1/14
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 28/2020 van 29 mei 2020
Dossiernummer : DOS-2019-04191
Betreft : Klacht wegens het toesturen van publiciteit door Y VZW
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Frank De Smet en Yves Poullet, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna
WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Beslissing ten gronde 28/2020 - 2/14
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
- X, “de klager”; en
- Y, “de verweerder”.
1. Feiten en procedure
1. Op 8 augustus 2019 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de
verweerder.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de herhaaldelijke ontvangst per post, door de klager, van
promotiemateriaal van de verweerder en dit hoewel de klager de verweerder (meermaals) verzocht
hem dergelijk promotiemateriaal niet langer toe te sturen en zijn persoonsgegevens te wissen.
3. Op 27 augustus 2019 wordt de klacht ontvankelijk verklaard op grond van artikel 58 WOG, wordt
de klager hiervan in kennis gesteld overeenkomstig artikel 61 WOG en wordt de klacht op grond van
artikel 62, §1 WOG, overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 12 september 2019 beslist de Geschillenkamer op grond van de artikelen 95, §1, 1°, en 98 WOG
dat de klacht gereed is voor behandeling ten gronde.
5. Per aangetekende brief van 12 september 2019 worden partijen in kennis gesteld van het feit dat
de klacht gereed is voor behandeling ten gronde en worden zij tevens op grond van artikel 99 WOG
in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
6. Op 6 oktober 2019 ontvangt de Geschillenkamer van de klager per e-mail foto’s van nieuwe
publiciteit die hem door de verweerder per post werd toegestuurd.
7. Op 10 oktober 2019 ontvangt de Geschillenkamer de verweermiddelen van de verweerder.
8. Per e-mail van 7 december 2019 stelt de klager de Gegevensbeschermingsautoriteit in kennis van
het feit dat deze opnieuw promotiemateriaal ontving van de verweerder en voegt hiervan
bewijsstukken bij.
2
Beslissing ten gronde 28/2020 - 3/14
9. Per e-mail van 27 april 2020 stelt de Geschillenkamer de verweerder in kennis van het voornemen
tot het opleggen van een administratieve geldboete alsook het bedrag van de boete en de mogelijkheid
van de verweerder zijn verweermiddelen terzake over te maken.
10. De Geschillenkamer mocht evenwel geen reactie ontvangen van de verweerder betreffende dit
voornemen tot het opleggen van een administratieve geldboete.
2. Rechtsgrond
Artikel 6.1 AVG
“1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande
voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor
een of meer specifieke doeleinden;
b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene
partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te
nemen;
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de
verwerkingsverantwoordelijke rust;
d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere
natuurlijke persoon te beschermen;
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak
in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is
opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de
verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en
de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen,
zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.
De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de
uitoefening van hun taken.”
Artikel 17.1, c) AVG
“1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging
wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is
3
Beslissing ten gronde 28/2020 - 4/14
verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende
gevallen van toepassing is: (…)
c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn
geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt
bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2;”
Artikel 17.1, d) AVG
“1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging
wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is
verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende
gevallen van toepassing is: (…)
d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;”
Artikel 21.2 AVG
“2. Wanneer persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing worden verwerkt, heeft de
betrokkene te allen tijde het recht bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende
persoonsgegevens voor dergelijke marketing, met inbegrip van profilering die betrekking heeft op
direct marketing.”
Artikel 21.3 AVG
“3. Wanneer de betrokkene bezwaar maakt tegen verwerking ten behoeve van direct marketing,
worden de persoonsgegevens niet meer voor deze doeleinden verwerkt.”
Artikel 21.4 AVG
“4. Het in de leden 1 en 2 bedoelde recht wordt uiterlijk op het moment van het eerste contact met
de betrokkene uitdrukkelijk onder de aandacht van de betrokkene gebracht en duidelijk en gescheiden
van enige andere informatie weergegeven.”
4
Beslissing ten gronde 28/2020 - 5/14
3. Motivering
3.1. Wat betreft de inbreuk op artikelen 17.1 c), 21.2 en 21.3 AVG
11. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de klager, naar aanleiding van de herhaaldelijke ontvangst
van promotiemateriaal vanwege de verweerder, deze laatste per e-mail d.d. 5 juli 2019 heeft verzocht
hem niet langer dergelijk promotiemateriaal toe te sturen en zijn persoonsgegevens te wissen:
“Beste,
Na dit eerder al gevraagd te hebben, helaas zonder gevolg, wil ik u opnieuw met aandrang
vragen om mijn adres niet langer te misbruiken voor het versturen van fondsenwervende
gadgets voor jullie organisatie. Gelieve mijn adres onmiddellijk te schrappen, ik gaf immers in
het kader van GDPR nooit toestemming aan jullie om m’n adres te gebruiken. (…)”
12. De klager richt dit verzoek aan de verweerder naar aanleiding van de ontvangst van gadgets per
post - met name een tweemaandelijks tijdschrift en een pen met het logo van de verweerder.
13. De verweerder geeft echter geen gunstig gevolg aan dit verzoek en blijft de klager gelijkaardig
promotiemateriaal toesturen.
14. Ook na kennisgeving van de klacht door de Gegevensbeschermingsautoriteit aan de verweerder
(per brief van 12 september 2019), zet de verweerder de gegevensverwerking voor direct
marketingdoeleinden verder.
15. Per e-mail d.d. 6 oktober 2019 licht de klager de Gegevensbeschermingsautoriteit immers in
betreffende de ontvangst van nieuw promotiemateriaal vanwege de verweerder - met name een
tijdschrift en een toilettas - en voegt hiervan bewijsstukken bij.
16. Per e-mail d.d. 10 oktober 2019 maakt de verweerder zijn verweermiddelen over aan de
Geschillenkamer. In antwoord op de klacht stelt de verweerder dat de gegevens van de klager waren
opgenomen in zijn databank aangezien de klager in 2012 een gift deed ten voordele van de
verweerder. Deze laatste stelt dat zij “de vraag van [de klager] om de correspondentie van [de
verweerder] stop te zetten over het hoofd gezien hebben” en dat er inmiddels werd voor gezorgd dat
de klager geen post meer van hem zal ontvangen.
5
Beslissing ten gronde 28/2020 - 6/14
17. De verweerder stelt in zijn verweer verder het volgende:
“Wij houden de gegevens van donateurs na hun laatste gift nog 10 jaar bij, zoals vermeld in
onze privacy-clausule en gecommuniceerd aan al onze schenkers bij de invoering van de
nieuwe GDPR-wet.
Omdat [de verweerder] steeds op zoek is naar donateurs om zijn projecten […] te steunen,
schrijven wij af en toe onze voormalige donateurs aan in de hoop dat zij hun financiële hulp
uit het verleden wensen te herhalen.
Voor deze fondsenwervende activiteiten beroepen wij ons op het ‘gerechtvaardigd belang’ als
wettelijke grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens, niet op de expliciete
toestemming van de donateur. [De verweerder] kan immers enkel zijn doelstellingen
realiseren mits de nodige middelen. Daarom is het belangrijk voor ons om een zo groot
mogelijk doelpubliek aan te (mogen) spreken”.
18. Op 7 december 2019 stelt de klager de Gegevensbeschermingsautoriteit echter in kennis van het
feit dat deze opnieuw promotiemateriaal ontving van de verweerder en voegt hiervan bewijsstukken
bij. Het betreft een brief gedateerd 26 november 2019 waarbij de klager wordt gevraagd een
“kerstgift” te doen.
19. De Geschillenkamer oordeelt dat het toesturen van dergelijke publiciteit dient te worden
beschouwd als “direct marketing” in de zin van artikel 21 AVG. Zij hanteert daarbij de definitie zoals
opgenomen in Aanbeveling nr. 1/2020 van de Gegevensbeschermingsautoriteit betreffende de
verwerking van persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, luidende:
“Elke communicatie, in welke vorm dan ook, gevraagd of ongevraagd, afkomstig van een
organisatie of persoon en gericht op de promotie of verkoop van diensten, producten (al dan
niet tegen betaling), alsmede merken of ideeën, geadresseerd door een organisatie of persoon
die handelt in een commerciële of niet-commerciële context, die rechtstreeks gericht is aan
een of meer natuurlijke personen in een privé- of professionele context en die de verwerking
van persoonsgegevens met zich meebrengt”. 1
Deze definitie bouwt onder meer voort op het voorstel van verordening van het Europees Parlement
en de Raad betreffende eerbiediging van de privacy en de bescherming van persoonsgegevens bij
elektronische communicatie en tot intrekking van Richtlijn 2002/58/EG 2.
1
Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, p. 9.
2
COM(2017) 10. Art. 4 van het voorstel geeft als definitie: “directmarketingberichten”: elke vorm van reclame, zowel geschreven
als mondeling, gericht aan één of meer geïdentificeerde of identificeerbare eindgebruikers van elektronische
communicatiediensten, inclusief het gebruik van automatische oproep- en communicatiesystemen met of zonder menselijke
interactie, e-mail, SMS, enz.
6
Beslissing ten gronde 28/2020 - 7/14
20. In casu betreft het ongevraagde communicatie, per post toegestuurd aan betrokkene en gericht
op de promotie van de diensten van de verweerder, enerzijds, en het werven van fondsen door de
verweerder, anderzijds. De communicatie vereist de verwerking van persoonsgegevens, met name de
naam en het adres van betrokkene.
21. Overeenkomstig overweging 70 AVG heeft de betrokkene, in geval van een verwerking van
persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing, het recht te allen tijde en kosteloos bezwaar te
maken tegen deze verwerking, en dit ongeacht of het een aanvankelijke dan wel een verdere
verwerking betreft.
22. Artikel 21.3 AVG bepaalt wat dit betreft dat, “wanneer een betrokkene bezwaar maakt tegen de
verwerking ten behoeve van direct marketing, de persoonsgegevens niet meer voor deze doeleinden
[worden] verwerkt”.
23. In het kader van direct marketing dient een dergelijk bezwaar bijgevolg onmiddellijk en zonder
bijkomend onderzoek aanleiding te geven tot de regelrechte stopzetting van elke verwerking van
gegevens van betrokkene ten behoeve van die direct marketing 3.
24. In casu geeft de verweerder evenwel geen gevolg aan het bezwaar geformuleerd door betrokkene
op grond van artikel 21.2 AVG en zet de gegevensverwerking voor direct marketingdoeleinden verder,
en dit ten minste vijf maanden na het laatste bezwaar van de klager en drie maanden na de
kennisgeving van de klacht aan de verweerder door de Gegevensbeschermingsautoriteit.
25. De verweerder schendt aldus de artikelen 21.2 en 21.3 AVG.
26. Betrokkene formuleert niet enkel een bezwaar tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens
voor direct marketingdoeleinden doch verzoekt de verweerder in zijn e-mail d.d. 5 juli 2019 eveneens
zijn gegevens te schrappen. Hiermee beroept betrokkene zich op zijn recht ex artikel 17 AVG.
27. Overeenkomstig artikel 17.1, c) AVG beschikt betrokkene ten aanzien van de verwerkings-
verantwoordelijke inderdaad over het recht “zonder onredelijke vertraging wissing van hem
betreffende persoonsgegevens te verkrijgen” wanneer eerstgenoemde “bezwaar [maakt] tegen de
verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2”.
3
Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, p. 53-54.
7
Beslissing ten gronde 28/2020 - 8/14
28. De verweerder geeft echter geen gunstig gevolg aan dit verzoek tot gegevenswissing van de klager
en schendt zodoende eveneens artikel 17.1, c) AVG.
3.2. Wat betreft de inbreuk op artikel 6.1 en artikel 21.4 AVG
29. In zijn verweerschrift d.d. 10 oktober 2019 verklaart de verweerder dat deze zich voor zijn direct
marketing ten aanzien van vroegere donateurs met oog op fondsenwerving beroept op het
“gerechtvaardigd belang” (artikel 6.1, f) AVG) als wettelijke grondslag voor de verwerking van
persoonsgegevens en niet op de expliciete toestemming van de betrokkenen (artikel 6.1, a) AVG),
teneinde “een zo groot mogelijk doelpubliek aan te (mogen) spreken”.
30. Hoewel de AVG het gebruik van het gerechtvaardigd belang als rechtmatigheidsgrond voor de
verwerking van persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden niet volledig uitsluit, betekent dit
geenszins dat elke verwerking voor prospectiedoeleinden als gerechtvaardigd kan worden
beschouwd. 4
31. Overeenkomstig artikel 6.1, f) AVG en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Unie (hierna “het Hof”) dient immers aan drie cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan opdat een
verwerkingsverantwoordelijke zich rechtsgeldig kan beroepen op deze rechtmatigheidsgrond, “te
weten, in de eerste plaats, de behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de
verwerkingsverantwoordelijke of van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, in de tweede
plaats, de noodzaak van de verwerking van de persoonsgegevens voor de behartiging van het
gerechtvaardigde belang, en, in de derde plaats, de voorwaarde dat de fundamentele rechten en
vrijheden van de bij de gegevensbescherming betrokken persoon niet prevaleren” (arrest “Rigas” 5).
32. Teneinde zich conform artikel 6.1, f) AVG te kunnen beroepen op de rechtmatigheidsgrond van
het “gerechtvaardigd belang”, dient de verwerkingsverantwoordelijke met andere woorden aan te
tonen dat:
1) de belangen die deze met de verwerking nastreeft, als gerechtvaardigd kunnen worden erkend
(de “doeltoets”);
2) de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze belangen (de
“noodzakelijkheidstoets”); en
4
Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, p. 50.
5
HvJEU, 4 mei 2017, C-13/16, Valsts policijas Rīgas reģiona pārvaldes Kārtības policijas pārvalde tegen Rīgas pašvaldības SIA
„Rīgas satiksme”, overweging 28. Zie ook HvJEU, 11 december 2019, C-708/18, TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA,
overweging 40.
8
Beslissing ten gronde 28/2020 - 9/14
3) de afweging van deze belangen ten opzichte van de belangen, fundamentele vrijheden en
grondrechten van betrokkenen doorweegt in het voordeel van de
verwerkingsverantwoordelijke (de “afwegingstoets”).
33. Wat betreft de eerste voorwaarde (de zogenaamde “doeltoets”), erkent de AVG dat de verwerking
van persoonsgegevens ten behoeve van direct marketing in se kan worden beschouwd als uitgevoerd
met oog op een gerechtvaardigd belang. 6
34. In casu betreft het direct marketingberichten gericht aan vroegere donateurs met oog op de
promotie van de diensten van de verweerder en het werven van fondsen door deze laatste bij deze
gewezen donateurs. Het belang dat de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke nastreefde kan
overeenkomstig overweging 47 AVG op zich als gerechtvaardigd te worden beschouwd. Er wordt
bijgevolg voldaan aan de eerste voorwaarde vervat in artikel 6.1, f) AVG.
35. Teneinde te voldoen aan de tweede voorwaarde, dient te worden aangetoond dat de verwerking
noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doeleinden. Dit betekent meer bepaald
dat de vraag dient te worden gesteld of met andere middelen hetzelfde resultaat kan worden bereikt
zonder verwerking van persoonsgegevens of zonder een onnodig ingrijpende verwerking voor de
betrokkenen. 7
36. In casu kan worden beschouwd dat de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk was voor
de verwezenlijking van het door verwerkingsverantwoordelijke omschreven doeleinde, met name het
richten van direct marketingberichten per brief aan gewezen donateurs met oog op fondsenwerving.
Teneinde deze direct marketing te richten aan betrokkenen wordt hun naam en adres verwerkt. Het
aldus door verwerkingsverantwoordelijke omschreven doeleinde kon inderdaad niet worden bereikt
zonder de hiervoor vermelde persoonsgegevensverwerking.
37. Het feit dat het belang dat de verwerkingsverantwoordelijke nastreeft gerechtvaardigd is en dat
de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is voor het bereiken van dit doeleinde volstaat
evenwel niet opdat de verwerkingsverantwoordelijke zich rechtsgeldig kan beroepen op artikel 6.1, f)
AVG.
38. Teneinde na te gaan of aan de derde voorwaarde van artikel 6.1, f) AVG - de zogenaamde
“afwegingstoets” tussen de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke, enerzijds, en de
fundamentele vrijheden en grondrechten van betrokkene, anderzijds - kan worden voldaan, dient
overeenkomstig overweging 47 AVG vooreerst rekening te worden gehouden met de redelijke
6
Overweging 47, in fine, AVG.
7
Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, p. 50.
9
Beslissing ten gronde 28/2020 - 10/14
verwachtingen van de betrokkene. Er dient meer bepaald te worden geëvalueerd of “betrokkene op
het tijdstip en in het kader van de verzameling van de persoonsgegevens redelijkerwijs mag
verwachten dat verwerking met dat doel kan plaatsvinden” 8.
39. Dit wordt eveneens benadrukt door het Hof in zijn arrest “TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-
ScaraA” van 11 december 2019 9, waarin het stelt:
“Ook relevant voor deze afweging zijn de redelijke verwachtingen van de betrokkene dat zijn
of haar persoonsgegevens niet zullen worden verwerkt wanneer, in de gegeven
omstandigheden van het geval, de betrokkene redelijkerwijs geen verdere verwerking van de
gegevens kan verwachten”.
40. In casu rijst de vraag of de klager redelijkerwijs kon verwachten dat zijn persoonsgegevens ruim
zeven jaar na de verzameling ervan zouden worden gebruikt voor direct marketingdoeleinden met oog
op fondsenwerving.
41. Een tweede element waar, naast de redelijke verwachtingen van de betrokkene, rekening mee
dient te worden gehouden door een verwerkingsverantwoordelijke die voornemens is het
gerechtvaardigd belang als rechtmatigheidsgrond te gebruiken, is zijn verplichting om aanvullende
waarborgen te voorzien ten voordele van betrokkene. Dit wordt benadrukt door de Groep 29 in zijn
Advies 06/2014 10:
“Bij deze afweging moet juist een aantal factoren volledig in overweging worden genomen, zodat
wordt verzekerd dat voldoende rekening wordt gehouden met het belang en de fundamentele rechten
van de betrokkenen […]. Factoren waarmee rekening moet worden gehouden bij de afweging zijn
onder andere:
[…]
- aanvullende waarborgen die ongewenste gevolgen voor de betrokkene kunnen beperken, zoals
gegevensminimalisatie, privacyverbeterende technologieën, verbeterde transparantie, het
algemene en onvoorwaardelijke recht op “opt-out” en gegevensoverdraagbaarheid.”
42. Het voorzien van een recht om bezwaar te maken tegen de verwerking is hierbij een essentieel
element. Zonder het aanbieden van een reëel en doeltreffend recht van bezwaar kan namelijk geen
evenwicht gevonden worden tussen de gerechtvaardigde belangen die de
8
Overweging 47 AVG.
9
HvJEU, 11 december 2019, C-708/18, TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA, overweging 58.
10
Advies 06/2014 over het begrip “gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking verantwoordelijke” vastgesteld
op 9 april 2014 door de Groep 29, p. 3.
10
Beslissing ten gronde 28/2020 - 11/14
verwerkingsverantwoordelijke nastreeft en de fundamentele vrijheden en grondrechten van
betrokkene.
43. Het onvoorwaardelijke karakter van dit recht van bezwaar is specifiek voor verwerkingen ten
behoeve van direct marketing en wordt gewaarborgd door artikel 21.3 AVG (zie supra).
Zoals hierboven vermeld, dient dit bezwaar in het kader van direct marketing onmiddellijk en zonder
bijkomend onderzoek aanleiding te geven tot de regelrechte stopzetting van elke verwerking van
gegevens van betrokkene ten behoeve van direct marketing. 11
44. Overeenkomstig overweging 70 AVG, in fine, alsook artikel 21.4 AVG dient de
verwerkingsverantwoordelijke dit recht van bezwaar in het kader van direct marketing bovendien te
faciliteren:
“Wanneer persoonsgegevens worden verwerkt ten behoeve van direct marketing dient de
betrokkene, ongeacht of het een aanvankelijke dan wel een verdere verwerking betreft, het
recht te hebben te allen tijde en kosteloos bezwaar te maken tegen deze verwerking, ook in
het geval van profilering voor zover deze betrekking heeft op de direct marketing. Dat recht
moet uitdrukkelijk, op duidelijke wijze en gescheiden van overige informatie, onder de
aandacht van de betrokkene worden gebracht.” 12
“Het in de leden 1 en 2 bedoelde recht wordt uiterlijk op het moment van het eerste contact
met de betrokkene uitdrukkelijk onder de aandacht van betrokkene gebracht en duidelijk en
gescheiden van enige andere informatie weergegeven.” 13
45. De verwerkingsverantwoordelijke moet het recht van bezwaar bijgevolg duidelijk kenbaar maken,
in eenvoudige en ondubbelzinnige taal en dit in alle direct marketingberichten, vanaf het eerste
bericht. 14 Het is niet voldoende om de mogelijkheid dit recht uit te oefenen op te nemen in de
privacyverklaring; deze mogelijkheid moet uitdrukkelijk aan de betrokkene worden voorgesteld. 15
11
Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, p. 53-54.
12
Overweging 70 AVG.
13
Artikel 21.4 AVG.
14
ZANFIR-FORTUNA, G., “Article 21. Right to object” in KUNER, C., BYGRAVE, L.A. en DOCKSEY, C. (eds.),The EU General Data
Protection Regulation: A Commentary, Oxford University Press, 2020, (508)516-517: “As explained by recitals 65 and 69 GDPR,
the right to erasure applies where the retention of the personal data infringes the GDPR or Union or Member State law to which
the controller is subject, while, on the contrary, the right to object applies when personal data is processed lawfully, but the
data subject wants the processing to stop on the basis of his or her particular situation.”
15
Aanbeveling Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 01/2020 van 17 januari 2020 betreffende de verwerking van
persoonsgegevens voor direct marketingdoeleinden, p. 54.
11
Beslissing ten gronde 28/2020 - 12/14
Deze verplichting is overigens niet nieuw en bestond, voor de inwerkingtreding van de AVG, reeds uit
kracht van artikel 7 van de Richtlijn 95/46/EG. 16
46. In casu voldoet de verweerder niet aan deze verplichting opgelegd door artikel 21.4 AVG en
verduidelijkt door overweging 70 AVG. De verweerder verwijst in zijn verweer naar zijn
privacyverklaring doch toont niet aan dat hij de uitoefening van het recht van bezwaar afdoende heeft
gefaciliteerd, zoals vereist door artikel 21.4 AVG. Op de marketingberichten die als bewijsstukken
werden overgemaakt door de klager, wordt de mogelijkheid tot het uitoefenen van het recht van
bezwaar immers niet vermeld.
47. De verweerder heeft bijgevolg het algemene en onvoorwaardelijke recht op bezwaar dat geldt bij
de verwerking van persoonsgegevens voor direct marketing niet afdoende gegarandeerd en niet
voldaan aan zijn verplichting om ab initio afdoende aanvullende waarborgen te voorzien die eventuele
ongewenste gevolgen voor de betrokkene konden beperken.
48. Aangezien dit element essentieel is teneinde zich als verwerkingsverantwoordelijke rechtsgeldig te
kunnen beroepen op artikel 6.1, f) AVG (gerechtvaardigd belang) als rechtmatigheidsgrond voor de
verwerking van persoonsgegevens met oog op direct marketing, dient in casu te worden besloten dat
niet is voldaan aan de derde voorwaarde (“afwegingstoets”) en de verweerder de verwerking op grond
van artikel 6.1, f) AVG niet rechtsgeldig kon verderzetten.
49. De verweerder schendt aldus artikel 6.1 en artikel 21.4 AVG.
50. Inbreuken op bovenstaande bepalingen zijn onderworpen aan de in artikel 83.5 AVG vermelde
administratieve geldboeten.
51. Rekening houdend met de criteria vervat in artikel 83.2 AVG alsook de rechtspraak van het
Marktenhof 17, motiveert de Geschillenkamer het opleggen van een administratieve sanctie in casu op
grond van de volgende omstandigheden:
- de aard, de ernst en de duur van de inbreuk (artikel 83.2, a) AVG), met name het voortdurende
karakter van de inbreuk op artikelen 6.1, 17.1, c) en d), 21.2, 21.3 en 21.4 AVG gedurende ten
minste vijf maanden na het laatste bezwaar en verzoek tot gegevenswissing van de klager en drie
maanden na de kennisgeving van de klacht aan de verweerder door de
Gegevensbeschermingsautoriteit;
16
Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281,
23.11.1995, blz. 31).
17
Hof van Beroep Brussel (sectie Marktenhof), arrest 2020/1471 van 19 februari 2020.
12
Beslissing ten gronde 28/2020 - 13/14
- het feit dat het de eerste vastgestelde inbreuk betreft in hoofde van de betrokken
verwerkingsverantwoordelijke (artikel 83.2, e) AVG);
- de mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te
verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken (artikel 83.2, f) AVG): in
tegenstelling tot wat de verweerder stelt in zijn verweer d.d. 10 oktober 2019, heeft deze ondanks
het bezwaar en verzoek tot gegevenswissing van de klager en de kennisgeving van de klacht door
de Gegevensbeschermingsautoriteit niet de nodige maatregelen genomen teneinde onverwijld een
einde te stellen aan de hierboven beschreven inbreuken; de verweerder heeft de
gegevensverwerking op grond van artikel 6.1, f) AVG (gerechtvaardigd belang) voor direct
marketingdoeleinden verdergezet; en
- het feit dat de verweerder een vereniging zonder winstoogmerk is met een beperkte omzet
(artikel 83.2, k) AVG).
52. De Geschillenkamer wijst erop dat de andere criteria van artikel 83.2 AVG in dit geval niet van
aard zijn dat zij leiden tot een andere administratieve geldboete dan die welke de Geschillenkamer in
het kader van deze beslissing heeft vastgesteld.
53. De Geschillenkamer is van oordeel dat deze boete proportioneel is gelet op de door de verweerder
in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde jaarrekening voor het boekjaar 2018 (positief resultaat tussen
500.000 en 600.000 EUR).
54. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van
de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
- op grond van artikel 58.2 c) en g) AVG en artikel 100, §1, 6° WOG de verweerder te gelasten
een gunstig gevolg te geven aan het verzoek tot gegevenswissing van de klager overeenkomstig
artikel 17.1 c) AVG binnen de termijn van één maand na ontvangst van deze beslissing en de
klager alsook de Geschillenkamer hiervan binnen dezelfde termijn in kennis te stellen; en
13
Beslissing ten gronde 28/2020 - 14/14
- op grond van artikel 83 AVG en de artikelen 100, §1, 13° en 101 WOG een administratieve
geldboete van 1000 EUR op te leggen aan de verweerder wegens schending van de artikelen 6.1,
17.1 c) en d), 21.2, 21.3 en 21.4 AVG.
Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, §1 WOG beroep worden aangetekend binnen
een termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
(get.) Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer
14