1/8
Geschillenkamer
Beslissing 57/2024 van 18 april 2024
Dossiernummer : DOS-2022-02875
Betreft : het opvragen van een identiteitskaart als waarborg
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”
Beslissing 57/2024 — 2/8
I. Feiten en procedure
1. Het voorwerp van de klacht betreft het gebruik van de identiteitskaart van de klager als
waarborg voor het uitlenen van een hulpmiddel bij het bezoek van het domein van de
verweerder.
2. Op 5 juli 2022 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de
verweerder.
Op 25 juni 2022 werd de klager zijn identiteitskaart als waarborg gevraagd bij het
huren van een hulpmiddel om het domein van de verweerder te bezoeken. Hij zou
zijn identiteitskaart terugkrijgen bij het terug binnenleveren van het hulpmiddel. De
klager wees de verweerder erop dat het afgeven van zijn identiteitskaart niet
conform de wetgeving was, maar de verweerder antwoordde dat iedereen zijn
identiteitskaart afgaf als waarborg. De klager heeft daarop zijn identiteitskaart
afgegeven en op het einde van de dag ook terug gekregen.
De klager heeft diezelfde dag een klacht ingediend bij de verweerder via het privacy
e-mailadres van de verweerder. De klager had een foto van het verhuurticket en de
afrekening bijgevoegd. Op het verhuurticket staat de naam van de klager, de datum
en de nummer van het gebruikte hulpmiddel ingevuld. De nummer van de
identiteitskaart en de handtekening zijn niet ingevuld. Op dit ticket staat ook
vermeld: “Een identiteitsbewijs wordt ingehouden als waarborg.”
Op 28 juni 2022 antwoordde de verweerder dat het gebruik van een
identiteitsbewijs wel degelijk toegelaten was op het privaat domein van de
verweerder wanneer er geen kopieën of scans zouden worden gemaakt. Zij zou dit
gecontroleerd hebben bij de bevoegde overheidsinstanties. Daarbij bevestigde de
verweerder dat er geen bijkomende registraties of handelingen zijn gedaan met de
identiteitskaart. Verder wees de verweerder op het intern reglement waarin in
artikel 6 wel degelijk een alternatieve waarborg werd vermeld voor wie geen
identiteitsbewijs mee had of wou afgeven, nl. 100€.
Diezelfde dag reageerde de klager met een verwijzing naar de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit waarop te lezen was: “U kunt de identiteitskaart
van een persoon niet als borg houden. Deze praktijk is niet aanvaardbaar, omdat u
hierdoor de betrokkene belet om zijn wettelijke verplichting na te komen om zijn
identiteitskaart bij zich te dragen. Het nemen van een kopie van uw identiteitskaart
levert in deze omstandigheden ook problemen op met betrekking tot de
verenigbaarheid met de AVG.”
Beslissing 57/2024 — 3/8
3. Op 26 juli 2022 contacteerde de Eerstelijnsdienst de klager met de vraag de
contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke toe te voegen aan de klacht om
deze op een correcte wijze te kunnen behandelen. Op 31 juli 2022 stuurde de klager de
contactgegevens van de verweerder door. In een tweede e-mail stuurde de klager nogmaals
de communicatie met de verweerder door en bevestigde hij nog eens apart dat hem het
alternatief van 100€ als waarborg niet werd aangeboden toen hij zich initieel verzette tegen
het overhandigen van zijn identiteitskaart.
4. Op 1 augustus 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG1 en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1
van de WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer 2.
5. Ingevolge artikel 95, § 2, 3° van de WOG alsmede artikel 47 van het reglement van interne
orde van de GBA kunnen de partijen om een afschrift van het dossier verzoeken. Indien één
van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het
kopiëren van het dossier, dient deze zich te wenden tot het secretariaat van de
Geschillenkamer, bij voorkeur via [email protected].
II. Motivering
6. Artikel 2.1 van de AVG bepaalt het materieel toepassingsgebied van de AVG:
“Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde
verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn
opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.”
Het begrip ‘bestand’ wordt gedefinieerd in artikel 4.6) van de AVG:
“bestand: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria
toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op
functionele of geografische gronden is verspreid;”
7. Het Europese Hof van Justitie verduidelijkte de draagwijdte van het begrip ‘bestand’ in haar
arrest “Jehova”3:
“Op de tweede vraag dient dus te worden geantwoord dat artikel 2, onder c), van richtlijn
95/46 in die zin moet worden uitgelegd dat onder het in deze bepaling gebruikte begrip
„bestand” ook valt een geheel van in het kader van een van-huis-tot-huisverkondiging
verzamelde persoonsgegevens, bestaande uit de naam en het adres van en andere
1
Overeenkomstig artikel 61 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat de klacht ontvankelijk is
verklaard.
2
Overeenkomstig artikel 95, § 2 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat het dossier naar
aanleiding van deze klacht aan haar is overgedragen.
3
Zie arrest HvJ C-25/17, Jehovan Todistajat, EU:C:2018:551; randnummer 62.
Beslissing 57/2024 — 4/8
informatie over de aan huis bezochte personen, wanneer deze gegevens zijn gestructureerd
volgens specifieke criteria die het in de praktijk mogelijk maken deze gegevens gemakkelijk
terug te vinden voor een later gebruik ervan. Om onder dit begrip te vallen hoeft een
dergelijk geheel geen steekkaarten, specifieke lijsten of andere ordeningssystemen te
omvatten.” (eigen onderlijning)
8. De verweerder verhuurt meerdere hulpmiddelen binnen zijn domein. Als waarborg voor deze
hulpmiddelen vroeg de verweerder de identiteitskaart van de klager. Naast het hulpmiddel
ontving de klager eveneens een ticket met daarop het identificatienummer van het
hulpmiddel en zijn naam. Het is dus mogelijk dat de ontvangen identiteitskaarten door de
verweerder worden gestructureerd op basis van de nummer van het hulpmiddel, teneinde
deze makkelijk terug te vinden wanneer het hulpmiddel wordt teruggebracht. Het
structureren van identiteitskaarten op basis van het criteria ‘soort hulpmiddel’ en/of
‘nummer van het hulpmiddel’ zou als een bestand op functionele gronden kunnen worden
beschouwd. Aangezien een identiteitskaart persoonsgegevens bevat, zou deze praktijk
binnen het materieel toepassingsgebied van de AVG vallen.
9. Artikel 4.2) van de AVG definieert het begrip ‘verwerken’ als volgt:
“een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of
een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés,
zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen,
opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of
op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of
vernietigen van gegevens;”
10. De verweerder vraagt de identiteitskaart op om deze te bewaren. Aangezien de
identiteitskaart persoonsgegevens van de klager bevat, kan het opvragen en bewaren ervan
beschouwd worden als het verwerken van persoonsgegevens.
11. Artikel 5.1.a) van de AVG bepaalt: “Persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een
wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is
(“rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”).”
12. Inzake de rechtmatigheid en behoorlijkheid wijst de Geschillenkamer op artikel 1 van het
koninklijk besluit betreffende de identiteitskaarten4, dat stelt: “Iedere Belg die volle vijftien
jaar oud is, moet houder zijn van een identiteitskaart die als bewijs van inschrijving in het
bevolkingsregister geldt of, in geval van verlies, diefstal of vernietiging van die kaart, van een
overeenkomstig artikel 6 afgegeven attest. […] Een van deze beide documenten moet
worden overgelegd bij elke vordering van de politie, […] en, in het algemeen, telkens als de
houder het bewijs van zijn identiteit dient te leveren.” Op de website van de Federale
4
KB van 25 maart 2003 betreffende de identiteitskaarten.
Beslissing 57/2024 — 5/8
Overheidsdienst Binnenlandse Zaken staat onder de FAQ inzake identiteitsdocumenten te
lezen: “De bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit betreffende de
identiteitskaarten van 25 maart 2003 vermelden dat elke persoon te allen tijde zijn
identiteitskaart moet kunnen voorleggen aan een persoon die dit om wettelijke redenen
verzoekt. Het inhouden van de identiteitskaart zou dit verzoek echter onmogelijk maken.
Het is dus niet gerechtvaardigd om de identiteitskaart bij te houden tijdens de duur van het
bezoek.”5
13. Voor zover de verweerder een voldoende rechtsgrond zou hebben om de identiteitskaart
van de klager te bewaren, lijkt dit niet behoorlijk aangezien de klager op het domein van de
verweerder niet kan voldoen aan artikel 1 van het koninklijk besluit betreffende de
identiteitskaarten, wat de klager ook zou hebben aangegeven voordat hij zijn
identiteitskaart heeft afgegeven.
14. Inzake transparantie verklaart de klager dat hij op het moment van het vragen van zijn
identiteitskaart op geen enkele wijze werd ingelicht over een alternatief voor het verwerken
van zijn persoonsgegevens, ook niet wanneer hij zich initieel verzette tegen deze
verwerking. Dit alternatief stond evenmin vermeld op het ticket dat de klager ontving in ruil
voor zijn identiteitskaart. Ondanks de opname van dit alternatief in het parkreglement, lijkt
de verwerking niet voldoende transparant te zijn gebeurd.
15. De Geschillenkamer is van oordeel dat op grond van bovenstaande analyse dient te worden
geconcludeerd dat door de verweerder mogelijke inbreuken op de bepalingen van de AVG
werden gepleegd, dewelke rechtvaardigt dat in casu wordt overgegaan tot het nemen van
een beslissing op grond van artikel 95, § 1, 4° van de WOG, meer bepaald een waarschuwing
te formuleren ten aanzien van de verweerder dat het opvragen en bijhouden van de
identiteitskaart van een bezoeker als waarborg voor een hulpmiddel een inbreuk kan
uitmaken op de rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie van de verwerking.
16. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 van de WOG op grond van de door de klager ingediende klacht,
in het kader van de “procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde” 6 en geen
beslissing ten gronde van de Geschillenkamer in de zin van artikel 100 van de WOG.
De Geschillenkamer heeft aldus beslist om op grond van artikel 58.2.a) AVG en
artikel 95, § 1, 4° van de WOG, een waarschuwing te formuleren ten aanzien van de
verweerder voor wat betreft de rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie van het
opvragen en bewaren van de identiteitskaart als waarborg voor het gebruik van een
hulpmiddel in het domein van de verweerder.
5
https://ibz.rrn.fgov.be/nl/identiteitsdocumenten/eid/faq/ ; meer bepaald onder de vraag: “Mag men bij het onthaal van een
openbaar gebouw een identiteitskaart vragen en bijhouden?”
6
Afdeling 3, Onderafdeling 2 van de WOG (artikelen 94 t.e.m. 97).
Beslissing 57/2024 — 6/8
17. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verweerder in kennis te stellen van het feit dat deze
mogelijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de
mogelijkheid te stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen.
18. Indien de verweerder niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige prima facie
beslissing en van mening is dat zij feitelijke en/of juridische argumenten kan aanvoeren die
tot een nieuwe beslissing zouden kunnen leiden, kan zij een verzoek tot heroverweging
indienen bij de Geschillenkamer volgens de procedure vastgesteld in de artikelen 98 juncto
99 van de WOG, bekend als een “behandeling ten gronde”. Dit verzoek moet worden
gestuurd naar het e-mailadres [email protected] binnen een termijn van 30
dagen na kennisgeving van dit prima facie besluit. Indien van toepassing, wordt de uitvoering
van dit besluit opgeschort gedurende de bovengenoemde periode.
19. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de
Geschillenkamer de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 van de
WOG uitnodigen hun verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten
bij het dossier te voegen. De onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief
opgeschort.
20. Tot slot wijst de Geschillenkamer er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde
van de zaak kan leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 van de
WOG7.
III. Publicatie van de beslissing
21. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
7
Artikel 100. § 1. De Geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de
gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te
bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het
gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
Beslissing 57/2024 — 8/8
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.9, of via het e-Deposit informatiesysteem van
het Ministerie van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
9
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.