1/12
Geschillenkamer
Beslissing 67/2024 van 30 april 2024
Dossiernummer : DOS-2023-03824
Betreft : het vermelden van persoonsgegevens (van strafrechtelijke aard) in een
huwelijksweigeringsbeslissing door een gemeente
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: Dhr. X, vertegenwoordigd door meester VAN AERSCHOT, hierna “de klager”
De verweerders: Y1, hierna “de Verweerder 1”
Y2, hierna “de Verweerder 2”
Beslissing 67/2024 — 2/12
I. Feiten en procedure
1. Het voorwerp van de klacht betreft het opnemen van de persoonsgegevens van de klager
(en in het bijzonder diens strafrechtelijke verleden) in een huwelijksweigeringsbeslissing en
een verzoek tot rectificatie hiervan. De klacht richt zowel tegen een gemeente (Verweerder
1) als tegen een parket (Verweerder 2).
2. Op 13 februari 2021 wilde een bevriend koppel van de klager huwen. Echter, dit huwelijk
werd geweigerd door Verweerder 1, omdat deze van mening was dat het om een
schijnhuwelijk ging. In de beslissing van Verweerder 1 die het betreffende huwelijk weigerde
werd tevens melding gemaakt van de klager in de volgende paragraaf:
“Zij stellen elkaar voor het eerst te hebben ontmoet op het communiefeest van het zoontje
van de (..) nicht van mevrouw Z1, en dit op (…). Dhr. Z2 bleek bevriend te zijn met de
echtgenoot van Z1, de heer X, tevens (ex-)zakenpartner van de heer Z2 en in de Algemene
Nationale Gegevensbank (ANG) behoorlijk gekend voor […].”
3. Aan de hand van de voorgaande alinea tracht Verweerder 2, en later Verweerder 1, aan te
tonen dat de omgeving van de echtgenoot van het betreffende koppel niet geschikt is, en
daarom, in combinatie met de andere elementen in het dossier, een beslissing tot weigering
van het huwelijk gerechtvaardigd is. Met andere woorden, de persoonsgegevens van de
klager worden op deze manier aangewend in een huwelijksweigeringsbeslissing ten aanzien
van twee derden.
De huwelijksweigeringsbeslissing van Verweerder 1 heeft de bovenstaande paragraaf
identiek overgenomen uit het verslag van Verweerder 2 dd. 08 februari 2021. Door dit zo te
doen, zijn de partijen bij het beoogde huwelijk nu op de hoogte van het strafrechtelijke
verleden van de klager. Volgens hem is dit onterecht, aangezien dit niet relevant is voor het
huwelijk van de partijen, de feiten dateren van meer dan 25 jaar geleden, en de gemeente
niet zomaar deze gehele alinea in de beslissing kan overnemen, in het bijzonder wanneer dit
strafrechtelijke gegevens betreft.
4. In maart 2021 richt de klager een verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens en een
verzoek tot gegevenswissing en rectificatie aan Verweerder 1. Hij acht de toevoeging van
zijn strafrechtelijke gegevens compleet irrelevant voor de huwelijksweigeringsbeslissing.
Hij zou daarenboven slechts in voorhechtenis hebben gezeten voor de aangehaalde feiten.
De klager heeft geen gevangenisstraf opgelegd gekregen. Uit de door de Verweerder 2
opgestelde, en door Verweerder 1 hernomen paragraaf lijkt dit echter wel het geval. Hij wil
deze verklaringen dan ook aangepast zien.
5. De DPO van Verweerder 1 reageert op 30 maart 2021. Zij stelt dat Verweerder 1 niet de
verwerkingsverantwoordelijke is, maar de dienst burgerzaken slechts een opdracht uitvoert
die wordt opgelegd door de federale overheid. De stafrechtelijke gegevens zijn afkomstig
Beslissing 67/2024 — 3/12
uit het verslag met negatief advies van de procureur des Konings. Deze gegevens komen uit
de nationale databanken van de gerechtelijke overheden. Dit verslag van de procureur des
Konings ligt voor de betrokkenen ter inzage op de rechtbank en het gemeentehuis en dient
als motivering van het besluit van de burgemeester die oordeelt inzake de weigering tot de
voltrekking van het huwelijk.
Verweerder 1 verwijst de klager door naar de instanties die aan hen het verslag hebben
overgemaakt. Zij geeft hierbij de contactgegevens van de DPO van de FOD Justitie door. Zij
voegt hier aan toe dat vragen inzake de rechtsgrond waarom zijn gerechtelijke verleden
specifiek vermeld wordt in het verslag van de procureur des Konings moeten gericht worden
aan het Y2. Tot slot deelt de DPO mee wie er allemaal toegang heeft tot het betreffende
verslag.
6. Op 29 april 2021 reageert de advocaat van de klager op het antwoord van de DPO. Hij
benadrukte dat Verweerder 1 wel degelijk verwerkingsverantwoordelijke is, omdat zij de
mogelijkheid heeft om een niet-bindend advies in te winnen bij het parket. Volgens de wet is
het de ambtenaar van de burgerlijke stand die verantwoordelijk is voor het onderzoek naar
de rechtmatigheid van een huwelijk en die bepaalt welke gegevens hiertoe worden
verzameld. Vervolgens verwerkt Verweerder 1 zelf de ontvangen persoonsgegevens in het
kader van haar zelfstandige en wettelijk toegekende bevoegdheid om te beoordelen of er
sprake is van een huwelijksbeletsel.
Daarnaast wordt aangehaald dat de strafrechtelijke gegevens mogelijk zijn opgenomen in
het advies van Verweerder 2. Dit betekent echter niet dat Verweerder 1 bij het schrijven van
een beslissing dit advies identiek moet kopiëren en geen rekening moet houden met de
beginselen van de AVG. Dit geldt vooral gezien de strafrechtelijke geschiedenis van de
klager irrelevant is om te voldoen aan de motiveringsplicht van de beslissing, en het koppel
destijds niet eens op de hoogte was van het verleden van de klager.
7. Op 19 mei 2021 volgt antwoord vanwege de DPO van Verweerder 1. Wat betreft de
rechtsgrond zegt deze het volgende:
“Rechtsgrond om de strafrechtelijke gegevens en naam van de cliënt te vermelden &
verzoek om deze te verwijderen uit de weigeringsbeslissing
Zoals verduidelijkt in ons eerste schrijven is het de Procureur des konings die het
proportioneel vond om het gerechtelijk verleden van uw cliënt op te zoeken en volledig te
beschrijven in haar advies. Wij kunnen niet op uw vraag antwoorden wat de beweegredenen
en rechtsgrond waren van de procureur om uw cliënt uitdrukkelijk te vermelden. Wij hebben
u dan ook de contactgegevens van het Y overgemaakt.
Het verslag van de Procureur des konings lag nadien ter inzage in de rechtbank en het
gemeentehuis. In het verleden werd ons door het Openbaar Ministerie steeds meegedeeld
Beslissing 67/2024 — 4/12
om het volledige advies van de Procureur op te nemen in de weigeringsbeslissing, wat ook
hier is gebeurd.
8. Vervolgens verwijst de DPO naar een verslag van de vergadering inzake schijnhuwelijken
van 20 december 2004 waarin staat geschreven dat “vanaf heden de ongunstige adviezen
inzake voorgenomen huwelijken veel uitgebreider [zullen] zijn in die zin dat alle elementen die
aan de grondslag liggen voor dit advies, zullen worden weergegeven én uitgelegd. Zo de ABS
het advies van de Procureur des Konings tot het zijne neemt, acht mijn ambt het accuraat de
motivering op een minstens even uitgebreide wijze te formuleren. Dergelijke wijziging in
handelswijze is ingegeven door het oordeel van de Voorzitter van de rechtbank van eerste
aanleg zetelend zoals in kort geding, die in enkele dossiers schijnhuwelijken meent dat de
motivering van de weigeringsbeslissing in hoofde van de ABS ‘te beperkt’, ‘te vaag’ en ‘niet
afdoende’ was. Dergelijke inbreuken op de regels van openbaarheid van bestuur hebben er
toe geleid dat sommige schijnhuwelijken bij rechterlijke beslissingen tóch moeten worden
voltrokken. Op het ogenblik van de weigeringsbeslissing en de betekening ervan aan de
partners, is het belangrijk dat de ABS alle overwegingen, op grond van de welke hij zijn
beslissing nam, meedeelt. Daarenboven is het wenselijk dat de ABS ook meedeelt dat het
ganse dossier, zoals het overgemaakt werd door het Parket, ter inzage ligt op het
gemeentebestuur. Meer nog, zelfs de voeging van een kopie van het dossier in bijlage aan de
weigeringsbeslissing, lijkt mijn ambt opportuun.”
9. De DPO verwijst ook naar een arrest van het Hof van beroep van Gent 1 waarin wordt
geponeerd dat het zeer gebruikelijk is dat instanties het prealabele advies van het parket
mee opnemen in hun beslissing.
“Het hof is van oordeel dat de litigieuze weigeringsbeslissing voldoet aan de bijzondere
motiveringsverplichting in de zin van art. 167, vierde lid BW. De ambtenaar heeft niet enkel
verwezen naar het ingewonnen negatieve advies van het openbaar ministerie, maar het
overgenomen en het als dusdanig tot zijn motivering gemaakt. De werkwijze om zich te
baseren op het prealabele advies van het openbaar ministerie na een gedegen politioneel
onderzoek is zeer gebruikelijk, zeker in kleinere steden of gemeenten met een geringere
vreemdelingenpopulatie in vergelijking met de grotere steden (zoals Antwerpen, Brussel en
Gent), waar ook speciale cellen ‘schijnhuwelijken’ fungeren. In de kleinere steden en
gemeenten is de ambtenaar van de burgerlijke stand voor het vervullen van zijn taak bovenal
aangewezen op het openbaar ministerie en de politie.”
10. Volgens Verweerder 1 kan het verzoek tot gegevenswissing of anonimisering enkel worden
uitgevoerd in de authentieke bron; in het Centraal Strafregister. Dit verzoek dient aldus
gericht te worden aan de FOD Justitie. Zij komt hier later op terug in een
1
Arrest van 14 januari 2016, T. Vreemd. 2016, afl. 2, 2019
Beslissing 67/2024 — 5/12
bemiddelingsprocedure, waarbij zij erkent wel degelijk de gegevens te kunnen anonimiseren
in de beslissing.
11. De klager stuurt een brief naar het koppel tegen wie de huwelijksweigeringsbeslissing werd
genomen. Hij verzoekt hen om over te gaan tot vernietiging van de documenten en tot
discretie.
12. Op 11 juni 2021 wordt een bemiddelingsverzoek ingediend door de klager (DOS-2021-
04477). Deze bemiddeling liep spaak nadat de klager het niet voldoende verregaand vindt
dat de Verweerder 1 de persoonsgegevens zou anonimiseren in de beslissing zelf. De klager
wilde immers ook een rechtzetting (rectificatie) van de feiten.
Uit de bemiddeling blijkt dat Verweerder 1 zijn praktijk sindsdien heeft aangepast. In de
toekomst zou deze persoonsgegevens anonimiseren, waar mogelijk en relevant.
De bemiddeling wordt omgezet in een klacht. Op 8 november 2021 wordt de klacht door de
Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt
de klacht op grond van artikel 62, §1, WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
Hieruit volgt een sepot op 11 mei 2023.
13. Op 24 oktober 2023 dient de klager opnieuw een klacht in bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de verweerder(s).
14. Op 24 oktober 2023 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
15. Ingevolge artikel 95, § 2, 3° van de WOG alsmede artikel 47 van het reglement van interne
orde van de GBA kunnen de partijen om een afschrift van het dossier verzoeken. Indien één
van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het
kopiëren van het dossier, dient deze zich te wenden tot het secretariaat van de
Geschillenkamer, bij voorkeur via [email protected].
II. Motivering
II.1.1. Verwerkingsverantwoordelijkheid
16. Verweerder 1 geeft aanvankelijk in de communicatie met de klager aan dat zij zichzelf niet
als verwerkingsverantwoordelijke beschouwd wanneer zij het advies van de procureur des
Konings in haar huwelijksweigeringsbeslissing integreert. De Geschillenkamer herinnert er
in dit verband aan dat het begrip “verwerkingsverantwoordelijke” ruimt moet worden
Beslissing 67/2024 — 6/12
omgeschreven om een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te
verzekeren.2
17. Artikel 4.7 AVG, gelezen in het licht van die doelstelling, bepaalt dat een persoon of een
entiteit moet worden aangemerkt als een ‘verwerkingsverantwoordelijke’ als deze alleen of
samen met anderen de doelstellingen van en de middelen voor de verwerking vaststelt, dan
wel of deze doelstellingen en middelen in het nationale recht zijn bepaald. Indien dit laatste
het geval is, moet er worden nagegaan of in dat recht is bepaald wie de
verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke specifieke criteria deze wordt
aangewezen.3
18. Overeenkomstig de opdeling die het Europees Comité voor Gegevensbescherming (hierna:
EDPB) maakt, is er in casu sprake van een impliciete wettelijke bevoegdheid 4. De ambtenaar
van de burgerlijke stand van de bevoegde gemeente moet krachtens artikel 164/1, §4, OBW
nagaan of er huwelijksbeletselen bestaan. Dit wordt verder geregeld in artikel 167 OBW 5, dat
bepaalt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de voltrekking van het huwelijk weigert
wanneer blijkt dat niet is voldaan aan de hoedanigheden en voorwaarden vereist om een
huwelijk te mogen aangaan, of indien hij van oordeel is dat de voltrekking in strijd is met de
beginselen van de openbare orde. Hierbij beschikt de ambtenaar van de burgerlijke stand
over de mogelijkheid om een niet-bindend advies in te winnen van het parket.6
19. De ambtenaar van de burgerlijke stand is wettelijk belast met het onderzoek naar de
rechtmatigheid van een huwelijk en bepaalt welke gegevens hiervoor verzameld moeten
worden. Het is op verzoek van de ambtenaar van de burgerlijke stand dat het openbaar
2
Zie in die zin arresten HvJEU, 5 december 2023, C-683/21, Nacionalinis visuomenės sveikatos centras, (EU:C:2023:949),
para. 29, en HvJEU, 5 december 2023, C-807/21, Deutsche Wohnen, (EU:C:2023:950), para. 40 en de aldaar aangehaalde
rechtspraak.
3
HvJEU ,11 januari 2024, C-231-22, , Belgische staat t. Gegevensbeschermingsautoriteit, (ECLI:EU:C:2024:7), para. 29.; Europees
Comité voor Gegevensbescherming, Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en
“verwerker” in de AVG, 7 juli 2021, para. 15 e.v.
4
Het geval waarin een (rechts)persoon bij wet een bepaalde opdracht toegewezen krijgt, of een plicht opgelegd krijgt om
bepaalde persoonsgegevens te verzamelen en verder te verwerken, zonder dat deze (rechts)persoon hierbij uitdrukkelijk
wordt aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke. Dit is het geval wanneer een openbare instantie een taak toegewezen
krijgt, die niet vervuld kan worden zonder in functie hiervan tenminste bepaalde persoonsgegevens te verwerken. De wet
bepaalt in dat geval het doel van de verwerking en bepaalt hierbij eveneens, weliswaar indirect, wie voor de verwerking
verantwoordelijk is.
5
Artikel 167 OBW: “De ambtenaar van de burgerlijke stand weigert het huwelijk te voltrekken wanneer blijkt dat niet is voldaan
aan de hoedanigheden en voorwaarden vereist om een huwelijk te mogen aangaan, of indien hij van oordeel is dat de
voltrekking in strijd is met de beginselen van de openbare orde.
Indien er een ernstig vermoeden bestaat dat niet is voldaan aan de in het vorige lid gestelde voorwaarden kan de ambtenaar
van de burgerlijke stand de voltrekking van het huwelijk uitstellen, na eventueel het advies van de procureur des Konings van
het gerechtelijk arrondissement waarin de verzoekers voornemens zijn te huwen te hebben ingewonnen, gedurende ten
hoogste twee maanden vanaf de door belanghebbende partijen vooropgestelde huwelijksdatum, teneinde bijkomend
onderzoek te verrichten. […]
In geval van een weigering zoals bedoeld in het eerste lid, brengt de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn met redenen
omklede beslissing zonder verwijl ter kennis van de belanghebbende partijen. Tezelfdertijd wordt een afschrift hiervan, samen
met een kopie van alle nuttige documenten, overgezonden aan de procureur des Konings van het gerechtelijk arrondissement
waarin de weigering plaatsvond […].”
6
Gent 14 januari 2016, nr. 5, https://www.ipr.be/sites/default/files/rechtspraak/20161_20160114D.pdf.
Beslissing 67/2024 — 7/12
ministerie een onderzoek kan instellen. Het is aldus aan de ambtenaar van de burgerlijke
stand om te beoordelen of een dergelijke verwerking relevant is. Hieruit volgt duidelijk dat
de ambtenaar, of de gemeente in sensu lato, in casu de beslissingsbevoegdheid draagt, en
derhalve moet worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke.
De procureur des Konings heeft de bevoegdheid om zelf te beslissen welke
persoonsgegevens nodig zijn om een advies op te stellen, zonder dat de gemeente hier
inspraak in heeft. De procureur is dan ook zelf verantwoordelijk ten aanzien van de
verwerkingen die plaatsvinden in het kader van dit onderzoek.
20. Daarna is het aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om, mede op basis van het advies
van de procureur des Konings, te beoordelen of er sprake is van eventuele
huwelijksbeletselen, in het kader van haar zelfstandige en wettelijke toegekende
bevoegdheid.
21. Deze beslissing moet degelijk gemotiveerd zijn. 7 Wederom is dit een verplichting die rust op
de ambtenaar van de burgerlijke stand, die zelf dient te beoordelen welke verwerkingen
relevant zijn in het kader van deze motiveringsplicht. Het is dus aan Verweerder 1 om te
beoordelen of een identieke overname van een (deel van het) advies moet gebeuren.
Verweerder 1 geeft aan afspraken te hebben gemaakt om de samenwerking te
vergemakkelijken, maar deze moeten in het licht van de AVG worden gezien.
22. Op basis van het voorgaande stelt de Geschillenkamer vast dat Verweerder 1 dus wel
degelijk moet worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke, zowel voor het
identiek overnemen van het advies van Verweerder 2 in haar huwelijksweigeringsbeslissing,
als voor de wijze waarop de betrokken partijen het advies in het gemeentehuis kunnen
inkijken8. Derhalve moet de verweerder 1 op grond van artikel 5, lid 2, AVG worden geacht
verantwoordelijk te zijn voor de inachtneming van de in lid 1 van dit artikel bedoelde
beginselen wat betreft de verwerkingen die het krachtens het nationale recht moet
verrichten, en dus voor alle verplichtingen die de AVG de verwerkingsverantwoordelijke
oplegt.9
II.1.2. Noodzakelijkheid en proportionaliteit
23. Uit artikel 5.1.c) AVG volgt dat iedere verwerking ter zake dienend en beperkt tot wat
noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt moet zijn. Zo is de
voorziene verwerkingsactiviteit niet toegestaan wanneer er minder ingrijpende
7
Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
8
Ook voor het informeren van de betrokken partijen is de gemeente verwerkingsverantwoordelijke. Het informeren is immers
een van de taken die zij is opgelegd overeenkomstig het toepasselijke nationale recht. Zie HvJEU ,11 januari 2024, C-231-22, ,
Belgische staat t. Gegevensbeschermingsautoriteit, (ECLI:EU:C:2024:7), para. 38.
9
Naar analogie van HvJEU ,11 januari 2024, C-231-22, , Belgische staat t. Gegevensbeschermingsautoriteit, (ECLI:EU:C:2024:7),
para. 43.
Beslissing 67/2024 — 8/12
maatregelen mogelijk zijn om het doel van de verwerking te bereiken en mogen enkel de
persoonsgegevens verwerkt worden die noodzakelijk, toereikend en relevant zijn voor het
doel of de doelen.10
24. De klager benadrukt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand in de uitoefening van zijn
wettelijke bevoegdheden kan weigeren een huwelijk te voltrekken. Een zodanige
weigeringsbeslissing moet afdoende gemotiveerd zijn. Een dergelijke motivatie kan een
(integrale) overname van een advies van de procureur des Konings bevatten, indien dit
advies relevant is voor de onderbouwing van de beslissing van de ambtenaar. Echter, dit
betekent niet dat de ambtenaar van de burgerlijke stand de beginselen van de AVG kan
negeren wanneer er persoonsgegevens in het advies van de procureur des Konings staan,
vooral als de beslissing geen betrekking heeft op de betrokkene wiens persoonsgegevens
worden verwerkt. De klager voegt hieraan toe dat hij van mening is dat er voldoende
feitelijke en juridische overwegingen in het dossier zijn om een dergelijke beslissing te
nemen, zelfs zonder de identiteit van de klager expliciet te noemen en zijn volledige
strafrechtelijke verleden in de weigeringsbeslissing op te nemen.
25. De Geschillenkamer is eveneens van oordeel dat een dergelijke verwerking, i.e. het identiek
overnemen van het advies van de procureur des Konings in de
huwelijksweigeringsbeslissing, prima facie disproportioneel en in schending met het
minimaliseringsbeginsel lijkt te zijn. Het doeleinde (i.e. het afdoende motiveren van de
beslissing genomen in het kader van haar wettelijke bevoegdheid) zou op een minder
ingrijpende wijze kunnen worden bereikt. Zo moedigt de Geschillenkamer het anonimiseren
van persoonsgegevens toe.
26. Hier moet ook rekening worden gehouden met de aard van de persoonsgegevens.
Aangezien het in casu gegevens van strafrechtelijke aard betreffen 11, moedigt de
Geschillenkamer een terughoudende aanpak des te meer aan.
27. In het kader van de bemiddelingsprocedure die voorafging aan deze klacht gaf Verweerder
1 het volgende aan:
“Na ons laatste contact in juli 2021, heeft de dienst burgerzaken zelf contact opgenomen met
het parket van W en deze specifieke case voorgelegd. Het parket heeft ons bevestigd dat de
gemeente conform de afspraken heeft gewerkt maar dat zij er niets op tegen hadden dat wij
de namen van derden in een weigeringsbeslissing vanaf nu mogen anonimiseren. Bijgevolg
kunnen wij ingaan op het verzoek van de tegenpartij om de naam van de tegenpartij te
10
Article 29 Data Protection Working Party, Opinion 03/2013 on purpose limitation, 2 april 2013, p. 15.
11
Artikel 10 AVG: “Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband
houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid
of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of Lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de
rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen
worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.”
Beslissing 67/2024 — 9/12
anonimiseren in de weigeringsbeslissing (de dienst burgerzaken zal in dit dossier de nodige
stappen ondernemen). Deze richtlijn zullen we ook toepassen bij de toekomstige dossiers van
het parket.”
28. Verweerder 1 heeft dus thans haar werkwijze aangepast wat betreft het eventueel
anonimiseren van persoonsgegevens (in het bijzonder wanneer deze van derden zijn) in
huwelijksweigeringsbeslissingen.
29. Ten slotte, wenst de Geschillenkamer ook de aandacht te vestigen op de wijze waarop het
advies van de procureur des Konings kan worden ingekeken op het gemeentehuis. Het is
aan Verweerder 1 om ook dit op een wijze te doen verlopen die rekening houdt met de
beginselen van de AVG.
30. Vanwege de reeds doorgevoerde wijzigingen in de praktijk van Verweerder 1, beperkt de
Geschillenkamer zich tot het waarschuwen van Verweerder 1, zoals bepaald in artikel 95, §1,
4°, van de WOG. Op dit moment lijkt het de Geschillenkamer niet noodzakelijk om meer
ingrijpende corrigerende maatregelen op te leggen.
II.1.3. Verzoek tot rectificatie
31. De klager verzocht ook om een rectificatie van zijn persoonsgegevens in de
huwelijksweigeringsbeslissing, omdat hij van mening is dat deze onjuist zijn.
32. Verweerder 1 stelt dat de gemeente niet gemachtigd is om het advies van de procureur des
Konings te wijzigen. Bovendien heeft de gemeente geen toegang tot het gerechtelijke
dossier van de klager, waardoor zij niet kon verifiëren of de verstrekte gegevens correct
waren. Een verzoek tot rectificatie of het wissen van gegevens van gegevens in het
oorspronkelijke advies moet worden gericht aan de bevoegde overheidsinstanties.
33. De Geschillenkamer merkt op dat zij de juistheid van de persoonsgegevens niet kan
beoordelen, omdat zij geen toegang heeft tot het gerechtelijke dossier van de klager. Zij
erkent prima facie wel dat Verweerder 1 geen wijziging kan doen in het advies van
Verweerder 2.
II.1.4. Bevoegdheid van de Geschillenkamer ten aanzien van de procureur des Konings
en rechtbanken
34. Allereerst herinnert de Geschillenkamer aan haar bevoegdheid. Artikel 4, §2, WOG bepaalt
immers dat de GBA niet bevoegd is voor het toezicht op de verwerkingen door hoven en
rechtbanken, alsook door het openbaar ministerie bij de uitoefening van hun gerechtelijke
taken. Dit vloeit voort uit artikel 55.3 AVG, waarin wordt bepaald dat toezichthoudende
autoriteiten niet bevoegd zijn om toezicht te houden op verwerkingen door gerechten bij de
uitoefening van hun rechterlijke taken.
Beslissing 67/2024 — 10/12
35. De Geschillenkamer besluit daarom om zich prima facie niet uit te spreken ten aanzien van
Verweerder 2.
36. Daarnaast benadrukt de Geschillenkamer ook de bevoegdheid van een rechtscollege om
informatie te communiceren (zoals het laten inkijken van een advies), wat onder de
verantwoordelijkheid van deze instanties zelf valt en waarover de Geschillenkamer geen
zeggenschap heeft.12
II.1.5. Corrigerende maatregelen
37. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 van de WOG op grond van de door de klager ingediende klacht,
in het kader van de “procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde” en geen
beslissing ten gronde van de Geschillenkamer in de zin van artikel 100 van de WOG.
38. De Geschillenkamer heeft aldus beslist om op grond van artikel 58.2.a) AVG en artikel 95, §
1, 4° van de WOG, Verweerder 1 een waarschuwing te geven wegens het schenden van het
minimaliseringsbeginsel.
39. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verweerder in kennis te stellen van het feit dat deze
een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de mogelijkheid te
stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen. De eerder besproken
tegemoetkoming in de bemiddelingsprocedure wordt hierbij aangemoedigd.
40. Indien de verweerder niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige prima facie
beslissing en van mening is dat zij feitelijke en/of juridische argumenten kan aanvoeren die
tot een nieuwe beslissing zouden kunnen leiden, kan zij een verzoek tot heroverweging
indienen bij de Geschillenkamer volgens de procedure vastgesteld in de artikelen 98 juncto
99 van de WOG, bekend als een “behandeling ten gronde”. Dit verzoek moet worden
gestuurd naar het e-mailadres [email protected] binnen een termijn van 30
dagen na kennisgeving van dit prima facie besluit. Indien van toepassing, wordt de uitvoering
van dit besluit opgeschort gedurende de bovengenoemde periode.
41. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de
Geschillenkamer de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 van de
WOG uitnodigen hun verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten
bij het dossier te voegen. De onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief
opgeschort.
12
Naar analogie van HvJEU, 24 maart 2022, C-245/20, Autoriteit Persoonsgegevens, (ECLI:EU:C:2022:216), para. 38.
Beslissing 67/2024 — 12/12
verzoekschrift tot tussenkomst moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.14, of via het e-Deposit informatiesysteem
van het Ministerie van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(ge). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister-
of ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
14
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.