Uitgifte
Repertoriumnummer URgereikt aan Uitgereikt aan Uitgereikt aan
2023/ /pH?
Datum van uitspraak
op op op
1 maart 2023 € € €
BUR BUR BUR |
Rolnummer
2022/AR/1085
N°
[X1 Niet registreerbaar
Hof van beroep
Brussel
Sectie Marktenhof
19 de kamer A
Kamer voor marktzaken
Arrest
Aangeboden op
Niet te registreren
COVER 01-00003170576-0001-0012-01-01-1
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 2
1. X1, [...],
2. X2, [...],
verzoekers,
vertegenwoordigd door mr. Bryan Geerts, advocaat loco mr. Pascal LAHOUSSE, advocaat te [...],
tegen
De GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, ingeschreven in de Kruispuntbank voor Ondernemingen
onder het nummer 0694.679.950, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35;
Geïntimeerde, oorspronkelijke administratieve instantie, hierna "Gegevensbeschermingsautoriteit of
GBA of Geschillenkamer";
vertegenwoordigd door Mr. Joos ROETS (...) en Timothy Roes (...), advocaten met kantoor
te [...].
Gelet op de procedurestukken:
• de beslissing van 13 juli 2022 van de Geschillenkamer van de GBA (hierna de "Bestreden
Beslissing"},
• het verzoekschrift van 10 augustus 2022, waarmee verzoekers beroep aantekenen tegen de
Bestreden Beslissing in het dossier met nummer DOS-2022-01459, zoals kennisgegeven bij e-mail van
13 juli 2022 aan Verzoekers,
• de inleidende zitting van 27 augustus 2022 van het Marktenhof,
• de syntheseconclusies van partijen,
• de door partijen neergelegde bundels;
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 8 februari 2023 en gelet op de
stukken die zij neerlegden waarna de zaak in beraad werd genomen voor uitspraak op 8 maart 2023.
1. Feiten en procedurele voorgaanden
De pertinente feiten kunnen als volgt worden samengevat. Het Marktenhof herneemt hieronder een
passage uit de Bestreden Beslissing:
rPAGE 01-0□□□ 3170578- □□□2-0012-01-01-�
L _J
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 3
Op 21 maart 2022 diende de klagers (heden verzoekers] een klacht in bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de verweerder [met name de Gemeente Y].
De klacht betreft het consulteren van de professionele mailbox van de klagers door de
functionaris van gegevensbescherming van de verweerder.
De beide klagers zijn tewerkgesteld bij de verweerder.''
Naar aanleiding van de bekendmaking door de vakorganisatie ACV Openbare Diensten dat de heer
X1 vanaf 01.04.2021 vakbondsafgevaardigde zou worden, werd door een personeelslid van het
Managementteam, de heer Z voor het voltallig personeel van de gemeente Y per mail
gerepliceerd: "Hahaha 1 april of wordt het clubje toch langer en langer ...
JJ
Naar aanleiding van deze mail, hebben de gewestelijk secretaris en de nationale secretaris van het
ACV Openbare Diensten een klacht ingediend bij de gemeente Y.
Klaarblijkelijk werd één en ander besproken op de gemeenteraad van 25.05.2021 en op het college
van Burgemeester en Schepenen dd. 21.06.2021 en 21.09.2021.
Op basis van de openbaarheid van bestuur werden namens de verzoekers de desbetreffende notulen
opgevraagd.
De gemeente Y heeft deze medegedeeld op 08.12.2021.
Uit de notulen van de gemeenteraad dd. 25.05.2021 blijkt dat de DPO één en ander heeft onderzocht
en er wordt gesteld: de DPO besliste een tweede schending van de privacy te onderzoeken, met
11
name de verantwoordelijke van de lek van de interne mail naar buiten de organisatie (ACV). De DPO
deed een onderzoek in bepaald mailverkeer, waaruit bleek dat er vermoedelijk werd gewerkt met een
foto van de mail en een privé-mail-adres om deze vervolgens te versturen naar ACV. Hier zijn geen
bewijzen van."
Verzoekers beklagen zich over het feit dat hun professioneel e-mailadres, resp.
[email protected] en [email protected] en hun inbox individueel werd gecontroleerd door de gemeente en/of
DPO en dit zonder dat zij hiervan op de hoogte waren of hun toestemming hadden gegeven.
Bij beslissing van 13 juli 2022 beslîste de Geschillenkamer om het dossier te seponeren, met de
volgende motivering (STUK A.5 van de GBA):
"3. Steunend op de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn en op basis
van de bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 95, §1 WOG zijn
toebedeeld, beslist de Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu
gaat de Geschillenkamer over tot het seponeren van de klacht overeenkomstig artikel 95, §1,
32 WOG, uitgaande van de hiernavolgende motivering.
r PAGE □1- □□□□3170578-00□ 3-0012-□1- □1-�
L
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 4
4. De Geschillenkamer dient in het geval van een sepot trapsgewijs te onderzoeken en
motiveren:
- ofer onvoldoende uitzicht bestaat op een veroordeling, waarna een technisch sepot volgt;
- ofeen succesvolle veroordeling technisch haalbaar zou zijn maar op gronden, aan het
algemeen belang ontleend, een (verdere) vervolging onwenselijk is, waarna een beleidssepot
volgt.
In het geval op meer dan één grond wordt geseponeerd, dienen de sepotgronden (resp.
technisch sepot en beleidssepot) in volgorde van belangrijkheid te worden behandeld.
5. In het voorliggend geval acht de Geschillenkamer het onwenselijk verder gevolg te geven
aan het dossier en beslist zij over te gaan tot een technisch sepot op basis van de volgende
twee gronden.
6. Vooreerst gaat de Geschillenkamer overeenkomstig haar sepotbeleid na ofde ingediende
klacht grieven bevat met een grote maatschappelijke en/of persoonlijke impact. Teneinde
voorgaande te evalueren, baseert de Geschillenkamer zich op de criteria die de Europese
gegevensbeschermingsautoriteiten hanteren om verwerkingen met een "hoog risico" in de zin
van artikel 35 AVG te identificeren.
7. In casu steit de Geschillenkamer vast dat de betrokken verwerking waarop de klacht
ingediend door de klager betrekking heeft prima facie niet kan worden ondergebracht in één
van de gevallen opgesomd in artikel 35.5 AVG.
8. Als tweede motief oordeelt de Geschillenkamer dat deze klacht een nevengeschil is dat
kadert in een ruimer syndicaal geschil waarvoor zij niet bevoegd is. Op basis van de stukken
uit het dossier stelt de Geschillenkamer vast dat er reeds een historiek van incidenten en
twistpunten bestaat tussen de partijen in deze zaak. In de bewijsstukken die worden
overgemaakt leest de Geschillenkamer meerdere malen hoe gesproken wordt over intimidatie
in het kader van de spanningen tussen beide partijen, alsook de nood aan "de-escalatie en het
terug normaliseren van de sociale verhoudingen". Voorzover als nodig verwijst de
Geschillenkamer ook naarde autonome rol van de functionaris voor gegevensbescherming
met betrekking tot onderzoeken van inbreuken in verband met persoongegevens. In de
context van dit ruimer geschil is de Geschillenkamer van oordeel dat haar tussenkomst niet
strikt noodzakelijk is en dat het opportuner is voorde partijen om desgewenst het ruimer
syndicaal geschil voor de bevoegde rechtbank te brengen aangezien de bevoegde rechtbank
zich heeft op alle elementen van dit geschil.
9. Als tweede motiefstelt de Geschillenkamer vast dat de klager verwijst naar het opstarten
van procedures bij de bevoegde politiediensten, de Gouverneur en de Minister van
Binnenlandse Zaken om de vermeende schending van de AVG aan de kaak te stellen. Gelet op
|[” PAGE 01-000D317D5?a-0004-0012-Dl-01-4 |
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 5
haar beperkte middelen, heeft de Geschillenkamer niet als prioriteit om tussen te komen in
administratieve procedures of procedures te voeren parallel aan andere administratieve
procedures, waardoor zij beslist om onderhavige zaak niet ten gronde te behandelen."
Deze beslissing werd per e-mail dd. 13 juni 2022 ter kennis gebracht aan de verzoekers (klagers).
Bij verzoekschrift dd. 10 augustus 2022 stelde verzoekers (klagers) onderhavig verhaal in bij het
Marktenhof.
II. Voorwerp van de vorderingen
Het beroep van verzoekers strekt er toe:
• Om de bestreden beslissing te vernietigen;
• Om de GBA te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief 1.800 euro
rechtsplegingsvergoeding en 22 euro kosten Begrotingsfonds;
De GBA vraagt het Marktenhof :
■ De vordering van verzoekers ongegrond te verklaren;
■ Hoe dan ook, verzoekers te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van het
geïndexeerde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 1.800 euro.
III. Middelen en verweermiddelen aangevoerd door de partijen
Middelen ingeroepen door verzoekers
De bestreden beslissing schendt het motiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel
aangezien de Geschillenkamer in de bestreden beslissing de werkelijke beweegredenen van
verzoekers niet heeft onderzocht.
De bestreden beslissing schendt de rechten van verdediging en dient derhalve te worden vernietigd.
PAGE 01-000D317057Ö-0005-0012-01-01-U
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 6
Verweermiddelen ingeroepen door de GBA
Eerste verweermiddel: De sepotbeslissing berust op een sepotgrond die gedragen wordt door
pertinente en draagkrachtige motieven - Deze afdoende motivering is in de bestreden beslissing zelf
opgenomen - De sepotbeslissing strookt met het 'Sepotbeleid van de Geschillenkamer' (verweer
tegen het eerste middel van verzoekers)
Tweede verweermiddel: verzoekers konden geen recht op tegenspraak laten gelden tijdens de
precontentieuze fase (verweer tegen het tweede middel van verzoekers)
Vooraf
Het verhaal is tijdig ingesteld door verzoekers. Daarover is er geen betwisting.
IV. Beoordeling van de middelen ingeroepen door verzoekers en de GBA
De bestreden besiissing schendt het motiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel
aangezien de Geschillenkamer in de bestreden beslissing de werkelijke beweegredenen van
verzoekers niet heeft onderzocht.
In het kader van hun eerste middel, betogen verzoekers dat de bestreden beslissing het motiverings-,
zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel schendt door de "werkelijke beweegredenen" van
verzoekers niet te onderzoeken. Verzoekers voeren aan dat het niet uit de bestreden beslissing blijkt
of de Geschillenkamer wel "de grond van de klacht" heeft onderzocht. Bovendien argumenteren zij
dat de Geschillenkamer had moeten ingaan op de grondrechten die volgens hen in het geding zijn.
Ten slotte argumenteren verzoekers dat ze slechts het gedrag van de functionaris voor
gegevensbescherming onderzocht wensten te zien en niet een "ruimer syndicaal geschil".
De GBA betoogt samengevat dat:
• Hoewel de bestreden beslissing dit één enkele keer (bij wege van een kennelijke materiële
misslag) een 'technisch sepot' noemt, is niettemin duidelijk dat een beleidssepot wordt
bedoeld. Ten eerste acht de Geschillenkamer een behandeling ten gronde "onwenselijk", i.e.
niet opportuun, eerder dan technisch onmogelijk. Ten tweede verwijst de bestreden
beslissing naar afdeling 3.2.1, pagina 9 van het Sepotbeleid, dat over het beleidssepot gaat.
Ten slotte motiveert de bestreden beslissing het sepot door erop te wijzen dat de klacht
aansluit bij verschillende van de situaties waarin volgens het Sepotbeleid een beleidssepot
waarschijnlijk is. Er kan dus redelijkerwijze geen twijfel over bestaan dat de Geschillenkamer
geseponeerd heeftom beleidsredenen.
® de bestreden beslissing deze seponering schraagt met pertinente en draagkrachtige
motieven, die elk op zichzelf reeds volstaan om de beslissing te verantwoorden. Volgens het
| PAGE oi-ODOoaivosTa-oooL-ooia-oi-oi-H- "]
H o f van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 7
Sepotbeleid kan de Geschillenkamer om opportuniteitsredenen seponeren wanneer de
maatschappelijke en/of persoonlijke impact van de verwerking waarop de zaak betrekking
heeft volgens haar beperkt is of wanneer een behandeling ten gronde volgens haar niet
efficiënt zou zijn. De Geschillenkamer motiveert het sepot in casu met de beoordeling dat
zowel de vereiste impact o/s de vereiste eff iciëntie ontbreekt.
Volgens verzoekers is er sprake van rechtsweigering door de Geschillenkamer. Luidens artikel 5
Gerechtelijk Wetboek bestaat er rechtsweigering wanneer de rechter weigert recht te spreken onder
enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet. De
Geschillenkamer is echter geen rechtbank maar een administratief geschillenorgaan en de wet van 3
december 2017 verleent de Geschillenkamer van de GBA wel degelijk de bevoegdheid om klachten
zonder gevolg af te sluiten.
Het Marktenhof heeft eerder geoordeeld dat de GBA als toezichthoudende autoriteit,
overeenkomstig art. 52 AVG, volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van de taken en
bevoegdheden die haar overeenkomstig de AVG zijn toegewezen, en dat de beoordeling van de mate
waarin het gepast is om kennis te nemen van de inhoud van de klacht een discretionaire
bevoegdheid is, die de autoriteit vrij en naar eigen inzichten uitoefent.
Dit houdt ook in dat de GBA de principiële bevoegdheid heeft om klachten te seponeren, zoals
bevestigd door art. 57.1, f) AVG, waarin wordt gesteld dat toezichthoudende autoriteiten "de inhoud
van de klacht" slechts dienen te onderzoeken "in de mate waarin dat gepast is".
Het Marktenhof ziet evenwel toe op de naleving van de adequate motivering van de
seponeringsbeslissing.
Daarbij gaat het Marktenhof in eerste instantie na of de GBA beslist heeft om te seponeren omdat ze
op basis van een onderzoek concludeert dat er onvoldoende uitzicht bestaat op een veroordeling
(een zogenaamd technisch sepot) of eerder dat een succesvolle veroordeling weliswaar technisch
haalbaar zou zijn maar omwille van een gebrek aan maatschappelijke en/of persoonlijke impact
(verdere) vervolging onwenselijk is (een zogenaamd beleidssepot).
Het Marktenhof waakt zowel over de formele als de materiële motiveringsplicht.
In onderhavig geval stelt de Geschillenkamer in randnummer 5 van de Bestreden Beslissing ten
onrechte dat het om een technisch sepot zou gaan. Het betreft een kennelijke materiële misslag
zoals de GBA stelt in conclusies en ter zitting. Het Marktenhof merkt op dat men bepaalde
formuleringen in de Bestreden Beslissing niet consequent kan achten (zoals bijvoorbeeld
randnummer 5 met de onterechte vermelding van een technisch sepot, de vermelding van (een
klacht van) externe leden van de vakbondsorganisatie die geheel niet in onderhavige zaak betrokken
zijn en de vermelding van een 'tweede' motief in randnummer 9 terwijl het in realiteit een derde
motief betreft), toch impliceert de beslissing van de Geschillenkamer voldoende duidelijk en
PAGE 01-00003170576-0007-0012-01-01-4
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 8
coherent dat er sprake is van een beleidssepot. Voor dat beleidssepot geeft de Geschillenkamer in
essentie drie motieven op, het eerste motief wordt hierna onderzocht.
In randnummer 7 van de Bestreden Beslissing stelt de GBA: in casu stelt de Geschillenkamer vast dat
de betrokken verwerking waarop de klacht ingediend door de klager betrekking heeft, prima facie
niet kan worden ondergebracht in één van de gevallen opgesomd in artikel 35.3 AVG.
Deze weliswaar korte redengeving volstaat:
• de Geschillenkamer mag een prima facie onderzoek doen zonder zich aan 'rechtsweigering'
te bezondigen;
• hoewel het over een grondrecht gaat, mag de Geschillenkamer prioriteiten stellen;
• de Geschillenkamer mag vaststellen dat bepaalde aantijgingen niet afdoende bewezen
worden in het kader van een klacht.
® De Geschillenkamer kan de persoonlijke impact van de omstandigheden van de klacht op de
fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkenen afwegen tegen de efficiëntie van
haar optreden, om te beslissen of zij het opportuun acht de klacht diepgaand te behandelen.
Ter zake kon de Geschillenkamer naar redelijkheid vaststellen dat de klacht, die betrekking heeft op
één incident waarbij slechts twee professionele mailboxen werden geconsulteerd, niet aansluit bij de
situaties die worden opgesomd in artikel 35.3 AVG, die alle worden gekenmerkt door het
'grootschalig' of 'systematisch' karakter van de gegevensverwerking.
Het tweede motief ingeroepen door de Geschillenkamer is overbodig in het licht van het voorgaande
en is overigens niet voldoende pertinent aangezien zoals, reeds gesteld, de vakorganisatie geenszins
procespartij is in onderhavig geschil en dit los van de vraag of verzoekers al dan niet zelf melding
maakten van een vermeend syndicaal geschil.
Het derde motief wordt (opnieuw ten overvloede volgens het Marktenhof) vermeld in randnummer
9 van de Bestreden Beslissing:
9. Als tweede motief [sic] stelt de Geschillenkamer vast dat de klager verwijst naar het
opstarten van procedures bij de bevoegde politiediensten, de Gouverneur en de Minister van
Binnenlandse Zaken om de vermeende schending van de A VG aan de kaak te stellen. Gelet op
haar beperkte middelen, heeft de Geschillenkamer niet als prioriteit om tussen te komen in
administratieve procedures of procedures te voeren parallel aan andere administratieve
procedures, waardoor zij beslist om onderhavige zaak niet ten gronde te behandelen.”
Het Marktenhof overweegt dat hieruit enkel blijkt dat de GBA efficiënt tracht te werken en dat de
deur naar de GBA niet definitief gesloten is: niets belet verzoekers mochten er zich alsnog incidenten
voordoen waarbij een DPO op aantoonbare wijze betrokken zou zijn, desgevallend opnieuw (op
eenvoudige en quasi vormvrije) klacht in te dienen bij de GBA.
r~ PAGE 01-00003170570-0000-0012-01-01-4” ]
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 9
Het eerste middel van verzoekers is ongegrond.
De bestreden beslissing schendt de rechten van verdediging en dient derhalve te worden
vernietigd.
Volgens verzoekers had de Geschillenkamer alvorens te seponeren een tegensprekelijk debat
moeten houden. Ook had de Geschillenkamer hen de eventuele stukken moeten overmaken die door
de verwerkingsverantwoordelijke en/of de DPO bij de Geschillenkamer waren ingediend.
Dit middel faalt naar recht zoals de GBA terecht opmerkt in haar conclusies.
De WOG maakt een duidelijk onderscheid tussen de contentieuze fase (onderafdeling 3) en de
precontentieuze fase voor de Geschillenkamer (onderafdeling 2). De partijen worden pas in kennis
gesteld van de mogelijkheid om zich te verweren en de mogelijkheid om stukken in te dienen bij
aanvang van de contentieuze fase (artikel 98 WOG) (eigen onderlijningen):
Precontentieuze fase:
"Onderafdeling 2. - Procedure vggrgfgggnd ggn de besljssjng ten grgnde
Art. 94. Eens gevat kan de geschillenkamer:
1 ° een onderzoek vragen aan de inspectiedienst overeenkomstig artikel 63, 2° ;
2 ° de inspectiedienst verzoeken om een aanvullend onderzoek te verrichten wanneer de
geschillenkamer wordt gevat overeenkomstig artikel 92, 3° ;
3 ° de klacht behandelen zonder uit eigen beweging de inspectiedienst te hebben gevat.
Art. 95. § 1 . De geschillenkgrneg beslist oyey de opyglgjng die het geeft ggn het dgssier en is
beygegcf
l ° t e besljssen dgt het dgssier gereed is yggr behgndejing ten grgnde;
2 ° een schikking voor te stellen;
3 ° de klgcht te seggneren;
4 ° waarschuwingen teformuleren;
5 ° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te
oefenen;
6° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
7° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het
in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
8 ° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
§ 2. In de gevallen vermeld in § 1, 4° tot 6°, stelt zij onverwijld de betrokken partijen per
aangetekende zending in kennis van:
1 ° hetfeit dat een dossier aanhangig is;
pag
F E: Ol-OODO317O5?a-ODO ci - O [ ] 1 2 - O l - 0 1 - 4 "- |
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 10
2 ° de inhoud van de klacht, desgevallend met uitzondering van de stukken waaruit de
identiteit van de indiener van de klacht kan worden afgeleid;
3° de mogelijkheid tot het raadplegen en het kopiëren van het dossier bij het secretariaat
van de geschillenkamer, desgevallend met uitzondering van de stukken waaruit de identiteit
van de indiener van de klacht kan worden afgeleid, alsmede van de dagen en de uren waarop
die raadpleging mogelijk is.
§3.[...]
Art. 96. [...]
Art. 97. [...]"
CONTENTIEUZE FASE:
"Onderafdeling 3. - Berggdslggjng en besljssjng ten gronde
Art. 98. Wgnneeg de geschjllenkgmer besjist dgt het dossier gereed is vgor behgndeling ten
grgnde, stelt zjj onverwijld de betrokken ggrtijen geg gangetekende zending in kennis van de
bepalingen zoals vermeld in artjkef 95, 2, alsook van:
1 ° de mogelijkheid om alle communicatie omtrent de zaak elektronisch te aanvaarden;
2° de mogelijkheid om hun verweermiddelen in te dienen en om te verzoeken om gehoord te
worden;
3° de mogelijkheid om alle stukken die zij nuttig achten bij het dossier te voegen.
Art. 99. De geschillenkamer nodigt de partijen uit om hun verweermiddelen in te dienen.
Art. 100. § 1. De geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1 ° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen teformuleren;
[...]
De WOG onderscheidt dus:
enerzijds, de fase die voorafgaat aan een behandeling ten gronde en tijdens dewelke de
Geschillenkamer zelf kan beslissen welk gevolg zij geeft aan de klacht ('precontentieuze
fase'), en
anderzijds, de fase die begint m e t de beslissing dat het dossier "gereed is voor een
behandeling te gronde" en eindigt met een administratieve beslissing ten gronde
('contentieuze fase').
PAGE □l-0000317D57fi-D01D-OD12-01-01-4
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 11
De Bestreden Beslissing vond plaats tijdens de precontentieuze fase. Uit het beschikkend gedeelte
van Bestreden Beslissing blijkt namelijk dat de Geschillenkamer de klacht geseponeerd heeft op
grond van artikel 95, § 1, 3°, WOG.
Het tweede middel is ongegrond.
Gerechtskosten
Verzoekers zijn de in het ongelijk gesteld partij en zijn dus gehouden tot het betalen van de
gerechtskosten van de GBA te begroten op de basis rechtsplegingsvergoeding voor niet in geld
waardeerbare geschillen, zijnde 1.800 EUR.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak ;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het verhaal ingesteld door verzoekers tegen de Bestreden Beslissing van de GBA
ontvankelijk doch ongegrond.
Veroordeelt verzoekers tot de gerechtskosten van de GBA vereffend op 1.800 EUR
rechtsplegingsvergoeding.
Veroordeelt de verzoekers, dit overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-,
hypotheek- en griffierechten tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht
hoger beroep ten bedrage van 400,00 euro en tot het definitief ten laste nemen van de bijdrage van
22 euro voor het Budgettair Fonds.
|R PAGE 0 1 - 0 0 0 0 3 1 7 0 5 7 f l - 0 0 1 1 ~ 0 0 1 2 ~ 0 1 - 0 1 - l7",”|
Hof van beroep Brussel - 2022/AR/1085 - p. 12
Aldus gevonnist en uitgesproken i n openbare burgerlijke terechtzitting van de 19 e kamer A van het
hof van beroep te Brussel o p 1 m a a r t 2023
waar aanwezig waren:
M e v r . A-M. WITTERS, Raadsheer dd. Voorzitter,
Dhr. F. FOGLI, Raadsheer,
Dhr. 0. DUGARDYN, Plaatsvervangend Raadsheer,
Dhr. S. DE C00MAN, Griffier,
S. Dt C 0 0 M A N O. ÖUGARDYi
iGLI . WITTERS
| PAGE 01-000031705?a-0012-001S-01-01-Ü - ”|