1/6
Geschillenkamer
Beslissing 69/2024 van 2 mei 2024
Dossiernummer : DOS-2024-01292
Betreft : Uw klacht aangaande een inbreuk op de vertrouwelijkheid van uw
persoonsgegevens
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”;
De verweerder: La banque Y , hierna “de verweerster”.
Beslissing 69/2024 — 2/6
I. Feiten en procedure
1. Het voorwerp van de klacht betreft een vermeende inbreuk op de vertrouwelijkheid van de
persoonsgegevens van de klager die worden verwerkt door de verweerster.
2. Op 7 maart 2024 diende de klager een klacht in bij de GBA. De klacht betreft een inbreuk op
de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens van de klager door een medewerker van de
verweerster.
Op 8 februari 2024 zond de klager een e-mail naar de verweerster om te klagen
over een werknemer die meerdere malen de persoonsgegevens van de klager zou
hebben geconsulteerd in het laatste 1,5 jaar. De werknemer zou hierop in december
2023 door de verweerster zijn aangesproken en zou de consultaties van de
persoonsgegevens hebben toegegeven. De klager informeerde naar de
maatregelen die tegen deze werknemer, die ook sinds 1,5 jaar de ex-vriendin van de
klager is, werden getroffen door de verweerster.
Op 16 februari 2024 contacteerde de klager de verweerster om nogmaals te
informeren naar de maatregelen die werden getroffen tegen de werknemer, omdat
hij te horen had gekregen dat deze maatregelen ruim onvoldoende waren.
Op 17 februari 2024 legde de klager klacht neer bij de politie, waarvan het PV is
bijgevoegd in de stukken. De klager verklaarde zich moreel geschaad te voelen en
verontrust te zijn nog langer gestalkt te kunnen worden gezien de verweerster niet
voldoende maatregelen zou genomen hebben om dit te voorkomen.
Op 28 februari 2024 reageerde de verweerster op de klacht. Zij bevestigde dat de
werknemer de gegevens van de klager consulteerde “zonder professionele context
en zonder mandaat”. Er werden “noodzakelijke en evenredige maatregelen”
getroffen tegen de werknemer. De verweerster meldde eveneens dat de inbreuk
werd gemeld bij de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Op 4 maart 2024 antwoordde de klager via mail op de communicatie van de
verweerster met de boodschap dat hij de maatregelen niet evenredig vond en dat
hij ondertussen klacht had ingediend bij de politie tegen de werknemer. Hij stelde
ook dat hij een klacht zou indienen bij de ombudsman en bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
3. Op 28 maart 2024 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
Beslissing 69/2024 — 3/6
II. Motivering
4. Op basis van de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn, en op basis
van de bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 95, § 1 WOG zijn
toebedeeld, beslist de Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu
gaat de Geschillenkamer over tot het seponeren van de klacht overeenkomstig artikel 95,
§ 1, 3° WOG, op basis van de hiernavolgende motivering.
5. Wanneer een klacht geseponeerd wordt, dient de Geschillenkamer haar beslissing
trapsgewijs te motiveren1 en:
- een technische seponering uit te spreken indien het dossier geen of niet voldoende
elementen bevat die tot een veroordeling kunnen leiden, of indien er onvoldoende
uitzicht bestaat op een veroordeling wegens een technische belemmering,
waardoor zij niet tot een beslissing kan komen;
- of een beleidssepot uit te spreken, indien ondanks de aanwezigheid van elementen
die tot een sanctie kunnen leiden, de voortzetting van het onderzoek van het
dossier niet opportuun lijkt in het licht van de prioriteiten van de
Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals gespecificeerd en toegelicht in het
sepotbeleid van de Geschillenkamer2.
6. In het geval op meer dan één grond wordt geseponeerd, dienen de sepotgronden (resp.
technisch sepot en beleidssepot) in volgorde van belangrijkheid te worden behandeld 3.
7. In het voorliggend dossier gaat de Geschillenkamer over tot een seponering van de klacht,
op grond van een opportuniteitssepot. Er liggen namelijk twee motieven aan de basis van de
beslissing van de Geschillenkamer waarom zij het onwenselijk acht verder gevolg te geven
aan het dossier en derhalve beslist niet over te gaan tot, inter alia, een behandeling ten
gronde
8. Ten eerste lijkt het voorwerp van de klacht verdwenen als gevolg van de maatregelen die
door de verwerkingsverantwoordelijke genomen werden 4.
De klacht van 8 februari 2024, gericht aan de verweerster, lijkt haar attent gemaakt te
hebben op de mogelijke schending van de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens van
1
Hof van Beroep Brussel, Sectie Marktenhof, 19de kamer A, Kamer voor marktzaken, arrest 2020/AR/329, 2 september 2020,
p. 18.
2
In dit verband verwijst de Geschillenkamer naar haar sepotbeleid zoals uitvoerig uiteengezet op de website van de GBA:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf
3
Cf. Titel 3 – In welke gevallen zal mijn klacht waarschijnlijk worden geseponeerd door de Geschillenkamer? van het
sepotbeleid van de Geschillenkamer.
4
Cf. criterium B.6 in het sepotbeleid van de Geschillenkamer.
Beslissing 69/2024 — 4/6
de klager door een werknemer. Daarop is, dixit de verweerster, de werknemer
aangesproken, die de schending zou hebben toegegeven.
Op 28 februari 2024 heeft de verweerster de klager op de hoogte gebracht van deze
schending van de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens en van de noodzakelijke en
evenredige maatregelen die zouden zijn genomen om deze schending te vermijden in de
toekomst. De verweerster heeft eveneens een melding van een gegevenslek overgemaakt
aan de Gegevensbeschermingsautoriteit.
9. De Geschillenkamer heeft geen elementen die erop zouden kunnen wijzen dat de schending
van de vertrouwelijkheid van de persoonsgegevens van de klager niet zou zijn gestopt en
dat de maatregelen van de verweerster niet voldoende zouden zijn geweest om een
gelijkaardige schending in de toekomst te voorkomen. Zonder het belang van het naar voren
gebrachte incident te willen minimaliseren, oordeelt de Geschillenkamer dat een
behandeling ten gronde niet opportuun lijkt.
10. Ten tweede lijkt de klacht een nevengeschil bij een ruimer geschil dat moet worden beslecht
voor hoven en rechtbanken.5
Naar aanleiding van de vermeende feiten heeft de klager op 17 februari 2024 een klacht
ingediend bij de politie, waarvan de PV werd toegevoegd aan de stukken. In deze klacht
verklaart de klager niet langer gestalked te willen worden en zich moreel geschaad te voelen.
Stalking, waarvan de juridische term belaging is, wordt strafbaar gesteld in artikel 442bis van
het Strafwetboek6, wat niet onder de bevoegdheden van de Geschillenkamer valt. De
Geschillenkamer is evenmin bevoegd om eventuele morele schade van een
gegevensbeschermingsinbreuk te beoordelen.
Gezien de interpersoonlijke context van de klacht, gezien de klacht die werd neergelegd bij
de politie vóór een klacht werd ingediend bij de Gegevensbeschermingsautoriteit en gezien
de Geschillenkamer niet bevoegd is voor verschillende elementen uit het hoofdgeschil, lijkt
een behandeling ten gronde van deze schending van de vertrouwelijkheid van de
persoonsgegevens door de Geschillenkamer evenmin opportuun.
III. Publicatie en mededeling van de beslissing
11. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
5
Cf. criterium B.3 in het sepotbeleid van de Geschillenkamer.
6
Artikel 442 bis SW: “Hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van
die bewuste persoon ernstig zou verstoren, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met
geldboete van vijftig [euro] tot driehonderd [euro] of met een van die straffen alleen. […]”
Beslissing 69/2024 — 6/6
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.10, of via het e-Deposit informatiesysteem
van het Ministerie van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
Om de klager in staat te stellen andere mogelijke rechtsmiddelen te overwegen, verwijst de
Geschillenkamer de klager naar de toelichting in haar sepotbeleid11.
[De Geschillenkamer benadrukt dat de afsluiting van zaken door de
Gegevensbeschermingsautoriteit in aanmerking kan worden genomen om haar toekomstige
prioriteiten te bepalen en/of aanleiding kan geven tot toekomstige onderzoeken op eigen initiatief
door de Inspectiedienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit].
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
10
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.
11
Cf. Titel 4 – Wat kan ik doen als mijn klacht wordt afgesloten? van het sepotbeleid van de Geschillenkamer.