelden voor elk
gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon 16. De publicatie
van de video-opname valt niet te onderscheiden van de naam en het adres van de klager. De
video-opname, alsmede de naam en het adres van de klager zijn gepubliceerd precies met het
oogmerk om te kunnen overgaan tot identificatie. De verweerder erkent dit uitdrukkelijk doordat
hij zelf aangeeft dat hij derden daarmee de gelegenheid wil bieden om te achterhalen wie de
houtrookhinder veroorzaakt om zich vervolgens eventueel tegen die persoon burgerlijke partij te
kunnen stellen.
14
Advies van de Groep Gegevensbescherming Artikel 294/2007 over het begrip persoonsgegeven, goedgekeurd op 20 juni
2007: https://ec.europa.eu/justice/article-29/documentation/opinion-recommendation/files/2007/wp136_nl.pdf
15
Onder meer arresten Nowak (HvJ EU 20 december 2017, C‑434/16, ECLI:EU:C:2017:994) en Breyer (HvJ EU 19 oktober
2016, C-582/14, ECLI: EU: C:2016:779)
16
Overweging 26 van de AVG: De beginselen van gegevensbescherming moeten voor elk gegeven betreffende een
geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon gelden. Gepseudonimiseerde persoonsgegevens die door het gebruik
van aanvullende gegevens aan een natuurlijke persoon kunnen worden gekoppeld, moeten als gegevens over een
identificeerbare natuurlijke persoon worden beschouwd. Om te bepalen of een natuurlijke persoon identificeerbaar is, moet
rekening worden gehouden met alle middelen waarvan redelijkerwijs valt te verwachten dat zij worden gebruikt door de
verwerkingsverantwoordelijke of door een andere persoon om de natuurlijke persoon direct of indirect te identificeren,
bijvoorbeeld selectietechnieken. Om uit te maken of van middelen redelijkerwijs valt te verwachten dat zij zullen worden gebruikt
om de natuurlijke persoon te identificeren, moet rekening worden gehouden met alle objectieve factoren, zoals de kosten van
en de tijd benodigd voor identificatie, met inachtneming van de beschikbare technologie op het tijdstip van verwerking en de
technologische ontwikkelingen. De gegevensbeschermingsbeginselen dienen derhalve niet van toepassing te zijn op anonieme
gegevens, namelijk gegevens die geen betrekking hebben op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon of op
persoonsgegevens die zodanig anoniem zijn gemaakt dat de betrokkene niet of niet meer identificeerbaar is. Deze verordening
heeft derhalve geen betrekking op de verwerking van dergelijke anonieme gegevens, onder meer voor statistische of
onderzoeksdoeleinden.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 22/27
c) Rechtmatigheid van de verwerking
60. Een verwerking van persoonsgegevens is slechts rechtmatig indien daartoe een rechtsgrond
bestaat. Om de rechtmatigheid van de publicatie van het filmpje samen met de naam en het adres
van de klager aan te tonen, beroept de verweerder zich op artikel 6.1. d) AVG (de verwerking is
noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te
beschermen) en artikel 6.1. e) AVG (de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak
van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag
dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen).
61. De Geschillenkamer onderzoekt in hoeverre deze rechtsgronden kunnen worden ingeroepen door
de verweerder teneinde de verwerking van de persoonsgegevens die betrekking hebben op de
klager te rechtvaardigen.
62. Voor wat betreft de wettelijke grondslag die de verwerking van persoonsgegevens toestaat indien
de verwerking noodzakelijk is om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere
natuurlijke persoon te beschermen (artikel 6.1. d) AVG), wijst de Geschillenkamer erop dat de
bescherming van een belang dat voor het leven van de betrokkene of dat van een andere
natuurlijke persoon essentieel is, voorop dient te staan. In voorliggend geval voert de verweerder
niet aan dat de publicatie van de gegevens betreffende de klager van belang zouden zijn voor het
leven van de klager zelf, maar daarentegen wel van belang zijn voor de bescherming van derden,
meer bepaald de omwonenden. De verweerder houdt immers voor dat het zijn betrachting is om
een belang te beschermen dat voor het leven van andere natuurlijke personen essentieel is,
namelijk de bescherming van de gezondheid van de omwonenden waartoe de ernst van de hinder
veroorzaakt door houtrookemissie aan de hand van de publicatie van een filmpje met daarbij
horend de naam en het adres van de klager wordt aangetoond. Dienaangaande bepaalt
overweging 46 AVG dat de verwerking van persoonsgegevens op grond van het vitale belang voor
een andere natuurlijke persoon in beginsel alleen is toegestaan indien de verwerking kennelijk
niet op een andere rechtsgrond kan worden gebaseerd.17
63. Bijgevolg gaat de Geschillenkamer na of er desgevallend een andere rechtsgrond kan worden
ingeroepen die de verweerder zou toelaten over te gaan tot publicatie van het filmpje met inbegrip
van de naam en het adres van de klager.
17
Zie verder [Kuner-book, p333-334.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 23/27
64. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder zich verder ook nog beroept op artikel 6.1. e)
AVG. Volgens de verweerder is de publicatie noodzakelijk voor de vervulling van een taak van
algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan
de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. Specifiek voor wat betreft de rechtsgrond
vermeld in artikel 6.1. e) AVG merkt de Geschillenkamer op dat artikel 6.3. AVG 18 preciseert dat
deze rechtsgrond moet worden vastgesteld bij Unierecht of lidstatelijk recht dat op de
verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking dient in die
rechtsgrond te worden vastgesteld of is met betrekking tot de in artikel 6.1. e) AVG bedoelde
verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de
uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend.
65. De verweerder maakt geen melding van enige rechtsgrond die in de nationale wetgeving zou zijn
opgenomen, dewelke hem zou toelaten over te gaan tot de gegevensverwerking die het voorwerp
uitmaakt van de klacht. In zoverre de verweerder verwijst naar artikel 8 EVRM om te
rechtvaardigen dat hij tot de betreffende publicatie mocht overgaan, maakt de Geschillenkamer
eveneens de opmerking dat ook dit artikel enkel inmenging in de uitoefening van het recht op
respect voor het privéleven toestaat voor zover bij de wet is voorzien. Ook op dit punt laat de
verweerder na om enige wettelijke bepaling in te roepen waardoor aan deze vereiste van artikel
8 EVRM zou zijn voldaan en waardoor hij het recht zou hebben om het geheel van
persoonsgegevens van de klager te publiceren.
66. Vermits uit de argumentatie van de verweerder niet blijkt dat hij zich op enige rechtsgrond
vastgesteld bij Unierecht of lidstatelijk recht beroept waaruit hij het recht zou kunnen putten om
in het kader van het algemeen belang over te gaan tot de publicatie van de videobeelden met
naam en adres van de klager, is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerder zich niet kan
beroepen op artikel 6.1. e) AVG om de betreffende publicatie als rechtmatig te bestempelen.
18
3.De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:
a) Unierecht; of
b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking
noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de
verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels
van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking
door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden
waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en
-procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere
specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een
doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 24/27
67. Hoewel de verweerder geen gewag maakt van enig gerechtvaardigd belang (artikel 6.1. f) AVG),
onderzoekt de Geschillenkamer volledigheidshalve of de gegevensverwerking hierop kon worden
gebaseerd.
68. Overeenkomstig artikel 6.1 f) AVG en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Unie (hierna “het Hof”) dient aan drie cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan opdat een
verwerkingsverantwoordelijke zich rechtsgeldig kan beroepen op deze rechtmatigheidsgrond, “te
weten, in de eerste plaats, de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de
verwerking verantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, in de
tweede plaats, de noodzaak van de verwerking van de persoonsgegevens voor de behartiging van
het gerechtvaardigde belang, en, in de derde plaats, de voorwaarde dat de fundamentele rechten
en vrijheden van de bij de gegevensbescherming betrokken persoon niet prevaleren ” (arrest
“Rigas”19).
Teneinde zich conform artikel 6.1 f) AVG te kunnen beroepen op de rechtmatigheidsgrond van het
“gerechtvaardigd belang”, dient de verwerkingsverantwoordelijke met andere woorden aan te
tonen dat:
1) de belangen die deze met de verwerking nastreeft, als gerechtvaardigd kunnen worden erkend
(de “doeltoets”);
2) de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze belangen (de
“noodzakelijkheidstoets”); en
3) de afweging van deze belangen ten opzichte van de belangen, fundamentele vrijheden en
grondrechten van betrokkenen doorweegt in het voordeel van de
verwerkingsverantwoordelijke (de “afwegingstoets”).
69. Wat betreft de eerste voorwaarde (de zogenaamde “doeltoets”), is de Geschillenkamer van
oordeel dat het doeleinde dat erin bestaat de ernst van de hinder veroorzaakt door
houtrookemissie en de impact ervan op de gezondheid van de omwonenden aan te tonen moet
worden beschouwd als uitgevoerd met oog op een gerechtvaardigd belang. Het belang dat de
verweerder als verwerkingsverantwoordelijke nastreefde kan overeenkomstig overweging 47 AVG
op zich als gerechtvaardigd worden beschouwd. Er wordt bijgevolg voldaan aan de eerste
voorwaarde vervat in artikel 6.1, f) AVG.
70. Teneinde te voldoen aan de tweede voorwaarde, dient te worden aangetoond dat de verwerking
noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden. Dit betekent meer
bepaald dat de vraag dient te worden gesteld of met andere middelen hetzelfde resultaat kan
19
HvJEU, 4 mei 2017, C-13/16, Valsts policijas Rīgas reģiona pārvaldes Kārtības policijas pārvalde tegen Rīgas pašvaldības SIA
„Rīgas satiksme”, overweging 28. Zie ook HvJEU, 11 december 2019, C-708/18, TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA,
overweging 40.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 25/27
worden bereikt zonder verwerking van persoonsgegevens of zonder een onnodig ingrijpende
verwerking voor de betrokkenen.
71. Uitgaande van het doeleinde, zijnde het aantonen van de negatieve impact van houtrookemissie
op de gezondheid van omwonenden waarbij hen de mogelijkheid wordt geboden om te
achterhalen waar de houtrookhinder vandaan komt, dient aldus te worden nagegaan of de
publicatie van beeldmateriaal waarop rook uit een schouw is te zien met daarbij horend de naam
en het adres van diegene die verantwoordelijk is voor de rookemissie, al dan niet kan bijdragen
tot bescherming van burgers tegen houtrookinfiltratie. De informatie die de verweerder verzamelt
en deelt via het z [..] om de schadelijke gevolgen van houtrookemissie onder de aandacht te
brengen zonder daarbij over te gaan tot de verwerking van persoonsgegevens, kadert volledig
binnen het nagestreefde doeleinde.
72. Echter, de publicatie van beeldmateriaal met daaraan gekoppeld de naam en het adres van de
klager, leidt er enkel toe dat de betrokkene op digitale wijze als luchtvervuiler wordt bestempeld
zonder enige mogelijkheid tot verweer. Deze werkwijze biedt geen enkele toegevoegde waarde in
het bestrijden van houtrookemissie en de bescherming van de burgers daartegen. In zoverre het
de betrachting is van de verweerder om door middel van deze praktijk de omwonenden de
gelegenheid te bieden te achterhalen waar de houtrook vandaan komt en zich vervolgens
burgerlijke partij te stellen, is de Geschillenkamer van oordeel dat ook zonder publicatie van de
beelden met identificatiegegevens van de klager dit doeleinde kan worden bereikt door enkel de
regio te vermelden waar de rookemissie zich situeert, zodat een burger wonend in die regio zich
eventueel burgerlijke partij kan stellen tegen onbekenden. Aan de tweede voorwaarde is aldus
niet voldaan doordat het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5.1. c) AVG) niet
werd nageleefd.
73. Teneinde na te gaan of aan de derde voorwaarde van artikel 6.1, f) AVG - de zogenaamde
“afwegingstoets” tussen de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke, enerzijds, en de
fundamentele vrijheden en grondrechten van betrokkene, anderzijds - kan worden voldaan, dient
overeenkomstig overweging 47 AVG rekening te worden gehouden met de redelijke
verwachtingen van de betrokkene. Er dient meer bepaald te worden geëvalueerd of “betrokkene
op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens redelijkerwijs mag
verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden”20.
74. Dit wordt eveneens benadrukt door het Hof in zijn arrest “TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-
ScaraA” van 11 december 201921, waarin het stelt:
20
Overweging 47 AVG.
21
HvJEU, 11 december 2019, C-708/18, TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA, overweging 58.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 26/27
“Ook relevant voor deze afweging zijn de redelijke verwachtingen van de betrokkene dat zijn
of haar persoonsgegevens niet zullen worden verwerkt wanneer, in de gegeven
omstandigheden van het geval, de betrokkene redelijkerwijs geen verdere verwerking van de
gegevens kan verwachten”.
75. De Geschillenkamer kan omtrent deze derde voorwaarde enkel vaststellen dat de klager zich op
geen enkel moment kon verwachten aan de publicatie van de beelden met daarbij zijn naam en
adres.
76. Ook heeft de verweerder niet om de toestemming van de klager (artikel 6.1. a) AVG) gevraagd
om de betreffende beelden met diens naam en adres te mogen publiceren. De verweerder heeft
er zich toe beperkt de klager enkel in te lichten over de reeds gedane publicatie met daarbij zijn
verzoek aan de klager om iets te doen aan de infiltratie van houtrook die door hem zou worden
veroorzaakt. Hoewel de toestemming in de zin van artikel 4, 11) AVG, de enig mogelijke
rechtsgrond is waarop de verweerder zich had kunnen beroepen om te kunnen overgaan tot de
betreffende publicatie, heeft de verweerder dergelijke toestemming niet gevraagd aan de klager.
77. De overige rechtsgronden opgenomen in artikel 6.1. onder b) en c) zijn in voorliggend geval niet
van toepassing.
78. De Geschillenkamer is van oordeel dat het geheel van de uiteengezette elementen aantoont dat
de verweerder zich op geen enkele rechtsgrond kan beroepen waaruit de rechtmatigheid blijkt
van de gegevensverwerking zoals deze door hem werd opgezet. De Geschillenkamer besluit aldus
dat de inbreuk op artikel 6.1. AVG is bewezen. Rekening houdend met het feit dat de
videobeelden met vermelding van de naam en het adres van de klager zijn verwijderd door de
verweerder op de website www.z. [..], alsmede dat de inbreuk slechts voor een eerste keer werd
begaan, is de Geschillenkamer van oordeel dat het passend is om de verweerder hiervoor een
berisping te geven. Bij de bepaling van deze sanctie neemt de Geschillenkamer ook in aanmerking
dat de klacht kadert binnen een ruimer conflict tussen de partijen, zijnde een burengeschil,
waaromtrent de Geschillenkamer opmerkt dat het niet tot de taak van de
Gegevensbeschermingsautoriteit behoort om daarin tussen te komen voor wat betreft de aspecten
die geen betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens. De Geschillenkamer besluit
dan ook dat in de concrete feitelijke omstandigheden van deze zaak, een berisping volstaat.
d) Schadevergoeding
79. Op het verzoek van de verweerder om hem een schadevergoeding toe te kennen, kan de
Geschillenkamer niet ingaan vermits zij niet over die bevoegdheid beschikt.
Beslissing ten gronde 71 / 2020 - 27/27
e) Publicatie van de beslissing
80. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de GBA. Het is evenwel
niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden
bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om ten aanzien
van de verweerder:
- op grond van artikel 100, §1, 2° WOG, de klacht te seponeren voor het gedeelte van de klacht dat
betrekking heeft op een nep-account op Facebook.
- op grond van artikel 100, §1, 5° WOG, een berisping te formuleren voor wat betreft de inbreuk op
artikel 6.1. AVG
Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, §1 WOG, beroep worden aangetekend binnen
een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer