Beslissing ten gronde 02/2021-1/26
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 02/2021 van 12 januari 2021
Dossiernummer : DOS-2020-01192
Betreft : Klacht wegens het beheren van een fanpagina op Facebook zonder toestemming
van de betrokkene wiens naam de pagina draagt
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna
WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
.
.
.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 2/26
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
- mevrouw x , vertegenwoordigd door mr. Philippe Billiet, hierna “de klager”, tegen
- de heer y1 , hierna “de eerste verweerder”, en de onderneming y2, hierna “de tweede
verweerder”, gezamenlijk als “de verweerders”, beiden vertegenwoordigd door mr. Caroline
Curtis.
1. Omvang van het geding
1. Het dossier werd aanhangig gemaakt bij de Geschillenkamer ingevolge een klacht tegen de
verweerders, overeenkomstig artikel 92, 1° WOG. Het voorwerp van de klacht heeft betrekking
op aspecten inzake de bescherming van persoonsgegevens in het kader van (het beheer over)
een Facebook fanpagina. Er werd door de Geschillenkamer geen onderzoek gevraagd aan de
Inspectiedienst als bedoeld in artikel 94, 1° WOG. De Geschillenkamer zal elementen in het dossier
die niet gerelateerd zijn aan het voorwerp van de initiële klacht niet behandelen in de onderhavige
beslissing.
2. Feiten en procedure
Feiten
2. De klacht betreft het verwerken van de persoonsgegevens van de klager via een fanpagina op
Facebook die haar naam en voornaam draagt. Het gaat met name om de fanpagina die te vinden
is via de hyperlink [..].
3. Bij de klacht wordt een stuk gevoegd waarop duidelijk te zien is dat de naam van de pagina de
volledige naam en voornaam van de klager weergeeft, en dus niet beperkt is tot de initialen van
de klager, zoals in de hyperlink van de webpagina.
4. De rechten voor het beheren van de fanpagina zijn volgens de klager toegewezen aan minstens
één van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. De klager werpt op dat de verwerking
niet rechtmatig is overeenkomstig artikel 6 AVG. De klager wenst dat deze rechten voor het
beheren van de fanpagina aan haar worden overgedragen, zodat zij zelf het beheer kan uitoefenen
over de fanpagina die haar naam en voornaam draagt.
5. De klager en de tweede verweerder hadden in het kader van de professionele artistieke activiteiten
van de klager gedurende een jarenlange periode afspraken en overeenkomsten, in het kader
waarvan het beheer van de fanpagina tot stand kwam.
6. Op 5 maart 2020 dient de klager, vertegenwoordigd door haar raadsman, een klacht in bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit. De klacht stelt dat er mogelijke inbreuken op artikelen 6, 7, 12
lid 3, 20 en 21 AVG vast te stellen zijn. De klager vraagt de Gegevensbeschermingsautoriteit een
onderzoek te starten, aan de verweerders een sanctie op te leggen en de verweerders te gelasten
de rechten voor het beheer van de fanpagina op Facebook aan de klager over te maken.
7. Op 10 maart 2020 werd de klacht op grond van artikel 58 WOG ontvankelijk verklaard en werd deze
overeenkomstig artikel 62, §1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 3/26
De procedure voor de Geschillenkamer
8. Overeenkomstig artikel 95, §1 is de Geschillenkamer eerst overgegaan tot het nemen van een ‘light-
beslissing’, namelijk Beslissing 14/2020 van de Geschillenkamer van 14 april 2020, hierna
Beslissing 14/2020.
9. Het motiverende gedeelte van Beslissing 14/2020, stelt onder meer het volgende:
“De klager verzet zich tegen het beheren van de fanpagina op Facebook met haar naam en
voornaam door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, en vraagt onder meer de
rechten voor het beheer van de fanpagina te verkrijgen.
Gezien het bezwaar van de klager tegen het verwerken van de persoonsgegevens, met name
haar naam en voornaam, duidelijk is geformuleerd in de klacht, acht de Geschillenkamer het
toereikend om zich vooreerst tot de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken te richten
om hen te waarschuwen eventuele inbreuken op de AVG stop te zetten en gevolg te geven
aan het verzoek van de klager.
In die zin merkt de Geschillenkamer voor de volledigheid op dat de klager een beroep doet op
haar recht op overdraagbaarheid van gegevens, overeenkomstig artikel 20 AVG, en haar recht
van bezwaar overeenkomstig artikel 21 AVG. Zij wenst niet dat de fanpagina, en met de
fanpagina de haar betreffende persoonsgegevens, zonder meer worden verwijderd.”
10. Het beschikkend gedeelte van Beslissing 14/2020 luidt:
“OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit om:
- op grond van artikel 58, lid 2, a) AVG en artikel 95, §1, 4° WOG de gezamenlijke
verwerkingsverantwoordelijken te waarschuwen dat zij geen persoonsgegevens mogen
verwerken wanneer dit niet rechtmatig is overeenkomstig artikel 6 AVG; eventuele
inbreuken op de AVG zijn onderhevig aan sancties overeenkomstig de bepalingen van de
AVG en WOG;
- op grond van artikel 58, lid 2, c) AVG en artikel 95, §1, 5° WOG de gezamenlijke
verwerkingsverantwoordelijken te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek van de
klager om haar rechten in de zin van artikel 20 en artikel 21 AVG uit te oefenen. De
Geschillenkamer gelast de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke dit verzoek binnen
de 7 dagen na de kennisgeving van deze beslissing in te willigen;
Beslissing ten gronde 02/2021 - 4/26
- de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken te gelasten de
Gegevensbeschermingsautoriteit (Geschillenkamer) per e-mail op de hoogte te stellen dat
aan het hierboven genoemde bevel is voldaan, uiterlijk 14 dagen na de kennisgeving van
deze beslissing (via het e-mailadres […]); en
- in geval de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken niet tijdig uitvoering geven aan
het hierboven gestelde, de zaak overeenkomstig artikelen 98 e.v. WOG ten gronde te
behandelen.”
11. Op 21 april 2020 dient de raadsman van de verweerders een verzoekschrift tot hoger beroep in
tegen Beslissing 14/2020 bij het Marktenhof, overeenkomstig artikel 108, §1 WOG.
12. Gezien door de verweerders – blijkens de beroepsprocedure ingeleid bij het Marktenhof – actief
verzet werd gevoerd tegen hetgeen in Beslissing 14/2020 werd bevolen, en zij tevens de
Geschillenkamer niet binnen de gevraagde termijn op de hoogte hebben gesteld of aan het in het
dispositief van Beslissing 14/2020 opgelegde bevel was voldaan, leidt de Geschillenkamer
vervolgens af dat de verweerders niet voornemens leken om uitvoering te geven aan dit bevel.
Bijgevolg beslist de Geschillenkamer, overeenkomstig het dispositief van Beslissing 14/2020 en
op grond van artikel 95, §1, 1° en artikel 98 WOG, dat het dossier gereed is voor behandeling ten
gronde.
13. Per brief van 13 mei 2020 worden de klager en de verweerders op de hoogte gesteld van de
beslissing van de Geschillenkamer om over te gaan tot een behandeling ten gronde van het
dossier. In deze brief worden ook de conclusietermijnen meegedeeld aan de partijen.
De antwoordconclusie van de verweerders
14. Op 24 juni 2020 leggen de verweerders hun eerste conclusie neer.
15. De Geschillenkamer verduidelijkt dat de eerste verweerder de zaakvoerder van de tweede
verweerder betreft, en dat het correspondentieadres van die eerste verweerder hetzelfde is als de
zetel van de tweede verweerder.
16. De verweerders wijzen erop dat de tweede verweerder, een onderneming, “al vele jaren het
muziekproject [naam van artistiek project A] onder haar hoede [heeft]”. De verweerders wijzen
er hierbij op dat de klager sinds 2008 de “uitvoerend artiest/zangeres” was van het artistiek
project. De tweede verweerder stelt ook “de intellectuele eigendomsrechten op de muziekwerken”
verbonden aan het artistiek project onder zich te houden.
17. De tweede verweerder zou, volgens de antwoordconclusie van de verweerders, in het kader van
de commercialisering, verkoop en exploitatie van de muziekwerken, een Facebook fanpagina
aangemaakt hebben onder de titel ‘[..]’. In het eerste stuk bij de antwoordconclusie dat de
verweerders neerleggen, is op de schermafbeelding te zien dat de titel van de fanpagina zelf de
Beslissing ten gronde 02/2021 - 5/26
volledige naam en voornaam van de klager weergeeft.
18. De antwoordconclusie van de verweerders stelt dat op de fanpagina “foto’s, artwork en video’s
[worden] geplaatst, waarop tevens rechten in hoofde van [de tweede verweerder] als investeerder
dienaangaande. Ook zo werden foto’s van shows van [artistiek project A] op deze pagina gezet
[…]” Volgens de antwoordconclusie streeft de fanpagina dus enkel “professionele doeleinden” na
die “op geen enkele wijze de privé persoon van de artiest betreft”.
19. De verweerders wijzen op de verschillende commerciële disputen die de klager heeft met de
tweede verweerder, alsook de persoonlijke disputen met de eerste verweerder.
20. De verweerders wijzen er ook op dat de klager steeds redactionele rechten behield op de
fanpagina, wat betekent dat zij berichten (‘posts’) op de fanpagina kon plaatsen, doch geen
beheersrechten over de fanpagina hield, die het bijvoorbeeld toelaten om redactionele rechten of
beheersrechten aan andere personen of ondernemingen over de fanpagina te geven of te
ontnemen.
21. De verweerders wijzen er ook op dat met betrekking tot dezelfde fanpagina een procedure voor
de rechtbank in kort geding werd aangespannen.
22. De verweerders wijzen er ook op dat de fanpagina in april werd overgedragen aan de klager, dit
wil zeggen dat de eerste, noch de tweede verweerder (langer) beheerder zijn van de fanpagina;
de beheersrechten zouden volledig zijn overgeheveld aan de klager.
23. De verweerders “vorderen […] wat betreft de klacht, vermeende inbreuk en vraag tot sanctionering
in hoofdorde de vordering en klacht van de klager af te wijzen en vast te stellen dat er geen
inbreuk werd gepleegd [en] de buitenvervolging te bevelen van de beide verweerders; in
ondergeschikte orde de opschorting van de uitspraak te bevelen, dan wel een schikking voor te
stellen.”
24. Wat betreft de vordering van de klager tot overdracht van de beheersrechten stellen de
verweerders dat “de GBA dienaangaande niet bevoegd is” en de verweerders vragen de
Geschillenkamer “minstens deze vordering af te wijzen als ongegrond en meest ondergeschikt
dienaangaande vast te stellen dat deze vordering zonder voorwerp is.”
25. De middelen die de verweerders aandragen:
1. Middel 1: “de opdracht en bevoegdheid van de GBA: opsporen inbreuken: verwerking
persoonsgegevens en hoedanigheid van (gezamenlijke) verwerkingsverantwoordelijken”
De verweerders halen aan dat zij ten onrechte als gezamenlijke
verwerkingsverantwoordelijke worden gezien in Beslissing 14/2020.
Volgens de verweerders is enkel de tweede verweerder verwerkingsverantwoordelijke, en
kan deze samen met Facebook als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken in de zin
van artikel 26 AVG worden beschouwd.
Volgens de verweerders is de eerste verweerder “op geen enkele wijze in eigen naam de
beheerder van de fanpagina in kwestie, heeft nimmer beheerrechten gehad en is nimmer
op enigerlei wijze tussengekomen in eigen naam.”
Beslissing ten gronde 02/2021 - 6/26
De verweerders wijzen erop dat wanneer acties werden ondernomen door de eerste
verweerder, dit overeenkomstig de orgaantheorie enkel kan “worden toegerekend aan de
rechtspersoon zelf en nimmer rechtstreeks aan het orgaan.”
Daarnaast stellen de verweerders ook dat er geenszins sprake is van een verwerking van
persoonsgegevens van de klager in de zin van de AVG, door geen van de twee
verweerders.
De verweerders stellen: “in feite staan er géén privé – of persoonsgegevens op de
betreffende professionele pagina en draagt deze enkel de benaming [..] [voor de
leesbaarheid van de gepseudonimiseerde versie van de beslissing: d.i. de handle met de
initialen van de naam en voornaam van de klager, overeenkomstig de beoordeling van de
Geschillenkamer infra], hetgeen nimmer kan worden gekwalificeerd als
‘persoonsgegevens’.”
2. Middel 2: “recht op overdraagbaarheid – art. 20 AVG”
De verweerders stellen dat “alleszins moet besloten worden tot de vaststelling dat de
betreffende pagina op Facebook geenszins enige betrekking heeft op [de klager] als
privépersoon en tevens geen privégegevens bevat die zouden zijn verstrekt door
betrokkene [klager] als privépersoon. Haar persoonsgegevens worden niet gebruikt
zonder haar toestemming.”
De verweerders wijzen er daarnaast op dat de klager ook zelf als redacteur berichten kon
plaatsen op de fanpagina.
De verweerders wijzen er ook op dat artikel 20 AVG bepaalt dat dit recht geen afbreuk
mag doen aan de rechten en vrijheden van anderen, hetgeen volgens de verweerders te
dezen het geval is, met als gevolg “een manifeste schending van intellectuele rechten op
deze content”, en met name voor de tweede verweerder.
De conclusie onderlijnt dat door de tweede verweerder “aanzienlijke investeringen werden
gedaan teneinde deze muziekwerken tot stand te laten komen en teneinde [de klager] te
promoten […] deze foto’s, video’s en muziekwerken worden gebruikt op de betreffende
pagina en dit alles [is] eigendom van [de tweede verweerder].”
De verweerders stellen dat artikel 20 AVG geen toepassing kan vinden voor de overdracht
van beheersrechten over een fanpagina op Facebook, nu deze beheersrechten door de
tweede verweerder werden gecreëerd, en de klager dienaangaande dan ook niet zélf
persoonsgegevens heeft verstrekt in de zin van artikel 20 AVG.
3. Middel 3: “rechtmatige verwerking persoonsgegevens – art. 6 AVG”
De verweerders wijzen erop dat er geenszins een onrechtmatige verwerking van
persoonsgegevens via de litigieuze fanpagina plaatsvond, gezien die verwerking door de
tweede verweerder noodzakelijk was voor de uitvoering van een overeenkomst,
overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt b) AVG.
De verweerders stellen hieromtrent: “bijgevolg is er geen toestemming nodig van de
Beslissing ten gronde 02/2021 - 7/26
[klager] en is er geen sprake van enige onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens
in de zin van art. 6 AVG.”
In de repliekconclusie (infra) wordt aan dit middel nog toegevoegd dat de verwerkingen
van persoonsgegevens minstens kunnen stoelen op de gerechtvaardigde belangen van de
tweede verweerder, op basis van artikel 6, lid 1, punt f) AVG. De verweerders verwijzen
onder meer naar de voorgaande contractuele banden tussen de klager en de tweede
verweerder, en de commerciële gevolgen van de contractbreuk te dezen.
4. Middel 4: “schending AVG? Geen bewijs/motivering – obscuri libelli”
De verweerders stellen dat er “geen objectieve bewijsstukken voorhanden zijn waaruit
zou volgen, laat staan bewezen worden dat er een schending zou zijn van art. 6-7-12(3)-
20-21 AVG.”
De verweerders stellen in dit kader dat de Beslissing 14/2020 onvoldoende inhoudelijk
motiveert, dan wel bewijzen weergeeft, waarom inbreuken op de voornoemde artikelen
zouden zijn gepleegd. De verweerders wijzen er daarnaast op dat de voornoemde
beslissing“zeer verregaande gevolgen [had], daar waar de klager inmiddels alzo de pagina
in eigen beheer kon krijgen, inclusief alle muziek, beelden, artwork, contracten e.d. van
[de tweede verweerder].”
In de repliekconclusie (infra) preciseren de verweerders hieromtrent verder dat er een
“gebrek aan bewijs” is en dat de klacht onduidelijk en vaag is.
5. Middel 5: “overdragen van de accountgegevens en beheersrechten – zonder voorwerp”
Gezien de beheersrechten in april aan de klager werden overgedragen is “de vordering
minstens deels zonder voorwerp”, aldus de verweerders. De overheveling van
beheersrechten gebeurde volgens de verweerders “manifest onterecht en [de tweede
verweerder] maakt aanspraak op teruggave van de beheerrechten en accountgegevens.”
6. Middel 6: “ondergeschikt: opschorting dan wel schikking”
De verweerders wijzen op “de verhoudingen” tussen partijen “en tal van verzachtende
omstandigheden”.
Dit middel werd niet hernomen in de repliekconclusie ( infra).
7. Middel 7: “inzake de publicatie”
De verweerders vragen de publicatie van de beslissing “te anonimiseren en
pseudonimiseren”.
De repliekconclusie van de klager
26. De klager maakt op 15 juli 2020 via haar raadsman haar repliekconclusie over.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 8/26
27. De klager benadrukt dat er wel degelijk persoonsgegevens van haar verwerkt worden door
minstens één van de twee verweerders, en dat die persoonsgegevens daarbij “systematisch
onderhevig [zijn] aan wijzigingen of aanpassingen door verweerders.”
28. De klager haalt aan dat ook op andere online platformen, zoals Youtube en LinkedIn, profielen
werden aangemaakt die de naam en voornaam en andere persoonsgegevens van de klager
dragen. Deze profielen worden volgens de klager ook beheerd door minstens één van de
verweerders, zonder dat de klager daarvoor toestemming gaf, of zonder dat er hiertoe nog
contractuele noodzaak bestond.
29. Concreet draagt de klager de volgende middelen aan:
1. Middel 1: “verweerders menen verkeerdelijk dat de GBA zich als ondernemingsrechtbank zou
moeten uitspreken”
2. Middel 2: “de Facebook pagina ‘[..]’ [handle fanpagina](afkorting van ‘x’ [volledige naam en
voornaam van de klager]online), net zoals de kwestieuze profielpagina’s op LINKEDIN en
YOUTUBE, bevatten persoonsgegevens van [de klager]”
3. Middel 3: “Verweerders zijn/waren gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken”
4. Middel 4: “het feit dat [de klager] ‘redacteur’ was van de pagina bevrijdt verweerders niet van
hun verplichting om de AVG regelgeving na te leven”
5. Middel 5: “[de klager] schendt geen rechten en vrijheden van derden en schendt geen
intellectuele rechten”
6. Middel 6: “verweerders schreven op 27/02/2020 uitdrukkelijk dat er tussen hen en [de klager]
geen contractuele relatie meer bestaat, zodat er a fortiori geen overeenkomst bestaat omtrent
enige verwerking van persoonsgegevens van [de klager] door verweerders”
7. Middel 7: “schending van Art. 6 AVG betreffende de rechtmatigheid van de verwerking van de
persoonsgegevens van de betrokkene aangezien de activiteiten van [de gezamenlijke
verwerkingsverantwoordelijken] aan geen rechtmatigheidsvoorwaarden van dit artikel
voldoet”
8. Middel 8: “schending van Art. 7 AVG betreffende de vereiste toestemming met de verwerking
van de persoonsgegevens van de betrokkene die voor het beheer van haar facebookprofiel
[de fanpagina] nooit is gegeven en die, moest deze ooit impliciet gegeven zijn, ten stelligste
is ingetrokken bij het beëindigen van de managementovereenkomst in November 2019 en in
de uitdrukkelijke correspondentie van [de klager]”I
9. Middel 9: “schending van Art. 12 (3) AVG betreffende de nadere regels voor de uitoefening
van de rechten van de betrokkenen gezien men geen gevolg geeft aan de verzoeken krachtens
art. 20 tot het overdragen van de beheersrechten van het sociale media profiel van betrokkene
en het verzoek tot staking van enige haar betreffende gegevensverwerking”
10. Middel 10: “schending van Art. 20 AVG betreffende het recht op de overdraagbaarheid van de
gegevens van de betrokkene daar deze op veelvuldig verzoek van betrokkene niet worden
overgedragen”
Beslissing ten gronde 02/2021 - 9/26
11. Middel 11: “schending van Art. 21 AVG met betrekking tot het recht op bezwaar gemaakt door
de betrokkene ingevolge de weigering om de verwerking van haar persoonsgegevens te
staken”
12. Middel 12: “de bodemprocedure is geen beroepsprocedure tegen de reeds genomen
tussenbeslissing van de GBA”
13. Middel 13: “dat de Facebook pagina intussen werd overgedragen aan [de klager] verhindert
niet dat moet worden vastgesteld dat verweerders weigerden om zelf vrijwillig hun
verplichtingen onder de AVG regelgeving na te leven en terzake een sanctie kunnen krijgen.
Bovendien blijkt dat hun inbreuken ook bestaan omtrent andere profielpagina’s van [de klager]
14. Middel 14: “geen reden tot opschorting”
15. Middel 15: “een beslissing tot publicatie mag haar doel niet missen”
30. De klager vraagt in haar repliekconclusie daarom aan de Geschillenkamer haar klacht gegrond te
verklaren en een sanctie op te leggen aan de verweerders in het licht van de AVG-inbreuken, te
bevestigen dat de klager de litigieuze fanpagina op Facebook mag behouden, te bevelen aan de
verweerders om de beheersrechten van de profielpagina’s met de naam en voornaam van de
klager op Youtube en LinkedIn over te dragen aan de klager, de te nemen beslissing te publiceren
zonder anonimisering en de verweerders te veroordelen tot de betaling van de kosten van de
klager (3000 EUR).
De repliekconclusie van de verweerders
31. Op 5 augustus 2020 maken de verweerders een repliekconclusie over.
32. De vorderingen van de verweerders blijven gelijk aan die in hun antwoordconclusie, met de
toevoeging dat het verzoek van de klager in diens repliekconclusie met betrekking tot het
overdragen van beheersrechten op andere sociale mediaprofielen, waaronder Youtube en
LinkedIn, afgewezen moet worden als “onontvankelijk, minstens ongegrond”.
33. De verweerders voegen daarbij nog de volgende middelen toe aan hun verweer, naast de middelen
die zij in hun antwoordconclusie aandroegen.
1. Eerste nieuwe middel in de repliekconclusie: “schending van artikel 7 – niet relevant”
De verweerders wijzen op het feit dat artikel 7 AVG de “ vereiste voorwaarden voor de
toestemming voor het verwerken van persoonsgegevens” bepaalt, “echter geldt deze
bepaling enkel in het geval waarin de verwerking van persoonsgegevens haar grondslag vindt
in de gegeven toestemming.”
De verweerders wijzen erop dat de verwerking “ voortvloeit uit de contractuele relatie tussen
[de tweede verweerder] en [de klager] (en niet de toestemming) ” en dat de toepassing van
artikel 7 AVG op onderhavig geval daarom “compleet irrelevant” is.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 10/26
2. Tweede nieuwe middel: “schending van artikel 12 (3) AVG – geen toepassing en geen
schending”
De verweerders wijzen erop dat deze bepaling geen toepassing vindt, gezien dit artikel “ kadert
in de omstandigheid waarin datasubjecten bepaalde informatie of een bepaald verzoek willen
richten aan de verantwoordelijke.” Volgens de verweerders is dit te dezen niet het geval, nu
de GBA een beslissing alvorens recht te doen heeft afgeleverd, en het dus niet om een
“communicatie tussen verantwoordelijke en datasubject” gaat.
De verweerders wijzen er ook op dat artikel 12, lid 3 AVG niet impliceert dat een
verwerkingsverantwoordelijke positief moet antwoorden op elk verzoek zoals dat van een
klager.
3. Derde nieuwe middel: “eisuitbreiding [door de klager] inzake andere sociale media (Youtube,
LinkedIn,…)”
De verweerders verzetten zich tegen de uitbreiding van het voorwerp van dit dossier naar
andere gebruikersprofielen op andere online platformen.
4. Vierde nieuwe middel: “inzake de gevolgen & sanctionering & RPV”
De verweerders houden voor dat een sanctionering middels een administratieve geldboete
evenredig moet zijn, en verwijzen hierbij naar de criteria voor zulke boetes uiteengezet in
artikel 83 AVG.
34. De andere nieuwe elementen in de repliekconclusie van de verweerders onder de reeds voorheen
aangedragen middelen, hebben geen betrekking op het voorwerp van het dossier waarover de
Geschillenkamer zich uitspreekt, of zijn niet van die aard dat ze de Geschillenkamer tot een andere
beslissing zouden doen komen dan de voorliggende.
Communicatie buiten de conclusietermijnen
35. Na het verstrijken van de laatste conclusietermijn, werden door beide partijen, en op verschillende
momenten tot voor de hoorzitting, e-mailberichten overgemaakt of uitgewisseld, die betrekking
hadden op de onderliggende commerciële disputen van de partijen, en waarbij de griffie van de
Geschillenkamer die berichten ontving (al dan niet in carbon copy). De inhoud van deze elementen
gaan verder op aspecten die niet relevant zijn voor de beoordeling van dit dossier op grond van
de (handhavende) bevoegdheden van de Geschillenkamer, en worden daarom ook niet verder
uiteengezet.
Het arrest van het Marktenhof met betrekking tot Beslissing 14/2020
36. Op 28 oktober 2020 deed het Marktenhof in arrest 2020/7467 uitspraak over het beroep van de
verweerders tegen Beslissing 14/2020. Dit arrest vernietigt Beslissing 14/2020, maar doet geen
uitspraak over de feiten ten gronde, in die zin dat het Marktenhof geen gebruik heeft gemaakt
van haar volle rechtsmacht, omdat het een beroep betrof tegen louter “voorlopige en corrigerende
Beslissing ten gronde 02/2021 - 11/26
maatregelen”.1
37. Het Hof stelt in het dispositief van haar arrest:
38. Het arrest belet alzo niet dat de procedure ten gronde voor de Geschillenkamer overeenkomstig
artikelen 98 tot en met 107 WOG onverkort wordt verdergezet.
De Hoorzitting
39. Overeenkomstig artikel 98, 2° WOG gaf de raadsman van de verweerders per e-mail van 19 mei
2020 aan dat zij gehoord wensten te worden.
40. Overeenkomstig artikel 51 Reglement van Interne Orde van de Gegevensbeschermingsautoriteit
werd dientengevolge een hoorzitting georganiseerd, waarbij alle partijen werden uitgenodigd. De
hoorzitting vindt plaats op 29 oktober 2020.
41. Gezien de federale Regering,2 alsook de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,3 op
verschillende momenten in de aanloop naar de hoorzitting maatregelen uitvaardigden die het voor
de Geschillenkamer onmogelijk maakten om een hoorzitting in de gebruikelijke opstelling te laten
plaatsvinden, vindt de hoorzitting online en met elektronische communicatiemiddelen plaats. Beide
partijen bevestigen hun aanwezigheid op de hoorzitting.
42. Op de hoorzitting wordt de klager door twee raadsmannen vertegenwoordigd; de verweerders
worden door een raadsvrouw vertegenwoordigd.
43. Er werd een proces-verbaal opgemaakt van de hoorzitting dat als doel heeft preciseringen en
aanvullingen weer te geven die tijdens de hoorzitting naar voren zijn gebracht, zonder de
elementen uiteengezet in de conclusie te hernemen. Een aantal elementen die hierna worden
1
Arrest Hof van Beroep Brussel (Sectie 19A, Marktenhof) van 28 oktober 2020, X t. GBA, 2020/7467 (rolnr. 2020/AR/582), punt
7.6.
2
Ministerieel Besluit van 30 juni 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het Coronavirus COVID-19 te
beperken, zoals gewijzigd bij Ministerieel Besluit van 8 oktober 2020, B.S. 8 oktober 2020.
3
Besluit van de Minister-President van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 7 oktober 2020 houdende sluiting van de bars
en tot vaststelling van noodmaatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, B.S. 18 oktober 2020;
de kantoren van de Gegevensbeschermingsautoriteit, waar ook de Geschillenkamer zetelt, bevinden zich in deze gewestelijke
regio.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 12/26
vermeld zijn relevant voor de onderhavige beslising.
44. Op de hoorzitting stelt een raadsman van de klager dat uit de stukken van het dossier blijkt dat
de klager bij monde van haar raadsman reeds op 2 maart 2020 aan de verweerders een bericht
heeft verzonden, waarin wordt gesteld dat de eerste verweerder “GDPR verplichtingen [schendt]
door zich via facebook uit te geven als [de klager].” Verder in hetzelfde bericht van 2 maart 2020
stelt de raadsman nog: “voor de goede orde verduidelijk ik ook dat uw cliënten, nu zij te kennen
geven dat er niet langer een overeenkomst is waaronder mijn cliënte aan [artistiek project A]
shows deel zou nemen, niet langer het recht hebben om nog gebruik te maken van enig
persoonsgegeven van mijn cliënte (foto’s, naam, stemopnames, enz.).”
45. In die zin stelt de raadsman dat artikel 12, lid 3 AVG wel degelijk werd geschonden, gezien de
verweerders niet tijdig gevolg gaven aan het verzoek.
46. Zowel de raadsmannen van de klager als de raadsvrouw van de verweerders werpen op dat er
een stakingsprocedure lopende is bij de ondernemingsrechtbank te Leuven, zetelende zoals in
kort geding. De fanpagina waarvan sprake in de klacht in onderhavig dossier maakt, naast andere
vorderingen, het voorwerp uit van de stakingsprocedure.
47. Zoals gebruikelijk en zoals voorzien in artikel 54 van het Reglement van Interne Orde van de
Gegevensbeschermingsautoriteit, heeft de Geschillenkamer beide partijen uitgenodigd om
opmerkingen bij het proces-verbaal van de hoorzitting te laten toevoegen als bijlage bij dat proces-
verbaal, zonder dat dit een heropening van de debatten inhoudt. Beide partijen hebben
gereageerd op die uitnodiging, en die reacties werden als bijlage aan het proces-verbaal
toegevoegd in het dossier. Geen van die reacties bevatten echter elementen die aanleiding zouden
geven tot een andere beslissing dan die in de voorliggende beslissing, om welke reden de inhoud
niet wordt hernomen in dit feitenrelaas.
Het vonnis van de ondernemingsrechtbank van Leuven dd. [..] november 2020
48. De klager meldt op 2 december 2020 dat de ondernemingsrechtbank een vonnis had geveld in
een zaak waarbij de litigieuze fanpagina eveneens het voorwerp van de procedure vormde, net
zoals in onderhavige procedure. In dat vonnis wordt verwezen naar de hangende procedure ten
gronde bij de Geschillenkamer.
49. Het vonnis stelt vast dat de tweede verweerder door het commercieel gebruik van de
“persoonlijkheidsrechten” – via onder meer, maar niet beperkt tot de litigieuze Facebook
fanpagina – van de klager zich schuldig maakt aan oneerlijke marktpraktijken (o.g.v. artikel VI.
104 Wetboek Economisch Recht), maar doet geen uitspraak over eventuele inbreuken op de
AVG. De voorzitter van de rechtbank beveelt in het vonnis de staking van de praktijken op
straffe van een dwangsom, te betalen aan de klager.
50. De partijen kregen de gelegenheid bijkomend te concluderen omtrent het vonnis en maakten
dienvolgens bijkomende conclusies over aan de Geschillenkamer.
51. Nu de voorzitter van de ondernemingsrechtbank geen uitspraak doet over inbreuken inzake de
AVG, en andere feitelijke elementen aan de grondslag van het vonnis liggen, kan de
Geschillenkamer onverkort overgaan tot het opnemen van haar bevoegdheden inzake de
wetgeving betreffende persoonsgegevensbescherming en het nemen van een beslissing in
onderhavig dossier.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 13/26
Het boeteformulier van 23 december 2020
52. Op 23 december 2020 heeft de Geschillenkamer een boeteformulier overgemaakt aan de
verweerder, met de mededeling dat de Geschillenkamer voornemens was een boete van 10.000
EUR op te leggen aan de verweerder ingevolge de inbreuken op meerdere bepalingen van de
AVG in onderhavig dossier (dezelfde inbreuken die in de voorliggende beslissing worden
weerhouden voor het opleggen van een administratieve geldsanctie op grond van artikel 83
AVG).
53. In haar reactie op het boeteformulier op 7 januari 2021, wijst de verweerder op een aantal
elementen die worden meegenomen door de Geschillenkamer in haar beraadslaging.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 14/26
3. Motivering
3.1 Bevoegdheid van de Geschillenkamer (artikel 2 AVG; artikel 4 WOG)
55. Overeenkomstig artikel 2, lid 1 AVG is de Verordening van toepassing “op de geheel of
gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die
in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zij om daarin te worden opgenomen.”
56. Overeenkomstig artikel 4, punt 1) AVG zijn persoonsgegevens:
“alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de
betrokkene”); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of
indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een
naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer
elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische,
economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;”
57. Door verschillende sociale media platformen wordt gebruik gemaakt van zogenaamde ‘handles’,
dit zijn identificatoren gelinkt aan een specifiek gebruikersaccount of enige andere webpagina.
Deze handles zijn in beginsel onveranderlijke referenties naar een bepaalde locatie van het
webplatform, waarbij de handle vaak, en zoals te dezen, vervat zit in de weblink (de Uniform
Resource Locator, kortweg URL). De handle verbonden aan de litigieuze fanpagina betreft ‘[..]’.
58. Vooreerst stelt de Geschillenkamer dat ook de initialen van een naam van een natuurlijke
persoon, te dezen de naam en voornaam van de klager, persoonsgegevens uitmaken in de zin
van de AVG. Gezien de foto’s en video’s en andere inhoud van de webpagina, zichtbaar op
verschillende schermafbeeldingen in het dossier, is er een duidelijke link met de klager en is
deze identificeerbaar in de zin van artikel 4, punt 1) AVG. Bovendien is de titel van de fanpagina,
zoals zichtbaar op een stuk in de klacht en een stuk bij de antwoordconclusie dat door de
verweerders zelf is aangedragen, wel degelijk de volledige naam en voornaam van de klager.
Deze wordt daarmee dus geïdentificeerd, niet in het minst ook via de zoekfunctie binnen
Facebook.
59. Daarnaast is het van belang te onderstrepen dat het van geen belang is in welke context
persoonsgegevens zijn verkregen, om die persoonsgegevens als dusdanig te kwalificeren in de
zin van de AVG. Het is dus niet relevant of persoonsgegevens (initieel) in een professionele of
contractuele context werden verzameld, opdat de AVG materieel toepassing zou vinden
ingevolge artikel 2 AVG.
60. De Geschillenkamer ontkent geenszins dat de mogelijkheid bestaat dat er contractuele of zelfs
wettelijke (ingevolge intellectuele eigendomsrechten) aanspraken zijn op de exploitatie of
commercialisatie van de afbeeldingen, werken of andere inhoud van de fanpagina. Dit doet
echter niet af aan het feit dat de pagina verbonden is aan de volledige naam en persoon van de
klager.
61. Gezien de volledige pagina aan de persoon van de klager is gewijd, zijn per definitie ook alle
gegevens op deze fanpagina aan de klager verbonden, zonder daarbij te stellen dat alle
gegevens op die fanpagina daarom per definitie persoonsgegevens zijn in de zin van de AVG.
Gezien de nauwe band van de persoon van de klager met de fanpagina, is het van het grootste
Beslissing ten gronde 02/2021 - 15/26
belang dat de klager als betrokkene het nodige beheer krijgt, teneinde – zoals zij zelf
uitdrukkelijk vraagt – haar persoonsgegevens zelf en zelfstandig te kunnen beheren.
62. De Gegevensbeschermingsautoriteit is dan ook bevoegd voor de beoordeling van de klacht en
het dossier overeenkomstig artikel 4 WOG en overeenkomstig het materieel toepassingsgebied
van de AVG zoals dat is vastgelegd in artikel 2 AVG.
3.2 De verwerkingsverantwoordelijken (artikel 4, 7 AVG)
63. De definitie van “verwerkingsverantwoordelijke” in de AVG is de volgende :4
“Een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander
orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel en de middelen voor de verwerking
van de persoonsgegevens vaststelt: wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze
verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden
bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze worden
aangewezen”
64. In Beslissing 14/2020 werden de verweerders beiden aangeduid als (gezamenlijke)
verwerkingsverantwoordelijken, gezien zij zich beiden als mogelijke verwerkingsverantwoordelijke
gedroegen ten aanzien van de klager. Het (preliminair aan de procedure ten gronde) aanduiden
van beiden als verwerkingsverantwoordelijken gebeurde in het licht van een doeltreffende,
effectieve en volledige bescherming van de klager, en dit in navolging van de rechtspraak van het
Hof van Justitie omtrent de ruime invulling van het begrip verwerkingsverantwoordelijke .5
65. Het Hof van Justitie bevestigde eerder dat voor de beoordeling van het begrip
verwerkingsverantwoordelijke, de opvatting van de betrokkene over de
verwerkingsverantwoordelijke van belang is. In dezelfde lijn bevestigde het Hof dat een
6
rechtspersoon die om hem moverende redenen invloed uitoefent op de verwerking van
persoonsgegevens, als verwerkingsverantwoordelijke kan worden beschouwd.7
66. Dit alles sluit niet uit dat er nog andere verwerkingsverantwoordelijken in de zaak genoemd
worden, die een eigen verantwoordelijkheid dragen, in casu in het bijzonder Facebook.
67. Het werd eerder bevestigd door het Hof van Justitie dat het mogelijk is dat, in het kader van een
verwerking met gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, niet alle bewerkingen die door de
respectievelijke verwerkingsverantwoordelijken met de persoonsgegevens worden uitgevoerd, de
verantwoordelijkheid van elke verwerkingsverantwoordelijke betreffen. 8 Dit is met name het geval
wanneer het een specifieke verwerkingsverantwoordelijke is die het doel en de middelen vaststelt
voor een specifieke bewerking.
4
Art. 4(7) AVG.
5
HvJEU Arrest van 13 mei 2014, Google Spain SL t. Agencia Española de proteccion de Datos (AEPD) e.a., C-131/12; ECLI:
EU:C:2014:317, par. 34 ; zie ook de bespreking omtrent de reikwijdte van het begrip in C. DOCKSEY en H. HIJMANS, “The
Court of Justice as a Key Player in Privacy and Data Protection”, European Data Protection Law Review, 2019, afl. 3, (300)304.
6
HvJEU Arrest van 10 juli 2018, Tietosuojavaltuutettu t. Jehovan todistajat – uskonnollinen yhdyskunta, C-25/17,
ECLI:EU:C:2018:551.
7
Ibid., par. 68.
8
Cfr. HvJEU Arrest van 29 juli 2019, Fashion ID GmbH & Co KG t. Verbraucherzentrale NRW eV, C-40/17, ECLI:EU:C:2019:629,
par. 76.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 16/26
68. Uit de conclusies van de verweerders blijkt dat de eerste verweerder enkel als zaakvoerder van de
tweede verweerder de fanpagina op Facebook heeft aangemaakt. 9 In die zin, met name op basis
van de verklaringen van de verweerders zelf dienaangaande, kan enkel de tweede verweerder
met zekerheid als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG worden aangeduid voor het
beheer van de fanpagina. De tweede verweerder heeft volgens haar eigen verweermiddelen
inderdaad de fanpagina gecreëerd, teneinde haar commerciële relatie met de klager commercieel
te exploiteren (‘het doel’ van de verwerking). Op de hoorzitting geeft de tweede verweerder aan
met een eigen Facebook gebruikersaccount de fanpagina te beheren (‘de middelen’ voor de
verwerking).
69. Dat Facebook te dezen ook een verwerkingsverantwoordelijke zou uitmaken voor de verwerkingen
van persoonsgegevens via de litigieuze fanpagina, staat niet in de weg van een beoordeling van
de naleving van de bepalingen in de AVG door de tweede verweerder als
verwerkingsverantwoordelijke, nu de klacht zich (mede) richt tot die tweede verweerder.
70. Artikel 26, lid 3 AVG stelt immers:
“Ongeacht de voorwaarden van de in lid 1 bedoelde regeling, kan de betrokkene zijn rechten
uit hoofde van deze verordening met betrekking tot en jegens iedere
verwerkingsverantwoordelijke uitoefenen.”
71. Het is dientengevolge de tweede verweerder die als verwerkingsverantwoordelijke
verantwoordelijke is voor de verwerkingen die het voorwerp uitmaken van de klacht, en dit op
grond van artikel 4, punt 7) AVG, en de daaruit vloeiende verplichtingen overeenkomstig met
name artikel 24 j° artikel 26 AVG. Voor zover de klacht zich richt tegen de eerste verweerder wordt
deze geseponeerd.
3.3. De rechtmatigheid van de verwerking (artikel 6, lid 1 AVG)
72. Artikel 6, lid 1 AVG geeft een overzicht van de mogelijke voorwaarden waaraan moet worden
voldaan om een rechtmatige verwerking op te starten en aan te houden. In casu zijn de volgende
voorwaarden relevant:
“De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de
onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn
persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de
betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een
overeenkomst maatregelen te nemen;
[…]
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van
de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de
grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van
persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen […]”
9
De verweerders stellen in hun repliekconclusie, p.2: “In het kader hiervan werd door [de tweede verweerder] anno 2014 als
platenlabel een professionele pagina op diverse sociale media, alzo Facebook aangemaakt” , waarna zij verwijzen naar de
litigieuze fanpagina.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 17/26
73. Zoals reeds aangegeven, bestonden er verschillende contractuele banden tussen de tweede
verweerder en de klager, waaronder een managementovereenkomst (vanaf 2008), een
artiestenovereenkomst (vanaf 26 juli 2008) en een exclusieve uitgaveovereenkomst (vanaf 3
november 2015). Dit wordt ook gestaafd met stukken door de tweede verweerder.
74. De contractuele banden kwamen op 3 november 2019 tot een einde. Dit wordt bevestigd (“er
zijn geen contractuele banden”) door de raadsman van de tweede verweerder in haar
communicatie met de raadsman van de klager in februari 2020. Deze communicatie werd
gevoegd als stuk bij de repliekconclusie van de klager.
75. Gezien de specificiteit van de artistieke sector, en meer bepaald de entertainmentsector, waarbij
het vergaren van fans op zich deel uitmaakt van de gebruikelijke commerciële praktijk, is het
niet onlogisch dat uit een managementovereenkomst het beheer van profiel- en zeker
fanpagina’s via sociale mediaplatformen volgt. Dat was te dezen het geval.
76. De persoonsgegevens van de klager die onder meer via de Facebook fanpagina werden
verwerkt, blijkens het ontbreken van een uitdrukkelijke en vrije toestemming (onafhankelijk van
de commerciële overeenkomsten) van de klager, vinden hun rechtmatigheidsgrondslag dan ook
in artikel 6, lid 1, punt b) AVG. Deze grondslag hield op te bestaan zodra de contractuele banden
tussen de klager en de tweede verweerder ophielden te bestaan.
77. De klacht heeft betrekking op de persoonsgegevensverwerkingen via de fanpagina ná 3
november 2019, namelijk het einde van de contractueel vastgelegde samenwerking.
78. Het kan voor de volledigheid worden onderstreept dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke
is om de rechtmatigheid van de verwerking aan te tonen, op grond van artikel 5, lid 2 juncto
artikel 24 AVG.
79. De klager heeft op generlei wijze toestemming gegeven voor de verwerking van haar
persoonsgegevens in de zin van artikel 6, lid 1, punt a) AVG na de voormelde datum. Geen
enkele andere voorwaarde voor de rechtmatigheid van de verwerking in artikel 6, lid 1 AVG is in
deze context mogelijk, tenzij punt f) van die bepaling.
80. Zo is er geen wettelijke verplichting (artikel 6, lid 1, punt c) AVG) tot het beheren van de
fanpagina, noch is de verwerking noodzakelijk om de vitale belangen van de klager of andere
natuurlijke personen te beschermen (artikel 6, lid 1, punt d) AVG). Voor de volledigheid kan ook
vastgesteld worden dat er geen taak van algemeen belang of een verplichting tot het uitoefenen
van een functie van openbaar gezag op de tweede verweerder rust (artikel 6, lid 1, punt e)
AVG).
81. Dientengevolge moet de toepassing van artikel 6, lid 1, punt f) AVG worden onderzocht, voor de
verwerkingen van de persoonsgegevens van de klager via de fanpagina, ná 3 november 2019.
82. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie dient de tweede verweerder als
verwerkingsverantwoordelijke daarom aan te tonen dat:
1) de belangen die zij met de verwerking nastreven, als gerechtvaardigd kunnen worden
erkend (de “doeltoets”);
2) de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van die belangen (de
“noodzakelijkheidstoets”); en
Beslissing ten gronde 02/2021 - 18/26
3) de afweging van die belangen ten opzichte van de belangen, fundamentele vrijheden en
grondrechten van betrokkenen doorweegt in het voordeel van de
verwerkingsverantwoordelijken of van een derde (de “afwegingstoets”). 10
83. Eerst en vooral stelt de Geschillenkamer vast dat de tweede verweerder een belang heeft om de
fanpagina van de klager te beheren, omdat er een commerciële waarde voor de tweede
verweerder verbonden is aan het succes en de bekendheid van de klager als onderdeel van,
onder meer, zangeres van het artistiek project A. Dit is ook het geval voor enige auteursrechten
die de tweede verweerder zou houden, waarbij voor die verweerder het recht is voorbehouden
de naam en voornaam van de klager te gebruiken ter exploitatie van bepaalde werken.
84. Op zich is het gebruik van de naam en voornaam van de klager dus “aanvaardbaar volgens de
wetgeving”,11 en zou het gebruik als verwerking van persoonsgegevens a priori kunnen steunen
op de gerechtvaardigde belangen van de tweede verweerder in de zin van artikel 6, lid 1, punt f)
AVG.
85. In casu gaat de verwerking echter verder dan het louter gebruik van de naam en voornaam van
de klager voor de exploitatie van werken beschermd door het auteursrecht of van belang voor
de commercialisatie van een artistiek project.
86. De fanpagina is gecreëerd om fans van de persoon van de klager aan te spreken, niet enkel de
fans van die muziek waar de tweede verweerder mogelijk commerciële aanspraken op heeft.
Bovendien zou het volgen van het standpunt van de tweede verweerder betekenen dat de
commerciële en met het recht van de intellectuele eigendom beschermde belangen van de
tweede verweerder zouden prevaleren op de aanspraken op de bescherming van
persoonsgegevens van de eerste klager.
87. In het licht van artikel 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
(“Handvest”) en de bepalingen van de AVG, kan die redenering uiteengezet door de tweede
verweerder dan ook niet gevolgd worden en kunnen de belangen dan ook niet als
‘gerechtvaardigd’ worden gezien.
88. De persoonsgegevensverwerkingen waarbij de tweede verweerder als het ware in de persoon
van de klager treedt om zich vanuit haar naam naar de buitenwereld te presenteren, kunnen
dan ook geenszins hun rechtsgrondslag vinden in de gerechtvaardigde belangen van de tweede
verweerder. Een natuurlijke persoon is immers, anders dan een onderneming, meer dan zijn of
haar professionele activiteiten. Het beheer over de persoonsgegevens als onderdeel van de
identiteit van de eigen persoon is een grondrecht, beschermd door artikel 8 van het Handvest.
89. Om al deze redenen is er geen gerechtvaardigd belang voor de tweede verweerder om de
fanpagina van de klager verder te beheren, na het beëindigen van de contractuele relaties met
de klager, waardoor het beheer van de fanpagina resulteert in het onrechtmatig verwerken van
de persoonsgegevens van de klager die op die fanpagina worden geplaatst en anderszins
verwerkt.
10
Arrest HvJEU van 4 mei 2017, Rigas satiksme, C-13/16, EU:C:2017:336, punt 28.
11
Vergelijk met Groep Gegevensbescherming, Advies 06/2014 over het begrip “gerechtvaardigd belang van de voor de
gegevensverwerking verantwoordelijke” in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, WP 217, 9 april 2014, 30.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 19/26
90. Gezien de Geschillenkamer vaststelt dat de verwerking de doeltoets niet doorstaat, en de
verwerkingsverantwoordelijke geen andere geldige grondslag voor de rechtmatigheid heeft
aangewezen, is de verwerking onrechtmatig in de zin van artikel 6, lid 1 AVG. Gezien het
ontbreken van de gerechtvaardigde belangen in de eerste plaats reeds volstaat om tot die
conclusie te komen, acht de Geschillenkamer het onderzoek van de noodzakelijkheidstoets en de
afwegingstoets ter zake niet aan de orde.
3.4. Het recht van bezwaar (artikel 21, lid 1 AVG) en de termijn voor het gevolg
geven aan het verzoek van de klager (artikel 12, lid 3 AVG)
91. Artikel 21, lid 1 AVG luidt:
“1. De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie
verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende
persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder e) of f), van artikel 6, lid 1, met
inbegrip van profilering op basis van die bepalingen. De verwerkingsverantwoordelijke staakt
de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden
voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden
van de betrokkene of die verband houden met de instelling, uitoefening of onderbouwing
van een rechtsvordering.
[…]”
92. Er is volgens de klager op verschillende momenten na de afloop van de contractuele relaties
tussen de klager en de tweede verweerder door (de raadsman van) de klager mondeling aan de
tweede verweerder gevraagd om de fanpagina niet langer te beheren en de beheersrechten via
de geautomatiseerde Facebook procedés over te maken aan de klager.
93. Op 2 maart 2020 heeft de klager, met duidelijke verwijzing naar de Facebook fanpagina, zich
schriftelijk tot de tweede verweerder gericht om zich te verzetten tegen het beheer van de
fanpagina door die tweede verweerder. De klager stelt via haar raadsman met name dat de
eerste verweerder “de GDPR verplichtingen [schendt] door zich via Facebook uit te geven als
[naam van de klager].”
94. De verweerders geven zelf aan dat de eerste verweerder niet betrokken is ten persoonlijke titel,
nu al de activiteiten – persoonsgegevensverwerkingen incluis – die hij middels de fanpagina
uitvoert overeenkomstig de orgaantheorie, de iure enkel aan de tweede verweerder kunnen
worden toegerekend.
95. Gezien de eerste verweerder te dezen als zaakvoerder van de tweede verweerder wordt aanzien,
was het verzoek van de klager dan ook duidelijk bestemd voor de tweede verweerder als
verwerkingsverantwoordelijke. In het e-mailbericht schrijft de klager immers beide verweerders
aan zoals vertegenwoordigd door dezelfde raadsvrouw. Wanneer het voor de klager onduidelijk
is wie nu de verwerkingsverantwoordelijke betreft, is het dan ook een goede praktijk van de
klager als betrokkene om alle mogelijke (al dan niet gezamenlijke)
verwerkingsverantwoordelijken aan te spreken.
96. De klager wijst er in voornoemd e-mailbericht bovendien ook op dat er niet langer een
overeenkomst bestaat waardoor de persoonsgegevensverwerkingen als rechtmatig zouden
kunnen worden beschouwd.12
12
Uit dit e-mailbericht van de klager aan de raadsvrouw van de verweerders: “inzake GDPR [-] voor de goede orde verduidelijk
ik ook dat [de verweerders], nu zij te kennen geven dat er niet langer een overeenkomst is waaronder [de klager] aan
Beslissing ten gronde 02/2021 - 20/26
97. Nu meent de tweede verweerder als verwerkingsverantwoordelijke dat diens dwingende
gerechtvaardigde gronden zwaarder wegen dan de rechten van de klager, zoals bedoeld in
artikel 21, lid 1 in fine AVG. Dat is te dezen niet het geval. Gezien het beheer van de fanpagina
als verwerking van persoonsgegevens de doeltoets overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt f) AVG
niet doorstaat (supra, onderdeel 3.3. Beslissing), kan a fortiori niet worden aanvaard dat er
dwingende gerechtvaardigde gronden zouden bestaan die dan nog eens zwaarder zouden
wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de klager, bij het uitoefenen van het recht
van bezwaar.
98. Ten overvloede kan het aanhouden van de beheersrechten van de fanpagina niet worden
aangezien als verband houdend met de instelling, uitoefening of onderbouwing van een
rechtsvordering. Het beheer van de fanpagina op zich is geen vereiste voor het laten gelden van
eigen rechten of het afdwingen van eigen aanspraken. De fanpagina en al de hieronder vallende
verwerkingen van persoonsgegevens werden als het ware als borg door de tweede verweerder
in handen gehouden.
99. Dit alles mag uiteraard geen afbreuk doen aan het recht van bezwaar dat de klager kan laten
gelden bij de verwerkingen van haar persoonsgegevens.
100. Hoewel de tweede verweerder er vanuit ging (hoewel verkeerdelijk, zie supra, onderdeel 3.3.
van de Beslissing) dat de persoonsgegevensverwerkingen via de fanpagina hun rechtsgrondslag
vonden in de eigen gerechtvaardigde belangen, quod non, had de tweede verweerder het
verzoek van de klager om op te houden met de persoonsgegevensverwerkingen, onverwijld
moeten inwilligen op grond van artikel 21, lid 1 AVG. De Geschillenkamer wijst er ten overvloede
nog op dat die belangen niet zwaarder wegen dan de rechten, belangen en vrijheden van de
klager.
101. Vervolgens kan ook worden onderstreept dat de klager in haar klacht heeft onderstreept dat zij
“geenszins [wenst] dat haar profielpagina zou verdwijnen […] maar wil louter zelf haar eigen
persoonsgegevens kunnen beheren.” De klacht stelt dus nadrukkelijk dat de klager zich verzet
tegen het verwijderen van de bewuste fanpagina op Facebook.
102. Ook het verwijderen van persoonsgegevens vormt een verwerking in de zin van de AVG. Gezien
de klacht uitdrukkelijk bezwaar maakt tegen het verdwijnen van de fanpagina en, per definitie,
het daarmee gepaard gaande verwijderen van de persoonsgegevens op die fanpagina, dient het
verzoek van de klager ook geïnterpreteerd te worden als het uitoefenen van het recht van
bezwaar op grond van artikel 21, lid 1 AVG, waar de tweede verweerder zou overgaan tot het
verwijderen van de fanpagina van de klager.
103. De tweede verweerder werpt op dat zij niet het nodige gevolg kón geven aan de verzoeken van
de klager, gezien er intussen een dossier aanhangig werd gemaakt bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit omtrent dezelfde feiten en hetzelfde voorwerp, een procedure
die leidde tot de beslissing met bevel van 14 april 2020.
104. De tweede verweerder was echter pas op de hoogte dat een dossier bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit aanhangig was nadat de ‘light’-beslissing van 14 april 2020 aan
haar werd overgemaakt. Het niet op de hoogte zijn van een aanhangig dossier vormde ook de
kern van het verweer in beroep voor het Marktenhof van de verweerders.
105. In elk geval is het niet zo dat een dossier bij de Gegevensbeschermingsautoriteit met hetzelfde
feitelijke voorwerp als een verzoek van een betrokkene, in de weg staat aan de verplichtingen
voor de verwerkingsverantwoordelijke wanneer een betrokkene diens rechten uitoefent in de zin
van artikel 12 tot 22 AVG. De termijn in artikel 12, lid 3 kan te dezen dan ook geenszins worden
gezien als zijnde geschorst of gestuit omwille van de procedure bij de
[optredens van artistiek project A] deel zou nemen, niet langer het recht hebben om nog gebruik te maken van enig
persoonsgegeven van [de klager] (foto’s, naam, stemopnames, enz.).”
Beslissing ten gronde 02/2021 - 21/26
Gegevensbeschermingsautoriteit.
106. Artikel 12, lid 3 AVG stelt dat de verwerkingsverantwoordelijke “onverwijld, en in ieder geval
binnen een maand na ontvangst van het verzoek” de betrokkene (i.c. de klager) informatie
dient te verstrekken over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. De tweede verweerder
dient zélf13 aan te tonen dat zij die informatie heeft verstrekt, en doet dat te dezen niet
tegenover de Geschillenkamer.
107. De Geschillenkamer wijst er ook op dat indien – zoals de tweede verweerder beweert – geen
gevolg kon worden gegeven aan het verzoek van de klager, om welke reden dan ook, de tweede
verweerder op geen enkel moment die informatie heeft verschaft binnen de in artikel 12, lid 4
AVG bedoelde termijn van één maand. Laat staan dat de tweede verweerder die informatie
onverwijld heeft verschaft.
108. Om alle voorgaande redenen pleegt de tweede verweerder een inbreuk op artikel 21, lid 1 AVG
en op artikel 12, lid 3 AVG.
3.5. Het recht op gegevensoverdraagbaarheid (artikel 20 AVG)
109. Artikel 20 luidt:
“Recht op overdraagbaarheid van gegevens
1. De betrokkene heeft het recht de hem betreffende persoonsgegevens, die hij aan een
verwerkingsverantwoordelijke heeft verstrekt, in een gestructureerde, gangbare en
machineleesbare vorm te verkrijgen, en hij heeft het recht die gegevens aan een andere
verwerkingsverantwoordelijke over te dragen, zonder daarbij te worden gehinderd door de
verwerkingsverantwoordelijke aan wie de persoonsgegevens waren verstrekt, indien:
a) de verwerking berust op toestemming uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2,
punt a), of op een overeenkomst uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt b); en
b) de verwerking via geautomatiseerde procedés wordt verricht.
2. Bij de uitoefening van zijn recht op gegevensoverdraagbaarheid uit hoofde van lid 1
heeft de betrokkene het recht dat de persoonsgegevens, indien dit technisch mogelijk is,
rechtstreeks van de ene verwerkingsverantwoordelijke naar de andere worden
doorgezonden.
3. De uitoefening van het in lid 1 van dit artikel bedoelde recht laat artikel 17 onverlet. Dat
recht geldt niet voor de verwerking die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van
algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag
dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend.
4. Het in lid 1 bedoelde recht doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen. »
110. Binnen een contractuele relatie heeft de klager persoonsgegevens, zoals haar naam en
afbeelding, aan de tweede verweerder verstrekt. De tweede verweerder heeft die
persoonsgegevens – onder meer – gebruikt voor het aanmaken en beheren van een fanpagina op
Facebook, op grond van artikel 6, lid 1, punt b) AVG, gezien de onderliggende contractuele
verhouding. De klager heeft dan ook het recht op grond van artikel 20 AVG, om de haar
13
Artikel 5, lid 2 en artikel 24 AVG.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 22/26
betreffende persoonsgegevens te verkrijgen, in dit geval in de vorm van de beheersrechten op de
fanpagina die als titel haar naam en voornaam draagt.
111. De Europese wetgever heeft met de invoeging van dit artikel in de AVG getracht de zeggenschap
(in de Engelse versie: “control” ) over de eigen gegevens voor betrokkenen te versterken, in het
bijzonder in een online digitale omgeving waar sociale media een groot publiek bereiken.14
112. Overeenkomstig artikel 20 lid 2 AVG kan verwacht worden van een
verwerkingsverantwoordelijke, te dezen van de tweede verweerder, dat de persoonsgegevens
rechtstreeks worden overgemaakt aan een andere verwerkingsverantwoordelijk, in casu
Facebook, zodat deze laatste de (beheersrechten voor de) fanpagina ter beschikking kan stellen
van de klager.
113. Het klopt dat er tal van commerciële belangen kunnen samenhangen met het beheren van een
fanpagina op Facebook, zoals in casu het geval is of was.
114. Het klopt dan ook dat het van belang is de overdracht van de fanpagina aan de klager, als
uitoefening van een recht van klager als betrokkene, als ware in de ‘weegschaal’ te leggen met
de rechten en vrijheden van de tweede verweerder overeenkomstig artikel 20, lid 4 AVG. Daarbij
houdt de Geschillenkamer er rekening mee dat het mogelijk is dat commerciële gegevens, alsook
persoonsgegevens (bijvoorbeeld van de eerste verweerder als zaakvoerder van de tweede
verweerder), mee worden overgedragen aan de klager.
115. De Europese wetgever erkent expliciet dat het recht in de zin van artikel 20, lid 1 AVG ook kan
uitgeoefend worden wanneer de persoonsgegevens meer dan één betrokkene aanbelangen.15
116. De fanpagina hangt nauw samen met de identiteit van de klager; immers, de fanpagina draagt
eerst en vooral de volledige naam en voornaam van de klager als titel, de handle bevat de initialen
van die naam en voornaam, de berichten worden op de fanpagina geplaatst vanuit het perspectief
van de klager. Derhalve kan niet op redelijke wijze worden gesteld dat de rechten en vrijheden
van anderen disproportioneel in het gedrang komen bij de overdracht van deze pagina, zeker
wanneer het over de verwerkingsverantwoordelijke zelf gaat.
117. Als het al zo was dat de overdracht afbreuk doet aan de rechten en vrijheden van de tweede
verweerder, is dit een gevolg van een (eerdere) verbintenisrechtelijke band tussen de klager en
de tweede verweerder, en de uitwerking ervan. Dit rechtvaardigt echter geenszins het ‘kapen’ van
de persoonsgegevens van een betrokkene, en de rechtsbescherming ter zake, zeker wanneer de
betrokkene reeds eerder aangaf zelf het beheer van de fanpagina te willen overnemen. 16
118. De Geschillenkamer stelt vast dat het grondrecht op gegevensbescherming niet kan worden
ingeperkt door (het niet naleven van) contractuele aanspraken inter partes, tenzij dit laatste
14
Overweging 68 AVG: “Om de zeggenschap over zijn eigen gegevens verder te versterken, dient de betrokkene wanneer de
persoonsgegevens via automatische procedés worden verwerkt, ook de mogelijkheid te hebben de hem betreffende
persoonsgegevens die hij aan een verwerkingsverantwoordelijke heeft verstrekt, in een gestructureerd, gangbaar,
machineleesbaar en interoperabel formaat te verkrijgen en die aan een andere verwerkingsverantwoordelijke door te
zenden[…]”
Overweging 68 AVG: “[…] Wanneer het in een bepaalde verzameling persoonsgegevens meer dan één betrokkene aanbelangt,
15
moet het recht om de persoonsgegevens te ontvangen de rechten en vrijheden van andere betrokkenen onverlet laten[…]”
16
Vergelijk in overweging 68 AVG: “[…]Voorts mag dit recht niet afdoen aan het recht van de betrokkene om zijn
persoonsgegevens te laten wissen en aan de beperkingen die in deze verordening aan dat recht zijn gesteld, en mag het in het
bijzonder niet inhouden dat de hem betreffende persoonsgegevens die de betrokkene ter uitvoering van een overeenkomst
heeft verstrekt, voor zover en zolang de persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die overeenkomst, worden
gewist[…]” (De Geschillenkamer onderlijnt).
Beslissing ten gronde 02/2021 - 23/26
relevant zou zijn voor de rechtmatigheid van de verwerking.
119. De Geschillenkamer is niet op de hoogte van een duidelijk verzoek van de klager om haar recht
op gegevensoverdraagbaarheid uit te oefenen, vóór de klacht van de klager bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit van 5 maart 2020. Hoewel er mondelinge verzoeken hiertoe door
de raadsman van de klager zouden zijn geuit, ontbreekt enig bewijs van een voorgaand verzoek.
120. Op 14 april 2020 werd de tweede verweerder op de hoogte gesteld van het aanhangig zijn van
een dossier bij de Gegevensbeschermingsautoriteit, en ontving de tweede verweerder een bevel
van de Geschillenkamer (overeenkomstig Beslissing 14/2020 o.g.v. artikel 95, §1, 5° WOG) om
gevolg te geven aan het verzoek van de klager om haar recht op gegevensoverdraagbaarheid uit
te oefenen.
121. Door de vernietiging van de Beslissing door het Marktenhof, werd het bevel van de
Geschillenkamer dd. 14 april 2020 teniet gedaan. Hierdoor was er ook niet langer een
rechtstreekse verplichting voor de tweede verweerder om gevolg te geven aan het verzoek van
de klager, nu de tweede verweerder slechts onrechtstreeks op de hoogte was van het verzoek,
en zich ook verzette tegen de uitvoering van dit recht op gegevensoverdraagbaarheid, blijkens
het beroep tegen Beslissing 14/2020 bij het Marktenhof, en het verweer in de procedure ten
gronde bij de Geschillenkamer.
122. Er bestaat op heden dus geen rechtstreeks verzoek van de klager ten aanzien van de tweede
verweerder, noch bestaat er een bevel van de Geschillenkamer ten aanzien van de tweede
verweerder, dat de tweede verweerder zou verplichten uitvoering te geven aan het verzoek van
de klager in de zin van artikel 20 AVG.
123. Bovendien blijkt uit het dossier dat de beheersrechten op de fanpagina intussen (sinds 22 april
2020) werden overgedragen aan de klager door Facebook.
124. Nu de litigieuze Facebook fanpagina reeds werd overgeheveld aan de klager, is er de iure geen
inbreuk op artikel 20, lid 1 AVG. Uit de gedragingen van de tweede verweerder blijkt echter wel
dat zij niet op correcte wijze gevolg zou hebben gegeven op het verzoek van de klager op grond
van voornoemde rechtsbepaling.
125. Zo haalde de tweede verweerder de fanpagina na het kennis nemen van Beslissing 14/2020
“offline” (dit wil zeggen dat de fanpagina blijft bestaan, maar onzichtbaar wordt voor gebruikers
van Facebook), vooraleer de beheersrechten door Facebook werden overgedragen aan de klager.
Ook stelt de verweerder in de procedure ten gronde voor de Geschillenkamer dat er ingevolge
artikel 20, lid 4 AVG geen gevolg moest gegeven worden aan het verzoek van de betrokkene.
126. Om alle voorgaande redenen, acht de Geschillenkamer het noodzakelijk de tweede verweerder
te waarschuwen dat zij de nodige maatregelen dient te nemen om op wettelijk correcte wijze
gevolg te geven aan de uitoefening van de rechten van betrokkenen, en meer bepaald het recht
op overdraagbaarheid, wanneer die betrokkenen hiertoe een verzoek tot hem richten.
Beslissing ten gronde 02/2021-24/26
4. Inbreuken op de AVG
127. De Geschillenkamer acht inbreuken op de volgende bepalingen door de tweede verweerder
bewezen:
a. artikel 6, lid 1 AVG, gezien de tweede verweerder op onrechtmatige wijze
persoonsgegevens van de klager via de litigieuze Facebook fanpagina verwerkt;
b. artikel 21, lid 1 j° artikel 12, lid 3 AVG, gezien de tweede verweerder geen gevolg
gaf aan het uitoefenen van het recht van bezwaar van de klager en niet voldoende
maatregelen nam opdat de communicatie met de klager, ingevolge het uitoefenen van
haar rechten, in de juiste vorm en tijdig werd verstrekt.
128. De Geschillenkamer acht het passend om een administratieve geldboete op te leggen ten bedrage
van 10.000 Euro (artikel 83, lid 2 AVG; artikel 100, §1, 13° WOG en artikel 101 WOG).
129. Rekening houdend met artikel 83 AVG en de rechtspraak17 van het Marktenhof, motiveert de
Geschillenkamer het opleggen van een administratieve geldboete in concreto:
a. De ernst van de inbreuk:
De geschonden bepalingen behoren tot de kern van de Algemene Verordening
Gegevensbescherming, het gaat met name om de rechtmatigheid van de verwerking en
rechten van betrokkenen. Inbreuken op de voornoemde artikelen 6 en 21 AVG geven
aanleiding tot de hoogste administratieve geldboeten overeenkomstig artikel 83, lid 5
AVG.
Voor de Geschillenkamer is het niet aanvaardbaar dat commerciële belangen in hoofde
van de tweede verweerder op enigerlei wijze afbreuk zouden doen aan de rechten die de
klager uit artikelen 12 tot en met 22 van de AVG put.
Het valt bij de beoordeling van het dossier door de Geschillenkamer op dat een
constructieve en transparante communicatie, laat staan samenwerking, tussen de klager
en de tweede verweerder niet mogelijk lijkt. Dit heeft op zijn minst een indirect effect op
de commerciële belangen van de klager, zonder dat zij hieromtrent controle heeft.
Het feit dat de persoonsgegevens van de klager als het ware ‘vermengd’ werden met
werken die de tweede verweerder toebehoren op de fanpagina op Facebook, kan
bezwaarlijk verweten worden aan de klager. Ook het feit dat de tweede verweerder de
fanpagina gebruikte voor professionele contacten met klanten, mag niet in de weg staan
aan de rechten en vrijheden van de klager. De tweede verweerder heeft bovendien
voldoende tijd gehad om de nodige maatregelen te nemen teneinde eigen werken te
verwijderen of verplaatsen, respectievelijk klanten of andere professionele partners te
contacteren en gesprekken met hen te wissen.
b. De duur van de inbreuk:
17
Hof van Beroep Brussel (sectie Marktenhof), X t. GBA, Arrest 2020/1471 van 19 februari 2020.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 25/26
De tweede verweerder kan geen geldige grondslag aanduiden18 voor de rechtmatigheid
van de verwerkingen van de persoonsgegevens van de klager overeenkomstig artikel 6,
lid 1 AVG na de afloop van de verbintenissen tussen haar en de klager op 3 november
2019. Dit betekent dat de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens gedurende
meer dan 5 maanden plaatsvond, totdat Facebook de fanpagina overdroeg aan de klager
eind april 2020.
Voor de vaststelling van de inbreuk op artikel 21, lid 1 AVG gaf de Geschillenkamer eerder
al aan dat er niet op tijd (cfr. artikel 12, lid 3 AVG) gevolg werd gegeven door de tweede
verweerder aan het verzoek van de klager, waardoor per definitie de inbreuk te lang
duurde.
c. De nodige afschrikwekkende werking om verdere inbreuken te voorkomen:
De tweede verweerder maakt een verkeerde afweging tussen haar eigen commerciële
aanspraken en de rechten inzake de bescherming van persoonsgegevens van de klager.
Dit duidt op de miskenning van het belang van de wetgeving inzake
persoonsgegevensbescherming, waarbij de Geschillenkamer een administratieve
geldsanctie noodzakelijk acht.
De Geschillenkamer wijst erop dat de andere criteria van art. 83.2. AVG in dit geval niet van aard zijn
dat zij leiden tot een andere administratieve geldboete dan die welke de Geschillenkamer in het kader
van deze beslissing heeft vastgesteld.
130. Op 23 december 2020 maakte de Geschillenkamer een formulier voor reactie tegen een
voorgenomen geldboete over aan de tweede verweerder, waarbij hen ter kennis werd gebracht
dat de Geschillenkamer voornemens was aan de tweede verweerder een geldboete van 10.000
EUR op te leggen. De verwerende partij kreeg daarbij de gelegenheid zich uit te spreken over de
bijzondere omstandigheden van het geval, de hoogte van de voorgenomen geldboete en haar
eigen financiële draagkracht.
131. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing overeenkomstig artikel 100, §1, 16° WOG gepubliceerd
op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit met weglating van de
identificatiegegevens van de partijen, gezien die identificatiegegevens niet noodzakelijk en
relevant zijn bij de publicatie van de beslissing.
18
Het komt aan de verwerkingsverantwoordelijke toe om aan te tonen dat hij de bepalingen van de AVG respecteert,
overeenkomstig artikel 5, lid 2 AVG.
Beslissing ten gronde 02/2021 - 26/26
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging:
a. op grond van artikel 100, §1, 1° WOG de klacht tegen de eerste verweerder te
seponeren, gezien die eerste verweerder geen verwerkingsverantwoordelijke blijkt te
zijn overeenkomstig artikel 4, punt 7) AVG voor de feiten die het voorwerp vormen
van de onderhavige klacht;
b. op grond van artikel 58, lid 2, a) AVG en artikel 100, §1, 5° WOG de tweede
verweerder te waarschuwen dat zij het recht op gegevensoverdraagbaarheid (artikel
20, lid 1 AVG) van de klager dient te respecteren. Het verzoek om dat recht uit te
oefenen was opgeworpen in de klacht, en de Geschillenkamer is van oordeel dat de
tweede verweerder gevolg zou moeten geven aan het verzoek mocht de tweede
verweerder nog of wederom beschikken over de beheersrechten van de fanpagina.
Door het ingrijpen van een andere verwerkingsverantwoordelijke (Facebook), die de
beheersrechten aan de klager overdroeg, is dit verzoek echter zonder voorwerp
geworden;
c. op grond van artikel 58, lid 2, punt i) j° artikel 83 AVG en artikelen 100, § 13°
en 101 WOG een administratieve geldboete van 10.000 Euro op te leggen aan de
tweede verweerder voor de inbreuk op artikel 6, lid 1 AVG wegens het onrechtmatig
verwerken van persoonsgegevens door het houden van beheersrechten op een
Facebook fanpagina die de naam en voornaam van de klager draagt, en voor de
inbreuk op artikel 21, lid 1j° artikel 12, lid 3 AVG wegens het niet correct en niet tijdig
gevolg geven aan het verzoek van de klager om haar recht van bezwaar uit te
oefenen.
Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een
termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer