855

Uitgifte
| Repertoriumnummer 2019 / 8029 | Uitgereikt aan | Uitgereikt aan | Uitgereikt aan |
| --- | --- | --- | --- |
| Datum van uitspraak 23 oktober 2019 | op € BUR | op € BUR | op € BUR |
| Rolnummer 2019/AR/1234 | | | |
☐
Niet aan te bieden aan de ontvanger
Eindarrest : gegrond
# Hof van beroep
# Brussel
Sectie Marktenhof
19de kamer A
Kamer voor marktzaken
# Arrest
| Aangeboden op |
| --- |
| Niet te registreren |
COVER 01-00001500888-0001-0029-04-01-1

Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 2
856
INZAKE :
De FEDERALE OVERHEIDSDIENST VOKSGEZONDHEID – VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN EN LEEFMILIEU, ingeschreven in het KBO onder nummer 0367.303.762, vertegenwoordigd door de Minister voor Sociale Zaken en Volksgezondheid, Asiel en Migratie Mev. De Block Maggie, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 40 bus 10, die woonstkeuze doet bij haar raadslieden Mr. FEYS Magali en Mr. VAN DE WALLE Silke, kantoorhoudende te 9830 SINT-MARTENS-LATEM, Kortrijksesteenweg 62, verzoekende partij,
vertegenwoordigd door Mr. FEYS Magali en Mr. VAN DE WALLE Silke, advocaten, beiden kantoorhoudende te 9830 SINT-MARTENS-LATEM, Kortrijksesteenweg 62,
tegen beslissing 05/2019 van de Gegevensbeschermingsautoriteit dd. 9 juli 2019,
TEGEN :
De GEGEVENSBESCHERMINGSAUTORITEIT, ingeschreven in het KBO onder nummer 0694.679.950, gevestigd te 1000 Brussel, Drukpersstraat 35, vertegenwoordigd door dhr. Stevens David in diens hoedanigheid van voorzitter van de “Gegevensbeschermingsautoriteit” Verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. CLOOTS Elke, Mr. SOTTIAUX Stefan en Mr. Joos ROETS, advocaten, allen kantoorhoudende te 2018 ANTWERPEN, Oostenstraat 38 bus 201
EN MEDE INZAKE :
VAN CAUWELAERT Eric, wonende te 3621 REKEM, Pastoor Breemanslaan 30, tussenkomende partij,
# 1. Rechtsmacht van het hof.
Het hof put zijn rechtsmacht uit een verzoekschrift tot hoger beroep dat door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, vertegenwoordigd door Mevrouw de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, en van Asiel en Migratie (federale regering), Mevr. Maggie De Block (hierna “FOD VOLKSGEZONDHEID”) op 9 augustus 2019 werd neergelegd ter griffie van het hof van beroep en waarbij een verhaal overeenkomstig artikel 108 § 1 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna “GBA-wet”) wordt ingesteld tegen de beslissing van 9 juli 2019 (verzonden op 10 juli 2019) getroffen door de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna “GBA”).
PAGE 01-00001500888-0002-0029-04-01-4
857
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 3
In het inleidend verzoekschrift werd Eric VAN CAUWELAERT vermeld als “andere op te roepen partij”. Deze partij is niet verschenen en bij conclusie worden geen vorderingen tegen deze persoon gesteld.
# 2. De bestreden beslissing en de feiten.
De bestreden beslissing stelt:
# OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om ten aanzien van de verweerder:
- op grond van art. 100, §1, 5° GBA-wet, een berisping te formulieren;
- op grond van art. 100, §1, 16° GBA-wet, deze beslissing befind te make n op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, met inbegrip van de identificatiegegevens van de partijen.
Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 GBA-wet, beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de betekening van de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
De FOD VOLKSGEZONDHEID geeft volgend feitenrelaas:
"1. Bij het opstellen van de lijst met benoemingen van de leden beoefenaars van de tandheelkunde voor de geneeskundige commissies, consulteert Concluante, de FOD Volksgezondheid, steeds de afzonderlijke beroepsverenigingen die een better zich hebben op möglichke leden voor de commissies dan Concluante zich. Zo heeft Concluante met haar schrijven van 25 oktober 2016 de representatieve beroepsverenigingen voor tandartsen waaronder de Vlaamse Beroepsvereniging voor Tandartsen (VBT), gezvraagd om leden voor te dragen als kandidaat voor de provinciale geneeskundige commissies (hierna de "PGC"). Dhr. E. Van Cauwelaert werk voorgesteld als kandidaat-lid voor de PGC Limburg. De PGC Limburg heeft verrolgens dhr. E. Van Cauwelaert voorgedragen als eerste kandidaat-plaatsvervangend lid voor hun commissie.
2. In het Koninklijk Besluit van 15 november 2017 (hierna het "K.B. van 15 november 2017") (stuk 1) stond Dhr. E. Van Cauwelaert aanvankelijk vermeld voor benoeming totplaatsvervangend lid van de PGC Limburg.
3. Wanner men wou overgaan tot publicatie van dit K.B. van 15 november 2017, werd op 1 december 2017 de Minister van Volksgezondheid geinterpelleerd door een van de twee Franstalige beroepsverenigingen voor tandartsen (genaamd de "Chambre Syndicale Dentaire" (hierna "CSD") inzake dit K.B. (stuk 2a, met vertaling als stuk 2b). De CSD had immers
PAGE 01-00001500888-0003-0029-04-01-4
858
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 4
vastgesteld dat alle leden van CSD als plaatsvervangende leden werden weerhouden, terwijl de leden van de tweede Franstalige beroepsvereniging allen als werkende leden werden weerhouden.
Het bleek hier om een administratieve fout te gaan. De publicatie van het K.B. van 15 november 2017 werd ingehouden en een nieuw ontwerp van Koninklijk Besluit werd opgesteld, dat het K.B. van 15 november 2017 diende te vervangen teneinde deze situatie aangehaald door de CSD recht te zetten.
4. In het kader van het opstellen van een nieuw K.B., meldde de PGC Limburg op 17 januari 2018 dat het aangewezen was om Dhr. E. Van Cauwelaert niet langer voor te dragen als plaatsvervangend lid en hem bijgevolg niet meer op te nemen in het nieuwe Koninklijk Besluit (stuk 3). Op dat moment werden geen verdere redenen aangeduid die ten grondslag lagen aan deze keuze. De reden voor deze interne besluitvorming werd pas later, na de publicatie van het nieuwe K.B. (zijnde op 29 augustus, zie infra) middels een intern schrijven aan de FOD Volksgezondheid meegedeeld.
5. Aangezien het de taak is van de beroepsverenigingen om leden voor te dragen voor dergelijke commissie en de PGC Limburg dan ook beter geplaatst is om hierover te beslissen dan Concluante, werd Dhr. E. Van Cauwelaert niet (langer) weerhouden in het Koninklijk Besluit van 6 juni 2018 als lid van de PGC Limburg.
Het Koninklijk Besluit van 6 juni 2018 (hierna het “K.B. van 6 juni 2018”) (stuk 4) dat ineens het K.B. van 15 november 2017 verving, werd samen met het ingehouden en vervangen K.B. van 15 november 2017 gepubliceerd. Aangezien de beide Koninklijke Besluiten werden ondertekend, dienden deze allebei gepubliceerd te worden.
6. Op 11 juli 2018 stuurde Dhr. E. Van Cauwelaert een eerste brief naar Dhr. Lammertyn, celhoofd toegang tot het beroep en tattoo bij Concluante, waarin dhr. E. Van Cauwelaert tekst en uitleg vroeg bij zijn vervanging (stuk 5). Van een recht tot inzage in persoonsgegevens wordt geenszins gewag gemaakt, evenmin van een toegangsrecht in de bestuursdocumenten. De vraag van Dhr. E. Van Cauwelaert beperkte zich louter tot kennisname van de redenen van zijn vervanging. Met andere woorden: hij wenste te weten te komen waarom hij niet (langer) werd aangesteld, of dit geen vergissing uitmaakte en of hij opnieuw kon worden aangesteld.
7. In de periode tussen 11 juli 2018 en eind augustus 2018 stuurde Dhr. E. Van Cauwelaert een aantal e-mails aan Dhr. Lammertyn, met daarin dezelfde vraag: de reden achterhalen van het feit waarom hij niet (langer) als plaatsvervangend lid werd benoemd in de desbetreffende commissie. Echter, deze mails werden stuk voor stuk gestuurd naar het verkeerde mailadres (met name naar: [email protected] in plaats van [email protected]). Deze e-mails zijn derhalve nooit ontvangen door Concluante.
Op 22 augustus 2018 verstuurde Dhr. E. Van Cauwelaert opnieuw een aangetekende brief naar Dhr. Lammertyn (alsook weer een mail naar het verkeerde mailadres) waarin hij vraagt de ‘echte’ redenen van zijn vervanging mee te delen (stuk 6). Ook in deze brief wordt op geen enkele manier gewag gemaakt van enige inzage in persoonsgegevens of bestuursdocumenten.
PAGE 01-00001500888-0004-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 5
859
8. Op dat ogenblik was Concluante echter niet op de hoogte van de specifieke redenen die voor het PGC Limburg tot deze samenstelling had geleid. Concluante was enkel middels de e-mail van 17 januari 2018 op de hoogte gesteld van de voorkeur van de PGC Limburg om Dhr. E. Van Cauwelaert te vervangen als plaatsvervangend lid tandarts (stuk 3).
Naar aanleiding van de vraag van Dhr. E. Van Cauwelaert, vroeg Concluante aan de PGC om meer uitleg omtrent haar beslissing. Middels een intern schrijven van de PGC Limburg (bij monde van diens secretaris) aan Concluante van 29 augustus 2018 werden verdere details - inzake een aantal problemen die zich hadden voorgedaan met de Dhr. E. Van Cauwelaert in het kader van enkele (al dan niet deontologische) dossiers – meegedeeld (stuk 7). Het antwoord van de (secretaris van de) PGC Limburg werd op dat ogenblik niet meegedeeld aan Dhr. E. Van Cauwelaert. Dit omdat er een aantal (o.a. deontologische) redenen ten grondslag lagen van de beslissing om Dhr. E. Van Cauwelaert niet langer voor te dragen.
9. Op 11 februari 2019 verstuurde Dhr. E. Van Cauwelaert een derde brief aan Dhr. Lammertyn waarin hij meedeelde dat hij reeds klacht had neergelegd bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (stuk 8). De Gegevensbeschermingsautoriteit had op 30 oktober 2018 beslist dat Dhr. E. Van Cauwelaert inzage in het gehele dossier diende te krijgen (stuk 9). Deze eerste beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit is echter niet (tijdig) terecht gekomen bij de juiste persoon omwille van het nieuwe postbedelingssysteem bij Concluante. Tevens werden alle e-mails (zijnde de e-mails de dato 22 juli 2018, 25 juli 2018, 16 augustus 2018 en 22 augustus 2018) die de Dhr. E. Van Cauwelaert verstuurde naar Dhr. Lammertyn, naar het verkeerde e-mailadres gestuurd (met name naar: [email protected] in plaats van [email protected]), hetgeen Dhr. E. Van Cauwelaert zeker moet geweten hebben, aangezien in dat geval een automatische foutmelding wordt verstuurd (stuk 13).
10. Op 4 maart 2019 diende Dhr. E. Van Cauwelaert opnieuw klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen Concluante wegens het niet meedelen van de redenen van zijn vervanging. De klacht werd doorverwezen naar de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
11. Naar aanleiding van deze procedure verstuurde Concluante, bij monde van de heer Dhr. Lammertyn, op 11 juni 2019 een brief naar zowel dhr. E. Van Cauwelaert als de Gegevensbeschermingsautoriteit met toelichting rond de zaak (stuk 10). Deze brief, die door de Gegevensbeschermingsautoriteit op 14 juni 2019 werd ontvangen, bevatte de volgende zaken:
- Een historiek van het dossier (zoals hierboven uiteengezet);
- De redenen van het uitblijven van een tijdig antwoord op de verzoeken van Dhr. E. Van Cauwelaert (het nieuwe postverdelingssysteem, alsook het versturen van e-mails naar het verkeerde e-mailadres);
- De redenen voor het niet respecteren van de conclusietermijnen met betrekking tot het aanhangig geding bij de Geschillenkamer (eveneens veroorzaakt door het nieuwe postverdelingssysteem);
- De relevante stukken van het dossier waaruit de redenen voor de vervanging blijken, hoewel deze eigenlijk niet het voorwerp uitmaakten of konden uitmaken van enige procedure voor de Gegevensbeschermingsautoriteit, maar dienen te worden
PAGE 01-00001500888-0005-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 6
860
gekaderd in de procedure van verzet van Dhr. E. Van Cauwelaert tegen diens vervanging; en
- De voortdurende maatregelen die de Concluante neemt om haar verschillende procedures te verbeteren.
12. De goede ontvangst van zowel de brief, als de stukken kan door geen van de andere partijen ontkend worden. Op 19 Juni 2019 beantwoordde (of better gezegd becommentarieerde) Dhr. Van Cauwelaert namelijk de verschillende zaken die in de brief vermeld stonden gericht aan de PGC Limburg en die deel uitmaakte van de stukken die door Dhr. Lammertyn werden overgemaakt aan Verweerster en Dhr. E. Van Cauwelaert (stuk 11).
13. Op 9 juli 2019 veroordeelde de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zijnde Verweerster, Concluante wegens het schenden van het inzagerecht verankerd in van articlel 12.3. en 12.4 AVG, alsook articlel 15 AVG (hierna de "Bestreden Beslissing") (stuk 12). GelieveECHTER te wilnen noteren dat de Bestreden BeslissingECHTER voor eensluidend afschrift pas op 10 juli 2019 werd ondertekend. De begeleidende brief en het bewijs van aangetekende zending zich tevens op 10 juli 2019 gedateerd.
14. Ten slotte zou Concluante nog eenkleine kanttekening wilnen makeen bij deze zaak. Aangezien de hele zaak door zowel Dhr. E. Van Cauwelaert, als de Gegevensbeschermingsautoriteit worden gekwalificeerd onder het inzagerecht en de miskenning van de uitoefening waarvan, is het bijzonder vreeemd te moeten vaststellen dat de waarvoort voorziene procedure van Concluante Niet werden benut en dat de functionaris voor gegevensbescherming van Concluante (hierna de "DPO") nooit is aangeschreven geweest inzake. Nochtans vermeld het privacybeleid van Concluante, beschikbaar op de website (https://www.health.belgium.be/nl), duidelijk dat een betrokkene die zich rechten zoals bepaald in de AVG wenst uit te oefenen, een e-mail of een schrijven dient te sturen maar de DPO (het e-mailadres worden duidelijk aangegeven: [email protected]).
Wat meer is, nooit werd in de brieven of mails van Dhr. Van Cauwelaert enigszins gewag gemaakt van het recht op inzage, laat staan dat er op enige manier werd verwezen naar de AVG. De communicatie van Dhr. Van Cauwelaert stelt immers enkel maar dat wenst te weten te komen waarom hij niet (langer) werd aangesteld of opgenomen als plaatsvervangend lid in de desbetreffende commissie.”
De GBA van haar kant licht de feiten toe als volgt:
1. Per brief van 25 oktober 2016 heeft de FOD Volksgezondheid de Vlaamse Beroepsvereniging Tandartsen (hierna: "VBT") aangeschreven met de vraag om een lijst te bezorgen van kandidaat-leden voor de provinciale geneeskundige commissies (hierna: "PGC") voor het beroep van tandarts (stuk 1).
2. Per brief van 7 januari 2017 bezorgde de VBT de lijst van kandidaatleden aan de FOD Volksgezondheid. De heer Eric Van Cauwelaert werd voorgedragen als plaatsvervangend lid voor de PGC Limburg (stuk 2). Na ontvangst van alle kandidatenlijsten van de beroepsverenigingen, maakte de
PAGE 01-00001500888-0006-0029-04-01-4
861
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 7
FOD een eerste ontwerp van koninklijk besluit over aan de minister van Volksgezondheid. Dit ontwerp resulteerde in het Koninklijk besluit van 15 november 2017 ‘tot benoeming van de leden beoefenaars van de tandheelkunde van de geneeskundige commissies’ (hierna: “KB van 15 november 2017”). Krachtens het KB van 15 november 2017 werd de heer Van Cauwelaert benoemd tot plaatsvervangend lid voor de PGC Limburg (stuk 3).
3. Vooraleer men kon overgaan tot de publicatie van het KB van 15 november 2017, werd de minister van Volksgezondheid geïnterpelleerd door de ‘Chambre Syndicale Dentaire’ (CSD), één van de Franstalige beroepsverenigingen voor tandartsen, inzake het ontwerp van het KB van 15 november 2017. De CSD had namelijk vastgesteld dat alle leden van de CSD als plaatsvervangende leden werden benoemd, terwijl de leden van de andere Franstalige beroepsvereniging voor tandartsen als werkende leden werden benoemd (stuk 4). Het bleek hier om een administratieve fout te gaan. De publicatie van het KB van 15 november 2017 werd ingehouden, en er werd een nieuw KB opgesteld teneinde tegemoet te komen aan de opmerkingen van de CSD.
4. In de marge van het ontwerp van dit nieuwe KB, stelde de PGC Limburg, via een intern schrijven, aan de FOD Volksgezondheid voor om de heer Van Cauwelaert niet langer te weerhouden als plaatsvervangend lid voor de PGC Limburg. De heer Van Cauwelaert zou immers ‘een gans dossier’ hebben in Limburg (stuk 5). Meer bepaald zouden er een reeks feitelijke incidenten hebben plaatsgevonden tussen de heer Van Cauwelaert, enerzijds, en concurrerende tandartsen en de PGC Limburg, anderzijds: de heer Van Cauwelaert had een nieuwe tandartspraktijk opgericht, waarbij hij in aanvaring kwam met andere (concurrerende) tandartsen. In de marge hiervan is ook een gespannen relatie ontstaan met de PGC, waardoor zelfs overwogen werd binnen de PGC om een procedure fysische en psychische geschiktheid op te starten tegen de heer Van Cauwelaert (stuk 6).
5. Om deze redenen werd de heer Van Cauwelaert uiteindelijk niet langer weerhouden door de FOD Volksgezondheid als plaatsvervangend lid voor de PGC Limburg. De heer Van Cauwelaert werd dan ook niet vermeld in het nieuwe Koninklijk besluit van 6 juni 2018 ‘tot benoeming van de leden beoefenaars van de tandheelkunde van de geneeskundige commissies’ (hierna: “het KB van 6 juni 2018”), dat het KB van 15 november 2017 verving (stuk 7).
6. Zowel het oorspronkelijke KB van 15 november 2017, waarin de heer van Cauwelaert vermeld stond, als het herziene KB van 6 juni 2018, waarin hij niet vermeld stond, werden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 21 juni 2018.
7. Noch het niet-weerhouden van zijn kandidatuur, noch de feitelijke redenen daarvoor werden echter gemeld aan de heer Van Cauwelaert. Tot zijn verbazing stelde hij dan ook vast dat hij niet werd vermeld in het KB van 6 juni 2018 als plaatsvervangend lid voor de PGC Limburg.
PAGE 01-00001500888-0007-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 8
862
8. Per e-mail van 11 juli 2018 vroeg de heer Van Cauwelaert vervolgens tekst en uitleg bij deze gang van zaken aan de heer Thijs Lammertyn, celhoofd toegang tot het beroep en tattoo bij de FOD Volksgezondheid (stuk 8):
“In het staatsblad door de Koning Philippe en Minister De Block M. ondertekend op 15/11/2017, staat mijn naam Eric Van Cauwelaert, Tandarts te Rekem-Lanaken, vernoemd als plaatsvervangend lid bij PGC Limburg.
Het VBT (Vlaamse Beroepsvereniging der Tandartsen) had mij hier om gevraagd en zo dus ook voorgesteld als hun kandidaat.
Effectief lid van PGC Limburg, Tandarts Jos Hoffbauer, meldde mij verbaasd dat onlangs een herziening in het staatsblad stond, waarin collega Lambeets Erwin uit Sint-Truiden stond vermeld als plaatsvervangend lid van PGC Limburg en niet ik, Eric van Cauwelaert.
Alle namen in de lijst van de verschillende provincies zijn identiek gebleven, ENKEL mijn naam is vervangen door collega Lambeets Erwin.
[...]
Mijn vraag aan u:
Heeft U weet wat de eventuele reden is van deze ‘wissel’ of betreft het een lapsus?
Effectief lid van PGC-Limburg, Tandarts Hoffbauer J. die aldus eveneens verbaasd is, vroeg mij naar de reden?
Hij dacht dat een eventuele reden een door mijzelf gegeven ontslag kon zijn.
Laat mij echter duidelijk stellen dat ik NOOIT ontslag heb genomen.
[...]
Mag ik U vriendelijk vragen mij hier kortelings op te antwoorden zodat ik eventueel het nodige kan doen moest er iets mis zijn gelopen.”
9. Hierop kwam echter geen antwoord van de FOD Volksgezondheid. Per e-mails van 22 juli 2018, 25 juli 2018 en 16 augustus 2018 (stuk 9), verzocht de heer Van Cauwelaert telkenmale om een antwoord op zijn brief van 11 juli 2018. De FOD Volksgezondheid reageerde echter niet.
10. Per e-mail, per gewone post en per aangetekend schrijven van 22 augustus 2018 (stuk 10A) richtte de heer Van Cauwelaert zich vervolgens opnieuw tot de heer Lammertyn, om te vragen naar de reden waarom hij niet werd weerhouden als plaatsvervangend lid van de PGC Limburg:
PAGE 01-00001500888-0008-0029-04-01-4
863
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 9
“[...] U begrijpt dat, aangezien het staatsblad officieel is en voor eenieder toegankelijk, ik dit een inbreuk op mijn privacy vind, en wel om volgende reden:
Menig tandarts of betrokkene vraagt mij wat de reden is dat ik er uit ben ‘gebonjourd’.
Ik kan echter geen enkele reden bedenken waarom dit gebeurde!
U begrijpt dat eenieder de wenkbrauwen fronst, alsof ik iets mispeuterd heb en dit wil stilzwijgen?!
Daarom wil ik graag mijn reputatie hooghouden, en wil kost wat kost weten wat de reden is, zodat ik mijn naam en het hoofd hoog kan houden.
Daarom had ik graag van U de echte reden vernomen.
Alle instanties zeggen immers dat ik mij tot U moet wenden om de echte toedracht van dit hele gebeuren te achterhalen.
Ik schreef U reeds mening mail, echter zonder resultaat.
Ik belde U reeds een twintigtal keren, doch eveneens tevergeefs.
Ook het VBT heeft u naar hun eigen zeggen reeds geschreven om de echte reden te vernemen.
U begrijpt dat ik absoluut moet weten wat er gaande is alvorens ik in de situatie zal berusten. [...]”
In de begeleidende e-mail bij de brief verwees de heer Van Cauwelaert bovendien expliciet naar zijn rechten op grond van de AVG (stuk 10B).
11. Vermits de FOD Volksgezondheid naliet te reageren op het verzoek van de heer Van Cauwelaert, diende de heer Van Cauwelaert op 10 september 2018 een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: “de GBA”) (stuk 11). Hij stelde onder meer:
“Het staatsblad is publiekelijk en zo vind ik dat mijn privacy geschonden wordt, en zeker als ik geen enkel info krijg aangaande de toedracht van dit gebeuren.
Daarom vind ik het niet meer dan normaal dat ik inzage mag hebben in mijn gegevens om aldus te vernemen wat men mij te verwijten heeft. Ik heb immers niet het minste vermoeden wat dit kan zijn!”
12. Per brief van 4 oktober 2018 werd de klacht ontvankelijk verklaard door de GBA (stuk 12). Dienvolgens besliste de geschillenkamer van de GBA op 23
PAGE 01-00001500888-0009-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 10
864
oktober 2018 om de klacht gegrond te verklaren, en werd de verwerkingsverantwoordelijke – d.i. de FOD Volksgezondheid – bevolen om te voldoen aan het verzoek van de heer Van Cauwelaert, en dan meer bepaald zijn verzoek om zijn recht tot inzage uit te oefenen (art. 15 AVG) (stuk 13).
13. Deze beslissing werd vervolgens aangetekend ter kennis gebracht aan de heer Van Cauwelaert (stuk 14A) en de FOD Volksgezondheid (stuk 14B). De FOD Volksgezondheid besliste om geen gebruik te maken van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen.
14. Vermits de FOD Volksgezondheid echter geen gehoor gaf aan de beslissing van de GBA van 23 oktober 2018, schreef de heer Van Cauwelaert de FOD Volksgezondheid per brief van 11 februari 2019 nogmaals aan met het verzoek om inzage te verlenen in het betrokken dossier (stuk 15).
15. Aangezien er geen reactie volgde van de FOD Volksgezondheid, besliste de heer Van Cauwelaert om op 1 maart 2019 een nieuwe klacht in te dienen bij de GBA (stuk 16).
16. De GBA bracht deze klacht per brief van 19 maart 2019 ter kennis aan de FOD Volksgezondheid (stuk 17). In die brief werd gemeld dat het dossier aanhangig werd gemaakt bij de geschillenkamer van de GBA, en dat de FOD Volksgezondheid over verscheidene termijnen beschikte om haar verweermiddelen in te dienen.
17. Gedurende de eerste conclusietermijn, werd geen conclusie van antwoord ingediend door de FOD Volksgezondheid. Vervolgens diende de heer Van Cauwelaert zijn conclusie van repliek in bij de GBA (stuk 18).
18. Per brief van 11 juni 2019 diende de FOD Volksgezondheid, bij monde van de heer Lammertyn, haar verweermiddelen in bij de GBA (stuk 19). Hierin werd het volgende gemeld:
- Om gevolg te geven aan de klacht van de heer Van Cauwelaert, werd het dossier met betrekking tot de opmaak van het KB van 6 juni 2018, overgemaakt aan de GBA. Meer bepaald betrof het de stukken die relevant waren voor het niet-weerhouden van de heer Van Cauwelaert als plaatsvervangend lid van de PGC Limburg. Dit zijn (o.a.) de reeds vermelde interne documenten, die de verschillende feitelijke incidenten beschrijven die betrekking hadden op de heer Van Cauwelaert (stukken 5 en 6).
- Deze stukken werden ook overgemaakt aan de heer Van Cauwelaert. Zodoende werd hij op de hoogte gesteld van de feitelijke redenen van het niet-weerhouden van zijn kandidatuur.
- Het niet-beantwoorden van het aangetekend schrijven van de heer Van Cauwelaert dd. 22 augustus 2018 (stuk 10A), zou een ‘onzorgvuldigheid’ betreffen: de redenen voor het niet-voordragen van de
PAGE 01-00001500888-0010-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 11
865
heer Van Cauwelaert werden reeds opgevraagd per e-mail van 29 augustus 2018 (stuk 6); deze informatie werd echter nooit opgenomen in een officieel antwoord aan de heer Van Cauwelaert.
- Het niet-beantwoorden van het aangetekend schrijven van de GBA van 30 oktober 2018 (stuk 14B) zou te wijten zijn aan het nieuwe systeem van postverdeling, dat nog bepaalde ‘kinderziektes’ zou kennen.
- Nog vóór een officieel antwoord kon worden gericht aan de heer Van Cauwelaert op diens schrijven van 11 februari 2019 (stuk 15) zou de FOD Volksgezondheid reeds de brief van de GBA van 19 maart 2019 hebben ontvangen. Een antwoord op het schrijven van de heer Van Cauwelaert werd zodoende niet langer nodig geacht.
- Het laattijdige antwoord op het aangetekend schrijven van de GBA van 19 maart 2019 (stuk 17) zou eveneens te wijten zijn aan het nieuwe systeem van postverdeling. Het desbetreffende schrijven zou de heer Lammertyn van de FOD Volksgezondheid slechts op 19 april 2019 hebben bereikt.
De FOD Volksgezondheid gaf derhalve allerlei administratieve redenen aan waarom zij nog geen inzage had verleend aan de heer Van Cauwelaert. Ten gronde werd echter geenszins betwist dat de heer Van Cauwelaert recht op inzage zou hebben in het betrokken dossier.
19. Per beslissing ten gronde nr. 05/2019 van 9 juli 2019 sprak de GBA zich uit over de klacht van de heer Van Cauwelaert (stuk 20). De GBA achtte de klacht gegrond, op basis van de volgende motivering:
“Vermits uit de feiten blijkt dat de verweerder op geen enkel moment is ingegaan op het verzoek van de klager om hem inzage te verlenen in zijn persoonsgegevens teneinde kennis te nemen van de reden die aan de grondslag lag van de beslissing om hem de functie van de plaatsvervangend lid PGC Limburg te ontnemen, is de Geschillenkamer van oordeel dat de inbreuk op art. 12, 3. En 4. AVG, alsook art. 15 AVG is bewezen en gaat zij over tot het opleggen van een berisping.
De verklaringen van de vertegenwoordigers van de verweerder, zoals gedaan tijdens de hoorzitting, bevestigen de vaststelling dat er een aantal fouten zijn begaan:
- De verweerder heeft zeer onzorgvuldig gehandeld ten opzichte van de klager door de beslissing om hem aan te stellen als plaatsvervangend lid PGC Limburg te publiceren in het Belgisch Staatsblad en deze meteen, eveneens via publicatie in het Belgisch Staatsblad, te herroepen, met reputatieschade in hoofde van klager tot gevolg.
PAGE 01-00001500888-0011-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 12
866
- Vervolgens werd de klager in volstrekte onwetendheid gelaten over de oorzaak hiervan door het uitblijven van ook maar enige reactie vanwege de verweerder op het verzoek van de klager tot inzage in zijn dossier. Aldus is het duidelijk dat in het volledige verloop van het dossier de verweerder niet behoorlijk heeft gecommuniceerd met de klager naar aanleiding van diens verzoek tot inzage.
- Daarenboven werd op disproportionele wijze het recht van inzage ingeperkt door essentiële informatie aan de klager te onthouden, met name door hem geen inzage te geven in de documenten die aan de herroeping van zijn benoeming ten grondslag lagen. Ondanks zijn verzet daartoe werd hij niet geïnformeerd over de redenen om terug te komen op de beslissing om hem aan te stellen als plaatsvervangend lid PGC Limburg.
- Bovendien liet de verweerder na om gevolg te geven aan het bevel van de Geschillenkamer om de klager inzage te verlenen tot zijn dossier, zoals bepaald in haar beslissing op grond van artikel 95, § 1, 5° GBA-wet
- Tot slot geeft de verweerder aan dat de opeenvolging van fouten te wijten is aan problemen met de interne postverdeling. Gelet op de verregaande nalatigheid in hoofde van de verweerder, zal de beslissing dan ook worden gepubliceerd met bekendmaking van de identificatiegegevens van de verweerder, alsook van de klager. Deze laatste heeft daartoe zijn uitdrukkelijke toestemming gegeven tijdens de hoorzitting.
Op het verzoek van de klager om hem een schadevergoeding toe te kennen, alsook op diens verzoek om weder opgenomen te worden als lid van de PGC Limburg, kan de Geschillenkamer niet ingaan vermits zij niet over die bevoegdheid beschikt. De Geschillenkamer spreekt zich enkel uit over de naleving de gegevensbescherming, in voorliggend geval over het al dan niet eerbiedigen van het recht van inzage. Het komt geenszins toe aan de Geschillenkamer om te oordelen of de intrekking van de benoeming van de klager als plaatsvervangend lid van de PGC Limburg al dan niet terecht is gebeurd.
Ten overvloede wijst de Geschillenkamer op het volgende:
- Uit deze procedure in zijn geheel beschouwd, blijkt dat de verweerder niet of onvoldoende interne maatregelen heeft getroffen om aan de verplichtingen ingevolge de AVG te voldoen, dit terwijl de AVG reeds op 25 mei 2016 in werking is getreden en sinds 25 mei 2018 van toepassing is, hetgeen gepaard ging met veel publiciteit.
- De Geschillenkamer acht het van groot belang dat organisaties de nodige maatregelen treffen in overeenstemming met de in de AVG vastgelegde en uitgewerkte verantwoordingsplicht. De Geschillenkamer
PAGE 01-00001500888-0012-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 13
867
wijst dan ook op het belang dat verweerder op korte termijn de nodige interne procedures in orde brengt teneinde te kunnen verzekeren dat de rechten van de betrokkenen worden gewaarborgd, zoals vereist door de AVG.”
Dienvolgens besliste de GBA om ten aanzien van de FOD Volksgezondheid een berisping te formuleren (art. 100, § 1, 5° GBA-wet) en de beslissing bekend te maken op de website van de GBA (art. 100, § 1, 16° GBA-wet).
20. Dit is de thans bestreden beslissing, waartegen appellante (FOD Volksgezondheid) bij Uw Hof beroep heeft ingesteld middels een verzoekschrift van 9 augustus 2019.”
### 3. De vorderingen voor het hof,
3.1.
Reven : 26 september 2019
Bij syntheseconclusie neergelegd ter griffie van het hof op [redacted] vordert de FOD VOLKSGEZONDHEID:
- Huidig beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren,
- Bijgevolg in hoofdorde de Bestreden Beslissing d.d. 9 juli 2019, ondertekend op 10 juni 2019 teniet te doen:
- In ondergeschikte orde: Indien Uw Hof zou stellen dat zij niet zonder meer kan overgaan tot de interpretatie van het inzagerecht onder de nieuwe AVG (nu zij niet kan terugvallen op enig precedent met betrekking tot deze nieuwe Verordening en/of enige rechtspraak onder de Privacyrichtlijn), verzoekt de FOD Volksgezondheid in ondergeschikte orde het Marktenhof een aantal prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie omtrent de interpretatie van het inzagerecht zoals bepaald in artikel 15 AVG:
1) Zijn de gegevens die in een (interne) beslissing (zoals een herroepingsbeslissing bij een benoeming) van een overheidsdienst zijn weergegeven en die betrekking hebben op betrokkene, persoonsgegevens in de zin van artikel 4, sub 1, van de AVG?
2) Is de in de (interne) beslissing opgenomen juridische analyse een persoonsgegeven in de zin van voornoemde bepaling?
3) Wanneer het Hof bevestigt dat de hiervoor omschreven gegevens persoonsgegevens zijn, dient de verwerkingsverantwoordelijk/overheidsinstantie dan ook ingevolge artikel 15 van de AVG en artikel 8, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie inzage te geven in deze persoonsgegevens?
4) Kan betrokkene in dit kader ook een rechtstreeks beroep doen op artikel 41, lid 2, sub b, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en zo ja, moet de hierin opgenomen zinsnede, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid [van de] besluitvorming’ zo
PAGE 01-00001500888-0013-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 14
868
worden uitgelegd dat het recht op inzage in de beslissing op die grond kan worden geweigerd?
5) Wanner betrokkene verzoekt om inzage in de (interne) beslissing, dient de verwerkersverantwoordelijke/overheidsinstantie een (volledige) kopie van dit document te verschaffen om zo recht te doen aan het inzagerecht?
6) Indien het Hof hierop bevestigend antwoordt, in hoeverre is dit verenigbaar met genoemde artikelen die slechts eenrecht totinzage waarborgen in de verwerkingsdoeleinden, de categorieen van personsgeveens, de ontvangers of categorieen van ontvangers, de beschikbare geveens omtrent de afkomst van de personsgeveens en de bewaartermijnen?
7) In navolging van de zesde vraag, hunnen interne documenten van een overheid zoals memo's en e-mails waarin die aan de grundslag liggen van de interne besluitvorming als personsgegevens in de zin van articlel 4, 1. AVG worden gekwalificeerd?
• Hoe dan ook, Verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. het basisbedrag van de RPV.
# 3.2.
De GBA concludeert als volgt bij conclusie neergelegd op [redacted]: Leen : 9 oktober 2019
Het beroep van appellante ongegrond te verklaren;
- De door appellante voorgestelde prejudicièle vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie af te wijzen;
- Hoe dan ook, appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. het basisbedrag van de RPV.
# 3.3.
Alle conclusies zijn neergelegd conform de conclusiekalender.
# 4. Het wettelijk kader.
De FOD VOLKSGEZONDHEID baseert haar vordering op volgende artikelen:
• Artikel 12.3 van de Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (hierna “AVG”) :
“De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene
PAGE 01-00001500888-0014-0029-04-01-4
869
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 15
binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.”
• Artikel 12.4 van de AVG:
“Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze laatste onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen.”
• Artikel 15 van de AVG:
“1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene hetrecht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte.
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijk vergoeding aanrekenen. Wanner de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en Niet om een andere regeling verzoekt, worden de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.
PAGE 01-00001500888-0015-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 16
870
4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen."
Verder dienen toegevoegd te worden, de artikelen 95 § 1.5° en 8°, 100 § 1 en 108 § 1 van de GBA-wet die luiden als volgt:
Artikel 95 § 1.5° en 8°:
"De geschillenkamer beslist over de opvolging die het geeft aan het dossier en is bevoegd:
1° te beslissen dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde;
2° een schikking voor te stellen;
3° de klacht te seponeren;
4° waarschuwingen te formuleren;
5° te bevelen dat worden voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zich rechten uit te oefenen;
6° te bevelen dat de betrokkene in kennis worden gesteld van het veiligheidsprobleem;
7° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gezolg dat aan het dossier worden gegeven;
8° geval per geval te beslissen omhaar beslissingen bekend te make n op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit."
Artikel 100 § 1:
"De geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat worden voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zich rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis worden gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief worden bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming worden gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen maar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gezolg dat aan het dossier worden gegeven;
16° geval per geval te beslissen omhaar beslissingen bekend te make n op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit."
Artikel 108 § 1:
PAGE 01-00001500888-0016-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 17
871
"§ 1. De geschillenkamer stelt de partijen in kennis van haar beslissing en van de mogelijkheid om beroep aan te tekenen binnen een termijn van dertig dagen, vanaf [...] de kennisgeving, bij het Marktenhof.
Behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt of tenzij de geschillenkamer bij met bijzondere redenen omklede beslissing anders beveelt is de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zulks niettegenstaande hoger beroep.
De beslissing tot verwijdering van gegevens overeenkomstig artikel 100, § 1, 10°, is niet uitvoerbaar bij voorraad."
# 5. Bespreking – de ontvankelijkheid.
# 5.1. De ontvankelijkheid ratione materiae en ratione temporis :
De ontvankelijkheid ratione materiae en ratione temporis zijn niet betwist.
De FOD VOLKSGEZONDHEID is de partij ten aanzien van dewelke de beslissing is genomen en het verhaal is door haar ingesteld binnen de termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing en conform de wettelijke vormvoorschriften.
Het beroep is ontvankelijk.
# 5.2. De ontvankelijkheid van het beroep in de mate als gericht tegen Eric VAN CAUWELAERT.
5.2.1.
De FOD VOLKSGEZONDHEID stelt in haar inleidend verzoekschrift dat de heer Eric VAN CAUWELAERT een "andere op te roepen partij" is.
Er wordt tegen deze niets gevorderd. Er is geen aanleiding om deze persoon op te roepen.
Een verhaal bij het Marktenhof is niet vereenzelvigbaar met een "gewoon" hoger beroep¹.
¹ Met "gewoon hoger beroep" bedoelt het Marktenhof het beroep gebracht voor elke jurisdictie die door het Gerechtelijk Wetboek aangewezen is om recht te spreken over de zaak op basis van een verhaal dat tegen een beslissing van een rechter van de rechterlijke orde gewezen in eerste aanleg wordt ingediend en dit op basis van de rechtsmacht van deze appelrechter (die gebruik maakt van het devolutief karakter) met het oog op het herzien van het geding in feite en in rechter en met het oog op het "her-oordelen" dit wil zeggen het opnieuw beoordelen van het geschil in feite en in rechte mits desgevallend nieuwe middelen en argumenten in aanmerking te nemen alsmede desgevallend, nieuwe of andere bewijsstukken, alles in functie van de evolutie die het geschil in feite en in rechte ondergaat (desgevallend zelfs ingevolge het in werking treden van nieuwe wetgeving sedert het inleiden van het geding). Het Marktenhof oefent rechterlijke controle uit (in één enkele aanleg) over de beslissingen van bepaalde bestuurlijke overheden, maar alvorens te kunnen overwegen om een beslissing desgevallend (in het kader van haar volheid van rechtsmacht) te vervangen door haar eigen beslissing, is het noodzakelijk dat de bestreden beslissing ofwel onregelmatig ofwel onwettelijk sensu lato is. Het (enige) "beroep" dat in het kader van voornoemd artikel 108 § 1 van de GBA-wet kan ingesteld worden voor het Marktenhof is een beroep/verhaal tegen de
PAGE 01-00001500888-0017-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 18
872
Een verhaal/beroep tegen een beslissing kan uiteraard enkel ingesteld worden tegen de bestuurlijke overheid sensu lato die de (bestreden) beslissing heeft genomen.
Het volgt duidelijk uit de tekst van voornoemd artikel 108 § 1 dat de bestuurlijke overheid die de beslissing heeft genomen, te weten de GBA, de enige verwerende partij is ten aanzien van een dergelijk verhaal/beroep.
Het is de administratieve overheid sensu lato - d.w.z. de overheid, die in één van de leges speciales, die rechtsmacht verlenen aan het Marktenhof, de bestreden beslissing heeft genomen - die de verwerende partij is in het geding dat strekt tot de vernietiging (minstens hervorming) van de litigieuze administratieve beslissing.
De overheid die de bestreden beslissing heeft genomen kan op tegensprekelijke wijze, de rechtsgeldigheid en gegrondheid van de genomen beslissing verdedigen voor het Marktenhof.
De vordering die ingesteld wordt tegen de klager (waaromtrent de GBA een beslissing treft), is niet ontvankelijk (ratione personae).
Deze persoon dient dan ook niet in het geding betrokken te worden en diende niet opgeroepen te worden.
5.2.2.
In de mate dat de FOD VOLKSGEZONDHEID vraagt om Eric VAN CAUWELAERT op te roepen, is deze vordering niet ontvankelijk.
# 6. Bespreking – de gegrondheid.
# 6.1. De ten gronde ingeroepen middelen.
6.1.1.
De FOD VOLKSGEZONDHEID laat volgende middelen gelden:
1. Eerste middel: De klacht van de Oorspronkelijke Klager was zonder voorwerp komen te vallen, waardoor de Bestreden Beslissing (minstens deels) zonder voorwerp was.
2. Tweede middel: Schending van articlek 15 AVG door de Gegevensbeschemmingsautoriteit, wegens een te ruime interpretatie van zowel het begrip personsgegevens, als het inzagerecht.
3. Derde middel: Geen schending van de artikelen 12.3 en 12.4 AVG door de FOD VOLKSGEZONDHEID, nu zich voorziet in een procedure voor het behandelen van dergelijkke verzoeken.
(administratieve) beslissing zelf. Het staat de klager zelf uiteraard altijd vrij de 'gewone' burgerlijke rechter te vatten (bijvoorbeeld inzake schadevergoeding).
PAGE 01-00001500888-0018-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 19
873
4. Vierde middel: Schending van artikel 4 GBA-Wet door de Gegevensbeschermingsautoriteit nu de Gegevensbeschermingsautoriteit diens toegekende bevoegdheid overschrijdt.
6.1.2.
De GBA laat volgend middel gelden:
Eerste onderdeel: schending van artikelen 12.3 en 12.4 AVG juncto artikel 15 AVG
In weerwil van wat appellante argumenteert, heeft de Geschillenkamer van de GBA terecht geoordeeld dat er sprake was van een schending van het inzagerecht op grond van de artikelen 12.3 en 12.4 juncto artikel 15 AVG. Bovendien was de beslissing niet zonder voorwerp komen te vallen.
Tweede onderdeel: het verzoek tot inzage van de heer Van Cauwelaert valt onder artikel 15 van de AVG.
Derde onderdeel: het verzoek van de heer Van Cauwelaert dient gekwalificeerd te worden als een verzoek tot inzage in de zin van artikel 15 AVG.
Vierde onderdeel: dat het verzoek tot inzage niet werd gericht aan de functionaris voor gegevensbescherming van appellante zou geen afwijzing van het verzoek kunnen rechtvaardigen.
Vijfde onderdeel: de GBA kan nagaan of een verwerkingsverantwoordelijke zorgvuldig omgaat met persoonsgegevens.
6.2. Betreffende het zonder voorwerp geworden zijn van de klacht van de klager.
6.2.1.
De FOD VOLKSGEZONDHEID laat gelden dat de bestreden beslissing ten onrechte stelt dat zij “op geen enkel moment is ingegaan 2” op het verzoek van de oorspronkelijke klager, zijnde Eric Van Cauwelaert, om hem inzage te verlenen in zijn persoonsgegevens teneinde kennis te nemen van de reden(en) die aan de grondslag lag(en) van de beslissing om hem de functie van plaatsvervangend lid PGC Limburg te ontnemen.
Zij stelt dat dit “een manifest onjuiste bewering uit[maakt] en [...] een miskenning [betreft] van de feiten en stukken van het dossier”.
Uit de stukken van het dossier blijkt volgens de FOD VOLKSGEZONDHEID dat zij inzage heeft verleend in de persoonsgegevens van de oorspronkelijke klager, hoewel daartoe nooit een verzoek was ingediend. De inzage werd verleend middels een schrijven van 11 juni 2019 dat zowel aan de oorspronkelijke klager als aan de GBA werd overgemaakt (stuk 10) daar waar de Bestreden Beslissing van 9 juli 2019 (stuk 12) hiervan geen gewag maakt.
De FOD VOLKSGEZONDHEID leidt hieruit af dat nu aan het inzagerecht werd voldaan, de GBA
(i) niet langer kan stellen – voor zover gegrond quod non - dat de FOD Volksgezondheid een inbreuk had gemaakt op de artikelen 12.3 en 12.4 AVG en artikel 15 AVG (wegens het niet verlenen van inzagerecht) en
2 Stuk 12 - beslissing van 9 juli 2019, p. 5, onder punt 3. Motivering.
PAGE 01-00001500888-0019-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 20
874
(ii) de GBA bijgevolg de FOD VOLKSGEZONDHEID niet langer kon berispen voor een dergelijke inbreuk.
#### 6.2.2.
In het KB van 6 juni 2018, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 21 juni 2018, werd Eric VAN CAUWELAERT als plaatsvervangend lid van de Provinciale Geneeskundige Commissie Limburg (hierna PGC) door een andere tandarts vervangen.
Bij brief van 11 juli 2018 vroeg Eric Van Cauwelaert aan de FOD VOLKSGEZONDHEID welke de reden van deze vervanging was (stuk 5 in het dossier van eisende partij).
Bij aangetekend schrijven van 22 augustus 2018 (zelfde dossier, stuk 6) beklaagt Eric Van Cauwelaert zich over het feit dat hij in de nieuwe lijsten niet meer opgenomen is als vertegenwoordiger van de PGC Limburg. Hij verwoordt dit als volgt:
U begrijpt dat, aangezien het staatsblad officieel is en voor eenieder toegankelijk, ik dit een **inbreuk op mijn privacy** vind, en wel om volgende reden:
Menig tandarts of betrokkene vraagt mij wat de reden is dat ik er uit ben 'gebonjuurd'. Ik kan echter geen enkele reden bedenken waarom dit gebeurde!
U begrijpt dat eenieder de wenkbrauwen fronst, alsof ik iets mispeuterd heb en dit wil stilzwijgen?!
Daarom wil ik graag mijn reputatie hoog houden, en wil **kost wat kost** weten wat de reden is, zodat ik mijn naam en het hoofd hoog kan houden.
Daarom had ik graag van U de echte reden vernomen.
Alle instanties zeggen immers dat ik mij tot U moet wenden om de echte toedracht van dit hele gebeuren te achterhalen
Ik schreef U reeds menig mail, echter zonder resultaat.
Ik belde U reeds een twintigtal keren, doch eveneens tevergeefs.
Ook het VBT heeft U naar hun eigen zeggen reeds geschreven om de echte reden te vernemen.
U begrijpt dat ik absoluut **moet** weten wat er gaande is alvorens ik in de situatie zal berusten.
Mijn tandheelkundige expertiseopdrachten voer ik uit naar eer en geweten en zo wil ik het ook behouden, zonder achterdocht van één der partijen.
De FOD VOLKSGEZONDHEID heeft op deze brief geen antwoord gegeven. De discussie betreft *prima facie* een inhoudelijke vraag naar de reden waarom de FOD VOLKSGEZONDHEID op aangeven van de PGC van Limburg een andere tandarts als plaatsvervangend lid aanduidt. Het Marktenhof merkt wel op dat Eric Van Cauwelaert naar een inbreuk op de privacy hint in hogervermelde brief en in de begeleidende mail (stuk 10B van de GBA) uitdrukkelijk verwijst naar de AVG.
PAGE 01-00001500888-0020-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 21
875
# 6.2.3.
De omstandigheid dat de FOD VOLKSGEZONDHEID (na veel talmen) de door Eric Van Cauwelaert gevraagde informatie aan deze klager heeft ter kennis gebracht, heeft wel tot gevolg dat de klacht bekeken vanuit het oogpunt van de wet openbaarheid bestuur (waarover het Marktenhof zich niet dient uit te spreken) vermoedelijk zonder voorwerp is geworden.
Wat de klager in essentie vorderde was het bekomen van de reden waarom hij niet werd voorgedragen als plaatsvervangend lid door de PGC van Limburg.
Deze informatie werd door de FOD VOLKSGEZONDHEID (pas) verstrekt op 11 juni 2019, nadat de rechtspleging voor de Geschillenkamer was opgestart.
Het voorwerp van de klacht mocht dan wel niet langer actueel zijn, deze vaststelling doet geen afbreuk aan het gegeven dat de klacht was neergelegd en dat de GBA rechtsgeldig gevat was door de klacht van 4 maart 2019.
Op 19 maart 2019 werd ook de FOD VOLKSGEZONDHEID in kennis gesteld dat het dossier gereed was voor behandeling. Eens de geschillenkamer is gevat van een klacht, heeft zij rechtsmacht om er over te beslissen.
De betwisting dat de GBA een sanctie heeft uitgesproken en dat ze niet - na het aanhoren van de partijen en na het kennis nemen van de verweermiddelen van de partijen – heeft beslist tot bijvoorbeeld het seponeren van de klacht, is een soevereine beslissing van de GBA waaromtrent het Marktenhof zich niet als zodanig heeft uit te spreken.
# 6.2.4.
Uit het door Eric Van Cauwelaert ingevulde klachtformulier (stuk 16 in het dossier GBA) blijkt dat het voorwerp van zijn klacht als volgt weer gegeven wordt: “FOD VOLKSGEZONDHEID (Dhr Lammertyn Thys) geeft geen gevolg aan jullie GBA-beslissing d.d. 30-10-2018.”
In zijn “besluiten” medegedeeld op 18 mei 2019 (stuk 18 zelfde dossier) vordert Eric Van Cauwelaert:
# In hoofdorde:
- FOD Volksgezondheid een gedegen grond te horen uitspreken aangaande hun wijziging en zodus weigering mij aan te stellen als plaatsvervangend lid PGC Limburg.
- FOD Volksgezondheid op te dragen de door mij geleden schade aangaande mijn reputatie die schade heeft geleden en nog steeds lijdt te rehabilititeren ten aanzien van alle Vlaamse collega-tandartsen.
Mijn reputatie als tandheelkundig verzekerings- en gerechtsdeskundige wordt op deze wijze immers geschonden en kan en zal hoogstwaarschijnlijk leiden tot wraking door partijen aan mijn adres als tandheelkundig gerechtsdeskundige.
PAGE 01-00001500888-0021-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 22
876
**Bij gebrek hieraan, FOD Volksgezondheid, te horen veroordeeld worden tot vergoeding van de geleden schade tot de dag van de rehabilitatie van mijn reputatie.**
De inbreuk(en) waarvoor de GBA de FOD VOLKSGEZONDHEID sanctioneert (inbreuk op de artikelen 12.3; 12.4 en 15 AVG zijn *niet* expliciet de grieven van de initiële klager.
De Geschillenkamer kan (overeenkomstig de artikelen 62 § 2 *juncto* 92 GBA-wet) worden gevat indien geen minnelijk akkoord wordt bereikt in het kader van de eerstelijnsdienst met als gevolg dat het oorspronkelijke verzoek tot bemiddeling de vorm aanneemt van een klacht die vervolgens door de eerstelijnsdienst wordt overgemaakt aan de geschillenkamer voor behandeling ten gronde met instemming van de verzoeker.
Eens gevat kan de Geschillenkamer (artikelen 94 en 95 GBA-wet) de klacht behandelen en zij beslist over de opvolging die het geeft aan het dossier.
De omstandigheid dat Eric Van Cauwelaert dienvolgens een totaal ander voorwerp geeft aan zijn klacht (zie hiervoor) belet de GBA niet om *op eigen initiatief* het eventueel nalaten van de verwerkingsverantwoordelijke (FOD VOLKSGEZONDHEID) gevolg te geven aan een verzoek van een klager tot uitoefening van zijn recht van inzage en recht op informatie, te onderzoeken.
### **6.3. Het motiveringsgebrek *sensu lato***
#### **6.3.1.**
De betwisting van de FOD VOLKSGEZONDHEID heeft *de facto* betrekking op de vraag of de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is.
Bij schrijven van 11 februari 2019 (stuk 8 dossier verzoekster) blijkt Eric Van Cauwelaert zich tot de GBA gewend te hebben$^{3}$.
Als antwoord op de vraag van de GBA aan de FOD VOLKSGEZONDHEID heeft deze laatste bij schrijven van 11 juni 2019 (dat zowel gericht werd aan de GBA als aan Eric VAN CAUWELAERT (zie stuk 10 in haar dossier) kennisgegeven van de redenen waarom Eric VAN CAUWELAERT niet langer weerhouden werd. Deze brief stelt met name “*op 17/01/2018 meld[d]e de secretaris van de PGC van Limburg, namens deze PGC, dat het aangewezen was om, bij het opstellen van het nieuwe ontwerp, de heer Eric Van Cauwelaert te vervangen aangezien betrokkene een dossier zou hebben bij de PGC van Limburg (stuk 5). Hiermee werd rekening gehouden in het nieuwe ontwerp.*”
De FOD VOLKSGEZONDHEID brengt de mededeling van de PGC bij onder haar stuk 3.
$^{3}$ Wat zich heeft voorgedaan voordien, is niet relevant. Dit heeft aanleiding gegeven tot een beslissing van de GBA van 30 oktober 2018 waartegen geen verhaal werd ingesteld. Het Marktenhof heeft hieromtrent geen saisine.
PAGE 01-00001500888-0022-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 23
877
Overigens blijkt uit het antwoord bij zijn brief van 19 juni 2019 (zelfde dossier stuk 11), dat Eric Van Cauwelaert wel degelijk kennis heeft gekregen van het bericht van 11 juni 2019 en van de elementen waarnaar deze brief verwijst.
Eric VAN CAUWELAERT repliceert immers onder meer:
# **Uw mail d.d. 17/01/2018:**
Hier vraagt U beleefd of het misschien niet beter zou zijn mij als plaatsvervangend lid PGC Limburg te vervangen.
Ik zou een 'gans' dossier hebben.
Ik heb jullie enkel gevraagd om de tandheelkundige dossiers te krijgen van mijn collega, de dossiers van de patiënten die ENKEL door mij werden behandeld en waar ik dus de huisstandarts van ben. Het betreft dus enkel de dossiers van de patiënten die voor mij kozen en nog steeds kiezen.
Tevens lijkt 'gans' mij meer pejoratief dan bijvoorbeeld 'lijvig', maar dit is enkel een bedenking mijnentwege.
Jullie, PGC Limburg, hebben verkeerdelijk voor een groepspraktijk de zelfde gedachtegang gehanteerd omtrent de bewaarplicht van de medische dossiers zoals het voor een ziekenhuis geldt. Zoals U wel zal weten heeft in een ziekenhuis de hoofdgeneesheer de verantwoordelijkheid en de bewaarplicht aangaande medische dossiers van de patiënten die in het ziekenhuis behandeld worden.
De eigenaar van een groepspraktijk is niet de HOOFD tandarts en een groepspraktijk valt niet onder de ziekenhuiswetgeving.
In een groepspraktijk wordt op collegiale basis gewerkt en is één of zijn meerdere tandartsen de eigenaar.
Wil men hier verandering aan brengen dan dient dit bij (best schriftelijke) overeenkomst genoteerd (en eventueel) geregistreerd te worden.
Ik heb uit fatsoen en om de geplogenheden te eerbiedigen beleefd ZELF aan PGC gevraagd of ik recht op deze dossiers heb en of ik langs deze weg de dossiers kan bekomen.
Hier is helemaal geen sprake van enige veroordeling of patiëntenklacht hetgeen een 'gans' dossier wel impliceert!
# **Uw mail d.d. 29 augustus 2018:**
- U meldde mij steeds dat U geen weet had van mijn vervanging doch U vraagt er impliciet naar mijn vervanging.
U wenst dit verborgen te houden (= nog steeds leugen 1), U schrijft immers : *'Vertrouwelijk en niet in brief te plaatsen'*.
# 6.3.2.
Waar de FOD VOLKSGEZONDHEID aldus bewijst dat zij zowel de GBA als Eric Van Cauwelaert – vóórdat een beslissing door de GBA werd genomen – kennis heeft gegeven van de reden waarom deze laatste niet weerhouden werd als plaatsvervangend lid van de provinciale geneeskundige commissie (PGC) van Limburg is de bestreden beslissing foutief en niet deugdelijk gemotiveerd waar deze stelt dat de FOD VOLKSGEZONDHEID *'op geen enkel moment is ingegaan op het verzoek van de klager om hem inzage te verlenen in zijn persoonsgegevens teneinde kennis te nemen van de reden*
PAGE 01-00001500888-0023-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 24
878
die aan de grondslag lag van de beslissing om hem de functie van plaatsvervangend lid PGC Limburg te ontnemen” (het Marktenhof onderstreept).
De FOD VOLKSGEZONDHEID laat dienvolgens terecht gelden, dat nu zij wel degelijk kennis gaf aan Eric Van Cauwelaert van de reden waarom deze niet weerhouden werd als plaatsvervangend lid van de PGC Limburg, de beslissing die van een tegenovergestelde premisse (dus een foutieve premisse) uitgaat, - en die niet weergeeft dat het antwoord in de loop van de behandeling voor de Geschillenkamer wel degelijk werd verstrekt door de FOD VOLKSGEZONDHEID - niet deugdelijk gemotiveerd is.
De ingeroepen motieven kunnen slechts dan een beslissing schragen wanneer zij blijken uit de stukken van het dossier waarop de autoriteit (GBA) vermocht acht te slaan.
Uit de voorgelegde stukken (de brief van Eric Van Cauwelaert aan FOD VOLKSGEZONDHEID van 11 februari 2019 – stuk 8 in het dossier van verzoekster) blijkt dat Eric Van Cauwelaert aan de FOD VOLKSGEZONDHEID heeft gevraagd om alsnog opgenomen te worden op de lijst van de plaatsvervangers (hetgeen buiten het kader van huidig geding valt) en dat hij enkel stelt:
Op 20 oktober 2018 heeft de AVG-commissie mij een (aangetekend) schrijven gericht met de mededeling dat ik inzagerecht heb in het betrokken dossier (art. 15 AVG) aangaande mijn weigering als lid van de PGC Limburg.
Zij meldden mij telefonisch op 04 febr. 2019 dat zij op deze datum eenzelfde brief aan U hebben gericht.
Tot op heden heb ik echter nog niets van jullie (FOD Volksgezondheid) mogen vernemen.
De FOD VOLKSGEZONDHEID heeft geen gevolg gegeven aan deze brief en heeft pas op 11 juni 2019 gereageerd.
Gezien dit antwoord heeft de GBA haar beslissing om de FOD VOLKSGEZONDHEID te sanctioneren, op basis van de regels van de AVG en de GBA-wet, niet rechtsgeldig gemotiveerd.
De GBA stelt weliswaar op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt; de gevolgen die hij daaruit afleidt worden aan zijn oordeel en beleid overgelaten doch het Marktenhof gaat na of de GBA uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft gemaakt die op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord.
# 6.3.3.
Nu bepaalde motieven van de bestreden beslissing 4 onverenigbaar zijn met de stukken uit het dossier (inzonderheid de brief van de FOD VOLKSGEZONDHEID van 11 juni 2019) en het Marktenhof niet kan nagaan welk motief of welke motieven doorslaggevend zijn geweest om de bestreden beslissing te rechtvaardigen, moet het Marktenhof vaststellen dat de door de GBA aangehaalde motieven de sancties niet kunnen schragen.
4 “vermits uit de feiten blijkt dat verweerder op geen enkel ogenblik is ingegaan op het verzoek van de klager om hem inzage te verlenen in zijn persoonsgegevens teneinde kennis te nemen van de reden die aan de grondslag lag van de beslissing om hem de functie van plaatsvervangend lid PGC Limburg te ontnemen, ...”
PAGE 01-00001500888-0024-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 25
879
De beslissing is om die reden op onwettelijke wijze genomen en dient dienvolgens nietig verklaard te worden.
#### 6.3.4.
Het Marktenhof stelt vast dat de bestreden beslissing als één van de motieven ervan verwijst naar de hoorzitting (van 9 juli 2019) en stelt: *“de verklaringen van de vertegenwoordigers van de [FOD VOLKSGEZONDHEID] zoals gedaan tijdens de hoorzitting, bevestigen de vaststelling dat er een aantal fouten zijn begaan”*.
Het proces-verbaal van deze hoorzitting (zoals aangehecht aan stuk 12 in het dossier van verzoekster) vermeldt enkel :
**De partijen werden gehoord en hebben elk de gelegenheid gehad om hun argumenten naar voor te brengen. Vervolgens wordt de zaak in beraad genomen en heden gaat de Geschillenkamer over tot het nemen van haar beslissing.**
Een dergelijk proces-verbaal kan niet als een bewijs gebruikt worden om er – zoals de GBA doet – (minstens gedeeltelijk) een beslissing op te gronden.
Dit proces-verbaal bevat geen enkel element dat er zou kunnen op wijzen dat de vertegenwoordigers van de FOD VOLKSGEZONDHEID op enigerlei wijze zouden gesteld hebben dat zijzelf of haar organen of aangestelden enige fout zouden hebben begaan.
Door (minstens deels) te steunen op beweerde *“mondelinge verklaringen”* die niet blijken uit het bewijsstuk waarnaar de GBA in de beslissing verwijst, is de beslissing aangetast door een motiveringsgebrek en dient zij dienvolgens vernietigd te worden.
#### 6.3.5.
De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding genomen en uit dien hoofde vernietigbaar (R.v.St., 4 maart 1960, Brinkhuysen, nr. 7681; R.v.St., 30 september 1960, Janssens, nr. 8094; R.v.St., 23 november 1965, stad Oostende, nr. 11.519).
#### 6.4. Betreffende de omvang van de bevoegdheid van de GBA (artikel 4 GBA-wet).
##### 6.4.1.
De FOD VOLKSGEZONDHEID laat gelden (vierde middel) dat waar de GBA stelt dat zij onzorgvuldig zou hebben gehandeld ten overstaan van Eric Van Cauwelaert, de GBA zijn bevoegdheid overschrijdt en het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten schendt.
De bevoegdheid van de GBA strekt zich enkel uit tot het oordelen over een correcte naleving van de AVG en de Belgische privacywetgeving, zoals duidelijk omschreven in de GBA-wet.
De GBA mag zich niet uitlaten over de inhoud van enige interne of administratieve beslissing, zoals de samenstelling van een beroepscommissie.
PAGE 01-00001500888-0025-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 26
880
# 6.4.2.
In de mate dat de GBA de beslissing motiveert op basis van een waardeoordeel over de wijze waarop de FOD VOLKSGEZONDHEID ten gronde heeft geoordeeld, is deze motivering niet afdoend vermits zij geen betrekking heeft op de elementen die de GBA vermag te beoordelen.
Onder geen beding heeft de GBA zich in de plaats te stellen van de FOD VOLKSGEZONDHEID om de door deze genomen beslissing (om Eric Van Cauwelaert niet voor te dragen) te bekritiseren.
Onder geen beding heeft de GBA zich in de plaats te stellen van welkdanige instantie met beoordelingsbevoegdheid (bestuurlijke of rechterlijke) om zich uit te laten over de werking van de FOD VOLKSGEZONDHEID (inzonderheid over de slechte werking van de interne distributie van post, zowel digitale post als papieren post) en te beoordelen dat het gaat om fouten en verregaande nalatigheid.
# 6.4.3.
De bestreden beslissing, in de mate dat zij een inhoudelijke kritiek op de werking van de FOD VOLKSGEZONDHEID inhoudt, geeft blijk van machtsoverschrijding en is uit dien hoofde onwettelijk.
De bestreden beslissing moet (ook) om die reden vernietigd worden.
# 6.5. De vraag of de te dezen litigieuze gegevens al dan niet persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 15 AVG.
Het Marktenhof dient hier niet op in te gaan nu zij heeft vastgesteld dat de bestreden beslissing hoe dan ook op onwettelijke wijze (motiveringsgebreken en machtsoverschrijding) genomen werd.
# 6.6. Schending van de artikelen 12.3 en 12.4 AVG.
Het overschrijden van de termijn van artikel 12.3 en artikel 12.4 AVG is niet op zich bij wijze van een wettelijke regel gesanctioneerd.
De termijnoverschrijding op zich kan dienvolgens niet leiden tot enige rechtsgeldige sanctie.
# 6.7. De sanctie van de publicatie op de website van de GBA.
Waar de GBA tenslotte stelt:
Gelet op de verregaande nalatigheid in hoofde van de verweerder, zal de beslissing dan ook worden gepubliceerd met bekendmaking van de identificatiegegevens van de verweerder, alsook van de klager. Deze laatste heeft daartoe zijn uitdrukkelijke toestemming gegeven tijdens de hoorzitting.
is deze beslissing van aard om de FOD VOLKSGEZONDHEID nodeloos te schaden.
Het past dienvolgens de GBA bevel op te leggen huidig arrest bekend te maken op haar website met inbegrip van de identificatiegegevens van de betrokken partijen.
Ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2019 hebben deze partijen zich overigens uitdrukkelijk akkoord verklaard met deze publicatie (zie het proces-verbaal van de openbare terechtzitting).
PAGE 01-00001500888-0026-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 27
881
# 7. Beslissing,
Het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond.
De bestreden beslissing wordt vernietigd omwille van motiveringsgebreken en machtsoverschrijding.
De GBA moet veroordeeld worden tot publicatie van het arrest op haar website met bekendmaking van de identificatiegegevens van de betrokken partijen.
De GBA moet tot het betalen van de gerechtskosten veroordeeld worden als in het ongelijk gestelde partij.
# 8. De kosten,
Overeenkomstig de wet van 21 april 2007 en het KB van 26 oktober 2007 wordt de rechtsplegingvergoeding begroot op de basisvergoeding van € 1.440,00.
Om deze redenen,
Het hof,
Gezien artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk ten overstaan van de Gegevensbeschermingsautoriteit en onontvankelijk ten overstaan van Eric VAN CAUWELAERT;
Verklaart het ontvankelijke beroep gegrond;
Vernietigt de beslissing van de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit nr. 05/2019 van 9 juli 2019 (ondertekend op 10 juli 2019);
Beveelt de publicatie van huidig arrest op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit met bekendmaking van de identificatiegegevens van de betrokken partijen;
Veroordeelt de Gegevensbeschermingsautoriteit tot de kosten van het beroep, vereffend op 1.860 euro (€ 400,00 rolrecht hoger beroep + € 20,00 bijdrage budgetair fonds + € 1.440,00 rechtsplegingvergoeding).
PAGE 01-00001500888-0027-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 28
882
Veroordeelt de Gegevensbeschermingsautoriteit verwerende partij, overeenkomstig artikel 269/2 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten tot betaling aan de Belgische Staat, FOD Financiën, van het rolrecht hoger beroep ten bedrage van 400,00 euro, en tot het definitief ten laste nemen van de bijdrage van € 20,00 Budgetair Fonds;
* * *
Dit arrest werd gewezen door het Marktenhof – kamer 19A van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit :
M. BOSMANS
Raadsheer dd. voorzitter
A-M. WITTERS
Raadsheer
O. DUGARDYN
Plaatsvervangend raadsheer
die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd.
bijgestaan door B. VANDERGUCHT
Griffier
B. VANDERGUCHT
O. DUGARDYN
PAGE 01-00001500888-0028-0029-04-01-4
Hof van beroep Brussel – 2019/AR/1234 – p. 29
883
De heer O. DUGARDYN, plaatsvervangend raadsheer, verkeert in de onmogelijkheid om de uitgesproken beslissing te ondertekenen.
Het werd uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van het Marktenhof – kamer 19A - van het hof van beroep te Brussel op 23 oktober 2019.
waar aanwezig waren:
M. BOSMANS
B. VANDERGUCHT
Raadsheer dd. voorzitter
Griffier
B. VANDERGUCHT
M. BOSMANS
PAGE 01-00001500888-0029-0029-04-01-4