1/13
Geschillenkamer
Beslissing 11/2026 van 27 januari 2026
Dossiernummer : DOS-2024-02593
Betreft : Klacht inzake de doorgifte van persoonsgegevens aan de lokale politie voor het
weren van rivaliserende supporters uit de thuisvakken
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 20191;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”
De verweerder: Y, met maatschappelijke zetel en vestiging te […], met ondernemingsnummer
[…], hierna “de verweerder”
1
Het nieuwe Reglement van Interne Orde (“RIO”), na de wijzigingen die zijn aangebracht door de wet van 25 december 2023
tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) zijn van kracht
geworden op 1 juni 2016.
In overeenstemming met artikel 56 van de wet van 25 december 2023 is het nieuwe RIO alleen van toepassing op klachten,
bemiddelingen, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die op of na die datum zijn gestart:
https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde-van-de-
gegevensbeschermingsautoriteit.pdf
Zaken ingeleid vóór 1 juni 2024, zoals in voorliggend geval, zijn onderworpen aan de bepalingen van de WOG zoals deze niet
gewijzigd werden door de wet van 25 december 2023 en het RIO zoals dat vóór die datum bestond:
https://gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde.pdf
Beslissing 11/2026 — 2/13
I. Feiten en procedure
1. Op 30 mei 2024 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen
de verweerder.
2. De verweerder is een professionele voetbalclub uitkomende in de Belgische tweede klasse.
De klager is werknemer bij één van de hoofdsponsors van de verweerder. De klager zou een
voetbalwedstrijd bijwonen in het kader van een activiteit die werd georganiseerd door zijn
werkgever, die als hoofdsponsor tickets kon bekomen van de verweerder. Op 11 april 2024
verneemt de klager via zijn werkgever dat zijn ticket werd geannuleerd en hij de wedstrijd
niet zal kunnen bijwonen, gelet op het feit dat hij geregistreerd staat als supporter van de
rivaliserende voetbalclub. Deze informatie werd aan werkgever van de klager meegedeeld
door de ticket- en veiligheidsverantwoordelijke van de verweerder. Wanneer de klager
contact opneemt met de verweerder om zich te informeren over de wijze waarop zij die
gegevens heeft verkregen, geeft de verweerder aan dat deze zijn verkregen als gevolg van
een politiecontrole. De klager twijfelt of de doorgifte van zijn persoonsgegevens aan de
politie rechtmatig gebeurde en heeft een vermoeden dat de doorgifte van zijn
persoonsgegevens door de verweerder aan zijn werkgever een inbreuk vormt op de AVG.
3. Op 25 juni 2024 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 van de WOG2 en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 van
de WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 20 januari 2025 zijn de partijen conform artikel 95, §2 WOG geïnformeerd over het feit
dat een dossier werd geopend naar aanleiding van deze klacht, alsook over de inhoud van de
klacht. Met dit schrijven heeft de Geschillenkamer de verwerende partij de mogelijkheid
geboden om haar opmerkingen omtrent de klacht te formuleren.
5. Op 23 januari 2025 ontvangt de Geschillenkamer de opmerkingen van de verweerder op
deze kennisgeving, alsook de bewijsstukken die zij gebruikt om haar opmerkingen te staven.
De verweerder legt uit dat de betrokken voetbalwedstrijd een risicowedstrijd betrof. Om die
reden diende de verweerder de ticketlijsten over te maken aan de lokale politie, zodat deze
kon nagaan of er geen supporters van de rivaliserende voetbalclub zouden plaatsnemen
tussen de thuissupporters. De verweerder legt uit dat uitsupporters omwille van
veiligheidsredenen steeds dienen plaats te nemen in het bezoekersvak. Uit de stukken blijkt
dat de verweerder de naam, voornaam en geboortedatum van de klager aan de lokale politie
doorstuurde ter controle.
6. Op 6 maart 2025 beslist de Geschillenkamer, overeenkomstig artikel 94, §1, 1° WOG, om
informatie op te vragen bij de verweerder om de omvang van het geschil te kunnen
2
Overeenkomstig artikel 61 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat de klacht ontvankelijk is
verklaard.
Beslissing 11/2026 — 3/13
vaststellen. In dit schrijven legt de Geschillenkamer uit dat het haar onduidelijk blijft op welke
rechtsgrond zoals bedoeld in artikel 6.1. AVG de verweerder zich beroept om
persoonsgegevens van supporters door te sturen naar de lokale politie met het oog op een
screening door laatstgenoemde.
7. Op 7 maart 2025 ontvangt de Geschillenkamer het antwoord van de verweerder op deze
informatievraag. De verweerder voert aan dat de rechtsgrond voor voornoemde
gegevensverwerking artikel 6.1. c) en e) AVG is. In het bijzonder beroept de verweerder zich
op artikel 10, §1, 4° van de Wet betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden van 21
december 1998.
8. Ingevolge artikel 95, § 2, 3° van de WOG alsmede artikel 47 van het reglement van interne
orde van de GBA kunnen de partijen om een afschrift van het dossier verzoeken. Indien één
van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het
kopiëren van het dossier, dient deze zich te wenden tot het griffie van de Geschillenkamer,
bij voorkeur via [email protected].
II. Motivering
II.1. Wat betreft de doorgifte van persoonsgegevens aan de werkgever van de klager
9. Wat betreft de doorgifte van de informatie aan de werkgever van de klager, wijst de
Geschillenkamer erop dat het beginsel van minimale gegevensverwerking, vastgelegd in
artikel 5.1. c) van de AVG, voorschrijft dat persoonsgegevens toereikend, ter zake dienend
en beperkt moeten zijn tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden
verwerkt. Overweging 39 van de AVG voegt hieraan toe dat persoonsgegevens enkel
mogen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere
wijze kan worden verwezenlijkt.
10. In casu kan gesteld worden dat de doorgifte van de persoonsgegevens van de klager tot
doel had diens werkgever ervan te informeren dat zijn werknemer niet zal kunnen
deelnemen aan de activiteit die door hem werd georganiseerd, en dat het gereserveerde
ticket daarom werd geannuleerd. De Geschillenkamer is van mening dat de informatie die
werd verstrekt door de verweerder, inclusief de mededeling dat de klager geregistreerd
staat als supporter van de rivaliserende voetbalclub, dit doel te buiten gaat. In het bijzonder
was informatie over de concrete reden waarom de klager niet kon deelnemen, namelijk
diens supportersregistratie, niet noodzakelijk om de werkgever toe te laten kennis te nemen
van of gevolg te geven aan de annulering van het ticket. De verweerder had er bijvoorbeeld
ook mee kunnen volstaan de klager zelf te informeren. Bijgevolg stelt de Geschillenkamer
prima facie vast dat de verwerking niet beperkt bleef tot wat ter zake dienend en
Beslissing 11/2026 — 4/13
noodzakelijk is, zoals vereist door artikel 5.1. c) van de AVG, zodat mogelijk sprake is van een
inbreuk op het beginsel van minimale gegevensverwerking.
11. Overeenkomstig artikel 95, § 1, 4° van de WOG en artikel 58.2.a) van de AVG heeft de
Geschillenkamer de bevoegdheid om een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker
te waarschuwen dat de voorgenomen verwerkingsactiviteiten mogelijk in strijd zijn met de
bepalingen van de AVG.
12. Op basis van bovenstaande feiten is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerder
artikel 5.1. c) van de AVG dreigt te schenden door persoonsgegevens van de klager aan diens
werkgever mee te delen die het doel van de verwerking te buiten gaan. Voorgaande
rechtvaardigt dat een waarschuwing wordt gegeven zodat de verweerder er in de toekomst
voor zorgt dat zij het beginsel van minimale gegevensverwerking, zoals vastgelegd in artikel
5.1. c) van de AVG, respecteert wanneer zij tickets annuleert.
13. Deze waarschuwingsbeslissing heeft tot doel de verweerder, die vermoedelijk
verantwoordelijk is voor de verwerking, te herinneren aan haar verplichting om de
bovengenoemde bepalingen van de AVG na te leven, zodat zij in de toekomst aan deze
bepalingen kan voldoen in het kader van de verwerkingsactiviteiten die in deze zaak aan de
orde zijn.
II.2. Wat betreft de rechtmatigheid van de doorgifte van persoonsgegevens aan de lokale
politie
De toepasselijke rechtsgrond
14. De Geschillenkamer herinnert eraan dat ingevolge artikel 5.1. a) AVG elke verwerking van
persoonsgegevens moet berusten op een rechtmatige grondslag (het
rechtmatigheidsbeginsel). Dit houdt concreet in dat een verwerkingsverantwoordelijke niet
mag starten of doorgaan met een verwerking zonder zich te beroepen op één van de in
artikel 6.1 AVG opgesomde rechtsgronden.
15. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder zich uitdrukkelijk beroept op artikel 6.1. c)
en e) AVG om de doorgifte van de persoonsgegevens van de klager aan de lokale politie te
rechtvaardigen. De verweerder voert aan dat de plaatsen in de thuisvakken bestemd zijn
voor haar eigen supporters en voor neutrale supporters, terwijl uitsupporters omwille van
veiligheidsoverwegingen dienen plaats te nemen in het bezoekersvak. Gezien de wedstrijd
in casu een risicowedstrijd betrof, stelt de verweerder dat zij ertoe verplicht was om de
ticketlijsten van de thuisvakken door te geven aan de lokale politie. Deze kan op die manier
controleren of er supporters van de rivaliserende voetbalclub tussen de thuisfans zullen
plaatsnemen. Indien dit zich voordoet, zou de verweerder ertoe verplicht zijn om de
betrokken tickets te annuleren, hetgeen in casu met betrekking tot de klager is gebeurd.
Beslissing 11/2026 — 5/13
16. De Geschillenkamer heeft er in haar eerdere beslissingen 3 reeds op gewezen dat de
verwerkingsverantwoordelijke voorafgaand aan de verwerking één rechtmatige
rechtsgrond dient aan te wijzen op basis waarvan zij de verwerking van persoonsgegevens
wenst uit te voeren. De verschillende rechtmatigheidsgrondslagen brengen verschillende
gevolgen met zich mee, met name wat de rechten van de betrokkenen betreft. Om
voornoemde reden is het niet toegestaan dat een verwerkingsverantwoordelijke zich,
afhankelijk van de omstandigheden, beroept op meerdere rechtsgronden voor éénzelfde
verwerking. Bovendien herinnert de Geschillenkamer eraan dat de keuze voor de gepaste
rechtsgrond vóór de aanvang van de verwerkingsactiviteit moet worden gemaakt en
opgenomen moet worden in de privacyverklaring van de verwerkingsverantwoordelijke. 4 Uit
voorgaande volgt dat de verweerder zich in casu niet tegelijk kan beroepen op artikelen 6.1.
c) en 6.1. e) AVG voor de doorgifte van persoonsgegevens aan de lokale politie.
17. Gelet op het antwoord van de verweerder van 7 maart 2025, stelt de Geschillenkamer vast
dat zij zich voor de doorgifte beroept op artikel 10, §1, 4° van de Wet betreffende de
veiligheid bij voetbalwedstrijden van 21 december 1998. 5 Dat artikel luidt als volgt:
Art. 10. § 1. De organisatoren van een nationale of internationale voetbalwedstrijd of van een
voetbalwedstrijd waaraan minstens één ploeg uit de derde nationale afdeling deelneemt,
nemen tenminste de volgende maatregelen:
[…]
4° het nemen van actieve en passieve veiligheidsmaatregelen die de veiligheid van het
publiek en de hulp- en politiediensten beogen door de beheersing van de beweging van
toeschouwers, de scheiding van rivaliserende toeschouwers, en de concrete
tenuitvoerlegging van het reglement van inwendige orde.
[…]
18. Gelet op die bewoording is de Geschillenkamer prima facie van oordeel dat de betwiste
verwerking van persoonsgegevens niet kan steunen op artikel 6.1. c) AVG. Een norm die een
wettelijke verplichting oplegt, moet enerzijds het concrete doel preciseren waarvoor de
verplichte gegevensverwerking moet worden uitgevoerd, en moet anderzijds duidelijk en
nauwkeurig zijn, zodat de verwerkingsverantwoordelijke in principe geen
beoordelingsmarge heeft met betrekking tot de manier waarop de verwerking van
persoonsgegevens, die nodig is om aan zijn wettelijke verplichting te voldoen, wordt
3
Beslissing ten gronde 55/2021 d.d. 22 april 2021 van de Geschillenkamer; Beslissing ten gronde 138/2021 d.d. 8 december
2021 van de Geschillenkamer.
4
Art. 13.1, c) en 14.1 c) van de AVG.
5
Wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, B.S. 3 februari 1999, p. 3042 (hierna ‘de
Voetbalwet’).
Beslissing 11/2026 — 6/13
uitgevoerd.6 De Geschillenkamer stelt prima facie vast dat het voornoemde artikel van de
Voetbalwet niet verplicht tot een welbepaalde verwerking van persoonsgegevens en
derhalve geen wettelijke basis kan vormen voor de litigieuze verwerking onder 6.1. c)
AVG.
19. Uiteraard staat buiten twijfel dat de veiligheid van toeschouwers en hulp- en
politiediensten daarentegen wel een taak van algemeen belang is, hetgeen in beginsel een
verwerking op basis van artikel 6.1 e) AVG mogelijk maakt. De toepassing van artikel 6.1 e)
AVG veronderstelt echter de vervulling van enkele in de AVG opgesomde voorwaarden,
dewelke de Geschillenkamer zal verifiëren.
20. Vooreerst stelt de Geschillenkamer vast dat artikel 10, §1, 4° van de Voetbalwet
organisatoren van nationale voetbalwedstrijden onder andere verplicht om rivaliserende
toeschouwers van elkaar scheiden, met als doel de veiligheid van het publiek en van de hulp-
en politiediensten te garanderen. De Geschillenkamer stelt vast dat artikel 2, 1° van die wet
een ‘nationale voetbalwedstrijd’ definieert als ‘een voetbalwedstrijd waaraan ten minste één
club uit een van de hoogste twee nationale afdelingen deelneemt’. Artikel 2, 4° van de
Voetbalwet definieert ‘organisator’ als ‘de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
nationale voetbalwedstrijd of een internationale voetbalwedstrijd geheel of ten dele
organiseert of laat organiseren, op eigen initiatief of op initiatief van een derde’. Gezien de
verweerder een professionele voetbalclub is uitkomende in de Belgische tweede klasse,
concludeert de Geschillenkamer dat de verweerder een organisator van een nationale
voetbalwedstrijd in de zin van de Voetbalwet is, die in overeenstemming met artikel 10, 4°
verplicht is om actieve veiligheidsmaatregelen te nemen, waaronder het scheiden van
rivaliserende toeschouwers, met als doel voornoemde taak van algemeen belang te
vervullen.
21. De Geschillenkamer wijst erop dat wanneer een gegevensverwerking wordt verricht omdat
deze noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang (art. 6.1 e) AVG),
de verwerking een juridische basis moet hebben in het Unierecht of het nationale recht.7 De
Geschillenkamer wijst er in dit verband op dat overeenkomstig artikel 6.3. AVG, gelezen in
samenhang met artikel 22 van de Grondwet en in het licht van de artikelen 7 en 8 van het
EU-grondrechtenhandvest, een wetgevende norm de essentiële kenmerken van een
gegevensverwerking moet vastleggen die noodzakelijk is voor de uitvoering van een taak
van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de
verwerkingsverantwoordelijke is toevertrouwd.8 De Geschillenkamer benadrukt dat de
betrokken verwerking dient te worden omkaderd door een norm die voldoende duidelijk en
6
GBA, Standaardadvies 65/2024 van 24 maart 2023 Bijgewerkte versie – zitting van 29 september 2023 betreffende ‘de
redactie van normatieve teksten’, p. 5, https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-65-2023.pdf
7
Art. 6.3 AVG j° overw. 45 AVG
8
Zie ook de adviezen van het Kenniscentrum van de GBA 36/2020, 42/2020, 44/2020, 46/2020, 52/2020 en 64/2020.
Beslissing 11/2026 — 7/13
nauwkeurig is en waarvan de toepassing voor de betrokken personen voorzienbaar is.
Concreet vereist de AVG dat het Unierecht of het nationale recht waarop de verwerking
steunt minstens het doel van de verwerking moet bepalen. De toepasselijke wetgeving kan
daarnaast een nadere omschrijving geven van de algemene voorwaarden van de AVG
waaraan de gegevensverwerking moet voldoen om rechtmatig te zijn, zoals: de identiteit van
de verwerkingsverantwoordelijke, de categorieën van verwerkte persoonsgegevens, de
categorieën van betrokkenen van wie persoonsgegevens zullen worden verwerkt, de
ontvangers of categorieën van ontvangers waaraan de persoonsgegevens mogen worden
meegedeeld, de bewaartermijn van de gegevens, de omstandigheden waarin en de redenen
waarvoor ze zullen worden meegedeeld, alsook de eventuele beperking van de
verplichtingen en/of rechten vermeld in de artikelen 5, 12 t.e.m. 22, en 34 van de AVG. 9
22. De Geschillenkamer merkt in dit verband evenwel op dat de taken van algemeen belang of
van openbaar gezag waarmee verwerkingsverantwoordelijken worden belast, dikwijls
steunen op wetgevende bepalingen die niet voldoen aan de in randnummer 21
uiteengezette vereisten, in het bijzonder doordat het doel en/of de essentiële kenmerken
van de betrokken gegevensverwerking op onvoldoende nauwkeurige wijze werden
vastgelegd. Veeleer vinden verwerkingen plaats op basis van een meer algemene
machtiging om te handelen, zoals voor de vervulling van de taak noodzakelijk is. Dit leidt
ertoe dat de desbetreffende wettelijke basis in de praktijk veelal geen concreet
omschreven bepalingen bevat omtrent de noodzakelijke gegevensverwerkingen. De
verwerkingsverantwoordelijke die op basis van dergelijke wettelijke grondslag beroep wilt
doen op artikel 6.1. e) AVG, moet dan zelf de afweging maken of de verwerking die hij voor
ogen heeft noodzakelijkheid is om haar taak van algemeen belang te vervullen. 10
23. De Geschillenkamer erkent in onderhavig geval dat de wetgever de taak van algemeen
belang zoals bedoeld in artikel 10, § 1, 4° van de Voetbalwet in ruime en algemene
bewoordingen heeft omschreven. Voorop staat dat het doel, genoemd in punt 19 hierboven
voldoende duidelijk is omschreven, zoals vereist in artikel 6.3 AVG. Het betrokken artikel
beperkt zich er verder toe te bepalen dat de organisator van een voetbalwedstrijd
gehouden is tot het nemen van “actieve en passieve veiligheidsmaatregelen” ter
waarborging van de veiligheid van het publiek en van de hulp- en politiediensten, waaronder
onder meer de scheiding van rivaliserende supporters. Hoewel de Geschillenkamer prima
9
GBA, Brochure inzake de adviespraktijk van de Autorisatie- en Adviesdienst, 1 september 2024, p. 21,
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/brochure-publieke-sector-en-wettelijke-bepalingen.pdf , “De
legaliteits- en voorzienbaarheidsbeginselen zijn niet alleen dwingend, maar ook algemeen in die zin dat ze van toepassing zijn
in de beide gevallen bedoeld in artikel 6, lid 1, c) en e), AVG. Met andere woorden, de voornoemde beginselen moeten worden
gerespecteerd ongeacht of de verwerking een taak van algemeen belang van de betrokken overheid betreft, dan wel een
wettelijke verplichting van laatstgenoemde.”
10
Zie ook beslissing ten gronde 124/2021 van de Geschillenkamer dd. 10 november 2021; Beslissing ten gronde 138/2021 van
de Geschillenkamer dd. 8 december 2021; Beslissing ten gronde 150/2024 van de Geschillenkamer dd. 4 december 2024;
Beslissing ten gronde 171/2024 van de Geschillenkamer dd. 19 december 2024
Beslissing 11/2026 — 8/13
facie van oordeel is dat het doel van deze maatregelen voldoende duidelijk is, heeft de
wetgever nagelaten de aard, de draagwijdte en de concrete modaliteiten ervan nader te
preciseren. In het bijzonder bevat artikel 10, § 1, 4° van de Voetbalwet geen expliciete
verwijzing naar de verwerking van persoonsgegevens, noch enige aanwijzing waaruit kan
worden afgeleid of en in welke mate dergelijke verwerkingen in het kader van deze
veiligheidsmaatregelen zijn beoogd. Aldus is de Geschillenkamer van oordeel dat het de
verweerder toekomt om zelf te bepalen of de verwerking in casu noodzakelijk en
evenredig was voor de vervulling van haar taak van algemeen belang, rekening houdend
met de mate van inmenging in de rechten en vrijheden van de betrokkenen.
De noodzakelijkheid voor de taak van algemeen belang
24. In wezen moet worden onderzocht of de doorgifte van persoonsgegevens aan de lokale
politie een noodzakelijke en evenredige maatregel was om rivaliserende supporters van
elkaar te scheiden, teneinde de veiligheid van toeschouwers en hulp- en politiediensten te
garanderen. Ingevolge het arrest “Schecke” van het Hof van Justitie geldt dat een
verwerking niet als noodzakelijk kan worden beschouwd indien er alternatieve
maatregelen denkbaar zijn die een minder ingrijpende inmenging in de rechten en vrijheden
van de betrokkenen meebrengen en tegelijkertijd doeltreffend bijdragen aan de vervulling
van de taak van algemeen belang.11
25. Hiertoe merkt de Geschillenkamer op dat de wijze waarop uitvoering dient gegeven te
worden aan artikel 10, §1, 4° van de Voetbalwet, en in het bijzonder “de scheiding van
rivaliserende toeschouwers”, nader blijkt uit gelieerde uitvoeringsregelgeving. Zo merkt de
Geschillenkamer op dat artikel 7, 2° van het Koninklijk Besluit houdende de regels voor het
ticketbeheer ter gelegenheid van voetbalwedstrijden van 5 juli 2005 12 de organisator van
een voetbalwedstrijd de verplichting oplegt om alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen
te nemen bij het toekennen van plaatsen aan toeschouwers teneinde de rivaliserende
supporters te scheiden, coherent met de infrastructuur van het stadion en met de
bestaande afscheidingen in de tribunes. Gelet op de Ministeriële Omzendbrief13 die de
uitvoering van voornoemd Koninklijk Besluit regelt, stelt de Geschillenkamer vast dat het
gaat om een middelenverbintenis die rust op de organisator van een voetbalwedstrijd, die
op basis van de concrete feiten geval per geval moet worden beoordeeld. Uit die
verbintenis vloeit voort dat de organisator alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen dient
te nemen om rivaliserende supporters te scheiden, hetgeen betekent dat geen
11
HvJEU Arrest van 9 november 2010, Schecke, gevoegde zaken C-92/09 en C-93/09, §86
12
Koninklijk Besluit van 2 juli 2005 houdende de regels voor het ticketbeheer ter gelegenheid van voetbalwedstrijden, B.S. 4
augustus 2005, p. 34213
13
Omzendbrief OOP 34 van 21 februari 2006 houdende specificaties bij de uitvoering van het koninklijk besluit van 20 juli 2005
houdende de regels voor het ticketbeheer ter gelegenheid van voetbalwedstrijden, B.S. 1 maart 2006, p. 12398
Beslissing 11/2026 — 9/13
toegangsbewijzen kunnen worden toebedeeld voor de compartimenten van de ene ploeg,
aan toeschouwers waarvan men wist of moet weten dat deze supporter zijn van de andere
ploeg. In de Ministeriële Omzendbrief worden tevens voorbeelden van maatregelen
opgesomd die een organisator zou kunnen treffen om aan voornoemde
middelenverbintenis te voldoen: “De organisator kan hiervoor afgaan op bepaalde uiterlijke
kenmerken, bepaalde gedragingen van supporters dan wel, ingeval van twijfel, het vragen
van de supporterskeuze. Een discriminatie inzake de toegangsprijzen voor thuissupporters
en bezoekende supporters kan tevens een supportersvermenging tot gevolg hebben, en
zou bijgevolg eveneens een element kunnen vormen om te bepalen of de organisator al dan
niet zijn middelenverbintenis heeft nageleefd.”.14
26. De Geschillenkamer merkt op dat, hoewel de Ministeriële Omzendbrief de mogelijke
maatregelen niet-limitatief opsomt15, deze wel een nuttige indicatie geeft van de aard en de
omvang van de maatregelen die een organisator kan treffen om rivaliserende supporters te
scheiden. Opnieuw merkt de Geschillenkamer op dat op geen enkele wijze gewag wordt
gemaakt van het feit dat het scheiden van rivaliserende supporters mogelijks gepaard kan
gaan met een verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast merkt de Geschillenkamer op
dat de genoemde maatregelen er eerder op gericht zijn om groepen rivaliserende
supporters van elkaar te scheiden en niet op het weren van individuele supporters die,
zonder deel uit te maken van dergelijke groepen, (toevallig) geregistreerd staan als
supporter van de rivaliserende ploeg. A contrario kan worden vastgesteld dat de Ministeriële
Omzendbrief voor wat betreft de controle op stadionverboden wél impliciet verwijst naar
een verwerking van persoonsgegevens: “Voor wat betreft de verdeling van
toegangsbewijzen in voorverkoop en abonnementen, dient er een controle te gebeuren van
diegenen die zich dienen te identificeren met de lijst van stadionverboden. Het abonnement
van personen met een stadionverbod dient daarenboven te worden ingetrokken.”.
27. In het licht van het voorgaande is de Geschillenkamer prima facie van oordeel dat artikel 10,
§ 1, 4° van de Voetbalwet, gelezen in samenhang met de artikelen 6.1, e) en 6.3 van de AVG,
geen toereikende rechtsgrond vormt voor het verzamelen en delen van persoonsgegevens
van de klager met de lokale politie met het oog op de waarborging van de veiligheid van het
publiek en die van de hulp- en politiediensten tijdens een voetbalwedstrijd. Meer bepaald
oordeelt de Geschillenkamer dat dergelijke doorgifte van persoonsgegevens a priori een
verwerking betreft die niet strikt noodzakelijk is voor de vervulling van voornoemde taak
van algemeen belang. De verweerder voert dienaangaande niet aan dat zonder deze
doorgifte de nagestreefde taak van algemeen belang niet zou kunnen worden bereikt.
Integendeel blijkt uit de aangehaalde uitvoeringsbesluiten dat er verschillende alternatieve
14
Ibid, p. 12400
15
Dit leidt de Geschillenkamer af uit de bewoording “alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen” die de opsomming voorafgaat.
Beslissing 11/2026 — 10/13
en minder ingrijpende maatregelen voorhanden zijn die volstaan om rivaliserende
supporters van elkaar te scheiden om zodoende de veiligheid te garanderen zoals vereist
door artikel 10, §1, 4° van de Voetbalwet. Deze vaststellingen rechtvaardigen dat de
Geschillenkamer overgaat tot het nemen van een beslissing op grond van artikel 95, § 1,
4° van de WOG, en meer bepaald tot het formuleren van een waarschuwing ten aanzien
van de verweerder. De Geschillenkamer merkt volledigheidshalve op dat zij zich in deze
prima facie-beslissing uitsluitend uitspreekt over de door de verweerder aangevoerde
rechtsgrond, met name artikel 10, §1, 4° van de Voetbalwet. Daarbij sluit zij niet uit dat het
verzamelen en ter beschikking stellen van persoonsgegevens aan de lokale politie, met het
oog op een voorafgaande controle, eventueel op een andere rechtsgrond zou kunnen
steunen. Een dergelijk onderzoek valt echter buiten het voorwerp van deze beslissing.
28. Overeenkomstig artikel 95, § 1, 4° van de WOG en artikel 58.2.a) van de AVG heeft de
Geschillenkamer de bevoegdheid om een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker
te waarschuwen dat de voorgenomen verwerkingsactiviteiten mogelijks in strijd zijn met de
bepalingen van de AVG.
29. Op basis van de bovenstaande feiten is de Geschillenkamer prima facie van oordeel dat de
verweerder het risico loopt artikel 6.1 e) juncto artikel 6.3 van de AVG te schenden indien zij
zich in de toekomst blijft beroepen op artikel 10, §1, 4° van de Voetbalwet voor de doorgifte
van persoonsgegevens van supporters aan de lokale politie, en dit bij gebreke aan nadere
uitvoeringsbesluiten die dergelijke doorgifte noodzakelijk stelt voor de vervulling van
voornoemde taak van algemeen belang. Voorgaande rechtvaardigt dat aan de verweerder
een waarschuwing wordt opgelegd, teneinde haar ertoe aan te zetten er in de toekomst op
toe te zien dat elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van
veiligheidsmaatregelen bij voetbalwedstrijden uitsluitend plaatsvindt op basis van een
geldige rechtsgrond in de zin van de AVG, dan wel, bij gebreke daaraan, van dergelijke
verwerkingen af te zien.
30. Deze waarschuwingsbeslissing heeft tot doel de verweerder, die vermoedelijk
verantwoordelijk is voor de verwerking, te herinneren aan haar verplichting om de
bovengenoemde bepalingen van de AVG na te leven, zodat zij in de toekomst aan deze
bepalingen kan voldoen in het kader van de verwerkingsactiviteiten die in deze zaak aan de
orde zijn.
31. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 van de WOG op grond van de door de klager ingediende klacht,
in het kader van de “procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde” 16 en geen
beslissing ten gronde van de Geschillenkamer in de zin van artikel 100 van de WOG.
16
Afdeling 3, Onderafdeling 2 van de WOG (artikelen 94 t.e.m. 97).
Beslissing 11/2026 — 11/13
32. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verweerder in kennis te stellen van het feit dat deze
waarschijnlijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de
mogelijkheid te stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen, of
dergelijke inbreuken in de toekomst te vermijden.
33. Indien de verweerder niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige prima facie
beslissing en van mening is dat zij feitelijke en/of juridische argumenten kan aanvoeren die
tot een nieuwe beslissing zouden kunnen leiden, kan zij een verzoek tot heroverweging
indienen bij de Geschillenkamer volgens de procedure vastgesteld in de artikelen 98 juncto
99 van de WOG, bekend als een “behandeling ten gronde”. Dit verzoek moet worden
gestuurd naar het e-mailadres [email protected] binnen een termijn van 30
dagen na kennisgeving van dit prima facie besluit. Indien van toepassing, wordt de uitvoering
van dit besluit opgeschort gedurende de bovengenoemde periode.
34. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de
Geschillenkamer de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 van de
WOG uitnodigen hun verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten
bij het dossier te voegen. De onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief
opgeschort.
35. Tot slot wijst de Geschillenkamer er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde
van de zaak kan leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 van de
WOG17.
III. Publicatie van de beslissing
36. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
17
Artikel 100. § 1. De Geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de
gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te
bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het
gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
Beslissing 11/2026 — 13/13
verzoekschrift tot tussenkomst moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.19, of via het e-Deposit informatiesysteem
van het Ministerie van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(Get). Hielke HIJMANS
Directeur van de Geschillenkamer
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
19
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.