1/6
Geschillenkamer
Beslissing 70/2024 van 6 mei 2024
Dossiernummer : DOS-2024-01290
Betreft : Uitoefening van het recht op inzage zonder dat de verweerster daaraan gevolg
zou hebben gegeven
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”
De verweerster: Y, hierna “de verweerster”
Beslissing 70/2024 — 2/6
I. Feiten en procedure
1. Op 11 maart 2024 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen de verweerster.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de uitoefening van het recht van inzage door de klager
zonder dat hij hierop enige reactie zou hebben ontvangen vanwege de verweerster binnen
de termijn van één maand (artikel 12.3 AVG). Het verzoek tot inzage werd op 7 februari 2024
door de klager gericht aan het e-mailadres […] van de verweerster. Op 3 maart 2024 zou de
klager zijn verzoek hebben herhaald per e-mail. De klager stelt dat zijn verzoeken ten tijde
van de klacht volledig onbeantwoord waren gebleven.
3. Op 28 maart 2024 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 van de WOG1 en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 van
de WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer 2.
4. Ingevolge artikel 95, § 2, 3° van de WOG alsmede artikel 47 van het reglement van interne
orde van de GBA kunnen de partijen om een afschrift van het dossier verzoeken. Indien één
van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het
kopiëren van het dossier, dient deze zich te wenden tot het secretariaat van de
Geschillenkamer, bij voorkeur via [email protected].
II. Motivering
5. De klager zegt op 7 februari 2024 een zending van het weekblad “Z” te hebben ontvangen.
Deze zending zou aan hem persoonlijk gericht zijn, terwijl hij beweert niet geabonneerd te
zijn op het weekblad. De Geschillenkamer stelt op basis van de stukken die de klacht staven
vast dat de klager vervolgens zijn recht van inzage heeft uitgeoefend op 7 februari 2024.
Meer bepaald vroeg de klager informatie over de bron van zijn gegevens. Overeenkomstig
Artikel 15.1.g) AVG maakt deze informatie deel uit van het recht van inzage van de
betrokkene. De verweerster zou echter hebben nagelaten te reageren op het verzoek van
de klager binnen het wettelijke termijn van 1 maand (artikel 12.3 AVG). Hierdoor heeft de
1
Overeenkomstig artikel 61 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat de klacht ontvankelijk is
verklaard.
2
Overeenkomstig artikel 95, § 2 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat het dossier naar
aanleiding van deze klacht aan haar is overgedragen.
Beslissing 70/2024 — 3/6
verweerster mogelijks gehandeld in strijd met artikel 12.3 en 12.4 AVG 3, alsook artikel 15.1
AVG4.
6. De Geschillenkamer is van oordeel dat op grond van bovenstaande analyse dient te worden
geconcludeerd dat door de verweerster mogelijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG
zou zijn gepleegd, dewelke rechtvaardigt dat in casu wordt overgegaan tot het nemen van
een beslissing op grond van artikel 95, § 1, 5° van de WOG, meer bepaald de verweerster te
bevelen om gevolg te geven aan de uitoefening door de klager van diens recht van inzage
(artikel 15.1 AVG) en dit in het bijzonder gelet op de stukken dat de klager heeft bijgebracht
waaruit blijkt dat de klager wel degelijk zijn recht op inzage heeft uitgeoefend, maar de
verweerster daaraan geen gevolg zou hebben gegeven.
7. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 van de WOG op grond van de door de klager ingediende klacht,
3
Artikel 12 AVG.
[…]
3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van
het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van
de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden
worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in
kennis van een dergelijke verlenging. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, wordt de informatie indien
mogelijk elektronisch verstrekt, tenzij de betrokkene anderszins verzoekt.
4. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze laatste
onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven,
en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter
in te stellen.
4
Artikel 15 AVG
1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet
verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die
persoonsgegevens en van de volgende informatie:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name
ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien
dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden
gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht
tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die
gegevens;
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en,
ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van
die verwerking voor de betrokkene.
[…]
Beslissing 70/2024 — 4/6
in het kader van de “procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde” 5 en geen
beslissing ten gronde van de Geschillenkamer in de zin van artikel 100 van de WOG.
De Geschillenkamer heeft aldus beslist om op grond van artikel 58.2.c) AVG en
artikel 95, § 1, 5° van de WOG, de verweerster te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek
van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht van inzage zoals
bepaald in artikel 15.1 AVG.
8. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verweerster in kennis te stellen van het feit dat
deze mogelijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de
mogelijkheid te stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen.
9. Indien de verweerster niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige prima facie
beslissing en van mening is dat zij feitelijke en/of juridische argumenten kan aanvoeren die
tot een nieuwe beslissing zouden kunnen leiden, kan zij een verzoek tot heroverweging
indienen bij de Geschillenkamer volgens de procedure vastgesteld in de artikelen 98 juncto
99 van de WOG, bekend als een “behandeling ten gronde”. Dit verzoek moet worden
gestuurd naar het e-mailadres [email protected] binnen een termijn van 30
dagen na kennisgeving van dit prima facie besluit. Indien van toepassing, wordt de uitvoering
van dit besluit opgeschort gedurende de bovengenoemde periode.
10. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de
Geschillenkamer de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 van de
WOG uitnodigen hun verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten
bij het dossier te voegen. De onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief
opgeschort.
11. Tot slot wijst de Geschillenkamer er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde
van de zaak kan leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 van de
WOG6.
5
Afdeling 3, Onderafdeling 2 van de WOG (artikelen 94 t.e.m. 97).
6
Artikel 100. § 1. De Geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de
gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te
bevelen;
Beslissing 70/2024 — 6/6
beroep kan worden ingesteld door middel van een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel
1034ter van het Gerechtelijke Wetboek (Ger.W.) opgesomde elementen dient te bevatten7. Het
verzoekschrift tot tussenkomst moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.8, of via het e-Deposit informatiesysteem van
het Ministerie van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
7
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister-
of ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
8
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.