1/6
Geschillenkamer
Beslissing 145/2022 van 12 oktober 2022
Dossiernummer : DOS-2022-03529
Betreft : Verstrekking van identiteitskaart als voorwaarde tot gegevenswissing
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans,
alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene
verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers
op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
.
De klager: De heer X, hierna “de klager”; .
.
De verwerkingsverantwoordelijke: Y, hierna “de verwerkingsverantwoordelijke”
Beslissing 145/2022 - 2/6
I. Feiten en procedure
1. Op 30 augustus 2022 diende de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen
de verwerkingsverantwoordelijke.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de privacyverklaring waarin de verwerkingsverantwoordelijke
het identiteitsbewijs van de klager opvraagt indien deze zich wenst uit te schrijven voor de
ontvangst van nieuwsbrieven. De klager heeft zijn recht van inzage uitgeoefend waaraan de
verwerkingsverantwoordelijke gevolg heeft gegeven. Vervolgens wenst de klager zijn recht op
gegevenswissing uit te oefenen, maar stelt vast dat hij daartoe volgens de privacyverklaring van de
verwerkingsverantwoordelijke zijn identiteitsbewijs dient over te maken aan de
verwerkingsverantwoordelijke.
Bovendien beweert de klager zich nooit te hebben ingeschreven voor de ontvangst van
nieuwsbrieven van de verwerkingsverantwoordelijke. De klager heeft de
verwerkingsverantwoordelijke dan ook verzocht om informatie omtrent de wijze waarop de
verwerkingsverantwoordelijke in het bezit is gekomen van zijn persoonsgegevens. De
verwerkingsverantwoordelijke stelt dat de klager zijn toestemming heeft gegeven via VIP
Response B.V. (Nederland) door deelname aan een campagne. De klager ontkent dit evenwel.
3. Op 5 september 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van art. 62, §1 WOG overgemaakt aan
de Geschillenkamer.
II. Motivering
4. De Geschillenkamer stelt op basis van de stukken die de klacht staven vast dat het privacybeleid
van de verwerkingsverantwoordelijke bepaalt dat voor de uitoefening van rechten een geschreven
verzoek en bewijs van identiteit via aangetekende brief is vereist. Inzake de verstrekking van
identificatiegegevens bepaalt artikel 12.2 AVG dat de verwerkingsverantwoordelijke niet mag
weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de betrokkene om diens rechten, waaronder het
recht van inzage (artikel 15 AVG) en het recht op gegevenswissing (artikel 17 AVG), uit te oefenen,
tenzij de verwerkingsverantwoordelijke aantoont dat hij niet in staat is de betrokkene te
identificeren1. Uit de feitelijke elementen die het voorwerp vormen van de klacht blijkt evenwel niet
dat de verwerkingsverantwoordelijke de klager niet kan identificeren. De klager heeft immers zijn
recht van inzage uitgeoefend en de verwerkingsverantwoordelijke heeft gevolg gegeven aan dit
1
Zie in dat verband 3.1.3. van de richtsnoeren 01/2022 over rechten van de betrokkenen – recht van inzage:
https://edpb.europa.eu/system/files/2022-01/edpb_guidelines_012022_right-of-access_0.pdf
Beslissing 145/2022 - 3/6
verzoek zonder dat daaraan voorafgaand de verstrekking van enig identiteitsbewijs noodzakelijk
werd geacht. In de praktijk is dus aangetoond dat de klager op voldoende wijze kan worden
geïdentificeerd door de verwerkingsverantwoordelijke om gevolg te kunnen geven aan het verzoek
van de klager tot het verstrekken van informatie omtrent de wijze waarop de
verwerkingsverantwoordelijke in het bezit is gekomen van zijn persoonsgegevens. Hieruit volgt
ipso facto dat de klager in voorliggend geval eveneens afdoende geïdentificeerd is zodra deze
voornemens is over te gaan tot de uitoefening van zijn recht op gegevenswissing en de
verwerkingsverantwoordelijke niet kan vereisen dat een bewijs van identiteit wordt verstrekt.
5. Door in de privacyverklaring de uitoefening van rechten te onderwerpen aan de voorafgaande
verstrekking van een identiteitsbewijs miskent de verwerkingsverantwoordelijke het beginsel van
minimale gegevensverwerking (artikel 5.1 c) AVG). De concrete toepassing van dit beginsel met
betrekking tot de verwerking van identiteitsbewijzen in het kader van de uitoefening van rechten
door de betrokkene impliceert dat de verwerkingsverantwoordelijke niet kan vereisen dat een
identiteitsbewijs wordt verstrekt in de gevallen waarin de betrokkene kan worden geïdentificeerd
aan de hand van de reeds door hem verwerkte persoonsgegevens teneinde gevolg te kunnen
geven aan de uitoefening van diens rechten. De verwerkingsverantwoordelijke moet er zich immers
voor behoeden meer gegevens te verwerken dan nodig is met het oog op identificatie van de
betrokkene in het licht van de uitoefening van rechten met betrekking tot direct marketing.
Concreet betekent dit dat indien – zoals in casu – de verwerkingsverantwoordelijke gebruik maakt
van het mailadres van de klager om deze direct marketing berichten toe te sturen, het voldoende is
dat de klager zich aan de hand van hetzelfde mailadres tot de verwerkingsverantwoordelijke richt
om zijn rechten uit te oefenen.
6. De Geschillenkamer is van oordeel dat op grond van bovenstaande analyse dient te worden
geconcludeerd dat door de verwerkingsverantwoordelijke een inbreuk op de bepalingen van de
AVG werd gepleegd, dewelke rechtvaardigt dat in casu wordt overgegaan tot het nemen van een
beslissing op grond van artikel 95, §1, 4° WOG, meer bepaald de verwerkingsverantwoordelijke te
waarschuwen dat de in de privacyverklaring opgenomen voorwaarde tot verstrekking van een
identiteitsbewijs in het kader van de uitoefening van rechten met betrekking tot direct marketing
een inbreuk uitmaakt op artikel 5.1 c) AVG.
7. De Geschillenkamer is van oordeel dat de verwerkingsverantwoordelijken de gelegenheid moet
worden geboden om naar aanleiding van deze eerste klacht zijn handelswijze bij te sturen, zodat in
de toekomst gelijkaardige feiten en mogelijks nieuwe klachten daaromtrent kunnen worden
vermeden. De Geschillenkamer verwacht dan ook dat de privacyverklaring concreet op dit punt
wordt aangepast en in overeenstemming wordt gebracht met het beginsel van minimale
gegevensverwerking.
Beslissing 145/2022 - 4/6
8. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 WOG op grond van de door de klager ingediende klacht, in het kader van
de ‘procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde’ 2 en geen beslissing ten gronde van de
Geschillenkamer in de zin van artikel 100 WOG.
9. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verwerkingsverantwoordelijke in kennis te stellen van het
feit dat deze mogelijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de
mogelijkheid te stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen.
10. Indien de verwerkingsverantwoordelijke evenwel niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige
prima facie beslissing en van oordeel is dat deze feitelijke en/of juridische argumenten kan laten
gelden die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, kan deze via het e-mailadres
[email protected] een verzoek tot behandeling ten gronde van de zaak richten aan de
Geschillenkamer en dit binnen de termijn van 30 dagen na de kennisgeving van deze beslissing. De
tenuitvoerlegging van onderhavige beslissing wordt desgevallend gedurende voormelde periode
geschorst.
11. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de Geschillenkamer
de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 WOG uitnodigen hun
verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten bij het dossier te voegen. De
onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief opgeschort.
12. De Geschillenkamer wijst er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde van de zaak kan
leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 WOG 3.
13. Tot slot wijst de Geschillenkamer nog op het volgende:
Indien één van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en
het kopiëren van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), dient deze zich te wenden tot het secretariaat
2 Afdeling 3, Onderafdeling 2 WOG (artikelen 94 t.e.m. 97).
3
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te
bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het
dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
Beslissing 145/2022 - 5/6
van de Geschillenkamer, bij voorkeur via [email protected], teneinde een afspraak
vast te leggen.
14. Indien om een kopie van het dossier wordt verzocht, worden de stukken zo mogelijk elektronisch
of anders per gewone post bezorgd 4.
III. Publicatie van de beslissing
15. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens
van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, onder voorbehoud van de
indiening van een verzoek door de verwerkingsverantwoordelijke tot behandeling ten gronde
overeenkomstig artikel 98 e.v. WOG, om:
- op grond van artikel 58.2, c) AVG en artikel 95, §1, 4° WOG de verwerkingsverantwoordelijke te
waarschuwen dat met de voorgenomen verwerking gelijkaardig aan deze die het voorwerp vormt van
de voorliggende klacht inbreuk op artikel 5.1 c) AVG wordt gemaakt;
- de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken de Gegevensbeschermingsautoriteit (Geschillenkamer)
per e-mail binnen de termijn van 30 dagen na de kennisgeving van deze beslissing op de hoogte te
stellen van het resultaat van deze beslissing teneinde de Geschillenkamer te informeren over de
bijsturing van de privacyverklaring aangaande de voorwaarde tot verstrekking van identiteitsbewijs in
het kader van de uitoefening van rechten, dit via het e-mailadres [email protected]; en
- bij gebrek aan de tijdige uitvoering van het hierboven gestelde door de verwerkingsverantwoordelijke,
de zaak ambtshalve ten gronde te behandelen overeenkomstig artikelen 98 e.v. WOG.
4
In verband met de buitengewone omstandigheden ingevolge COVID-19 wordt de mogelijkheid van afhalen bij het secretariaat van de
Geschillenkamer NIET geboden. Bovendien vindt alle communicatie in beginsel elektronisch plaats.
Beslissing 145/2022 - 6/6
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving
tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel
1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 5. Het verzoekschrift op
tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel
1034quinquies van het Ger.W.6, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van
het Ger.W.).
(get). Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer
5
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
6
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de
griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.