1/6
Geschillenkamer
Beslissing 161/2022 van 8 november 2022
Dossiernummer : DOS-2022-03527
Betreft : Klacht wegens het gebrek aan uitvoering geven aan een verzoek tot
gegevenswissing
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans,
voorzitter, alleenzetelend;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene
verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers
op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
.
De klager: De heer X, hierna “de klager”; .
.
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”.
Beslissing 161/2022 - 2/6
I. Feiten en procedure
1. Op 29 augustus 2022 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de
verweerder.
De klacht betreft het ongevraagd toesturen van nieuwsbrieven door de verweerder. De klager stelt dat
hij ongewenste e-mails heeft ontvangen van de verweerder op 19 juli 2022 en 29 augustus 2022,
ondanks het feit dat hij nooit contact heeft gehad met de verweerder. Op 20 juli 2022 heeft de klager
zijn verzoek inzake het recht op gegevenswissing uitgeoefend overeenkomstig artikel 17 AVG ten
aanzien van de verweerder. Hij mocht hierop echter geen antwoord ontvangen binnen de wettelijk
voorziene termijn van 1 maand.
2. Op 11 oktober 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de
artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, §1 WOG overgemaakt aan de
Geschillenkamer.
II. Motivering
3. Steunend op de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn en op basis van de
bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 95, §1 WOG zijn toebedeeld, beslist de
Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu gaat de Geschillenkamer over tot
het seponeren van de klacht overeenkomstig artikel 95, §1, 3° WOG, uitgaande van de hiernavolgende
motivering.
4. De Geschillenkamer dient in het geval van een sepot trapsgewijs te onderzoeken en motiveren1:
- of er onvoldoende uitzicht bestaat op een veroordeling, waarna een technisch sepot volgt;
- of een succesvolle veroordeling technisch haalbaar zou zijn maar op gronden, aan het algemeen
belang ontleend, een (verdere) vervolging onwenselijk is, waarna een beleidssepot volgt.
In het geval op meer dan één grond wordt geseponeerd, dienen de sepotgronden (resp. technisch sepot
en beleidssepot) in volgorde van belangrijkheid te worden behandeld.2
5. Op basis van de informatie waarover de Geschillenkamer op dit ogenblik beschikt, acht zij het op heden
onmogelijk om verder gevolg te geven aan de klacht voor de redenen die hierna zullen worden
uiteengezet. Bijgevolg beslist zij over te gaan tot een technisch sepot.
6. Opdat de Geschillenkamer - waarop de klager op grond van artikel 77 van de AVG beroep deed -
bevoegd zou zijn voor de behandeling van zijn klacht, is het in de eerste plaats noodzakelijk dat de AVG
1
Cf. arrest Hof van Beroep Brussel (Marktenhof), 2 september 2020, nr. 2020/5460, 18.
2
Ibidem.
Beslissing 161/2022 - 3/6
van toepassing is op de litigieuze feiten of dat andere wetgeving met betrekking tot
gegevensbescherming die de basis kunnen vormen van de bevoegdheid van de Geschillenkamer, van
toepassing is.
7. De AVG is alleen van toepassing als de gegevensverwerking binnen het toepassingsgebied van de AVG
valt.
8. Wat het territoriale toepassingsgebied van de AVG betreft, wordt in artikel 3 van de AVG uitgegaan
van twee verschillende gevallen. In het eerste geval (artikel 3.1 van de AVG), worden de
gegevensverwerkingen verricht in het kader van de activiteiten van een vestiging van een
verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte. Deze eerste
hypothese vooronderstelt dus het bestaan van een vestiging 3 op het grondgebied van Europese
Economische Ruimte. De klacht in onderhavige zaak is gericht tegen een rechtspersoon die in de
Verenigde Staten is gevestigd waarvan geen vestiging op het grondgebied van de Europese
Economische Ruimte bestaat. Artikel 3.1. van de AVG is dus niet van toepassing.
9. Het tweede geval voorzien in artikel 3.2 AVG preciseert dat de AVG van toepassing is op de verwerking
van persoonsgegevens die voldoen aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden:
- de verwerking is gebeurd door een verwerkingsverantwoordelijke die niet gevestigd is in de
Europese Economische Ruimte;
- de verwerking betreft betrokkenen die zich bevinden op het grondgebied van de Europese
Economische Ruimte; en
- deze verwerkingsactiviteiten houden verband met:
a) het aanbieden van goederen of diensten aan deze betrokkenen (artikel 3.2.a) AVG) of
b) het monitoren van hun gedrag, voor zover dit gedrag in de Europese Economische Ruimte
plaatsvindt (artikel 3.2.b) AVG).
10. Op basis van de stukken in het dossier is de Geschillenkamer van oordeel dat in casu niet aan deze
cumulatieve voorwaarden voldaan is. Voor wat betreft de eerste voorwaarde stelt de Geschillenkamer
vast dat de verweerder inderdaad niet gevestigd is in de Europese Economische Ruimte. Voor wat
betreft de tweede voorwaarde merkt de Geschillenkamer op dat uit de klacht niet duidelijk blijkt of de
klager zich bevond op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte. In de veronderstelling
dat de klager zich inderdaad bevond op het grondgebied van de Europese Economische Ruimte op het
moment van de aangeklaagde feiten - wat dus niet duidelijk blijkt uit de klacht - is echter niet voldaan
aan de derde voorwaarde. De verwerkingsactiviteit in kwestie houdt geen verband met "het aanbieden
van goederen en diensten" , noch met “monitoring van gedrag van de betrokkenen”.
3
Het begrip vestiging wordt uitgelegd in overweging 22: Vestiging veronderstelt het effectief en daadwerkelijk uitoefenen van
activiteiten via bestendige verhoudingen. De rechtsvorm van dergelijke verhoudingen, of het nu gaat om een bijkantoor of om een
dochteronderneming met rechtspersoonlijkheid, is daarbij niet doorslaggevend.
Beslissing 161/2022 - 4/6
11. Het aanbieden van goederen en diensten moet worden begrepen als een aanbod van goederen en
diensten die specifiek gericht zijn op de betrokkenen in de Europese Economische Ruimte
(bijvoorbeeld op een website gevestigd buiten de grenzen van de Europese Economische Ruimte, die
goederen en diensten aanbieden in een van de talen van de Europese Economische Ruimte, met
mogelijkheid om in euro’s te betalen, etc.)4. Deze elementen moeten in concreto beoordeeld worden
om te kunnen bepalen of er sprake is van het aanbieden van goederen en diensten. 5 De
Geschillenkamer herinnert eraan dat Overweging 23 bevestigt dat de toegankelijkheid van de website
van de verwerkingsverantwoordelijke, verwerker of een tussenpersoon in de Europese Economische
Ruimte, de vermelding op de website van zijn e-mail- of geografisch adres, of van zijn telefoonnummer
zonder internationale code, op zich niet voldoende bewijs uitmaakt dat de
verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker voornemens is goederen of een diensten aan te bieden
aan een betrokkene in de Europese Economische Ruimte. In dit verband verwijst de Geschillenkamer
naar de Richtsnoeren van de European Data Protection Board (EDPB) waarin wordt gesteld dat
wanneer goederen of diensten onbedoeld of incidenteel worden geleverd aan een persoon op het
grondgebied van de Europese Economische Ruimte, de daarmee samenhangende verwerking van
persoonsgegevens niet onder het territoriale toepassingsgebied van de AVG valt.6
12. In casu is het doel van de verwerkingsverantwoordelijke het creëren van een (Engelstalig) platform
waarop inzichten en ervaringen kunnen worden gedeeld omtrent de uitdagingen en triomfen van
Joodse vrouwen. In het kader daarvan worden schrijfworkshops alsook een boek met getuigenissen
van Joodse vrouwen in Israël te koop aangeboden. De workshops en het boek zijn enkel beschikbaar in
het Engels en worden ook enkel te koop aangeboden tegen betaling in dollar en sjekel. Het boek kan
ook enkel geleverd worden binnen de Verenigde Staten van Amerika en Canada enerzijds en Israël
anderzijds. De Geschillenkamer concludeert dan ook dat er geen sprake is van een aanbod van
goederen en diensten die specifiek gericht zijn op de betrokkenen in de Europese Economische Ruimte
overeenkomstig artikel 3.2.a) AVG.
13. Onder "monitoring van gedrag van de betrokkenen", moet worden begrepen, de
trackingsacitiviteiten van het gedrag op het internet maar niet enkel dat. 7 Meer in het algemeen kan het
gaan om activiteiten om het gedrag van de betrokkenen te monitoren, zoals gedragsreclame,
geolokalisatie voor direct marketingdoeleinden, het gebruik van cookies of bewakingscamera's. 8 Er is
ook de voorwaarde dat dit gedrag binnen de Europese Economische Ruimte moet plaatsvinden. Uit de
4
zie Article 29 Data Working Party, EU General Data Protection Regulation: General Information Document, p.2, te raadplegen via
https://www.appaforum.org/wp-content/uploads/2019/10/appa-gdpr-general-information-document.pdf.
5
D. SVANTESSON “Article 3. Territorial scope”, in C. KUNER. the EU General Data Protection Regulation, A Commentary, Oxford University
Press 2020, p. 90.
6
EDPB Guidelines 3/2018 on the territorial scope of the GDPR (art. 3) dd. 19 november 2019, p. 18, te raadplegen via
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_3_2018_territorial_scope_after_public_consultation_en_1.pdf.
7
EDPB Guidelines 3/2018 on the territorial scope of the GDPR (art. 3) dd. 19 november 2019, p. 19, te raadplegen via
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_3_2018_territorial_scope_after_public_consultation_en_1.pdf
8
EDPB Guidelines 3/2018 on the territorial scope of the GDPR (art. 3) dd. 19 november 2019, p. 20, te raadplegen via
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_3_2018_territorial_scope_after_public_consultation_en_1.pdf
Beslissing 161/2022 - 5/6
klacht blijkt nergens dat er sprake zou zijn van enige monitoring van het gedrag van de betrokkene. De
Geschillenkamer concludeert dan ook dat er geen sprake is van monitoring van gedrag van
betrokkenen overeenkomstig artikel 3.2.b) AVG.
14. Gelet op het bovenstaande besluit de Geschillenkamer dat de AVG niet van toepassing is op de feiten
die in de klacht naar voor zijn gebracht.
15. De Geschillenkamer merkt eveneens op dat ten aanzien van de feiten uit onderhavige klacht, geen
enkele andere wetgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens van toepassing is waardoor
er geen elementen zijn die aanleiding geven tot haar bevoegdheid. Desgevallend komt het toe aan de
bevoegde Amerikaanse autoriteiten om de AVG toe te passen in deze zaak.
16. Aangezien de AVG in dit geval niet van toepassing is, noch enige andere wetgeving die bepalingen
bevat over de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens, die de basis zouden kunnen
vormen van de bevoegdheid van Gegevensbeschermingsautoriteit, is het niet mogelijk dat de
Geschillenkamer uw klacht in behandeling neemt. Op grond van art. 95, §1, 3° van de wet van 3
december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, beslist de Geschillenkamer
bijgevolg om de klacht te seponeren.
III. Publicatie van de beslissing
17. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer,
wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is
evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden
bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
- op grond van art. 95, §1, 3° WOG de klacht te seponeren.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving
tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel
1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten9. Het verzoekschrift op
9
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
Beslissing 161/2022 - 6/6
tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel
1034quinquies van het Ger.W.10, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter
van het Ger.W.).
(get). Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
10
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de
griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.