1/8
Geschillenkamer
Beslissing 29/2024 van 9 februari 2024
Dossiernummer : DOS-2020-01312
Betreft : Uitoefening van het recht op gegevenswissing met betrekking tot publicatie
van naam, adres en foto op website
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Frank De Smet, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: De heer X, [adres], hierna “de klager”
De verweerder: De heer Y, [adres], [rijksregisternummer], vertegenwoordigd door Mr. Christian
Lemache, hierna “de verweerder”
Beslissing ten gronde 29/2023 — 2/8
I. Feiten en procedure
1. Op 10 maart 2020 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen verweerder.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de online publicatie van de naam, het adres en een foto
van de klager op de website van de verweerder. De verweerder heeft de betreffende
persoonsgegevens van de klager verkregen in het kader van een bezoek ter plaatse bij de
klager thuis naar aanleiding van een energetische renovatie gesubsidieerd door de
provincie. De verweerder, in zijn hoedanigheid van politicus, ging over tot de publicatie van
de gegevens van de klager op zijn persoonlijke website. De klager wendde zich meermaals
tot de verweerder met het verzoek om de hem betreffende persoonsgegevens te wissen.
Hoewel de verweerder aangeeft te zullen ingaan op het verzoek van de klager, blijft de
situatie ongewijzigd en zijn de betreffende gegevens van de klager nog steeds online te
raadplegen op de website van de verweerder.
3. Op 12 maart 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 15 februari 2021 stelt de Geschillenkamer de partijen in kennis van Beslissing 16/2021
van 9 februari 2021 waarin de Geschillenkamer op grond van artikel 58.2, c) AVG en artikel
95, §1, 5° WOG de verweerder het bevel oplegt om te voldoen aan het verzoek van de
betrokkene om zijn rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht op gegevenswissing
(artikel 17.1 AVG), en over te gaan tot wissing van de persoonsgegevens van de klager, en
dit binnen de termijn van 14 dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van voormelde
Beslissing 16/2021.
5. Bij gebrek aan het door de verweerder te geven gevolg aan Beslissing 16/2021 beslist de
Geschillenkamer op 10 maart 2021 op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat
het dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken partijen per
aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2,
alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in
kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd
daarbij vastgelegd op 21 april 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 12
mei 2021 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 2 juni 2021.
6. Op 5 mei 2021 geeft de klager aan geen conclusies te hebben ontvangen vanwege de
verweerder en bij gebrek daaraan dan ook niet over de mogelijkheid beschikt om erop te
repliceren, maar dat zijn gegevens wel nog steeds online staan op de website van de
verweerder.
Beslissing ten gronde 29/2023 — 3/8
7. Op 6 mei 2021 richt de Geschillenkamer het verzoek aan de verweerder om te kennen te
geven of hij al dan niet wenst te concluderen waarvoor hem desgevallend een bijkomende
termijn van een week wordt verleend. Op dezelfde datum reageert de verweerder enkel met
de melding dat hij via een ander mailadres wenst te communiceren zonder enige aanduiding
of hij alsnog zal concluderen.
8. Bij gebrek aan enige reactie vanwege de verweerder stelt de Geschillenkamer op 12 mei
2021 een nieuwe conclusiekalender vast, dewelke aan de verweerder wordt bezorgd op het
door hem verzochte mailadres. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van
antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 23 juni 2021, deze voor de
conclusie van repliek van de klager op 14 juli 2021 en deze voor de conclusie van repliek van
de verweerder op 4 augustus 2021.
9. Nadat opnieuw reactie van de verweerder uitblijft waardoor het onduidelijk blijft of hij al dan
niet verweermiddelen wil indienen, gaat de Geschillenkamer op 22 november 2023
ambtshalve over tot het vastleggen van een hoorzitting waarvoor de datum wordt
vastgelegd op 12 december 2023. Deze uitnodiging voor de hoorzitting wordt zowel per e-
mail als per aangetekende zending verzonden.
10. Op 27 november 2023 meldt de klager aan de Geschillenkamer niet te zullen deelnemen aan
de hoorzitting, waarbij hij aangeeft van oordeel te zijn dat zijn aanwezigheid op de hoorzitting
geen vereiste is aangezien de feiten duidelijk zijn.
11. Op 6 december 2023 ontvangt de Geschillenkamer de melding dat de verweerder een
raadsman heeft aangesteld. De raadsman die stelt recent te zijn geraadpleegd door de
verweerder, vraagt de Geschillenkamer om uitstel van de hoorzitting vermits het materieel
onmogelijk is om zich binnen het korte tijdsbestek voor te bereiden op de hoorzitting. In het
kader daarvan verzoekt hij ook om een kopie van het dossier. De raadsman laat daarbij ook
weten de verweerder te hebben geadviseerd om de gegevens van de klager te verwijderen
van de website. De raadsman stelt uitdrukkelijk de vraag aan de klager om standpunt in te
nemen of hij in deze omstandigheden zijn dossier handhaaft.
12. Het verzoek om uitstel van de hoorzitting wordt op 8 december 2023 ingewilligd door de
Geschillenkamer die de partijen daarvan in kennis stelt.
13. Op 14 december 2023 stelt de Geschillenkamer de partijen in kennis van de nieuwe datum
van hoorzitting die wordt vastgelegd op 23 januari 2024 en wordt aan de verweerder een
kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG) overgemaakt.
14. Op 12 januari 2024 meldt de klager aan de Geschillenkamer dat zijn gegevens werden
verwijderd op de website van de verweerder en de zaak voor wat hem betreft niet verder
dient te worden behandeld. Hij meldt tevreden te zijn met de uitkomst van het dossier.
Beslissing ten gronde 29/2023 — 4/8
15. Eveneens op 12 januari 2024 reageert de raadsman van de verweerder dat ingevolge de
berichtgeving van de klager het voorwerp van het geschil niet meer aan de orde is, zodat een
inhoudelijke behandeling met verschijning ter zitting niet meer zinvol is.
16. Op 22 januari 2024 verduidelijkt de Geschillenkamer aan de partijen dat de hoorzitting zoals
vastgelegd op 23 januari 2024 wordt gehandhaafd. De Geschillenkamer licht daarbij toe dat,
eenmaal zij is gevat, zij bevoegd is om in volledige onafhankelijkheid de naleving van de AVG
te onderzoeken en te waken over de effectieve toepassing ervan, en dit ongeacht de
intrekking van de klacht door de klager of het zonder voorwerp worden ervan.
17. Het toezicht door de Geschillenkamer is niet primair gericht op de afwikkeling van conflicten,
maar is één van de instrumenten van de GBA om toe te zien op de naleving van de regels
inzake gegevensbescherming, in overeenstemming met het bepaalde in de EU Verdragen,
de AVG en de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Als een klacht is ingediend en vervolgens als
ontvankelijke klacht ter behandeling aan de Geschillenkamer is overgedragen, moet de
Geschillenkamer beoordelen of de gerelateerde feiten een inbreuk vormen op één van de
wettelijke bepalingen waarvan de GBA de naleving moet controleren. Die controle strekt
zich ook uit tot het beoordelen van overtredingen die zijn beëindigd op het moment van de
beoordeling door de Geschillenkamer.
18. Op 23 januari 2024 vindt de hoorzitting plaats. De partijen die behoorlijk werden
opgeroepen, verschijnen niet. Hoewel de hoorzitting door de Geschillenkamer werd
vastgelegd teneinde de verweerder alsnog de gelegenheid te bieden zijn rechten van
verdediging te laten gelden, kan de Geschillenkamer enkel vaststellen dat de afwezigheid
van de verweerder ertoe leidt dat hij ervoor heeft geopteerd hiervan geen gebruik te
maken.
19. Op 25 januari 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting ter informatie aan de
partijen overgemaakt.
20. Eveneens op 25 januari 2024 heeft de Geschillenkamer aan de verweerder het voornemen
kenbaar gemaakt om over te gaan tot het opleggen van een administratieve geldboete,
alsmede het bedrag daarvan teneinde de verweerder de gelegenheid te geven zich te
verdedigen, voordat de sanctie effectief wordt opgelegd. De verweerder heeft de
mogelijkheid op dit voornemen te reageren tegen uiterlijk 7 februari 2024.
21. Op 8 februari 2024 stelt de Geschillenkamer vast dat geen reactie vanwege de verweerder
werd ontvangen op het voornemen tot het opleggen van een administratieve geldboete,
alsmede het bedrag daarvan.
Beslissing ten gronde 29/2023 — 5/8
II. Motivering
22. Uit het geheel van de feiten die zich hebben voorgedaan in dit dossier blijkt dat de
verweerder bij herhaling de kans heeft gekregen om te handelen in overeenstemming met
de AVG waardoor hij er naar aanleiding van een verzoek op grond van artikel 17.1 AVG toe is
gehouden om aan zijn verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit de artikelen 12.3 en 12.4
AVG. In eerste instantie ontving de verweerder meerdere verzoeken van de klager om over
te gaan tot gegevenswissing, maar ondanks de belofte van de verweerder aan de klager om
diens gegevens te verwijderen van de website, bleef de situatie ongewijzigd. Zelfs toen later
het bevel daartoe volgde van de Geschillenkamer middels de Beslissing 16/2021 van 9
februari 2021, bleef elk gevolg uit. Dus ook deze kans om aan de corrigerende maatregel van
de Geschillenkamer uitvoering te geven en alsnog tot gegevenswissing over tegaan, werd
gemist door de verweerder.
23. Nadat de corrigerende maatregel die werd opgelegd in Beslissing 16/2021 van 9 februari
2021 door de verweerder op manifeste wijze werd miskend en hij ondanks het bevel om over
te gaan tot gegevenswissing, niettemin – en dit niettegenstaande het feit dat hij zich wel
degelijk bewust was van het bevel zoals blijkt uit het dossier 1 en de ontvangst van de
bevelbeslissing door hem ook op geen enkel ogenblik werd ontkend – heeft volhard in het
behoud van de publicatie van de gegevens van de klager, beslist de Geschillenkamer thans
tot het opleggen van een administratieve geldboete die er niet toe strekt om een gemaakte
overtreding te beëindigen, maar wel met het oog op een krachtige handhaving van de regels
van de AVG.
24. Zoals duidelijk blijkt uit overweging 148 AVG, stelt de AVG immers voorop dat bij elke
ernstige inbreuk – dus ook bij een eerste vaststelling van een inbreuk – straffen, met
inbegrip van administratieve geldboeten, naast of in plaats van passende maatregelen
worden opgelegd 2. In het recente arrest Deutsche Wohnen 3 heeft het Hof van Justitie van
de Europese Unie bepaald dat een administratieve geldboete kan worden opgelegd indien
vaststaat dat de verwerkingsverantwoordelijke opzettelijk of uit nalatigheid een in artikel
83, leden 4 tot en met 6 van de AVG, bedoelde inbreuk heeft begaan.
1
Maar waarop de verweerder enkel antwoordde met: “Mijn mailadres is: [e-mailadres]”
2
Overweging 148 bepaalt: “Met het oog op een krachtiger handhaving van de regels van deze verordening dienen straffen,
met inbegrip van administratieve geldboeten, te worden opgelegd voor elke inbreuk op de verordening, naast of in plaats van
passende maatregelen die door de toezichthoudende autoriteiten ingevolge deze verordening worden opgelegd. Indien het
gaat om een kleine inbreuk of indien de te verwachten geldboete een onevenredige last zou berokkenen aan een natuurlijk
persoon, kan in plaats van een geldboete worden gekozen voor een berisping. Er dient evenwel rekening te worden gehouden
met de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, met het opzettelijke karakter van de inbreuk, met schadebeperkende
maatregelen, met de mate van verantwoordelijkheid, of met eerdere relevante inbreuken, met de wijze waarop de inbreuk ter
kennis van de toezichthoudende autoriteit is gekomen, met de naleving van de maatregelen die werden genomen tegen de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker, met de aansluiting bij een gedragscode en met alle andere verzwarende of
verzachtende factoren. Het opleggen van straffen, met inbegrip van administratieve geldboeten, moet onderworpen zijn aan
passende procedurele waarborgen overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest, waaronder
een doeltreffende voorziening in rechte en een eerlijke rechtsbedeling. [eigen onderlijning]
3
Arrest van 5 december 2023, C-807/21, ECLI:EU:C:2023:950.
Beslissing ten gronde 29/2023 — 6/8
25. Hierna toont de Geschillenkamer aan dat de inbreuken die de verweerder heeft begaan op
de artikelen 12.3 en 12.4 AVG juncto artikel 17.1 AVG, alsmede op artikel 31 AVG geenszins
kleine inbreuken betreffen, noch dat de geldboete onevenredige last zou berokkenen aan
een natuurlijk persoon zoals bedoeld in overweging 148 AVG, waarbij in elk van beide
gevallen kan worden afgezien van een geldboete. Het feit dat het een eerste vaststelling van
een door de verweerder gepleegde inbreuk op de AVG betreft, doet aldus op generlei wijze
afbreuk aan de mogelijkheid voor de Geschillenkamer om een administratieve geldboete op
te leggen. De Geschillenkamer legt de administratieve geldboete op in toepassing van
artikel 58.2.i) AVG. Het instrument van administratieve boete heeft geenszins tot doel
inbreuken te beëindigen. Daartoe voorzien de AVG en de WOG in een aantal corrigerende
maatregelen, waaronder de bevelen genoemd in artikel 100, § 1, 8° en 9° WOG.
26. Rekening houdend met artikel 83 AVG en de rechtspraak 4 van het Marktenhof, motiveert
de Geschillenkamer het opleggen van een administratieve sanctie in concreto:
27. Allereerst wordt de aard en de ernst van de inbreuk door de Geschillenkamer in aanmerking
genomen om het opleggen van deze sanctie en de hoogte ervan te rechtvaardigen.
28. Daaromtrent stelt de Geschillenkamer vast dat de geschonden bepalingen behoren tot de
kern van de AVG, het gaat met name om de rechten van de betrokkenen overeenkomstig
de artikelen 12 tot en met 22 AVG. Zowel het verzoek van de klager, als de beslissing 16/2021
van 9 februari 2021 van de Geschillenkamer waren erop gericht het recht op
gegevenswissing van de klager te laten naleven door de verweerder. Het verzoek van de
klager om over te gaan tot gegevenswissing werd meermaals gericht aan de verweerder en
telkens opnieuw is de verweerder, niettegenstaande de belofte aan de klager om de
gegevens te verwijderen, niet overgegaan tot de verwijdering ervan.
29. Ook de daaropvolgende Beslissing 16/2021 van 9 februari 2021 waarin de Geschillenkamer
aan de verweerder het bevel gaf om over te gaan tot gegevenswissing bleef zonder gevolg.
Niettegenstaande het bindend karakter van deze beslissing, heeft de verweerder ondanks
de herhaalde verzoeken van de klager en het bevel van de Geschillenkamer nagelaten
daaraan passend gevolg te geven. De verweerder is pas overgegaan tot gegevenswissing
nadat de Geschillenkamer ambtshalve een hoorzitting heeft vastgelegd overeenkomstig
artikel 52 van het Reglement van Interne Orde. Inbreuken op de voornoemde artikelen
geven aanleiding tot de hoogste geldboeten in artikel 83, lid 5 AVG. De rechten van de
betrokkene, waaronder het recht op gegevenswissing zoals bepaald in artikel 17.1 AVG en
de verplichtingen die daaruit voortvloeien voor de verwerkingsverantwoordelijke zoals
vastgelegd in de artikelen 12.3 en 12.4 AVG, vormen een essentieel onderdeel van de AVG,
zodanig dat de miskenning ervan door de verweerder als zwaarwegend dient te worden
beschouwd. Hetzelfde geldt eveneens voor de niet-naleving van de medewerkingsplicht
zoals opgenomen in artikel 31 AVG doordat de betreffende Beslissing 16/2021 waarin het
4
Hof van Beroep Brussel (sectie Marktenhof), X t. GBA, Arrest 2020/1471 van 19 februari 2020.
Beslissing ten gronde 29/2023 — 7/8
bevel werd opgelegd tot het uitvoeren van de door de klager gevraagde gegevenswissing,
dewelke dus werd genomen in toepassing van de fundamentele rechten van de betrokkene,
in casu artikel 17.1 AVG, eenvoudigweg door de verweerder werd genegeerd en
niettegenstaande deze beslissing van de Geschillenkamer de publicatie van de betreffende
gegevens van de klager op de website werd in stand gehouden.
30. Ook de duur van de inbreuk wordt in beschouwing genomen. De Geschillenkamer stelt vast
dat de klager op 18 november 2018 zijn eerste verzoek aan de verweerder richt tot het
verwijderen van zijn persoonsgegevens op de website van de verweerder. Dit verzoek blijft
echter zonder gevolg, zodanig dat de klager zijn verzoek herhaalt op 13 augustus 2019 en
nogmaals op 18 februari 2020.
31. Aangezien de verweerder ook aan deze verzoeken geen gevolg geeft, dient de klager klacht
in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit die in haar beslissing 16/2021 van 9 februari 2021
het bevel oplegt aan de verweerder om over te gaan tot verwijdering van de betreffende
persoonsgegevens. Ook ditmaal blijft elk gevolg uit. Op de daaropvolgende uitnodigingen
van de Geschillenkamer waarbij de partijen, en dus ook de verweerder, beschikken over de
mogelijkheid om verweermiddelen in te dienen, komt evenmin reactie van de verweerder.
Het is pas op het ogenblik dat de Geschillenkamer overgaat tot het ambtshalve vastleggen
van een hoorzitting dat de verweerder via zijn raadsman op 6 december 2023 aan de
Geschillenkamer te kennen geeft te zullen overgaan tot de definitieve verwijdering van de
persoonsgegevens van de klager op de website van de verweerder. Op 12 januari 2024
bevestigt de klager dat zijn gegevens werden verwijderd van de website van de verweerder.
Er is dus geruime tijd verstreken tussen enerzijds het eerste verzoek van de klager tot
gegevenswissing en ook het bevel daartoe van de Geschillenkamer, en anderzijds de
daadwerkelijke verwijdering van de persoonsgegevens van de klager, hoewel de verweerder
gedurende de volledige periode kennis had van dit verzoek van de klager en het bevel van
de Geschillenkamer.
32. Daarenboven wordt ook rekening gehouden met de wijze waarop de verweerder heeft
gereageerd, meer bepaald volledig heeft nagelaten om te handelen in overeenstemming
met de AVG, zowel op het herhaalde verzoek van de klager om over te gaan tot
gegevenswissing, als op de Beslissing 16/2021 van 9 februari 2021 genomen door de
Geschillenkamer, namelijk door het volledig negeren ervan en het in weerwil daarvan
behouden van de publicatie van de persoonsgegevens van de klager waardoor deze online
door eenieder raadpleegbaar zijn gebleven, duiden op de miskenning van het belang van de
wetgeving inzake persoonsgegevensbescherming, inzonderheid van de rechten van de
betrokkene, waarbij de Geschillenkamer een administratieve geldsanctie noodzakelijk acht.
33. Het geheel van de hierboven uiteengezette elementen rechtvaardigt een doeltreffende,
evenredige en afschrikkende sanctie als bedoeld in artikel 83 AVG, rekening houdend met
de daarin bepaalde beoordelingscriteria. De Geschillenkamer wijst erop dat de andere
criteria van artikel 83.2 AVG in dit geval niet van aard zijn dat zij leiden tot een andere
Beslissing ten gronde 29/2023 — 8/8
administratieve geldboete dan die welke de Geschillenkamer in het kader van deze
beslissing heeft vastgesteld.
III. Publicatie van de beslissing
34. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om
op grond van artikel 100, §1, 13° en artikel 101 WOG een administratieve geldboete van €
2.000 op te leggen ingevolge de inbreuk op de artikelen artikelen 12.3 en 12.4 AVG juncto
artikel 17.1 AVG, alsmede op artikel 31 AVG.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van
beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 5. Het
verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W. 6, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(get.) Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
5
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
6
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.