1/7
Geschillenkamer
Beslissing 154/2023 van 23 november 2023
Dossiernummer : DOS-2023-04114
Betreft : Camerabewaking in winkel waaraan personeel is onderworpen
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans,
alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene
verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers
op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
.
De klager: De klager die anoniem wenst te blijven, hierna “de klager”; .
.
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”
Beslissing 154/2023 - 2/7
I. Feiten en procedure
1. Op 6 oktober 2023 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de
verweerder.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de installatie van bewakingscamera’s in de zes winkels van de
verweerder. In de klacht wordt gesteld dat de camera’s op zodanige wijze zijn geplaatst dat het
personeel op permanente wijze onder toezicht staat, hetwelk niet in overeenstemming zou zijn met
het doel van de camera’s die erop gericht zijn de veiligheid te verzekeren in geval van diefstal of
agressie. De personeelsleden zouden regelmatig opmerkingen krijgen van het beveiligingsbedrijf
waardoor het personeel onder permanent toezicht is gesteld. Dit zou volgens de klacht in strijd zijn
met cao nr. 68 van 16 juni 1998 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van
de werknemers ten opzichte van de camerabewaking op de arbeidsplaats.
3. Op 23 oktober 2023 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van
de artikelen 58 en 60 WOG1 en wordt de klacht op grond van art. 62, §1 WOG overgemaakt aan de
Geschillenkamer2.
II. Motivering
a) Verwerkingsverantwoordelijke en verwerker
4. Vooreerst licht de Geschillenkamer toe dat zij bevoegd is om kennis te nemen van deze klacht die
betrekking heeft op de bewakingscamera’s die worden beheerd door het beveiligingsbedrijf als
verwerker3 in opdracht van de verweerder die de hoedanigheid heeft van
verwerkingsverantwoordelijke4. De Geschillenkamer brengt in herinnering dat de verweerder ertoe
1
Overeenkomstig artikel 61 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat de klacht ontvankelijk is verklaard.
2
Overeenkomstig artikel 95, § 2 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat het dossier naar aanleiding van
deze klacht aan haar is overgedragen.
3
Artikel 4 AVG.
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
8) „verwerker”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/ dat ten behoeve van
de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt;
4
Artikel 4 AVG;
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
7) „verwerkingsverantwoordelijke”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan
die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de
doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden
bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen;
Beslissing 154/2023 - 3/7
is gehouden beroep te doen op een verwerker die de bepalingen van de AVG naleeft (artikel 28.1
AVG) en daartoe met de verwerker een overeenkomst sluit (artikel 28.3 AVG).
5. In de mate dat in deze beslissing de gegevensverwerking door registratie van de camerabeelden
wordt beoordeeld, dient erop te worden gewezen dat deze gegevensverwerking die valt onder de
verantwoordelijkheid van de verweerder een aanpassing vergt van de handelswijze – en dus de
wijze waarop de beelden worden verwerkt – van de verwerker.
b) Camerabewaking
6. De Geschillenkamer verduidelijkt dat het voorwerp van de klacht enkel betrekking heeft op het
personeel en dus de klanten als dusdanig buiten beschouwing laat, zodanig dat in deze beslissing
niet nader wordt ingegaan op de toepasselijke wettelijke bepalingen op beelden verwerkt van
klanten of andere derden. De Geschillenkamer stelt vast dat voor wat betreft het cameratoezicht
op de werkplek waardoor de personen die er werkzaam zijn worden geviseerd, de AVG van
toepassing is, met in aanvulling daarop een aantal aanvullende specifieke vereisten als cao nr. 68 5
voor wat betreft de privé-sector.
7. De cao nr. 68 kwam tot stand reeds voor het van toepassing worden van de AVG op 25 mei 2018,
maar past een aantal principes toe waarvan de naleving door de AVG wordt opgelegd, waaronder
inzonderheid het doelbindingsbeginsel (artikel 5.1 b) AVG) en het beginsel van minimale
gegevensverwerking (artikel 5.1 c) AVG). Uit beide bepalingen van de AVG volgt dat
camerabewaking met het oog op het verzekeren van de veiligheid en met het oog op de
bescherming van de goederen van de onderneming tegen diefstal – in casu de doelstellingen die
door de camerabewaking worden nagestreefd volgens de klager – weliswaar is toegelaten en in
overeenstemming is met het doelbindingsbeginsel, maar dit moet op zodanige wijze worden
georganiseerd dat de personeelsleden niet op een permanente wijze worden blootgesteld aan
cameratoezicht waardoor hun arbeidsprestaties op elk mogelijk ogenblik worden gecontroleerd,
teneinde het beginsel van minimale gegevensverwerking te respecteren. De controle van de arbeid
van de personeelsleden vormt immers een doeleinde dat is te onderscheiden van het verzekeren
van de veiligheid en bescherming tegen diefstal. Camerabewaking waardoor de controle van de
arbeid op voortdurende wijze plaatsvindt is immers niet in overeenstemming met het principe van
minimale gegevensverwerking. Uit de stukken die werden toegevoegd aan de klacht blijkt dat het
beveiligingsbedrijf op permanente wijze toezicht uitoefent op de personeelsleden.
5
Collectieve arbeidsovereenkomst nr. 68 van 16 juni 1998 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de werknemers
ten opzichte van de camerabewaking op de arbeidsplaats.
Beslissing 154/2023 - 4/7
8. In dezelfde zin oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 28 november 2017 6
in een zaak omtrent camerabewaking op de werkplaats dat er sprake was geweest van een
schending van artikel 8 van het Verdrag, en stelde vast dat het cameratoezicht niet in
overeenstemming met de wet was geweest. Het Hof merkte op dat het privéleven ook
beroepsactiviteiten kan omvatten en was van oordeel dat dit ook het geval was met de verzoekers.
Artikel 8 was derhalve van toepassing. Wat de grond van de zaak betreft, oordeelde het Hof
vervolgens dat het cameratoezicht een inbreuk vormde op verzoekers' recht op privacy en dat uit
het bewijsmateriaal bleek dat dit toezicht in strijd was geweest met de bepalingen van nationaal
recht.
9. De Geschillenkamer is van oordeel dat op grond van bovenstaande analyse dient te worden
geconcludeerd dat door de verweerder een inbreuk op de bepalingen van de AVG werd gepleegd,
dewelke rechtvaardigt dat in casu wordt overgegaan tot het nemen van een beslissing op grond
van artikel 95, §1, 4° WOG, meer bepaald de verweerder te waarschuwen dat het onderwerpen van
de personeelsleden aan een permanent cameratoezicht waardoor er voortdurende controle op de
geleverde prestaties is, een inbreuk uitmaakt op artikel 5.1 c) AVG. Het behoort tot de
verantwoordelijkheid van de verweerder om daaromtrent afspraken te maken met het
beveiligingsbedrijf als verwerker (zie randnr. 4).
10. De Geschillenkamer is van oordeel dat de verweerder de gelegenheid moet worden geboden om
naar aanleiding van deze eerste klacht zijn handelswijze bij te sturen, zodat in de toekomst
gelijkaardige feiten en mogelijks nieuwe klachten daaromtrent kunnen worden vermeden.
Niettemin wijst de Geschillenkamer erop dat het een ernstige inbreuk betreft, maar vermits het een
eerder relatief klein bedrijf betreft, ziet zij ervan af om meteen over te gaan tot een behandeling ten
gronde. Teneinde de verweerder de nodige aanwijzingen aan te reiken om nieuwe klachten ter
voorkomen, formuleert de Geschillenkamer de aanbeveling dat:
– de verweerder maatregelen neemt opdat het personeel op behoorlijke wijze wordt geïnformeerd
over de doeleinden waartoe de bewakingscamera’s worden aangewend en dat in de mate dat deze
een controle van de arbeidsprestaties viseren de nodige maatregelen neemt waardoor een
permanente controle is uitgesloten;
– en dat de getroffen maatregelen aan de Geschillenkamer worden meegedeeld.
6
Case of ANTOVIĆ and MIRKOVIĆ v. MONTENEGRO, 28 November 2017 (judgment):
Deze zaak betrof een klacht over een inbreuk op de privacy door twee professoren van de Universiteit van Montenegro's School voor
Wiskunde nadat videobewaking was geïnstalleerd in de plaatsen waar ze les gaven. Ze verklaarden dat ze geen effectieve controle hadden
gehad over de verzamelde informatie en dat het toezicht onrechtmatig was geweest. De nationale rechtbanken verwierpen echter een eis
tot schadevergoeding, omdat ze vonden dat de kwestie van het privéleven niet in het geding was geweest, aangezien de auditoria waar de
verzoekers lesgaven openbare ruimten waren. Het Hof verwierp ook het argument van de regering dat de zaak niet-ontvankelijk was omdat
er geen privacykwestie in het geding was, aangezien het bewaakte gebied een openbaar werkgebied was geweest.
Beslissing 154/2023 - 5/7
11. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 WOG op grond van de door de klager ingediende klacht, in het kader van
de ‘procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde’7 en geen beslissing ten gronde van de
Geschillenkamer in de zin van artikel 100 WOG.
12. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verweerder in kennis te stellen van het feit dat deze
mogelijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de mogelijkheid te
stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen.
13. Indien de verweerder evenwel niet akkoord gaan met de inhoud van onderhavige prima facie
beslissing en van oordeel zijn dat deze feitelijke en/of juridische argumenten kunnen laten gelden
die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, kunnen deze via het e-mailadres
[email protected] een verzoek tot behandeling ten gronde van de zaak richten aan de
Geschillenkamer en dit binnen de termijn van 30 dagen na de kennisgeving van deze beslissing. De
tenuitvoerlegging van onderhavige beslissing wordt desgevallend gedurende voormelde periode
geschorst.
14. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de Geschillenkamer
de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 WOG uitnodigen hun
verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten bij het dossier te voegen. De
onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief opgeschort.
15. De Geschillenkamer wijst er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde van de zaak kan
leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 WOG8.
16. Tot slot wijst de Geschillenkamer nog op het volgende:
7 Afdeling 3, Onderafdeling 2 WOG (artikelen 94 t.e.m. 97).
8
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de
gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te
bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het
gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
Beslissing 154/2023 - 6/7
Indien één van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en
het kopiëren van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), dient deze zich te wenden tot het secretariaat
van de Geschillenkamer, bij voorkeur via [email protected], teneinde een afspraak
vast te leggen.
Indien om een kopie van het dossier wordt verzocht, worden de stukken zo mogelijk elektronisch
of anders per gewone post bezorgd 9.
III. Publicatie van de beslissing
17. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens
van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, onder voorbehoud van de
indiening van een verzoek door de verwerkingsverantwoordelijke tot behandeling ten gronde
overeenkomstig artikel 98 e.v. WOG, om op grond van art. 58.2. a) AVG en art. 95, §1, 4° WOG, de
verweerder te waarschuwen dat met de voorgenomen verwerking gelijkaardig aan deze die het
voorwerp vormt van de voorliggende klacht inbreuk op artikel 5.1 c) AVG wordt gemaakt.
9
In verband met de buitengewone omstandigheden ingevolge COVID-19 wordt de mogelijkheid van afhalen bij het
secretariaat van de Geschillenkamer NIET geboden. Bovendien vindt alle communicatie in beginsel elektronisch plaats.
Beslissing 154/2023 - 7/7
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving
tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel
1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 10. Het verzoekschrift
op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel
1034quinquies van het Ger.W.11, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter
van het Ger.W.).
(get). Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer
10
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
11
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de
griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.