1/8
Geschillenkamer
Beslissing 35/2024 van 20 februari 2024
Dossiernummer : DOS-2023-04528
Betreft : Gebrek aan gevolg gegeven aan een verzoek tot gegevenswissing
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”;
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”.
Beslissing 35/2024 — 2/8
I. Feiten en procedure
1. De klager was werkzaam als werknemer bij de verweerder tot 2021. In augustus 2023 komt
de klager tot de vaststelling dat een foto van haar gepubliceerd werd op de website van de
verweerder in een campagne om nieuwe collega’s aan te werven. De klager werpt op dat zij
hiervoor nooit toestemming heeft gegeven. De klager is op heden werkzaam bij een
concullega bij de verweerder waar zij hierover door collega’s werd aangesproken. Bijgevolg
heeft de klager op 31 augustus 2023 de verweerder aangeschreven met het verzoek om de
foto’s op de social media-accounts te verwijderen en in de toekomst geen beelden meer te
publiceren waarop zij zelf of haar naam weergegeven staat. De verweerder antwoordt
dezelfde dag dat een regeling voor het gebruik van fotomateriaal na uitdiensttreding werd
uitgewerkt, waardoor hij stelt in regel te zijn. De verweerder vermeldt eveneens dat er wordt
gewerkt aan nieuw fotomateriaal om dergelijke situaties in de toekomst te vermijden. De
verweerder stelt dat hij reeds gevraagd had om geen namen meer te vermelden, maar dat
hij dit nog niet heeft kunnen verifiëren of dit gebeurd is.
2. Op 6 november 2023 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen de verweerder.
3. Op 6 februari 2024 informeert de Eerstelijnsdienst de klager dat zij een versie van de klacht
zonder handtekening ontvangen heeft, noch de gevraagde bijkomende informatie, i.e.
stavingsstukken, ontvangen heeft.
4. Op 6 februari 2024 maakt de klager de klacht met handtekening over met de gevraagde
stavingsstukken, namelijk de correspondentie tussen haar en de verweerder en
schermafdrukken van de foto’s in kwestie op de website van de verweerder alsook op het
profiel van de verweerder op LinkedIn, Facebook en Instagram.
5. Op 13 februari 2024 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG1 en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1
van de WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer 2.
6. Ingevolge artikel 95, § 2, 3° van de WOG alsmede artikel 47 van het reglement van interne
orde van de GBA kunnen de partijen om een afschrift van het dossier verzoeken. Indien één
van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het
kopiëren van het dossier, dient deze zich te wenden tot het secretariaat van de
Geschillenkamer, bij voorkeur via [email protected].
1
Overeenkomstig artikel 61 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat de klacht ontvankelijk is
verklaard.
2
Overeenkomstig artikel 95, § 2 van de WOG deelt de Geschillenkamer bij dezen aan de partijen mee dat het dossier naar
aanleiding van deze klacht aan haar is overgedragen.
Beslissing 35/2024 — 3/8
II. Motivering
7. Het komt toe aan de Geschillenkamer om prima facie te beoordelen of de klaagster op
succesvolle wijze beroep kan doen op het recht op gegevenswissing ex artikel 17 AVG en of
desgevallend de verweerder een passend gevolg aan dit verzoek gegeven heeft.
8. De Geschillenkamer wijst erop dat de contactgegevens van een natuurlijke persoon, zoals
naam, voornaam en foto persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 4.1 van de AVG. Dit is
informatie die betrekking heeft op een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke
persoon (de "betrokkene"), in dit geval de klager, die rechtstreeks kan worden
geïdentificeerd op basis van deze informatie. De publicatie van dergelijke gegevens op de
website en de social media-accounts is een verwerking in de zin van artikel 4.2 AVG. De
Geschillenkamer herinnert eraan dat elke verwerking moet voldoen aan de basisbeginselen
van gegevensbescherming zoals uiteengezet in artikel 5.1 AVG, zoals de rechtmatigheid van
de verwerking (artikel 5.1.a) AVG). De Geschillenkamer merkt op dat de naam van de klager
niet vermeld is op de stavingsstukken die door de klager werden overgemaakt.
9. In toepassing van artikel 5.1.a) j° artikel 6.1 van de AVG moet elke verwerking van
persoonsgegevens een rechtsgrondslag hebben. Artikel 6.1 van de AVG stipuleert dat de
verwerking moet plaatsvinden op basis van een van de volgende rechtsgrondslagen: de
betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens
voor een of meer specifieke doeleinden (artikel 6.1.a) AVG - toestemming); de verwerking
is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is of
voor de uitvoering van precontractuele maatregelen die op verzoek van de betrokkene zijn
genomen (artikel 6.1.b) AVG - uitvoering van de overeenkomst); de verwerking is
noodzakelijk om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de
verwerkingsverantwoordelijke is onderworpen (artikel 6.1.c) AVG - wettelijke verplichting);
de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere
natuurlijke persoon te beschermen (artikel 6.1.d) AVG - vitaal belang); de verwerking is
noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het
kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke
is opgedragen (artikel 6.1.e) AVG - taak van algemeen belang) of de verwerking is
noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de
verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de
grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van
persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de
betrokkene een kind is (artikel 6.1.f) AVG - gerechtvaardigd belang).
10. De Geschillenkamer zal hierna beoordelen of de verwerking van de persoonsgegevens
gebaseerd is op een van de bovenstaande rechtsgrondslagen.
Beslissing 35/2024 — 4/8
11. Op basis van de mail van de verweerder dd. 31 augustus 2023 stelt de Geschillenkamer vast
dat de verweerder opwerpt dat de publicatie van beeldmateriaal op de website en op social
media-accounts van de verweerder geregeld wordt door het arbeidsreglement, dat deel
uitmaakt van de arbeidsovereenkomst.
12. Artikel 6.1.b) AVG voorziet in een rechtsgrondslag voor de verwerking van
persoonsgegevens indien de “verwerking noodzakelijk [is] voor de uitvoering van een
overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de
sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen”. Een succesvol beroep op deze
rechtsgrondslag vereist dus dat de verwerking noodzakelijk is om die specifieke
overeenkomst met de betrokkene uit te kunnen voeren. Aangezien de
arbeidsovereenkomst tussen de partijen beëindigd werd in 2021, zo stelt de
Geschillenkamer vast op basis van de klacht, is een succesvol beroep op artikel 6.1.b) AVG
prima facie niet meer mogelijk bij gebrek aan overeenkomst. Bovendien lijkt prima facie ook
niet voldaan aan de noodzakelijkheidsvereiste aangezien de publicatie van een foto op de
website of op social media om nieuwe collega’s aan te trekken niet noodzakelijk om de
arbeidsovereenkomst uit te voeren. Dit doet dan ook vermoeden dat er geen succesvol
beroep op artikel 6.1.b) AVG in onderhavige zaak mogelijk is.
13. In artikel 6.1.f) AVG wordt bepaald dat de verwerking rechtmatig is indien “de verwerking […]
noodzakelijk [is] voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de
verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de fundamentele
vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder
wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is”. De rechtspraak van
het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist dat een beroep op artikel 6.1.f) van de AVG
aan drie cumulatieve voorwaarden voldoet. De verwerkingsverantwoordelijke dient aan te
tonen dat:
a. de belangen die hij met de verwerking nastreeft, als gerechtvaardigd kunnen worden
erkend (‘de doeltoets’);
b. de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze belangen (‘de
noodzakelijkheidstoets’); en
c. de afweging van deze belangen tegen de fundamentele belangen, vrijheden en
grondrechten van de betrokkenen in het voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke of
van een derde is (‘de afwegingstoets’).
14. Voor wat betreft de eerste voorwaarde erkent de Geschillenkamer dat het aantrekken van
nieuwe werknemers een gerechtvaardigd belang in hoofde van de verweerder vormt
waardoor aan de eerste voorwaarde, de doeltoets voldaan lijkt te zijn. Voor wat betreft de
tweede voorwaarde merkt de Geschillenkamer op dat de publicatie van een foto van een
Beslissing 35/2024 — 5/8
werknemer, a fortiori een voormalige werknemer, niet noodzakelijk lijkt om dit doel te
bereiken. De Geschillenkamer verwijst hierbij naar de strikte interpretatie van de
noodzakelijkheidvereiste door het Hof van Justitie. 3 Ook aan de derde voorwaarde, de
afwegingstoets lijkt prima facie niet voldaan. Volgens overweging 47 AVG moet het bestaan
van een gerechtvaardigd belang zorgvuldig worden beoordeeld. Bij het bepalen of het
gerechtvaardigd belang zwaarder weegt dan het belang of de fundamentele rechten en
vrijheden van de betrokkene dient onder meer rekening te worden gehouden met de
redelijke verwachtingen op basis van zijn verhouding met de verwerkingsverantwoordelijke.
De Geschillenkamer werpt op dat het mogelijk niet binnen de redelijke verwachtingen valt
van de klager als ex-werknemer dat haar foto op de website wordt gepubliceerd om nieuwe
collega’s aan te werven, en zeker niet indien zij zelf werkzaam is bij een concullega. Hierbij
houdt de Geschillenkamer rekening met het feit dat de klager niet meer werkzaam is bij de
verweerder sinds 2021. Een succesvol beroep op artikel 6.1.f) AVG lijkt prima facie dan ook
uitgesloten.
15. De Geschillenkamer herinnert er vervolgens aan dat toestemming alleen geldig kan worden
ingeroepen als deze, in overeenstemming met de definitie in artikel 4.11 AVG vrij, specifiek,
geïnformeerd en ondubbelzinnig is. De Geschillenkamer benadrukt dat er geen sprake kan
zijn van een vrije toestemming in het kader van een werknemer-werkgeversrelatie waardoor
er prima facie geen succesvol beroep op artikel 6.1.a) AVG mogelijk lijkt.
16. Tot slot merkt de Geschillenkamer op dat de andere rechtsgronden uit artikel 6.1 AVG niet
van toepassing lijken te zijn op onderhavige zaak.
17. Het bovenstaande doet de Geschillenkamer vermoeden dat de publicatie van de foto van de
klaagster een onrechtmatige verwerking uitmaakt.
18. Het recht op gegevenswissing krachtens artikel 17.1.d) AVG erkent uitdrukkelijk het recht
van betrokkenen om onverwijld de gegevenswissing te verkrijgen van de
verwerkingsverantwoordelijke indien de persoonsgegevens onrechtmatig verwerkt zijn.
19. Overeenkomstig artikel 12.3 AVG verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de
betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek
krachtens de artikelen 15 tot en met 22 AVG informatie over het gevolg dat aan het verzoek
is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken
kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De
verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het
verzoek in kennis van een dergelijke verlenging.
20. De Geschillenkamer stelt vast, op basis van de e-mailconversatie bijgevoegd bij de klacht,
dat de klager haar recht op gegevenswissing conform artikel 17.1 AVG heeft uitgeoefend op
3
HvJEU Arrest van 4 mei 2017, Rīgas Satiksme, C-13/16 ECLI:EU:C:2017:336, para. 30.
Beslissing 35/2024 — 6/8
31 augustus 2023. Ingevolge artikel 12.3 AVG dient de verwerkingsverantwoordelijke, in
casu de verweerder, onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek
op het verzoek tot gegevenswissing te antwoorden. Eventueel kan deze termijn met nog
eens twee maanden verlengd worden, gelet op de complexiteit van het verzoek. De klager
moet dan binnen de maand na het verzoek tot gegevenswissing over deze verlenging
geïnformeerd worden. Indien de verweerder beslist om geen gevolg te geven aan het
verzoek van de klager, moet zij dit binnen één maand na de ontvangst van het verzoek
meedelen aan de betrokkene, overeenkomstig artikel 12.4 AVG.
21. De Geschillenkamer stelt vast dat de klaagster op 31 augustus 2023 een antwoord heeft
mogen ontvangen over het gevolg dat door de verweerder aan de gegevenswissing
gegeven wordt. De verweerder stelt dat haar naam reeds gewist was en dat de foto werd
gepubliceerd op basis van het arbeidsreglement. De verweerder heeft prima facie aldus wel
tijdig geantwoord op het verzoek tot gegevenswissing van de klager.
22. Bovenstaande analyse doet de Geschillenkamer vermoeden dat dient te worden
geconcludeerd dat door de verweerder mogelijk een inbreuk op artikel 17.1.d) van de AVG
werd gepleegd, dewelke rechtvaardigt dat in casu wordt overgegaan tot het nemen van een
beslissing op grond van artikel 95, § 1, 5° van de WOG, meer bepaald
23. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 van de WOG op grond van de door de klager ingediende klacht,
in het kader van de “procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde” en geen
beslissing ten gronde van de Geschillenkamer in de zin van artikel 100 van de WOG.
24. De Geschillenkamer heeft aldus beslist om op grond van artikel 58.2.c AVG en artikel 95, §
1, 5° WOG, de verweerder te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek van de betrokkene
om haar rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht op gegevenswissing (“recht op
vergetelheid”) zoals bepaald in artikel 17 AVG.
25. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verweerder in kennis te stellen van het feit dat deze
een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de mogelijkheid te
stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen.
26. Indien de verweerder evenwel niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige prima facie
beslissing en van oordeel is dat deze feitelijke en/of juridische argumenten kan laten gelden
die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, kan deze via het e-mailadres
[email protected] een verzoek tot behandeling ten gronde van de zaak richten
aan de Geschillenkamer en dit binnen de termijn van 30 dagen na de kennisgeving van deze
beslissing. De tenuitvoerlegging van onderhavige beslissing wordt desgevallend gedurende
voormelde periode geschorst.
Beslissing 35/2024 — 7/8
27. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de
Geschillenkamer de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 WOG
uitnodigen hun verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten bij het
dossier te voegen. De onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief opgeschort.
28. Tot slot wijst de Geschillenkamer er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde
van de zaak kan leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 WOG .
III. Publicatie van de beslissing
29. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, onder voorbehoud
van de indiening van een verzoek door de verweerder tot behandeling ten gronde
overeenkomstig artikel 98 e.v. van de WOG, om:
- op grond van artikel 58.2.c) van de AVG en artikel 95, § 1, 5° van de WOG de
verweerder te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek van de klaagster om haar
rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht op gegevenswissing (artikel 17.1
AVG), en over te gaan tot wissing van de persoonsgegevens van betrokkene op de
website en de social media-accounts, en dit binnen de termijn van 30 dagen te
rekenen vanaf de kennisgeving van deze beslissing;
- de verweerder te bevelen de Gegevensbeschermingsautoriteit (Geschillenkamer)
per e-mail binnen dezelfde termijn op de hoogte te stellen van het gevolg dat aan
deze beslissing wordt gegeven via het e-mailadres [email protected];
en
- bij gebrek aan de tijdige uitvoering van het hierboven gestelde door de verweerder,
de zaak ambtshalve ten gronde te behandelen overeenkomstig artikelen 98 e.v.
van de WOG.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van
beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Beslissing 35/2024 — 8/8
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 4. Het
verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.5, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(ge). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
4
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
5
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.