1/20
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 49/2023 van 28 april 2023
Dossiernummers : DOS-2022-02905 – DOS-2022-02908 – DOS-2022-02910 – DOS-
2022-02912 – DOS-2022-02915
Betreft: Klacht over de mededeling van de status van stakende leerkrachten door een
school tijdens de organisatie van een ouderbijeenkomst - inhoudelijke procedure die de
vertrouwelijkheid van de identiteit van de klagers ten opzichte van de verweerder
waarborgt
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Romain Robert en Christophe Boeraeve, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn
95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna- "AVG";
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna "WOG";
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15
januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
de klagers:
1. de heer X1, hierna "klager nr. 1" (DOS-2022-02905);
2. de heer X2, hierna “klager 2" (DOS-2022-02908);
3. de heer X3, hierna “klager 3” (DOS-2022-02910);
Beslissing ten gronde 492023 – 2/20
4. mevrouw X4, hierna “klager 4” (DOS-2022-02912);
5. de heer X5, hierna "klager 5" (DOS-2022-02915);
Alle vijf werden ze vertegenwoordigd door hun raadsman, Meester Laurence RASE, advocaat,
wiens kantoor gevestigd is te 4000 Luik, Quai de Rome, 2.
Hierna samen genoemd "de (stakende) leerkrachten" of "de klagers".
De verweerder: : Secundaire onderwijsinstelling Y, hierna "de verweerder" ».
I. Feiten en procedure
1. In mei en juni 2022 diende elke klager tegen verweerder een klacht in bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA)1.
2. Het onderwerp van hun klacht betreft de mededeling door verweerder van hun status van
stakende leerkracht bij de verzending per e-mail aan alle ouders van leerlingen van de lijst van
leerkrachten die tijdens de oudervergadering van de school op 29 maart 2022 konden worden
ontmoet. De feiten worden in de volgende punten nader toegelicht.
3. Op 7 juli 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de
artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, §1 van de WOG bezorgd
aan de Geschillenkamer.
4. In het kader van de klacht verzocht elke klager, door het daartoe bestemde vakje op het
klachtenformulier aan te kruisen, dat zijn of haar gegevens worden afgeschermd, d.w.z. dat ze
niet aan de verweerder worden meegedeeld.
5. Eind augustus 2022 vroeg de Geschillenkamer elke klager of hij al dan niet instemde met de
bekendmaking van zijn identiteit aan de andere klagers, waarbij de vertrouwelijkheid ten
aanzien van de verweerder werd gehandhaafd.
6. In antwoord daarop stemde elke klager ermee in dat zijn identiteit aan de andere klagers werd
bekendgemaakt.
1 De klachten 1, 2 en 5 zijn gedateerd op 10 mei 2022 (klacht 2 is ontvangen op 4 juli 2022). Klacht 3 is van 30 mei 2022 en klacht 4 is van 6
juni 2022.
Beslissing ten gronde 492023 – 3/20
7. De klagers zijn allen leden van het onderwijzend personeel en werknemers van verweerder op
de middelbare school Y.
8. Op 29 maart 2022 werd een staking georganiseerd op initiatief van de vakbonden die het
personeel in de onderwijssector vertegenwoordigen.
9. Op dezelfde dag, 29 maart 2022, werd in de lokalen van verweerder een ouderbijeenkomst
georganiseerd om ouders van leerlingen van de school in de gelegenheid te stellen de
leerkrachten individueel te ontmoeten.
10. Partijen melden dat de directie van verweerder zich in een e-mail van 25 maart 2022 tot al de
leerkrachten richtte in de volgende bewoordingen:
« "Zoals u weet zal de oudervergadering plaatsvinden op 28 maart 2022 (lees 29 maart
2022). Maar ook de staking gaat deze dinsdag door. Ik verzoek degenen die willen staken
mij uiterlijk maandag om 9.00 uur te informeren, zodat ik de opvoeders en ouders op de
hoogte kan stellen van uw afwezigheid.
Als u echter afwezig bent, zult u aanstaande donderdag vanaf 15.30 uur de
oudervergadering moeten bijwonen in plaats van aanstaande dinsdag, tenzij u de
oudervergadering toch zou bijwonen."
11. De klagers verklaren dat verschillende leraren - waaronder vakbondsafgevaardigden - hebben
gereageerd door de schooldirectie mee te delen dat zij aan de stakingsactie zullen deelnemen.
12. Op 29 maart 2022 stelde de directie van verweerder de ouders van de leerlingen in kennis van
de organisatiemodaliteiten voor de oudervergadering van diezelfde dag. Een brief werd per e-
mail verstuurd aan de ouders van de leerlingen. De klagers preciseren dat het om honderden
ouders gaat. Klagers melden dat de directe deze brief ook op de dag van de oudervergadering
aan de ingang van de school met de hand uitdeelde.
13. Deze brief vermeldt het volgende:
«” Zoals aangekondigd in de media, hebben sommige leraren besloten zich aan te sluiten bij
de vandaag georganiseerde staking. Op de achterzijde vindt u de lijst van stakende
leerkrachten en de zieke leerkrachten die niet aanwezig zullen zijn op de oudervergadering.
De stakende leerkrachten is echter gevraagd contact op te nemen met de betrokken
ouders om een ontmoeting met u te regelen op donderdagmiddag ».
14. De lijst van leerkrachten van de school is als bijlage bij deze brief gevoegd. De lokalen waar de
docenten aanwezig zullen zijn, worden aangegeven. De namen van de leerkrachten die de
directie op de hoogte brachten van hun deelname aan de staking (punt 10 hierboven) zijn
aangeduid als "staker". Dit was met name het geval met betrekking tot de namen van de
Beslissing ten gronde 492023 – 4/20
klagers. Voor de andere afwezige leerkrachten op de oudervergadering wordt "abs" (afwezig)
vermeld, zonder vermelding van de reden van hun afwezigheid.
15. Klagers voegen daaraan toe dat enkele dagen na 29 maart 2022 een vakbondsdelegatie het
directieteam van Y mondeling heeft ondervraagd over deze werkwijze. Zij wezen hen op de
ongepastheid van een dergelijke mededeling, waarin volgens hen "gevoelige"
persoonsgegevens aan derden worden vermeld, dus een niet te rechtvaardigden mededeling.
Klagers stellen tevens dat de directie van Y niet van plan was gevolg te geven aan dit verzoek
en dat de betrokken vakbondsafgevaardigden werden weggestuurd.
16. Na deze gebeurtenissen hebben vijf stakende personeelsleden, zoals beschreven in punt 1, een
klacht ingediend bij de GBA, waarin zij een schending van de AVG aanvoerden. Zij benadrukten
het giftige klimaat binnen de instelling en de minachting voor het stakingsrecht in het
algemeen.
17. Op 6 oktober 2022 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld
van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, en in artikel 98 van de WOG. In deze brief
heeft de Geschillenkamer, rekening houdend met het verzoek van de klagers om
vertrouwelijkheid ten aanzien van de verweerder:
a. beslist de klachten die zij zo nauw verwant acht dat het dienstig is ze tegelijkertijd
te onderzoeken en te behandelen om de samenhang van haar beslissingen te
waarborgen ;
b. kennis genomen van het feit dat de klagers verzoeken dat hun identiteit ten aanzien
van de verweerder vertrouwelijk wordt behandeld. In dit verband is de
Geschillenkamer van oordeel dat zij het onderzoek van de klachten kan voortzetten
zonder de identiteit van de klagers aan de verweerder bekend te maken ;
c. er nota van genomen dat de klagers elk hebben ingestemd met het delen van hun
identiteit met de andere klagers ;
d. de door de klagers in elk van hun klachten aangevoerde feiten samengevat en heeft
verklaard dat het geanonimiseerde dossier betreffende elk van de klachten op
verzoek van de verweerder aan hem zal worden meegedeeld ;
e. de partijen verzocht hun respectieve argumenten in te dienen in de vorm van
conclusies. In het bijzonder verzoekt de Geschillenkamer de verweerder om de
wijze van mededeling van de brief van 29 maart 2022 nader te specificeren en zijn
argumenten aan te voeren met betrekking tot de mogelijke tekortkomingen die uit
de feiten naar voren zijn gekomen, in het bijzonder met betrekking tot de
rechtmatigheidsgrondslag waarop hij meent de verwerking (interne registratie,
mededeling aan ouders) van de aan elk van de klagers verbonden "staker" gegeven
Beslissing ten gronde 492023 – 5/20
te kunnen baseren. Aangezien de Geschillenkamer in dit stadium van de procedure
de toepassing van artikel 9 van de AVG niet kan uitsluiten, verzoekt zij verweerder
zich zowel op grond van de artikelen 5.1.a en 6 van de AVG als op grond van artikel
9 in combinatie met artikel 6 van de AVG te verdedigen;
f. bepaald dat verweerder zijn antwoord uiterlijk op 17 november 2022 en zijn repliek
uiterlijk op 2 januari 2023 indient. De klagers worden verzocht hun - eventueel
gezamenlijke - opmerkingen uiterlijk op 9 december 2022 in te dienen (artikel 99
WOG) ;
g. aangegeven dat zij, gelet op het verzoek van de klagers om vertrouwelijkheid, zelf
de conclusies aan de andere partij zal meedelen, teneinde het tegensprekelijke
karakter van de procedure te waarborgen met inachtneming van dit verzoek om
vertrouwelijkheid. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat deze stukken aan de
andere partij zullen worden meegedeeld zoals zij zijn en dat het derhalve aan de
klagers is om deze zodanig op te stellen dat de vertrouwelijkheid van hun identiteit
ten opzichte van de verweerder behouden blijft.
h. aangegeven dat indien de partijen bewijsstukken wensen in te dienen ter
ondersteuning van hun conclusies, zij worden verzocht dit tegelijk met de indiening
van de conclusies te doen. De modaliteiten voor het bewaren van de
vertrouwelijkheid van de identiteit van de klagers ten opzichte van de verweerder
zijn dezelfde als die van punt g).
i. ten slotte gepreciseerd dat, gezien het verzoek van de klagers om
vertrouwelijkheid, een hoorzitting niet kan worden toegestaan. Zodra een partij om
een hoorzitting verzoekt, worden namelijk alle partijen uitgenodigd. De anonimiteit
van de partijen kan dus tijdens de zitting worden gewaarborgd, aangezien de
partijen samen en niet afzonderlijk worden gehoord (artikel 53 RIO).
18. Op 16 november 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de
verweerder. De samenvatting van het standpunt van verweerder is opgenomen in punt 20
hierboven, met inbegrip van zijn antwoord.
19. Op 8 december 2022 ontvangt de Geschillenkamer de gemeenschappelijke conclusie van
repliek van de klagers.
a. De belangrijkste klacht is dat artikel 9 van de AVG is geschonden. Zij waren van mening
dat verweerder, door hun status van staker mee te delen, gevoelige gegevens over hen
- met name hun vakbondslidmaatschap - had verwerkt zonder dat daarvoor een
rechtsgrondslag bestond.
Beslissing ten gronde 492023 – 6/20
b. Vakbondslidmaatschap is volgens de klagers elke uiting van vakbondsactiviteit, die
ruim moet worden opgevat. Het is geen synoniem voor vakbondslidmaatschap.
Deelname aan een op initiatief van representatieve vakbondsorganisaties van
werknemers georganiseerde staking is een vakbondsactiviteit, ongeacht of de
deelnemers al dan niet bij een vakbond zijn aangesloten. Dit betreft de uitoefening van
de grondrechten van vrijheid van meningsuiting (artikel 10 van het Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens - EVRM) en vrijheid van vergadering en
vereniging (artikel 11 van het EVRM).
c. De bekendmaking aan derden - in dit geval aan ouders van leerlingen - van de
"stakerstatus" van een groep leraren vormt derhalve een gegevensverwerking die
onder artikel 9 van de AVG valt. De term "staker" duidt op de deelname van leraren aan
vakbondsactiviteiten en dus op hun lidmaatschap van een vakbond. Er wordt niet
betwist dat de klagers geen toestemming hebben gegeven (artikel 9.2.a), van de AVG)
en de klagers zijn van mening dat er geen andere rechtmatigheidsgrondslag krachtens
artikel 9.2 van de AVG van toepassing is.
d. Subsidiair, bij gebreke van de vaststelling van een schending van artikel 9 van de AVG,
zijn klagers van mening dat verweerder ten minste de artikelen 5.1 en 6.1 van de AVG
heeft geschonden.
i. De klagers sluiten de in artikel 6.1 van de AVG genoemde
rechtmatigheidsgronden uit, of het nu gaat om hun toestemming, de wettelijke
verplichting waaraan verweerder is gebonden of de taak van algemeen belang
van laatstgenoemde.
ii. Klagers wijzen erop dat verweerder de ontoereikendheid van de mededeling
niet betwist, maar deze minimaliseert. Volgens de klagers had er een alternatief
moeten komen, waarbij gewoon zou worden aangegeven dat bepaalde
leerkrachten die op 29 maart 2022 niet beschikbaar waren, maar op 31 maart
2022 of later wel beschikbaar zouden zijn.
iii. Klagers zijn ook van mening dat verweerder niet kan worden gevolgd wanneer
hij beweert dat de mededeling op een eerlijke en transparante wijze is gedaan
tegenover de betrokken personeelsleden. Zij wijzen erop dat de directie van Y
hen in zijn brief van 25 maart 2022 (punt 10) heeft gezegd dat deze informatie
werd gevraagd om de ouders op de hoogte te kunnen stellen van hun
afwezigheid, niet om de redenen daarvoor. De verstrekte gegevens zijn
derhalve niet eerlijk verwerkt en evenmin op passende, relevante wijze en
beperkt tot wat noodzakelijk is voor dit doel. De artikelen 5.1. a) en c) van de
AVG zijn dus geschonden, evenals artikel 6.1. van de AVG.
Beslissing ten gronde 492023 – 7/20
e. De klagers verzochten de Geschillenkamer om verweerder een exemplarische sanctie
op te leggen (een administratieve geldboete of ten minste een berisping), rekening
houdend met a) de gevoelige aard van de meegedeelde gegevens, waaruit de
vakbondsovertuiging van de klagers blijkt en die op grond van artikel 9 van de AVG
bijzondere bescherming genieten in de vorm van een principieel verbod met
uitzonderingen, alsmede b) de verspreiding van deze informatie per e-mail aan enkele
honderden ouders van leerlingen.
f. Op basis van artikel 100.1.9° van de WOG vorderen de klagers ook dat verweerder
wordt gelast zijn directie formeel te herinneren aan haar verplichtingen inzake de
bescherming van persoonsgegevens en elke verdere bekendmaking van de gegevens
te verbieden zonder voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van de betrokken
personeelsleden voor die bekendmaking en voor de doeleinden waarvoor zij is
toegestaan.
20. Op 29 december 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de
verweerder. Het argument van verweerder - zoals het zowel in zijn conclusie van antwoord
als in zijn repliek is ontwikkeld - kan als volgt worden samengevat :
a. De datum van 29 maart voor de oudervergadering was vastgesteld in overleg met
de personeelsvertegenwoordigers aan het eind van het vorige schooljaar.
b. Deze oudervergadering is een belangrijk evenement voor ouders van leerlingen -
vooral voor degenen die moeilijkheden ondervinden - om informatie en
pedagogisch advies te krijgen, gericht op het succes van hun kind aan het einde van
het schooljaar.
c. Deze vergadering vormt een essentieel onderdeel van de uitvoering van zijn taak
zoals bepaald in het decreet tot vaststelling van de prioritaire opdrachten van het
basis- en het secundair onderwijs van 24 juli 19972. Het maakt deel uit van de
noodzakelijke samenwerking tussen ouders en leerkrachten, die ook deel uitmaakt
van alle onderwijsprojecten van de scholen. Het maakt deel uit van de uitoefening
van zijn taak van algemeen belang in de zin van artikel 6.1.e) van de AVG.
d. De informatie dat sommige leraren staakten is op eerlijke en transparante wijze
verzameld na de mededeling door de directie van de in punt 10 genoemde e-mail
van 25 maart 2022.
e. Anders dan de klagers beweren, wijst de kwalificatie "staker" niet op het
lidmaatschap van een vakbond. Verweerder redeneert in dit verband als volgt :
2
B.S. 23 september 1997.
Beslissing ten gronde 492023 – 8/20
i. Het stakingsrecht wordt toegekend aan alle werknemers, ongeacht of zij al
dan niet lid zijn van een vakbond, en elke werknemer, al dan niet
aangesloten bij een vakbond, kan ervoor kiezen deel te nemen aan een
staking;
ii. Een staking kan plaatsvinden zonder tussenkomst van een vakbond. En is
niet afhankelijk van een vakbondsinitiatief;
iii. Bijgevolg is het gelijkstellen van deelname aan een staking (en dus een "
staker" zijn) met lidmaatschap van een vakbondsorganisatie gebaseerd op
een valse vooronderstelling;
iv. Vakbondslidmaatschap is lid zijn van een vakbond. De Engelse terminologie
van de AVG "trade -union membership" is in dit verband verhelderend. Het
is overigens deze status die kan leiden tot discriminatie of althans een
verschillende behandeling, hetgeen artikel 9 van de AVG beoogt te
voorkomen. Deelname aan een staking daarentegen kan een eenmalige
handeling zijn, zoals elke andere uitoefening van arbeidsrechten.
v. Het begrip vakbondslidmaatschap heeft een strikte interpretatie.
Aangezien artikel 9 van de AVG bestaat uit een uitzondering op artikel 6 van
de AVG, moet de uitlegging van het verbod op de verwerking van gegevens
"waaruit het lidmaatschap van een vakbond blijkt" restrictief worden
uitgelegd. Een passage uit overweging 51 van de AVG wordt in dit verband
naar analogie aangehaald 3.
vi. Ten slotte vraagt verweerder zich af of de gevolgtrekking dat een persoon
wegens zijn deelname aan een staking noodzakelijkerwijs tot een vakbond
behoort, niet een gevolgtrekking is die in strijd is met het in artikel 5.1.c) van
het in het AVG neergelegde beginsel van juistheid van de gegevens.
f. De kwalificatie " staker " had moeten worden vermeden en verweerder betreurt het
gebruik van deze uitdrukking. De termen "afwezig" (voor zieke leerkrachten) en
"bereikbaar" (voor stakers die op 29 maart afwezig waren maar die door de ouders
konden worden gecontacteerd) zouden de voorkeur hebben gekregen.
g. Verweerder voegt daaraan toe dat hij zich heeft ingespannen om alle uit de AVG
voortvloeiende verplichtingen uit te voeren en dat hij daartoe in 2021 een externe
functionaris voor gegevensbescherming (DPO) in dienst heeft genomen, die een
aanzienlijke hoeveelheid werk heeft verzet en heeft bijgedragen aan de opleiding
3
Overweging 51: ...(...) De verwerking van foto's mag niet systematisch worden beschouwd als verwerking van bijzondere
categorieën van persoonsgegevens, aangezien foto's alleen onder de definitie van biometrische gegevens vallen wanneer
zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een
natuurlijke persoon mogelijk maken.
Beslissing ten gronde 492023 – 9/20
en bewustmaking van personeelsleden op het gebied van gegevensbescherming.
De verweerder haalt de volgende verwezenlijkingen aan: de opstelling van diverse
registers (van verwerkingsactiviteiten, inbreuken op gegevens, toegang),
verplichte opleiding voor personeelsleden, de publicatie van een document waarin
de essentiële punten van de AVG worden uiteengezet die moeten worden
nageleefd of de uitvoering van informatiebeveiligingsmaatregelen.
h. Dit is een eenmalig incident dat het gevolg is van een menselijke fout van een
schoolmedewerker bij het versturen van een eenmalige mededeling in een
noodsituatie. Dit is geen beslissing van de verweerder in de zin van een beslissing
van de inrichtende macht. De verweerder verklaart dat hij in dit verband duidelijk wil
maken dat hij niet beschikt over een databank waarin deze status is opgenomen en
dat hij geenszins voornemens is zijn personeelsleden in zijn administratieve
processen op deze basis in te delen.
i. De verweerder merkt verder op dat indien de klagers
vakbondsvertegenwoordigers zouden zijn, niet kan worden uitgesloten dat artikel
9.2. e) van de AVG van toepassing zou zijn. Krachtens dit artikel wordt het verbod
op de verwerking van gevoelige gegevens (waaronder gegevens waaruit het
lidmaatschap van een vakbond blijkt) opgeheven wanneer "de verwerking
betrekking heeft op persoonsgegevens die kennelijk door de
betrokkene openbaar zijn gemaakt". Een bevestiging van de toepasselijkheid van
dit artikel zou kunnen leiden tot het opheffen van de "anonimiteit" van de klagers.
j. Om deze fout in de toekomst te voorkomen, verklaart verweerder dat hij de
volgende door de DPO voorgestelde aanvullende maatregelen zal nemen:
i. Invoering van een verplichting om binnen 3 maanden na indiensttreding de
in 2021 aangeboden opleiding te volgen, met bijzondere aandacht voor het
administratief personeel van de school ;
ii. Het organiseren van vraag- en antwoordsessies met de DPO op
onderwijsdagen, bijvoorbeeld als reactie op een verzoek van het personeel ;
iii. Op de agenda zetten van een vergadering met de bevoegde lokale
overlegorganen (ondernemingsraad en Comité voor preventie en
bescherming op het werk - CPBW) om samen de procedures en
terminologie vast te stellen voor de mededeling van de verschillende
soorten afwezigheden op school.
k. Ten slotte betreurt de verweerder dat hij na de verspreiding van de lijst niet
rechtstreeks door de klagers is aangesproken, hetgeen een dialoog mogelijk zou
hebben gemaakt. Hij ontkent ook dat het stakingsrecht binnen de onderneming
Beslissing ten gronde 492023 – 10/20
wordt ontzegd en benadrukt dat de Geschillenkamer niet bevoegd is om dit soort
klachten te behandelen.
21. Met de indiening van deze repliek wordt de uitwisseling van argumenten tussen partijen
afgesloten. Aangezien geen van hen om een hoorzitting heeft verzocht en de Geschillenkamer
niet op eigen initiatief een hoorzitting heeft belegd, beslist de Geschillenkamer als volgt.
II. Motivering
II.1. Inzake de bevoegdheid van de Geschillenkamer
22. In toepassing van artikel 4, §1, van de WOG, is de Gegevensbeschermingsautoriteit
verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de beginselen van de bescherming van
persoonsgegevens, als vervat in de AVG en andere wetten die bepalingen bevatten inzake de
bescherming van de verwerking van persoonsgegevens. In toepassing van artikel 33, §1, van de
WOG, is de Geschillenkamer het administratief geschillenorgaan van de GBA. Zij ontvangt de
klachten die de Eerstelijnsdienst (ELD) haar overeenkomstig artikel 62, §1, van de WOG
toezendt, d.w.z. de ontvankelijke klachten.
23. Zoals de Geschillenkamer reeds eerder heeft uiteengezet vinden gegevensverwerkingen
plaats in vele sectoren, met name in een professionele context, zoals hier het geval is.
Desalniettemin is de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit in het algemeen en
van de Geschillenkamer in het bijzonder, beperkt tot de controle op de naleving van de
regelgeving die van toepassing is op de gegevensverwerking, ongeacht de sector waarin deze
gegevensverwerking plaatsvindt. Het is niet haar taak om de rechtbanken te vervangen bij de
uitoefening van hun bevoegdheden, met name op het gebied van het arbeidsrecht of
bijvoorbeeld het stakingsrecht.
II.2. Wat betreft de aangehaalde schendingen van de AVG
II.2.1. Met betrekking tot de beginselen van rechtmatigheid en minimalisering (artikel
5.1.a) en c) van de AVG en de artikelen 6 en 9 van de AVG)
24. Elke verwerking van persoonsgegevens moet, in toepassing van het legaliteitsbeginsel als
bedoeld in artikel 5.1 AVG, steunen op een van de rechtmatigheidsgronden van artikel 6.1 van
de AVG. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke gegevens verwerkt die onder de
"bijzondere categorieën van gegevens" vallen, moet hij bovendien voldoen aan de voorwaarden
van artikel 9 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 6 van de AVG.
25. Artikel 6 van de AVG bepaalt dus dat persoonsgegevens mogen worden verwerkt indien de
verwerking ervan geldig kan worden gebaseerd op een van de 6 gronden die het opsomt : de
Beslissing ten gronde 492023 – 11/20
toestemming van de betrokkene (artikel 6.1.a)), de uitvoering van de overeenkomst of van de
op verzoek van de betrokkene genomen precontractuele maatregelen (artikel 6.1. b)), de
nakoming van een wettelijke verplichting (artikel 6.1.c)), het vitale belang van de betrokkene
(artikel 6.1.d)), de uitvoering van het openbaar gezag of de vervulling van een taak van algemeen
belang die aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen (artikel 6.1.e)), of een
gerechtvaardigd belang (artikel 6.1.f)). In alle gevallen moet de gegevensverwerking
noodzakelijk zijn.
26. Artikel 9 van de AVG (bijzondere categorieën van gegevens) voorziet in een verbod op de
verwerking van zogenaamde "gevoelige gegevens" in de volgende bewoordingen "Verwerking
van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of
levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en
verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke
identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot
iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden".
27. Overweging 51 die artikel 9 van de AVG uitlegt, preciseert met name het volgende "naast de
specifieke voorschriften voor die verwerking de algemene beginselen en andere regels van
deze verordening [dienen] te worden toegepast, met name wat betreft de voorwaarden voor
rechtmatige verwerking”. Met andere woorden, de toepassing van artikel 9.2 van de AVG, dat
de verwerking van dergelijke gegevens in bepaalde gevallen toestaat, moet worden gelezen in
samenhang met artikel 6.1 van de AVG, dat vereist dat elke verwerking gebaseerd is op een van
de zes daarin genoemde rechtmatigheidsgronden.
28. Bijgevolg is het van essentieel belang om - nog voor kan worden geoordeeld dat een
rechtmatigheidsgrondslag al dan niet ontbreekt zoals door de klagers aan de kaak wordt
gesteld - de verwerkte gegevens te kwalificeren om te bepalen of enkel de naleving van artikel
6 van de AVG moet worden gecontroleerd, dan wel of, in aanwezigheid van gegevens die onder
artikel 9.1 van de AVG vallen (d.w.z. gegevens die als " gevoelig" worden gekwalificeerd), de
naleving van artikel 9.2 gelezen in combinatie met artikel 6 van de AVG, moet worden
nagegaan.
29. In het onderhavige geval wordt niet betwist dat de vermelding "staker" die aan de identiteit van
de klagers en andere personeelsleden zijn gehecht, persoonsgegevens zijn die op hen
betrekking hebben in de zin van artikel 4.1. van de AVG. Het gaat immers om informatie over
rechtstreeks geïdentificeerde natuurlijke personen, aangezien de vermelding naast hun voor-
en achternaam staat.
30. Evenmin wordt betwist dat de mededeling van verweerder via haar e-mail van 29 maart 2022
aan de ouders van leerlingen een verwerking is in de zin van artikel 4.2 van de AVG. De
betrokken mededeling werd immers uitgevoerd door middel van geautomatiseerde processen.
Beslissing ten gronde 492023 – 12/20
31. De partijen verschillen echter van mening over de vraag of de kwalificatie "staker" al dan niet
binnen de werkingssfeer van artikel 9.1 van de AVG valt, en met name over de vraag of - zoals
bedoeld in die bepaling - daaruit het vakbondslidmaatschap van klagers blijkt. In de
samenvattingen van de conclusies van de partijen in de punten 19 en 20 worden hun
respectieve argumenten ter zake uiteengezet.
32. De Geschillenkamer merkt op dat, om onder artikel 9 van de AVG te vallen, uit de informatie
over de status van de staker het vakbondslidmaatschap moet blijken. De Geschillenkamer is
van oordeel dat uit het feit een staker te zijn dit lidmaatschap niet blijkt. Vakbondslidmaatschap
is in feite aansluiting bij een vakbond, wat de Engelse versie van de AVG nog beter vertaalt dan
de Franse term " appartenance ". In de Engelse versie is de term " trade-union membership "
gehandhaafd, die het idee overbrengt dat de betrokkene een " member" van een vakbond is.
De Nederlandse versie vermeldt ook duidelijk het aangesloten zijn bij een vakbond door de
term " lidmaatschap " te gebruiken, of die "lid" is, of die "membre" is. Het stakingsrecht staat
echter open voor alle werknemers, of zij nu lid zijn van een vakbond of niet. Een staking hoeft
niet noodzakelijkerwijs door een vakbond te worden geïnitieerd. Met andere woorden, een
deelnemer aan een staking is niet noodzakelijkerwijs lid van een vakbond. Het kan wel, maar als
dat zo is, blijkt dat niet uit zijn deelname aan de staking. Met andere woorden, uit het feit een
staker te zijn blijkt niet dat hij een vakbondslid is. De Geschillenkamer is verder van oordeel dat
de gevolgtrekking dat een persoon vanwege zijn of haar deelname aan een staking
noodzakelijkerwijs tot een vakbond zou behoren, een gevolgtrekking zou vormen die in strijd is
met het in artikel 5.1.c) van de AVG neergelegde beginsel van de juistheid van gegevens.
33. De Geschillenkamer concludeert dat de vermelding van de status van de klagers als stakers
geen verwerking van gegevens is waaruit het vakbondslidmaatschap blijkt in de zin van artikel
9.1 van de AVG. De Geschillenkamer is echter van mening dat de kwalificatie "staker " kan
worden beschouwd als een " zeer persoonlijke gegeven" in de zin die het Europees Comité voor
gegevensbescherming (EDPS) aan dit begrip heeft gegeven in zijn richtsnoeren voor
gegevensbeschermingseffectbeoordelingen (DPIA).4 De EDPS onderstreept dat, naast de
bepalingen van de AVG, bepaalde categorieën gegevens kunnen worden beschouwd als een
verhoogd risico voor de rechten en vrijheden van personen. Zij zijn "gevoelig" in de gangbare
betekenis van het woord en vereisen bijzondere aandacht wanneer zij worden verwerkt. De
filosofie van de AVG wordt gekenmerkt door een benadering van risico's en het nemen van
maatregelen om deze aan te pakken en tot een minimum te beperken.
34. De Geschillenkamer voegt daaraan toe dat zij het standpunt van verweerder niet deelt dat
artikel 9.1 van het AVG in beginsel restrictief moet worden uitgelegd. In een arrest van 1
4
Groep Gegevensbescherming Artikel 29, Richtsnoeren voor gegevensbeschermingseffectbeoordelingen en bepaling of
een verwerking "waarschijnlijk een hoog risico inhoudt" in de zin van Verordening 2016/679, WP 248 rev.01, 4 oktober
2017,https://www.cnil.fr/sites/default/files/atoms/files/wp248_rev.01_fr.pdf . Deze richtsnoeren zijn door het Europees
Comité voor gegevensbescherming overgenomen tijdens zijn openingsvergadering op 25 mei
2018 :https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/news/endorsement_of_wp29_documents_en_0.pdf
Beslissing ten gronde 492023 – 13/20
augustus 2002 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU) immers duidelijk het
volgende gesteld "dat de de begrippen „bijzondere categorieën van persoonsgegevens” en
„gevoelige gegevens” ruim dienen te worden uitgelegd, vindt voorts steun in de – in punt 61 van
het onderhavige arrest in herinnering gebrachte – doelstelling van richtlijn 95/46, die erin
bestaat een hoog niveau van bescherming van de fundamentele vrijheden en de grondrechten
van natuurlijke personen, met name van hun privéleven, te waarborgen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens die hen betreffen (zie in die zin arrest van 6 november
2003, Lindqvist, C‑101/01, EU:C:2003:596, punt 50)"5.
Het Hof stelt verder "De tegenovergestelde uitlegging zou bovendien indruisen tegen de met
artikel 8, lid 1, van richtlijn 95/46 en artikel 9, lid 1, AVG nagestreefde doelstelling, die erin
bestaat een verhoogde bescherming te bieden tegen verwerkingen die – zoals blijkt uit
overweging 33 van richtlijn 95/46 en overweging 51 AVG – wegens de bijzondere gevoeligheid
van de gegevens die er het voorwerp van zijn, een bijzonder ernstige inmenging kunnen
opleveren in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten op
eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens [zie in die zin arrest
van 24 september 2019, GC e.a. (Verwijdering van links naar gevoelige gegevens), C‑136/17,
EU:C:2019:773, punt 44]"6.
35. In het onderhavige geval is de Geschillenkamer van oordeel dat deze uitlegging, zelfs indien
ruim (en niet restrictief zoals verweerder stelt), niet toelaat te overwegen dat de status van
staker, zelfs indirect, het lidmaatschap van een vakbond onthult en derhalve moet worden
beschouwd als gevoelige gegevens in de zin van artikel 9.1 van de AVG. Zoals de
Geschillenkamer heeft opgemerkt, zou deze kwalificatie gebaseerd zijn op de onjuiste
premisse dat elke staker lid is van een vakbond en zou zij ook in strijd zijn met het reeds
genoemde beginsel van juistheid van de gegevens.
36. Aangezien verweerder geen gevoelige gegevens verwerkte, is artikel 9 van de AVG niet van
toepassing. De beoordeling door de Geschillenkamer van de rechtmatigheid van de verwerking
van het gegeven "staker" zal derhalve uitsluitend gebaseerd zijn op artikel 6.1. van de AVG en
de algemene beginselen van artikel 5 van de AVG en niet op artikel 9.2 juncto artikel 6 van de
AVG.
37. Wat de rechtmatigheid betreft, stelt verweerder dat de betrokken mededeling deel uitmaakte
van de uitvoering van zijn taak van algemeen belang om onderwijs te geven en dat hij zich
derhalve mocht beroepen op artikel 6.1.e van de AVG, dat de verwerking van gegevens toestaat
wanneer "de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang
5
HvJEU, arrest van 1 augsuts 2022 Ot vsVyriausioji tarnybinės etikos komisija, C-184/20, ECLI :EU :C :2022 :601, punt
125). De Geschillenkamer onderstreept.
6
Punt 126 van voornoemd besluit. De Geschillenkamer onderstreept.
Beslissing ten gronde 492023 – 14/20
of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verantwoordelijke voor de
verwerking is opgedragen". Hij verwijst naar het reeds genoemde decreet "Missions" zonder
nadere toelichting, alsmede naar het pedagogisch reglement van de scholen (punt 20).
38. De toepassing van artikel 6.1.e) van de AVG veronderstelt de vervulling van de volgende
voorwaarden die de Geschillenkamer zal pogen te verifiëren :
- Volgens artikel 6.3.b) van de AVG, gelezen in het licht van de overwegingen 41 en 45, moet
de verwerkingsverantwoordelijke zijn belast met de uitvoering van een taak van algemeen
belang of een taak die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag op grond
van een rechtsgrondslag uit hoofde van het recht van de Europese Unie of het recht van de
lidstaat;
- De doeleinden van de verwerking moeten noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de
opdracht van algemeen belang of de uitoefening van het openbaar gezag.
39. Overweging 41 verduidelijkt de kwaliteit van deze rechtsgrondslag: "Wanneer in deze
verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit
niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig
is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in
kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn,
en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is,
zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie („Hof van
Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens".
40. Met andere woorden, overeenkomstig overweging 41 moet deze rechtsgrondslag of
wetgevingsmaatregel duidelijk en nauwkeurig zijn en moet de toepassing ervan voor de
rechtzoekenden voorspelbaar zijn, overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie
van de Europese Unie en het EVRM.
41. Dit criterium van voorspelbaarheid impliceert dat bepaalde elementen van de verwerking in de
rechtsgrondslag moeten worden opgenomen, met name het doel van de verwerking.
42. Wat het noodzakelijkheidsvereiste betreft (de verwerking is slechts rechtmatig indien en voor
zover zij noodzakelijk is voor de vervulling van de taak van algemeen belang, om slechts één
van de gevallen bedoeld in artikel 6.1 van de AVG te noemen), heeft de Geschillenkamer er
reeds op gewezen dat de wetgeving vaak geen specifieke bepaling over de noodzakelijke
gegevensverwerking bevat. Verwerkingsverantwoordelijken die op basis van dergelijke
wettelijke grondslag beroep willen doen op artikel 6.1 e) van de AVG moeten dan zelf een
afweging maken tussen de noodzakelijkheid van de verwerking voor de taak van algemeen
belang en de belangen van de betrokkenen.
Beslissing ten gronde 492023 – 15/20
43. Zoals vermeld in punt 39, zal de Geschillenkamer onderzoeken of in deze zaak is voldaan aan
de voorwaarden voor een beroep op artikel 6.1.e), van de AVG.
Wat de taak van algemeen belang betreft en de kwaliteit van de rechtsgrond die deze taak
verankert
44. De verweerder beroept zich in dit verband op zijn onderwijsopdracht zoals die onder meer
wordt geregeld door het " Missions "-decreet van de Franse Gemeenschap van België 7. De
Geschillenkamer is van oordeel dat een school als die van de verweerder wel degelijk belast is
met een taak van algemeen belang in de zin van artikel 6.1.e) van de AVG.
45. Het voornoemde " Missions "-decreet bevat verschillende bepalingen op grond waarvan
ouders van leerlingen in het secundair onderwijs worden geïnformeerd en/of betrokken bij de
besluitvorming over hun kind. Zo wordt bijvoorbeeld de klassenraad aangewezen als
verantwoordelijke voor de pedagogische begeleiding van de leerlingen. "Met dit doel doet hij
een beroep op het psychomedisch centrum en de ouders. Dan begeleidt hij elke leerling bij het
uitstippelen van een plan voor zijn leven op school en zijn beroepsleven volgens de modaliteiten
beschreven in artikel 67" (artikel 22).
46. Artikel 67.1 van het decreet " Missions " voorziet in de verplichte goedkeuring door de school
van een schoolproject dat moet worden opgesteld rekening houdend met " (...) : 2° de aspiraties
van de leerlingen en hun ouders; in termen van beroepslevensprojecten en het volgen van
studies "8.
47. Artikel 67.2 van het decreet bepaalt dat "het proefplan, waarvan het model en de modaliteiten
door de regering worden vastgesteld, met name de volgende punten omvat: (...) g) de strategie
voor partnerschap en samenwerking met de ouders van de leerlingen van de school, in overleg
met de participatieraad ".
48. Ten slotte wordt in vele bepalingen van het " Missions"-decreet het contact met de ouders
vermeld in de bepalingen betreffende onder meer een verandering van school, de beoordeling
van specifieke behoeften, gevallen van absenteïsme en besluiten tot uitsluiting.
49. Het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs en directrices
in9 het onderwijs bepaalt van zijn kant dat het profiel van een directeur noodzakelijkerwijs de
verantwoordelijkheid omvat voor de interne en externe communicatie, met name ten aanzien
van de ouders.
7
Decreet dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren
organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren (takendecreet), 24 julli 1997, B.S. 23 september 1997.
8
De Geschillenkamer onderstreept.
9
Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs [en directrices in het onderwijs], B.S. 15 mei 2007.
Beslissing ten gronde 492023 – 16/20
50. Concluderend blijkt uit de bovengenoemde teksten dat de openbare onderwijsopdracht van
een school als verweerder de communicatie met de ouders over de ervaringen van hun kind op
de school omvat.
51. Overeenkomstig punt 47 voorziet het schoolproject van verweerder in regelmatig contact met
de ouders. .
52. De Geschillenkamer is van mening dat de organisatie van een ouderbijeenkomst in een
middelbare school vereist dat de ouders worden geïnformeerd over de plaats waar zij de
leerkracht(en) van hun kinderen kunnen ontmoeten, aangezien deze leerkrachten verschillen
naargelang de onderwezen vakken.
53. Concluderend op dit punt is de Geschillenkamer van oordeel dat de organisatie van de
ouderbijeenkomst van 29 maart en de mededeling van de aan- of afwezigheid van een of
andere leerkracht die de ouders willen ontmoeten, deel uitmaakt van de uitvoering van de
openbare onderwijsopdracht van verweerder. Deze communicatie heeft een legitiem en
noodzakelijk doel voor de uitvoering van deze opdracht, die gebaseerd is op verschillende
wetteksten betreffende de uitoefening door een school van haar pedagogische opdracht, met
inbegrip van de communicatie met de ouders van leerlingen over het onderwijs van hun kind.
Wat de noodzaak betreft om het gegeven "staker" te verwerken
54. Wat daarentegen de mededeling van de status van klagers als stakers betreft, heeft de
Geschillenkamer geoordeeld dat deze niet noodzakelijk was om het doel van de verwerking te
bereiken, namelijk de ouders te informeren over de aanwezige leerkrachten die zij op de
ouderbijeenkomst van 29 maart 2022 konden ontmoeten. In dit verband zou alleen de
vermelding van de afwezigheid van bepaalde docenten, om welke reden dan ook, voldoende
zijn geweest. Het onderscheid dat verweerder heeft willen maken tussen stakende
leerkrachten die vanaf de volgende dag "bereikbaar" zouden zijn geweest en anderen die
wegens hun afwezigheid, bijvoorbeeld wegens ziekte, niet bereikbaar zouden zijn geweest, was
voor de Geschillenkamer niet overtuigend. Een leerkracht die ziek of om een andere reden
afwezig is op de dag van de oudervergadering, kan zo nodig ook op korte termijn door de ouders
worden gecontacteerd. In dit verband is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerder
kon volstaan met een algemene mededeling dat ten aanzien van afwezige leerkrachten een
ander overeen te komen tijdstip kon worden vastgesteld.
Conclusie
55. Kortom, uit het voorgaande blijkt dat de verweerder aan de ouders van de leerlingen
persoonsgegevens van klagers heeft verstrekt die niet noodzakelijk waren voor het door hem
nagestreefde doel. Op grond hiervan concludeert de Geschillenkamer dat de verweerder
artikel 6.1.e) van de AVG en meer in het algemeen artikel 6 van de AVG - verweerder kan geen
Beslissing ten gronde 492023 – 17/20
andere grondslag voor rechtmatigheid inroepen - in combinatie met artikel 5.1.c) van de AVG
niet heeft nageleefd.
56. Wat betreft de verwijzing van de verweerder naar de mogelijke toepassing van artikel 9.2. (e)
van de AVG, wijst de Geschillenkamer erop dat zelfs indien de status van
vakbondsvertegenwoordiger van de klagers of van een van hen bewezen zou zijn, de
vermelding van hun of zijn status als "staker" dit "vakbondslidmaatschap" echter niet zou
onthullen. In dit geval kan het relevant zijn na te gaan waarom deze gegevens werden verwerkt.
Het gegeven "staker" werd niet verwerkt vanwege de gevoelige informatie die het zou
bevatten, namelijk het onthullen van het vakbondslidmaatschap van de klagers. Artikel 9 zou
derhalve niet van toepassing zijn. Zelfs als dat het geval is, wordt het feit dat de betrokkene een
vakbondsvertegenwoordiger is zeker openbaar gemaakt, maar dat betekent niet dat deze
gegevens kunnen worden verwerkt. Artikel 9.2 kan immers niet op zichzelf worden toegepast,
maar moet worden toegepast in combinatie met artikel 6 van de AVG. In dit geval blijft de
voorwaarde dat de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van de overheidstaak bestaan.
Artikel 9.2 heft slechts het verbod op de verwerking van gevoelige gegevens op. Uit het
bovenstaande is echter gebleken dat aan deze noodzakelijkheidsvoorwaarde niet is voldaan.
II.2.2. Wat het legaliteitsbeginsel betreft (artikelen 5.1.a) van de AVG).
57. De Geschillenkamer acht het niet voldoende bewezen dat verweerder zich schuldig heeft
gemaakt aan een gebrek aan loyaliteit.
58. Artikel 5.1. a) van de AVG legt niet alleen het hierboven besproken rechtmatigheidsbeginsel
vast, maar ook het loyaliteitsbeginsel dat de verwerkingsverantwoordelijke in acht moet
nemen. Dit loyaliteitsbeginsel is ook verankerd in artikel 8.2. van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie (EU) volgens welke gegevens "eerlijk moeten worden
verwerkt, voor welbepaalde doeleinden en op basis van de toestemming van de betrokkene of
een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet". Deze loyaliteitsplicht sluit uit
dat gegevens op onrechtmatige of oneerlijke wijze worden verkregen of verwerkt.
59. De Geschillenkamer merkt op dat uit de geschriften van partijen inderdaad blijkt dat de
verweerder aan de leerkrachten niet uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat de informatie
die zij zouden verstrekken en die zij voornemens waren te staken, aan de ouders van de
leerlingen zou worden meegedeeld (punt 10). De door verweerder ingeroepen menselijke fout
of onhandigheid kan de verantwoordelijkheid van de verantwoordelijke voor de verwerking niet
uitsluiten. Hetzelfde geldt voor de organisatorische inspanningen van verweerder. Hoewel de
Geschillenkamer dergelijke inspanningen toejuicht, herinnert zij eraan dat zij slechts het
logische gevolg zijn van de wettelijke verplichtingen van de verweerder en verzoekt zij de
verweerder bijzonder zorgvuldig om te gaan met deze informatie, mochten dergelijke situaties
Beslissing ten gronde 492023 – 18/20
zich opnieuw voordoen. Zoals de klagers erop wijzen, hebben zij deze informatie op uitnodiging
van de verweerder in vertrouwen meegedeeld om een zo goed mogelijke organisatie van de
ouderbijeenkomst mogelijk te maken, waarvoor, zoals hierboven is aangetoond, niet vereist
was dat hun status als stakers bekend was bij alle ouders van leerlingen van de school.
II.3. Wat betreft de corrigerende maatregelen en sancties
60. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° een opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te
oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving
ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of
een internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die
het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van
de Gegevensbeschermingsautoriteit.
61. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder vanaf het begin heeft toegegeven dat hij een
fout heeft gemaakt door in zijn e-mailbericht van 29 maart 2022 de status van de klagers als
stakers te vermelden.
62. De Geschillenkamer merkt met name op dat de verweerder heeft aangegeven dat hij vóór het
in de klachten aan de kaak gestelde incident een reeks maatregelen had getroffen om de uit
het AVG voortvloeiende verplichtingen na te komen. Hij neemt ook nota van de toezeggingen
die hij na het incident in zijn conclusies heeft gedaan om herhaling van dergelijke fouten te
voorkomen.
Beslissing ten gronde 492023 – 19/20
63. Uit het oordeel van de Geschillenkamer volgt voorts dat de vermelding "staker" door de
verweerder niet verder mag worden verwerkt voor andere doeleinden.
64. Gelet op het voorgaande is de Geschillenkamer van oordeel dat een berisping in dit geval de
passende sanctie is.
Beslissing ten gronde 492023 – 20/20
III. Publicatie van de beslissing
65. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de GBA. Wat de
identiteit van de klagers betreft, was de Geschillenkamer van oordeel dat zij hun klacht kon
behandelen zonder hun identiteit aan de verweerder bekend te maken en zij zal hun identiteit
na publicatie dan ook niet bekendmaken. Wat de identiteit van de verweerder betreft, is de
Geschillenkamer van oordeel dat zijn identificatie niet noodzakelijk is voor publicatie.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging:
- op grond van, artikel 100.5 van de WOG een berisping te formuleren ten aanzien van de
verweerder voor wat betreft de inbreuk op artikel 5.1. en 6 van de AVG.
Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, § 1, van de WOG, beroep worden aangetekend
bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend door middel van een interlocutoir verzoekschrift dat
de in artikel 1034 ter van het Gerechtelijk Wetboek genoemde inlichtingen moet bevatten 10. Het
interlocutoir verzoekschrift moet bij de griffie van het Marktenhof worden ingediend
overeenkomstig artikel 1034 quinquies van het Ger.W., 11of via het informatiesysteem e-Deposit
van het Ministerie van Justitie (artikel 32 ter van het Ger.W.).
(get.) Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
10
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister-
of ondernemingsnummer;
3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
11
Het verzoekschrift, met de bijlage, wordt in evenveel exemplaren als er partijen zijn, per aangetekende brief aan de griffier
van de rechtbank toegezonden of bij de griffie neergelegd.