1/8
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 147/2022 van 17 oktober 2022
Dossiernummer : DOS-2019-04465
Betreft : Digitale membershipkaart als toegangskaart voor verlaagd tarief
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Christophe Boeraeve, leden.
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: De heer X, hierna “de klager”
De verweerder: Y. Y1. hierna “de verweerder”
Beslissing ten gronde 147/2022 - 2/8
I. Feiten en procedure
1. Op 3 december 2019 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen verweerder.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de aanmaak van een digitale membershipkaart door de
verweerder voor eigenaars van een vakantiehuis en hun familieleden beperkt tot een
bepaalde graad van verwantschap teneinde deze aan een voordelig tarief toegang te geven
tot het zwembad voor een groot aantal zwembeurten per vakantiehuis. Daartoe dient niet
alleen de naam van de aanvrager, tevens eigenaar van het vakantiehuis, te worden verstrekt,
maar ook moet voor iedere gebruiker van de kaart een foto worden opgeladen in een
gegevensbestand, alsook dient de familieband (1e of 2e graad) te worden vermeld. De klager
die eigenaar is van een woning in het vakantiepark wenst toegang te verkrijgen tot het
zwembad aan het voordeeltarief, evenwel zonder verstrekking van foto’s en zonder
vermelding van de graad van verwantschap.
3. Op 7 januari 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van art. 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 11 augustus 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van art. 95, § 1, 1° en art. 98 WOG
dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
5. Op 11 augustus 2020 worden de betrokken partijen in kennis gesteld van de bepalingen
zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in art. 98 WOG. Tevens worden zij op grond
van art. 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd
daarbij vastgelegd op 25 september 2020, deze voor de conclusie van repliek van de klager
op 16 oktober 2020 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op
6 november 2020.
6. Bij gebrek aan reactie vanwege de verweerder op de uitnodiging tot het indienen van
verweermiddelen en met het oog op de vrijwaring van de rechten van verdediging beslist de
Geschillenkamer op 24 juni 2022 om in overeenstemming met artikel 52 van het reglement
van interne orde over te gaan tot een hoorzitting dewelke wordt vastgelegd op 4 juli 2022.
7. Op 28 juni 2022 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG),
dewelke hem werd overgemaakt dezelfde dag.
8. Op verzoek van de verweerder wordt de datum van de hoorzitting verplaatst naar 5
september 2022.
9. Op 29 augustus 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
verweerder. Daarin zet de verweerder uiteen dat de membershipkaart een uitzonderlijk
Beslissing ten gronde 147/2022 - 3/8
commercieel aanbod voor private eigenaars uitmaakt en het ongeoorloofd gebruik ervan
geleid heeft tot de verzameling van persoonsgegevens inclusief foto’s van de begunstigden
van de kaart. In rechte stelt de verweerder dat de privacybeginselen zoals opgenomen in
artikel 5.1 a) - d) en f) AVG worden nageleefd, evenals het verantwoordingsbeginsel
vastgelegd in artikel 5.2 AVG. Ten slotte stelt de verweerder dat de foto’s niet kunnen
worden beschouwd als biometrische gegevens in de zin van artikel 9 AVG.
10. Op 5 september 2022 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer.
11. Op 7 september 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen
voorgelegd.
12. Op 13 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder enkele
opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in
haar beraad.
13. Op 15 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager eveneens enkele
opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke mee worden opgenomen in
het beraad.
II. Motivering
a) Rechtsgrond
14. De verweerder voert aan dat de verwerking van de persoonsgegevens aan de hand van de
digitale membershipkaart, namelijk de voornaam en familienaam, evenals de foto van zowel
de private eigenaar als elk van diens familieleden beperkt tot de 1e en 2e graad, zijn grondslag
vindt in artikel 6.1 b) AVG. De verweerder beroept zich bovendien in subsidiaire orde op zijn
gerechtvaardigd belang (artikel 6.1 f) AVG) om de gegevensverwerking op basis van de
digitale kaart als rechtmatig te bestempelen.
15. De Geschillenkamer gaat nader in op de rechtsgronden die door de verweerder worden
aangehaald. Overeenkomstig artikel 13.1 c) AVG moet voordat begonnen wordt met de
verwerkingsactiviteiten door de verwerkingsverantwoordelijke worden bepaald welke
rechtsgrondslag van toepassing is, en in verband met welk specifiek doel 1, met de
verplichting voor de verweerder om de klager hiervan in kennis te stellen.
16. Concreet toegepast op onderhavig dossier stelt de Geschillenkamer vast dat de bijlage bij
de basisakte2 betreffende het vakantiedomein in artikel 193 bepaalt dat de verweerder voor
1
Zie in dat verband de Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679 (randnrs. 121-
123); https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_202005_consent_nl.pdf
2
In de basisakte aangeduid als: “annex Reglement van Medeëigendom en Inwendige Orde”
3
Artikel 19 van de basisakte luidt als volgt: “Iedere eigenaar mag op het domein verblijven wanneer het hem past met de
leden van zijn gezin. Hij mag eveneens gasten ontvangen op voorwaarde dat ze noch te talrijk, noch te luidruchtig zijn. De
Beslissing ten gronde 147/2022 - 4/8
de bezoekende familieleden of gasten gepaste reglementen zal uitvaardigen of
vergoedingen vragen voor het gebruik van o.a. de zwemkom. De Geschillenkamer stelt vast
dat de verweerder volgens voormelde bepaling contractueel over de mogelijkheid beschikt
om de toegang tot het zwembad te reglementeren, zoals de verweerder in de praktijk heeft
gedaan door in een voordeeltarief te voorzien voor de eigenaar en zijn verwanten in 1e en 2e
graad. De klager erkent in zijn conclusie alsook tijdens de hoorzitting dat dit systeem om aan
een gunstig tarief toegang te krijgen tot het zwemgedeelte reeds sinds vele jaren bestaat.
De Geschillenkamer is van oordeel dat de grondslag hiervoor is te vinden in de basisakte en
de gegevensverwerking aldus is gebaseerd op artikel 6.1 b) AVG teneinde de eigenaar van
een vakantiehuis en zijn familieleden beperkt tot de 1 e en 2e graad via een toegangskaart te
kunnen laten genieten van het voordeel bestaande uit een toegang tot het zwembad aan
een voordeeltarief.
17. Hierna wordt nader ingegaan op de vraag in welke mate de verwerking van de
persoonsgegevens door middel van de digitale membershipkaart zoals deze thans is
opgezet, namelijk met verwerking van de foto’s van de gebruikers van de kaart alsmede de
vermelding van de graad van verwantschap ten opzichte van de eigenaar van het
vakantiehuis, het beginsel van minimale gegevensverwerking respecteert.
18. Volledigheidshalve merkt de Geschillenkamer ook nog op dat de rechtsgrond
‘gerechtvaardigd belang’ (artikel 6.1 f) AVG) waarop de verweerder zich in subsidiaire orde
baseert, door de verweerder post factum wordt ingeroepen en de verweerder aangeeft dat
deze rechtsgrond recentelijk aan de privacyverklaring werd toegevoegd. De
Geschillenkamer herhaalt dat wegens de verplichting om ten tijde van het verzamelen van
persoonsgegevens de rechtsgrond te verstrekken waarop de
verwerkingsverantwoordelijke een beroep doet (artikel 13.1 c) AVG), de verweerder voordat
begonnen wordt met verzamelen moet beslissen wat de rechtsgrond hiervoor is. De
toevoeging van de rechtsgrond ‘gerechtvaardigd belang’ nadat de gegevensinzameling
heeft plaatsgevonden, zoals in casu, is niet in overeenstemming met de vereiste dat de
rechtsgrond voorafgaand aan de inzameling van de foto’s en de informatie omtrent de graad
van verwantschap dient te zijn bepaald en kenbaar dient te worden gemaakt aan de
betrokkene, zijnde de klager. Het is evenwel voldoende dat er één geldige rechtsgrond
aanwezig is, hetwelk in voorliggend geval de overeenkomst is die aan de basis lag van de
gegevensinzameling.
19. Uit het voorgaande volgt dat de Geschillenkamer vaststelt dat de rechtsgrond waarop de
klager zich in hoofdorde beroept de uitvoering van een overeenkomst betreft (artikel 6.1 b)
eigenaar van het perceel is verantwoordelijk voor de schade die door zijn gasten wordt aangebracht. De comparant zal voor
de bezoekende familieleden of gasten gepaste reglementen uitvaardigen of vergoedingen vragen voor ‘t gebruik van o.a.
zwemkom, sportvijver of zelfs voor de toegang tot het domein. De eigenaar is persoonlijk verantwoordelijk voor de
inschrijving van de personen die hij onder zijn dak onderbrengt. Andere externe bezoekers van het domein zullen aan
dezelfde bepalingen worden onderworpen.”
Beslissing ten gronde 147/2022 - 5/8
AVG), hetwelk een geldige rechtsgrond vormt die de verwerking door de verweerder van de
persoonsgegevens aan de hand van de digitale membershipkaart kan rechtvaardigen. Aldus
komt vast te staan dat de verweerder geen inbreuk op artikel 6.1 AVG juncto artikel 13.1 c)
AVG heeft gepleegd.
b) Beginsel van minimale gegevensverwerking
20. De aanwezigheid van een rechtsgrond die de verweerder toelaat om tot
gegevensverwerking over te gaan in het licht van het door hem nagestreefde doeleinde, in
dit geval bestaande uit het toekennen van een voordeel aan de eigenaars en een beperkt
aantal verwanten door hen aan een gunstig tarief toegang te geven tot het zwembad, neemt
niet weg dat de verweerder gehouden is tot naleving van het beginsel van minimale
gegevensverwerking. Dit betekent dat de verweerder dient na te gaan op welke wijze het
doeleinde kan worden gerealiseerd aan de hand van gegevens die toereikend zijn, ter zake
dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt
(artikel 5.1 c) AVG).
21. Toegepast op de voorliggende klacht dient te worden nagegaan of de verweerder de foto’s
en de graad van verwantschap van de beoogde gebruikers van de membershipkaart mag
opvragen en vervolgens verwerken in een gegevensbestand met het oog op een
gecontroleerde toegang tot het zwembad aan het voordeeltarief om misbruik van de kaart
door derden te voorkomen. In het verleden werd immers meermaals vastgesteld dat derden
ongeoorloofd gebruik maakten van de kaart doordat sommige eigenaars de toen gangbare
papieren kaart met zwembeurten ter beschikking stelden aan de huurders van hun
vakantiewoning in het kader van particuliere verhuur. Uitgaande van het doeleinde
bestaande uit het afwenden van mogelijk misbruik van de kaart, dient te worden getoetst of
daartoe de verwerking van de betreffende foto’s en graad van verwantschap is vereist.
22. Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet
redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt4. Uit de feitelijke elementen van
4
Overweging 39 AVG.
“Elke verwerking van persoonsgegevens dient behoorlijk en rechtmatig te geschieden. Voor natuurlijke personen dient het
transparant te zijn dat hen betreffende persoonsgegevens worden verzameld, gebruikt, geraadpleegd of anderszins
verwerkt en in hoeverre de persoonsgegevens worden verwerkt of zullen worden verwerkt. Overeenkomstig het
transparantiebeginsel moeten informatie en communicatie in verband met de verwerking van die persoonsgegevens
eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn, en moet duidelijke en eenvoudige taal worden gebruikt. Dat beginsel betreft met
name het informeren van de betrokkenen over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de doeleinden van de
verwerking, alsook verdere informatie om te zorgen voor behoorlijke en transparante verwerking met betrekking tot de
natuurlijke personen in kwestie en hun recht om bevestiging en mededeling te krijgen van hun persoonsgegevens die
worden verwerkt. Natuurlijke personen moeten bewust worden gemaakt van de risico's, regels, waarborgen en rechten in
verband met de verwerking van persoonsgegevens, alsook van de wijze waarop zij hun rechten met betrekking tot deze
verwerking kunnen uitoefenen. Meer bepaald dienen de specifieke doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden
verwerkt, expliciet en gerechtvaardigd te zijn en te zijn vastgesteld wanneer de persoonsgegevens worden verzameld. De
persoonsgegevens dienen toereikend en ter zake dienend te zijn en beperkt te blijven tot wat noodzakelijk is voor de
doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Dit vereist met name dat ervoor wordt gezorgd dat de opslagperiode van de
persoonsgegevens tot een strikt minimum wordt beperkt. Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het
Beslissing ten gronde 147/2022 - 6/8
het dossier blijkt dat er nood is aan identificatie van de gebruikers van de kaart die zich
aanbieden bij het zwembad, zodat kan worden geverifieerd of de gebruikers daadwerkelijk
diegenen zijn die gerechtigd zijn om zich toegang te verschaffen tot het zwembad aan het
gunstige voordeeltarief en aldus misbruik kan worden uitgesloten. Dit vormt een
welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doeleinde in de zin van artikel 5.1
b) AVG5. Het staat vast dat de betrokken eigenaars, waaronder de klager, werden
aangeschreven door de verweerder waarbij in de brief werd toegelicht dat ingevolge
misbruik van de papieren kaart zou worden overgeschakeld naar een digitale kaart met
toelichting dat voortaan de foto’s van de begunstigden met aanduiding van de graad van
verwantschap daartoe nodig zou zijn.
23. Precies aangaande de noodzaak tot het verstrekken van foto’s met vermelding van de graad
van verwantschap en de verwerking ervan in een gegevensbestand met het oog op het
gebruik van de digitale kaart in het kader van het bestrijden van misbruik, geeft de
verweerder tijdens de hoorzitting aan te hebben onderzocht om de identiteitskaart als
middel voor toegangscontrole te gebruiken, maar dat de uitlezing ervan geenszins minder
privacy-schendend zou zijn, aangezien de identiteitskaart meer gegevens bevat dan nodig
voor toegangscontrole.
24. Dienaangaande wijst de Geschillenkamer erop dat het doeleinde zoals nagestreefd door de
verweerder wel degelijk kan worden bereikt door enkel en alleen de namen van de
begunstigden van het voordeeltarief te verwerken in een gegevensbestand dat is
gekoppeld aan een digitale kaart. Het volstaat immers dat de begunstigde van de kaart zich
aanbiedt aan het toegangsloket van het zwembad waar hem het voordeeltarief kan worden
toegekend mits het aanbieden van zijn digitale membershipkaart én op vertoon van zijn
identiteitskaart. Het is geenszins noodzakelijk dat de klager hierbij zijn identiteitskaart laat
‘uitlezen’ zoals de verweerder aanvoert, hetwelk een geautomatiseerde
gegevensverwerking impliceert overeenkomstig artikel 2.1 AVG. Het uitlezen van de
identiteitskaart zou immers tot gevolg hebben dat door middel van een e-ID kaartlezer, meer
gegevens worden verwerkt dan nodig voor het doeleinde, aangezien zich op de kaart veel
meer informatie bevindt dan deze die de verweerder meent nodig te hebben.
25. De Geschillenkamer stelt dat het voldoende is dat de namen van de begunstigden worden
verwerkt door middel van de membershipkaart en kunnen worden geraadpleegd door de
doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt. Om ervoor te zorgen dat
persoonsgegevens niet langer worden bewaard dan noodzakelijk is, dient de verwerkingsverantwoordelijke termijnen vast
te stellen voor het wissen van gegevens of voor een periodieke toetsing ervan. Alle redelijke maatregelen moeten worden
genomen om ervoor te zorgen dat onjuiste persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist. Persoonsgegevens moeten
worden verwerkt op een manier die een passende beveiliging en vertrouwelijkheid van die gegevens waarborgt, ook ter
voorkoming van ongeoorloofde toegang tot of het ongeoorloofde gebruik van persoonsgegevens en de apparatuur die voor
de verwerking wordt gebruikt.” [eigen onderlijning]
5
Zie in dit verband ook overweging 39 AVG waarin is opgenomen: “[…] Meer bepaald dienen de specifieke doeleinden
waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt, expliciet en gerechtvaardigd te zijn en te zijn vastgesteld wanneer de
persoonsgegevens worden verzameld. […]”
Beslissing ten gronde 147/2022 - 7/8
receptioniste. Teneinde na te gaan of diegene die de membershipkaart aanbiedt wel degelijk
een begunstigde van het voordeeltarief is, biedt een louter visuele controle van de
identiteitskaart waarop zowel de naam als de foto van de betrokkene zichtbaar staan
vermeld, de garantie op correcte identificatie. Het verwerken van foto’s van de
begunstigden kan dus geenszins worden aangemerkt als ter zake dienend en noodzakelijk
voor de realisatie van het nagestreefde doeleinde. De combinatie van enerzijds de
verwerking van de namen van de begunstigden van het voordeeltarief door middel van de
membershipkaart die is gekoppeld aan een gegevensbestand, hetwelk een
gegevensverwerking uitmaakt in de zin van artikel 4. 2) AVG, en anderzijds de visuele
controle van de identiteitskaart waarop zich tevens de naam van de begunstigde bevindt,
alsmede de foto aan de hand waarvan kan worden nagegaan of de persoon die zich aanbiedt
aan het toegangsloket daadwerkelijk diegene is aan wie die naam en foto toebehoren en
aldus gerechtigd is gebruik te maken van de membershipkaart, is afdoende om misbruik
tegen te gaan. Een louter visuele controle waarbij de fysieke gelijkenissen worden nagegaan
van diegene die toegang wenst en de foto op de identiteitskaart, valt niet onder het
toepassingsgebied van de AVG, vermits dergelijke controle niet gepaard gaat met enige
vorm van verwerking in de zin van artikel 2.1 AVG. In geval van verificatie van de identiteit de
visu, is er immers geen sprake van een geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking,
noch van een verwerking die in een bestand is opgenomen of bedoeld om daarin te worden
opgenomen. Hieruit volgt dat met deze werkwijze het beoogde doel kan worden bereikt op
een minder privacy-schendende manier dan deze die de verweerder thans aanwendt.
26. Dit geldt evenzeer voor de verwerking van de graad van verwantschap waarvan de
verwerking evenmin ter zake dienend en noodzakelijk is in het licht van het doeleinde. De
mededeling van de graad van verwantschap voor elke begunstigde, zoals gevraagd door de
verweerder, is gebaseerd op de eenvoudige “verklaring op eer” van de eigenaar van het
vakantiehuis. De Geschillenkamer is van oordeel dat het volstaat dat de eigenaar van het
vakantiehuis enkel de namen opgeeft van zijn verwanten in de 1e en 2e graad zonder dat hij
voor elk van hen de precieze graad dient te vermelden. De aanduiding van de
verwantschapsgraad biedt geen enkele toegevoegde waarde, aangezien dit gegeven niet
aan enige controle kan worden onderworpen gelet op het feit dat het niet-geverifieerde
informatie betreft die door de eigenaar zelf dient te worden verstrekt, dewelke niet objectief
kan worden vastgesteld door de verweerder aan de hand van enig document. Dit leidt ertoe
dat de Geschillenkamer van oordeel is dat ook voor wat betreft de verwantschapsgraad de
verwerking van enkel de namen van de begunstigden volstaat zonder verdere specificatie
van de graad van verwantschap.
27. Ingevolge het feit dat het doeleinde van de verweerder kan worden gerealiseerd zonder
verwerking van de foto’s van de begunstigden van de membershipkaart en hun graad van
Beslissing ten gronde 147/2022 - 8/8
verwantschap, komt vast te staan dat de verweerder een inbreuk op artikel 5.1 c) AVG heeft
gepleegd.
III. Publicatie van de beslissing
28. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om
op grond van art. 100, §1, 9° WOG, de verweerder te bevelen dat de verwerking in
overeenstemming wordt gebracht met artikel 5.1, c) AVG, en wel binnen een termijn van
twee maanden, en de Gegevensbeschermingsautoriteit daarover binnen dezelfde termijn te
informeren.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van
beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 6. Het
verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.7, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
6
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
7
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief
gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.