1/10
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 12/2025 van 22 januari 2025
Dossiernummer : DOS-2020-05957
Betreft : Vingerafdrukken voor elektronische identiteitskaart
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, voorzitter, alleenzetelend;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: Mevrouw X, hierna “de klager”
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”
Beslissing ten gronde 12/2025 — 2/10
I. Feiten en procedure
1. Op 12 januari 2021 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen verweerder, een gemeente.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de uitreiking van een nieuwe identiteitskaart waarbij de
verweerder vier vingerafdrukken zou nemen van elke hand. Artikel 6, §2, 8° van de wet van
19 juli 19911 bepaalt echter dat één vingerafdruk van elke hand mag worden genomen. De
klager voert aan dat er geen transparante informatieverstrekking door de stad (…) werd
gegeven, nadat daarom werd verzocht na de afname van de vingerafdrukken, en ook geen
rechtsgrond kon worden gegeven voor het verplicht afstaan van vier vingerafdrukken per
hand. De klager verwijst hiervoor naar correspondentie met de verweerder per e-mail d.d. 17
december 2020 en 22 december 2020, zoals toegevoegd aan de klacht. De klager stelt dat
niet alleen meer vingerafdrukken werden genomen dan wettelijk toegelaten voor de
identiteitskaart, maar dat het ook mogelijk is dat de verweerder de overige vingerafdrukken
zal aanwenden voor andere doeleinden.
3. Op 19 januari 2021 meldt de klager aan de Eerstelijnsdienst dat bij het afhalen van de
elektronische identiteitskaart opnieuw acht vingers werden gescand om de identiteitskaart
te activeren. Dit leidt er volgens de klager toe dat de bewering door de verweerder dat de
overige vingerafdrukken, behoudens de enige afdruk per hand die door de wet is
voorgeschreven, niet worden vernietigd.
4. Op 29 januari 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
5. Op 16 juni 2023 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG
dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken partijen per
aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2,
alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis
gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd
daarbij vastgelegd op 11 augustus 2023, deze voor de conclusie van repliek van de klager op
1
Art. 6, §2. De identiteitskaart en de vreemdelingenkaart bevatten naast de handtekening van de houder ook
persoonsgegevens die met het blote oog zichtbaar en elektronisch leesbaar zijn.
De elektronisch leesbare gegevens van persoonlijke aard betreffen :
[…]
8° het digitale beeld van de vingerafdrukken van de wijsvinger van de linker- en van de rechterhand van de houder of, in geval
van invaliditeit of ongeschiktheid, van een andere vinger van elke hand; de Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de voorwaarden en nadere regels voor het
nemen van het digitale beeld van de vingerafdrukken.
Beslissing ten gronde 12/2025 — 3/10
1 september 2023 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 22
september 2023.
6. Op 19 juni 2023 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG),
dewelke hem werd overgemaakt op 21 juni 2023.
7. Op 10 augustus 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
verweerder.
8. Ingevolge het uitblijven van een conclusie van antwoord vanwege de klager wordt door de
verweerder geen conclusie van repliek ingediend.
9. Op 26 november 2024 ontvangt de Geschillenkamer het verzoek van de verweerder tot
mededeling van de stand van zaken in dit dossier.
10. Voorafgaand aan de motivering wijst de Geschillenkamer erop dat de omlooptijd van deze
procedure (te) lang is geweest, mede ten gevolge van het grote aantal dossiers dat bij de
Geschillenkamer in behandeling is.
II. Motivering
a) Rechtmatigheid van de verwerking en transparantie (artikel 5.1 a) AVG juncto artikel
6 AVG, 12 en 13 AVG )
11. Voor wat betreft de toepasselijke regelgeving verwijst de verweerder naar het Koninklijk
besluit van 25 maart 2003 betreffende de identiteitskaarten, meer bepaald artikel 3, §52,
teneinde de verwerking van de vingerafdrukken te rechtvaardigen met het oog op het
uitreiken van de elektronische identiteitskaart.
12. De Geschillenkamer stelt vast dat het betreffende Koninklijk besluit werd genomen in
uitvoering van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de
identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, inzonderheid
artikel 6, §2, al. 3, waarin is opgenomen dat bij Koninklijk besluit de voorwaarden en nadere
regels voor het nemen van het digitale beeld van de vingerafdruk dienen te worden bepaald3.
2
Artikel 3, §5 Koninklijk besluit van 25 maart 2003:
[…]
De vingerafdrukken worden op initiatief van het gemeentebestuur door middel van ad hoc sensors gedigitaliseerd. Het digitale
beeld van deze afdrukken wordt via de diensten van het Rijksregister op beveiligde wijze doorgestuurd naar de producent van
de identiteitskaart om erin elektronisch te worden geïntegreerd.
[…]
Wanneer er geen vingerafdrukken kunnen worden genomen van de wijsvingers of van één ervan, omdat zij niet goed genoeg
zijn of wegens een handicap of een ziekte, worden er vingerafdrukken genomen van een andere vinger in volgende rangorde:
1) wijsvinger, 2) middelvinger, 3) ringvinger, 4) pink, 5) duim. Wanneer, in voorkomend geval, de vingerafdrukken van slechts
één enkele vinger onder de voornoemde vingers kunnen worden genomen, wordt een identiteitskaart of een
vreemdelingenkaart met enkel die vingerafdrukken uitgereikt. In elk geval, zal er per hand hoogstens één vingerafdruk
geregistreerd worden.
3
Artikel 6, §2 Wet van 19 juli 1991:
Beslissing ten gronde 12/2025 — 4/10
De verwerking van vingerafdrukken in de chip van de identiteitskaart ligt in lijn met de
Europese verordening 2019/1157 van 20 juni 2019 4 waardoor de lidstaten ingevolge artikel
3.5 van deze verordening ertoe worden verplicht om de vingerafdrukken te integreren in de
identiteitskaart5.
13. Hieruit volgt dat de Geschillenkamer van oordeel is dat de verweerder vingerafdrukken bij
de aanmaak van identiteitskaarten op rechtmatige wijze verwerkt in de zin van artikel 6.1 c)
AVG, aangezien er onmiskenbaar een wettelijke verplichting op de verweerder rust om
vingerafdrukken op te nemen in de identiteitskaarten. Bijgevolg is er geen inbreuk op artikel
5.1 a) AVG juncto artikel 6 AVG.
14. Het bestaan van een geldige rechtsgrond neemt echter niet weg dat ook de overige
bepalingen van de AVG dienen te worden nageleefd, waaronder het transparantiebeginsel
zoals opgenomen in artikel 5. 1. a) AVG juncto artikelen 12 en 13 AVG, aangezien in
voorliggend geval de verweerder de persoonsgegevens rechtstreeks van de klager heeft
verkregen. Met het oog op het verzekeren van een transparante gegevensverwerking dient
de verwerkingsverantwoordelijke, zijnde de verweerder, de betrokken klager reeds op het
ogenblik van de gegevensinzameling te informeren over de elementen vermeld in artikel 13
AVG6.
§ 2. De identiteitskaart en de vreemdelingenkaart bevatten naast de handtekening van de houder ook persoonsgegevens die
met het blote oog zichtbaar en elektronisch leesbaar zijn.
[…]
De elektronisch leesbare gegevens van persoonlijke aard betreffen:
[…]
8° het digitale beeld van de vingerafdrukken van de wijsvinger van de linker- en van de rechterhand van de houder of, in geval
van invaliditeit of ongeschiktheid, van een andere vinger van elke hand; de Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na
overleg in de Ministerraad na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de voorwaarden en nadere regels voor het
nemen van het digitale beeld van de vingerafdrukken;
4
Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de
beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en
hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen; Zie hiervoor: https://eur-lex.europa.eu/legal-
content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32019R1157
5
Artikel 3.
[…]
5. De identiteitskaart bevat een opslagmedium dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet en dat een gezichtsopname en
twee vingerafdrukbeelden van de houder van de kaart bevat, in een digitaal formaat. Voor het verzamelen van biometrische
gegevens passen de lidstaten de technische specificaties toe die zijn vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit C (2018) 7767 van de
Commissie
6
Artikel 13.1. AVG. Wanneer persoonsgegevens betreffende een betrokkene bij die persoon worden verzameld, verstrekt de
verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van de persoonsgegevens al de volgende informatie:
a) de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de
vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;
b) in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
c) de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, alsook de rechtsgrond voor de verwerking;
4.5.2016 L 119/40 Publicatieblad van de Europese Unie NL
d) de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6, lid
1, punt f), is gebaseerd; d) in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;
e) in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven aan
een derde land of een internationale organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit van de Commissie bestaat; of, in
Beslissing ten gronde 12/2025 — 5/10
15. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit blijkt dat de klager al dan niet de vereiste
informatie heeft verkregen op het ogenblik dat de vingerafdrukken werden afgestaan
waardoor de procedure voor het aanmaken van de eID van start zou kunnen gaan. De klager
legt enkel e-mail correspondentie voor tussen haar vader en de verweerder waarin haar vader
de verweerder na de feiten verzoekt om toelichting omtrent doeleinden en rechtsgrond met
betrekking tot de verwerking van vingerafdrukken door de verweerder. De klager brengt ook
geen stukken bij waaruit blijkt dat zij zelf om de betreffende informatie verzocht in haar
hoedanigheid van betrokkene in de zin van artikel 4.1 AVG juncto artikel 15.1 AVG. De klager
heeft immers de leeftijd van 18 jaar bereikt op het ogenblik van de feiten en beschikt dan als
meerderjarige zelf over het recht om de betreffende informatie op te vragen op grond van
artikel 15.1 AVG7. Uit het dossier blijkt echter niet dat de klager zelf de verweerder heeft
verzocht om informatie omtrent de persoonsgegevens die op haar betrekking hebben.
het geval van in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de passende of geschikte
waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd.
2. Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van de
persoonsgegevens de volgende aanvullende informatie om een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen:
a) de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria ter
bepaling van die termijn;
b) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of wissing
van de persoonsgegevens of beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen de verwerking bezwaar
te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid;
c) wanneer de verwerking op artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het recht heeft de
toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de
toestemming vóór de intrekking daarvan;
d) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
e) of de verstrekking van persoonsgegevens een wettelijke of contractuele verplichting is dan wel een noodzakelijke
voorwaarde om een overeenkomst te sluiten, en of de betrokkene verplicht is de persoonsgegevens te verstrekken en wat de
mogelijke gevolgen zijn wanneer deze gegevens niet worden verstrekt;
f) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en,
ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van
die verwerking voor de betrokkene.
3. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens verder te verwerken voor een ander doel
dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene vóór die
verdere verwerking informatie over dat andere doel en alle relevante verdere informatie als bedoeld in lid 2.
4. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer en voor zover de betrokkene reeds over de informatie beschikt.
7
Artikel 15.1. AVG
De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken
van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en
van de volgende informatie [eigen onderlijning]:
a) de verwerkingsdoeleinden;
b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name
ontvangers in derde landen of internationale organisaties;
d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien
dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden
gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht
tegen die verwerking bezwaar te maken;
f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die
gegevens;
Beslissing ten gronde 12/2025 — 6/10
16. Hoewel de klager niet concreet ingaat op welke informatie zij al dan niet heeft verkregen bij de
afname van de vingerafdrukken, brengt de Geschillenkamer niettemin in herinnering dat de
verweerder aan de betrokkene alle informatie overeenkomstig artikel 13 AVG dient te
verstrekken bij de eerste afname van de vingerafdrukken. Dit betekent dat de
verwerkingsverantwoordelijke actief stappen moet ondernemen om de informatie in kwestie
aan de betrokkene te bezorgen. Ingevolge artikel 12.1 AVG8 is schriftelijke
informatieverstrekking aan of communicatie met betrokkenen de standaardvorm. Indien
gebruik wordt gemaakt van schriftelijke elektronische middelen kan ook een gelaagde
privacyverklaring/mededeling worden gebruikt. In elk geval is het van belang erop te wijzen dat
de tot een betrokkene gerichte informatie in haar geheel beschikbaar dient te zijn op één
enkele plaats of in één enkel (papieren of digitaal) document, waartoe de betrokkene
gemakkelijk toegang heeft indien hij of zij de voor hem of haar bestemde informatie in haar
geheel wil raadplegen9.
17. De Geschillenkamer benadrukt dat op de verweerder niet alleen de verplichting rust om de
informatie te verstrekken waaromtrent de betrokkene verzoekt bij de uitoefening van diens
recht van inzage (artikel 15 AVG), hetwelk betrekking heeft op persoonsgegevens die reeds
door de verwerkingsverantwoordelijke worden verwerkt. De verwerkingsverantwoordelijke
heeft daarnaast ook de verplichting om reeds bij de verkrijging van de persoonsgegevens van
de betrokkene – dus reeds van bij aanvang – de informatie te verstrekken overeenkomstig
artikel 13 AVG in geval van verzameling van de persoonsgegevens bij de betrokkene zelf. Een
degelijke informatieverstrekking in de zin van artikel 13 AVG voorkomt onduidelijkheid in
hoofde van de betrokkene en anticipeert op vragen tot verheldering vanwege de betrokkene.
b) Beginsel van doelbinding (artikel 5.1 b) AVG) en minimale gegevensverwerking
(artikel 5.1 c) AVG)
18. De klager voert aan te vrezen dat bij het nemen van een afdruk van meerdere vingers van elke
hand, de afdrukken voor andere doeleinden zullen worden gebruikt door de verweerder.
19. De verweerder ontkent dat de genomen vingerafdrukken op ook maar enigerlei wijze voor enig
ander doeleinde worden aangewend dan enkel en alleen de integratie van één enkele
vingerafdruk per hand op de RFID-chip van de identiteitskaart. De verweerder licht toe dat bij
h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en,
ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van
die verwerking voor de betrokkene.
8
Artikel 12.1 AVG. De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13
en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de
verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal
ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met
andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom
verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere
middelen bewezen is.
9
Zie in dit verband ook de Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, inzonderheid
randnrs 17, 35 -38, te raadplegen op https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/622227
Beslissing ten gronde 12/2025 — 7/10
de aanvraagprocedure van een eID de standaardwerkwijze wordt gevolgd die de Federale
Overheidsdienst Binnenlandse Zaken aanbeveelt 10. Er worden daarbij standaard acht vingers
gescand teneinde na te gaan welke vinger per hand de beste kwaliteit van vingerafdruk heeft.
Van deze vingerafdrukken wordt telkens maximum één vingerafdruk, deze met de beste
kwaliteit, per hand opgeslagen. De vingerafdruk met de beste kwaliteit wordt automatisch
gedetecteerd door het computerprogramma. Bij het afronden van de aanvraag van een eID
worden telkens slechts twee afdrukken – één per hand – opgeslagen. De overige afdrukken
worden niet meer bewaard. De twee opgeslagen vingerafdrukken worden, zoals wettelijk
bepaald, gebruikt om op de chip van de eID te plaatsen. Zodra deze twee vingerafdrukken op
de chip zijn geplaatst, worden ook deze afdrukken vernietigd in het tijdelijke en beveiligde
opslagsysteem dat nodig is om beide vingerafdrukken op de chip te kunnen plaatsen.
20. Voor wat betreft de tijdelijke bewaring verwijst de verweerder naar artikel 3, §5, al. 2 van het
voormelde Koninklijk besluit van 25 maart 2003 11 waarin is bepaald dat de vingerafdrukken op
initiatief van het gemeentebestuur worden gedigitaliseerd door middel van ad hoc sensors. Het
digitale beeld van deze afdrukken wordt via de diensten van het Rijksregister op beveiligde
wijze doorgestuurd naar de producent van de identiteitskaart om erin elektronisch te worden
geïntegreerd. De verweerder benadrukt dat de procedure zoals beschreven op de website van
de FOD Binnenlandse Zaken wordt gevolgd. Dit betekent dat na registratie van de
vingerafdrukken, deze maximaal drie maanden worden bijgehouden voor de productie van de
kaart. Die periode is nodig om ervoor te zorgen dat de kaartproducent de juiste gegevens op
de chip kan plaatsen. Zo wordt ook vermeden dat de vingerafdrukken opnieuw moeten worden
geregistreerd bij een eventueel technisch defect. Uiterlijk drie maanden na de registratie van
de vingerafdrukken worden deze uit het systeem verwijderd en bevindt zich enkel nog op de
chip van de eID één vingerafdruk per hand.
21. Zodra de kaart wordt geactiveerd, wordt opnieuw gevraagd om vingerafdrukken af te staan.
Die afdrukken worden dan vergeleken met de afdrukken op de chip van de nieuwe eID om te
voorkomen dat iemand anders de eID afhaalt in de plaats van diegene aan wie de kaart
toebehoort. Vermits de gemeente waar de eID wordt afgehaald, in dit geval de verweerder, zelf
niet weet welke vingerafdruk de beste kwaliteit heeft en wordt bewaard op de chip, worden
opnieuw acht vingerafdrukken genomen bij het afhalen van de eID. De toepassing selecteert
uit de pas genomen vingerafdrukken de afdrukken van de vingers die zich in de RFID-chip
bevinden, zodanig dat de net genomen afdruk kan worden vergeleken met deze opgenomen in
de chip.
10
https://www.vernieuwde-eid.be/
11
Artikel 3, §5, al. 2 van het Koninklijk besluit betreffende de identiteitskaarten:
De vingerafdrukken worden op initiatief van het gemeentebestuur door middel van ad hoc sensors gedigitaliseerd. Het digitale
beeld van deze afdrukken wordt via de diensten van het Rijksregister op beveiligde wijze doorgestuurd naar de producent van
de identiteitskaart om erin elektronisch te worden geïntegreerd.
Beslissing ten gronde 12/2025 — 8/10
22. De Geschillenkamer komt tot het besluit dat er geen enkele gegronde reden, noch enige
indicatie is om op basis van de elementen van het dossier aan te nemen dat de afgenomen
vingerafdrukken worden aangewend voor een ander doeleinde dan de aanmaak van een eID,
zodanig dat er geen inbreuk op artikel 5.1 b) AVG kan worden vastgesteld.
23. Bovendien blijkt dat hoewel er meerdere vingerafdrukken per hand worden verwerkt, deze
werkwijze is ingegeven vanuit de overweging dat wettelijk is voorgeschreven dat de
vingerafdruk van de beste kwaliteit in de chip dient te worden geïntegreerd (artikel 3, §5, al. 5
van het KB van 25 maart 200312) waardoor wordt verantwoord dat een afdruk van meerdere
vingers per hand dient te worden genomen met het oog op selectie van de beste en slechts één
enkele vingerafdruk per hand, weliswaar met respect voor de rangorde zoals bepaald in artikel
3, §5, al. 5 van voormeld Koninklijk besluit van 25 maart 2003.
24. Essentieel hierbij is de tijdelijke opslag van de vingerafdrukken in het bestand van de
kaartproducent voor een periode van maximum drie maanden. Dit is in overeenstemming met
artikel 6, §2, al. 5 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de
identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten 13 waarin is bepaald dat
het digitale beeld van de vingerafdrukken enkel mag worden bewaard gedurende de tijd die
nodig is voor het aanmaken en afgeven van de identiteitskaart en in elk geval niet langer dan
drie maanden, waarna deze in elk geval moet worden vernietigd. Door deze strikt opgelegde,
korte termijn wordt verzekerd dat de vingerafdrukken niet langer worden bewaard dan nodig.
De beperkte bewaartermijn draagt bij tot de minimale gegevensverwerking doordat na de
selectie van de beste vingerafdruk per hand de overige vingerafdrukken worden verwijderd en
vervolgens na de afhaling van de eID door de betrokkene ook de vingerafdrukken die werden
opgenomen in de RFID-chip van de Eid worden verwijderd uit het bestand van de
kaartproducent.
25. De verweerder toont aan dat de afname van meerdere vingerafdrukken een louter technische
modaliteit is die de verweerder in staat stelt om op efficiënte wijze de eID door de
kaartproducent te laten aanmaken binnen een redelijk kort tijdsbestek met de nodige
beveiligingswaarborgen met vernietiging van alle vingerafdrukken na de wettelijk bepaalde
periode van drie maanden.
12
Artikel 3, §5, al. 5 Koninklijk besluit van 25 maart 2003 betreffende de identiteitskaarten:
Wanneer er geen vingerafdrukken kunnen worden genomen van de wijsvingers of van één ervan, omdat zij niet goed genoeg
zijn of wegens een handicap of een ziekte, worden er vingerafdrukken genomen van een andere vinger in volgende rangorde:
1) wijsvinger, 2) middelvinger, 3) ringvinger, 4) pink, 5) duim. Wanneer, in voorkomend geval, de vingerafdrukken van slechts
één enkele vinger onder de voornoemde vingers kunnen worden genomen, wordt een identiteitskaart of een
vreemdelingenkaart met enkel die vingerafdrukken uitgereikt. In elk geval, zal er per hand hoogstens één vingerafdruk
geregistreerd worden.
13
Artikel 6, §2, al. 5 van de Wet van 19 juli 1991:
De informatie als bedoeld in het derde lid, 8°, mag enkel worden bewaard gedurende de tijd die nodig is voor het aanmaken en
afgeven van de identiteitskaart en in elk geval niet langer dan drie maanden, met dien verstande dat na die periode van drie
maanden de gegevens hoe dan ook moeten worden vernietigd en verwijderd.
Beslissing ten gronde 12/2025 — 9/10
26. De vingerafdrukken die opgeslagen zijn in de RFID-chip, zijn immers beschermd door hetzelfde
veiligheidsmechanisme als datgene dat gebruikt wordt voor de paspoorten en voor de
verblijfstitels van onderdanen van derde landen 14. Dit veiligheidsmechanisme wordt opgelegd
door de EU-norm betreffende de reisdocumenten 15 en bestaat erin enkel toegang te verlenen
tot de vingerafdrukken aan de gemachtigde lezers via elektronische certificaten. De
Geschillenkamer stelt hierbij ook vast dat de verweerder verwijst naar de overeenkomst die in
dat verband werd afgesloten tussen de verweerder en de Belgische staat 16. Alsook bepaalt
artikel 6, §2, al. 6 van de Wet van 19 juli 1991 uitdrukkelijk en op limitatieve wijze wie toegang
heeft tot de vingerafdrukken op de RFID-chip17.
27. De garantie die wordt geboden, namelijk dat deze bewaring van de vingerafdrukken tijdelijk is
met het oog op selectie van de beste afdruk per hand, en dit voor een korte periode van
maximaal drie maanden, waarbij deze tijdelijke opslag op een beveiligde wijze gebeurt enkel
met het oog op de productie van de eID, brengt de Geschillenkamer tot het besluit dat het
beginsel van minimale gegevensverwerking wordt gerespecteerd in het licht van het
nagestreefde doeleinde bestaande uit het aanmaken van de eID overeenkomstig de wettelijke
bepalingen van de wet van, inzonderheid artikel 6, §2 van de wet van 19 juli 199118 waarin de
informatie is bepaald die dient te worden opgenomen in de eID, met inbegrip van de
vingerafdrukken als elektronisch leesbaar persoonsgegeven. Dit leidt ertoe dat de
Geschillenkamer van oordeel is dat er geen inbreuk op artikel 5.1 c) AVG is gepleegd.
14
https://www.ibz.rrn.fgov.be/nl/identiteitsdocumenten/eid/eid-en-gdpr/
15
Verordening (EG) Nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken
van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten
16
Stuk 4 bij de conclusie van de verweerder: “Overeenkomst tussen de Belgische Staat en de Y betreffende de afgifte van
biometrische verblijfstitels aan onderdanen van derde landen en van biometrische paspoorten aan Belgische burgers”
17
Artikel 6, §2, al. 5 van de Wet van 19 juli 1991:
Zijn ertoe gemachtigd de informatie als bedoeld in het derde lid, 8°, te lezen:
- het gemeentepersoneel dat belast is met de afgifte van de identiteitskaarten;
- de politiediensten, voor zover zulks noodzakelijk is voor het vervullen van hun wettelijke opdrachten van bestuurlijke en
gerechtelijke politie in het raam van de fraudebestrijding, meer bepaald de bestrijding van mensenhandel en -smokkel,
oplichting en misbruik van vertrouwen, witwaspraktijken, terrorisme, valsheid en gebruik van valse stukken, aanmatiging van
naam en gebruik van een valse naam, schendingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het
grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, alsook belemmering van opdrachten van
bestuurlijke politie;
- het personeel dat belast is met de grenscontrole, zowel in België als in het buitenland;
- de personeelsleden van de Dienst Vreemdelingenzaken, voor zover zulks noodzakelijk is in het raam van de opsporing en
vaststelling van inbreuken op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de
vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en op de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse
werknemers;
- de personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en het daartoe door de ambassadeur of de consul
persoonlijk gemachtigd diplomatiek en consulair personeel, voor zover zulks noodzakelijk is in het raam van de
fraudebestrijding;
- de onderneming die belast is met de productie van de identiteitskaarten, alsook de personen binnen die onderneming die
daartoe een strikt omschreven machtiging hebben, uitsluitend met het oog op het produceren en afgeven van de
identiteitskaarten.
18
Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de
verblijfsdocumenten