1/21
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 12/2023 van 16 februari 2023
Dossiernummer : DOS-2020-05658
Betreft: klacht met betrekking tot de doorgifte van brieven met persoonsgegevens
door de Dienst Rekwesten en Sociale Zaken van het Kabinet van de Koning aan de
regering van de Duitstalige Gemeenschap
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Yves Poullet et en Christophe Boeraeve, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn
95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG";
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna "WOG";
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15
januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
de klager: X, hierna "de klager";
de verweerder: Dienst Rekwesten en Sociale Zaken van het Kabinet van de Koning,
Koninklijk Paleis, Brederodestraat 16, 1000 Brussel, vertegenwoordigd
door Mr. F. Keuleneer, wiens kantoor is gevestigd Verenigingstraat 28,
1000 Brussel, hierna: "de verweerder".
Beslissing ten gronde 12/2023 – 2/21
I. Feiten en procedure
1. Op 19 november 2020 diende de klager een klacht in tegen de verweerder bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Deze klacht werd in het Duits ingediend.
2. Het voorwerp van de klacht, zoals vermeld op het aan de GBA voorgelegde
klachtenformulier, betreft drie door de klager aan de Koning verzonden brieven
(respectievelijk van 5 februari 2018, 13 september 2018 en 5 juli 2019) met daarin met name
persoonsgegevens. Deze brieven hebben tot doel de steun van de Koning te vragen in het
kader van het geschil tussen de klager (en zijn moeder, mevrouw Z) en het Agentschap (..)
(...), alsmede de Regering van de Duitstalige Gemeenschap. De klager licht hierin het geschil
vanuit zijn standpunt toe en geeft aan dat de Regering geen gevolg heeft gegeven aan een
verzoek om informatie van hem, noch een beslissing van de Raad van State van 14 april 2016.
De aan de Koning gerichte brieven zijn door de Dienst Rekwesten en Sociale Zaken van het
Kabinet van de Koning naar de Regering van de Duitstalige Gemeenschap doorgegeven,
hetgeen het voorwerp van deze zaak uitmaakt. Tijdens de procedure voor de
Geschillenkamer121 is overeengekomen om de eerste twee door de klager aan de
verweerder verzonden brieven (zie punt 21) uit de debatten te weren en enkel de derde,
gedateerd 5 juli 2019, te behouden.
3. De klager wijst in het klachtenformulier op het feit dat deze verwerkingen zonder
rechtmatigheidsgrond hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding van een e-mail van de
Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA waarin de klager ervan in kennis werd gesteld dat het vak
voor de beschrijving van de verwerking in het ontvangen klachtenformulier onvolledig was,
stuurde de klager op 7 december 2020 een e-mail waarin hij zijn grieven nader toelichtte. Hij
wijst er tevens op dat de verweerder geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om
uitoefening van zijn recht van inzage (artikel 15 van de AVG), en dat hij niet heeft geantwoord
op zijn vraag wat er is gebeurd met de aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap
doorgegeven persoonsgegevens. De klager verwijt de verweerder ook dat hij hem geen
informatie heeft gegeven over zijn rechten in de zin van de AVG. Hij voegt eraan toe dat de
verweerder zijn beroepsgeheim, waartoe de administratie verplicht is, heeft geschonden.
4. Op 28 oktober 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op
grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG, en wordt de klacht op grond van artikel 62, §1
van de WOG aan de Geschillenkamer overgemaakt.
5. Op 11 juli 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, §1, 1°, en artikel 98 van de
WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
1
Punt "C.24", conclusie van de klager, en zo bevestigd tijdens de hoorzitting.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 3/21
6. Op 11 juli 2022 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld
van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, en in artikel 98 van de WOG. Tevens
worden zij op grond van artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun
conclusies in te dienen.
Voor de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht werd de uiterste
datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder vastgelegd op 5
september 2022, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 26 september 2022
en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 17 oktober 2022.
7. Op 27 juli 2022 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3°, WOG), welke
hem op 1 augustus 2022 wordt bezorgd.
8. Op 27 juli 2022 geeft de klager aan dat in het geval hij in de procedure voor de
Geschillenkamer zou worden benadeeld, met name indien de verweerder een beroep zou
doen op een advocaat, hij gezien de kosten die een vertegenwoordiging door een raadsman
voor hem met zich zouden brengen, zou overwegen zijn klacht in te trekken.
9. Op 28 juli 2022 geeft de klager opnieuw zijn frustratie te kennen en zijn bezwaar tegen het
feit dat de verweerder vertegenwoordigd wordt door een advocaat, en geeft hij aan dat hij
zich in zijn rechten geschaad voelt voor zover hij zich niet laat vertegenwoordigen door een
advocaat.
10. Op 29 juli 2022 antwoordt de Geschillenkamer de klager dat hij niet verplicht is juridische
conclusies in te dienen of met juridische argumenten te antwoorden op de conclusies van
de verweerder en dat het hem vrij staat zijn standpunt in een eenvoudige brief uiteen te
zetten. Zij herinnert er tevens aan dat hij om een hoorzitting kan verzoeken om zijn
standpunt uiteen te zetten of belangrijke aspecten te benadrukken, nadat de termijn voor
het indienen van de conclusies is verstreken, en dat de Geschillenkamer een onpartijdig
orgaan is waarvan het de taak is ervoor te zorgen dat de AVG en de rechten van de
betrokkenen worden geëerbiedigd.
11. Op 17 oktober 2022 verklaart de verweerder dat hij van plan is gebruik te maken van de
mogelijkheid te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG.
12. Op 5 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de
verweerder.
13. Op 23 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek (in het Duits)
van de klager.
14. Op 17 oktober 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de
verweerder. In deze conclusie wordt de eerste ingediende conclusie volledig herhaald
Beslissing ten gronde 12/2023 – 4/21
zonder wezenlijke aanvullingen, en wordt geconcludeerd dat er van zijn kant geen sprake is
van enige schending van de AVG.
15. Op 7 december worden de partijen in kennis gesteld van het feit dat de hoorzitting op 25
januari 2023 zal plaatsvinden.
16. De partijen worden in de uitnodigingsbrief voor de hoorzitting geïnformeerd dat
overeenkomstig het door de Geschillenkamer toegepaste taalbeleid de procedure in het
Frans zal verlopen. De klager mag zich echter in het Duits uitdrukken en de beslissing zal hem
in het Duits worden meegedeeld. De verweerder wordt de mogelijkheid geboden binnen 14
dagen een gemotiveerd bezwaar tegen het gebruik van deze taal door de klager in te dienen,
van welke mogelijkheid hij geen gebruik heeft gemaakt. De Geschillenkamer heeft de klager
overigens herhaaldelijk voorgesteld om zich tijdens de hoorzitting te laten bijstaan door een
tolk, zonder hierop een reactie van de klager te krijgen.
17. Op 25 januari 2023 worden de partijen door de Geschillenkamer gehoord.
18. Op 9 februari 2023 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen
toegezonden.
19. Op 10 februari 2023 ontvangt de Geschillenkamer opmerkingen van de klager over het
proces-verbaal. Zij ontvangt geen opmerkingen van de verweerder.
II. Motivering
20. Zoals hierboven vermeld, betreft het voorwerp van de klacht drie brieven met
persoonsgegevens (respectievelijk van 20 februari 2018, 13 september 2018 en 5 juli 2019)
die door de klager aan de Koning werden verzonden om zijn hulp te vragen in een geschil
tussen hem en het Agentschap (...) (...), alsmede de Regering van de Duitstalige
Gemeenschap van België. De klager verwijt de Koning en zijn kabinet deze brieven aan de
Regering van de Duitstalige Gemeenschap te hebben doorgegeven, hetgeen het voorwerp
van deze zaak uitmaakt.
21. Tijdens de procedure voor de Geschillenkamer is overeengekomen om de eerste twee door
de klager aan de verweerder verzonden brieven uit de debatten te weren en enkel de derde
brief, gedateerd 5 juli 2019, te behouden2. De verwerkingen die de doorgiften van de brieven
van 20 februari 2018 en 13 september 2018 door de verweerder aan de Regering van de
2
Punt "C.24", conclusie van de klager (de klager verklaart dat hij zijn klacht wil beperken tot de brief van 5 juli 2019 die door
het Kabinet van de Koning aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap is doorgegeven, en de bevestiging dat de twee
eerste brieven (van 20 februari 2018 en 13 september 2018) enkel dienen om zijn brief van 5 juli 2019 te bevestigen. Dit
werd ook tijdens de hoorzitting bevestigd.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 5/21
Duitstalige Gemeenschap vormen, zijn dus uitgesloten van het voorwerp van de
onderhavige zaak.
22. Zoals hierboven vermeld, wijst de klager in zijn klachtenformulier (en de e-mail van 6
december 2020 waarin hij de delen van de tekst die door een technische fout niet in zijn
klachtenformulier waren weergegeven, met de ELD deelde) erop dat deze verwerkingen
hebben plaatsgevonden zonder rechtmatigheidsgrond, dat de verweerder geen gevolg
heeft gegeven aan zijn verzoek tot uitoefening van zijn recht van inzage, dat hij niet heeft
geantwoord op zijn vraag wat er is gebeurd met de persoonsgegevens die aan de Regering
van de Duitstalige Gemeenschap zijn doorgegeven en dat hij hem geen informatie heeft
gegeven over zijn rechten in de zin van de AVG. Hij voegt eraan toe dat de verweerder zijn
beroepsgeheim, waartoe de administratie verplicht is, heeft geschonden.
23. In de conclusie van antwoord van 5 september 2022, voert de verweerder aan dat het
Kabinet van de Koning en zijn leden immuniteit van strafrechtelijke en administratieve
jurisdictie genieten. De verweerder onderstreept ook dat de klager niet aangeeft om welke
persoonsgegevens het gaat en welke verwerkingen het betreft. De verweerder concludeert
dat er van zijn kant geen sprake is van enige schending van de AVG.
24. In de conclusie van repliek van de klager van 23 september 2022 reageert de klager letterlijk
op de verschillende paragrafen van de conclusie van de verweerder, en geeft hij opnieuw de
in zijn klacht aangevoerde argumenten. De Geschillenkamer handhaaft als opvallendste
argumenten in de door de klager ingediende tekst, zijn kritiek op de "grondwettelijke
gewoonte" als normatieve grondslag voor het statuut en zijn verwerping in casu van de
vermeende immuniteit van het Kabinet van de Koning en zijn leden voor strafrechtelijke en
administratieve jurisdictie. De Geschillenkamer neemt bovendien in overweging dat het
argument van de verweerder over de vermeende afwezigheid van persoonsgegevens in de
brieven, die het voorwerp van het geschil uitmaken, wordt betwist, en zij herinnert eraan dat
de klager niet verplicht is de betrokken persoonsgegevens te identificeren.
Laatstgenoemde benadrukt dat het aan de verweerder is, als verwerkingsveranwoordelijke,
om aan te tonen dat hij voldoet aan de vereisten van de AVG.
II.1. Wat betreft de rechtmatigheid van de verwerking
25. Zoals hierboven aangegeven, hoewel de klager in zijn klachtenformulier (en e-mail met uitleg
aan de ELD van 6 december 2020) melding maakt van de doorgifte van de drie
bovengenoemde brieven (respectievelijk van 20 februari 2018, 13 september 2018 en 5 juli
2020) als voorwerp van zijn klacht, beperkt hij de klacht vervolgens in zijn conclusie van 23
Beslissing ten gronde 12/2023 – 6/21
september 20223 tot enkel de doorgifte van de brief van 5 juli 2020. Zoals hierboven is
opgemerkt (punt 21), zijn de verwerkingen die de doorgiften van de brieven van 20 februari
2018 en van 13 september 2018 door de verweerder aan de Regering van de Duitstalige
Gemeenschap vormen, dus uitgesloten van de onderhavige zaak. De klager wijst erop dat de
brief van 5 juli 2020 door het kabinet van de Koning, meer bepaald door mevrouw V, is
doorgegeven zonder zijn voorafgaande toestemming.
26. De Geschillenkamer herinnert eraan dat elke verwerking van gegevens rechtmatig moet zijn
(artikel 5, lid 1, van de AVG). Artikel 6, lid 1, van de AVG somt de verschillende
rechtmatigheidsgronden op, die niet berperkt zijn tot de toestemming van de betrokkene, in
tegenstelling tot wat de klager impliciet stelt (in zijn klachtenformulier en in zijn conclusie).
De Geschillenkamer benadrukt de afwezigheid van welke hiërarchie dan ook tussen de
verschillende rechtmatigheidsgronden van de AVG, en herinnert eraan dat in de relatie
tussen een overheidsdienst en een burger, toestemming niet a priori altijd een passende
grondslag is.
27. In haar brief van 11 juli 2022 waarin de partijen werden uitgenodigd hun conclusies uit te
wisselen, vroeg de Geschillenkamer de partijen zich over verschillende punten uit te
spreken, waaronder de artikelen 5, lid 1, en 6 (met name artikel 6, lid 1, punt e)) van de AVG.
Noch de verweerder, noch de klager hebben overwegingen hierover in hun conclusie
opgenomen. De verweerder concludeert enkel dat van zijn kant geen inbreuk is gepleegd
op artikel 5, lid 1, punten a) en c), en artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG.
28. In deze omstandigheden onderzoekt de Geschillenkamer of, bij gebrek aan toestemming
van de klager voor de verwerking (de doorgifte van zijn brief aan de Koning van 5 juli 2019),
een andere rechtmatigheidsgrond in aanmerking kan worden genomen. Voor zover de
verwerking in kwestie door het Kabinet van de Koning is uitgevoerd naar aanleiding van een
verzoek om sociale hulp van de klager aan de Koning, is het duidelijk dat de verwerking heeft
plaatsgevonden in het kader van de uitoefening van zijn functie van openbaar gezag, en
moet worden onderzocht of de rechtmatigheidsgrond van artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG,
een toereikende rechtmatigheidsgrond voor de verwerking vormt.
29. De Belgische wetgever heeft lid 2 van artikel 6 van de AVG niet toegepast, dat voorziet in de
mogelijkheid tot "specifiekere bepalingen (...)ter aanpassing van de manier waarop de regels
van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid
1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van
specifieke voorschriften voor de verwerking (...)" 4.
3
Punt "C.24", conclusie van de klager.
4
Artikel 6, lid 2, van de AVG.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 7/21
30. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 6, lid 1, punt e), van de AVG bepaalt dat de
verwerkingsverantwoordelijke in staat moet zijn aan te tonen dat:
a) de verwerking geschiedt ter vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in
het kader van de uitoefening van het openbaar gezag; en
b) de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van de hierboven vermelde taak of de
uitoefening van het openbaar gezag.
31. In eerste instantie onderzoekt de Geschillenkamer of de verwerking geschiedt ter vervulling
van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het
openbaar gezag.5
32. Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van de AVG, gelezen in het licht van overweging 41 van de
AVG, moet de verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de vervulling van
een wettelijke verplichting en/of voor de vervulling van een taak van algemeen belang of
voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan een verwerkingsverantwoordelijke is
verleend, worden geregeld door duidelijke en nauwkeurige regelgeving, waarvan de
toepassing voor de betrokkenen voorspelbaar moet zijn.
33. Artikel 6, lid 3, van de AVG bepaalt: “De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde
verwerking moet worden vastgesteld bij: a) Unierecht; of b) lidstatelijk recht dat op de
verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die
rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking
noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening
van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend”.
34. Overweging 41 van de AVG preciseert in dit verband: "Wanneer in deze verordening naar
een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet
noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is,
onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in
kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig
zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van
toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese
Unie (“Hof van Justitie”) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”. Bovendien is
het volgens artikel 22 van de Belgische Grondwet noodzakelijk dat de "essentiële
elementen" van de gegevensverwerking door middel van een formele wettelijke norm (wet,
decreet of ordonnantie) worden vastgesteld.
35. In het onderhavige geval is de verwerking gebaseerd op het specifieke kader van de rol die
de Grondwet aan de Koning der Belgen toekent. De rol van de Koning blijkt uit de Belgische
5
Zie beslissing nr. 48/2022 van de Geschillenkamer, punten 91 e.v.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 8/21
Grondwet en is met name verankerd in afdeling III van de Grondwet. De Koning wordt in zijn
taken bijgestaan door de leden van zijn kabinet.
36. Een verslag van een commissie uit 1949 om een met redenen omkleed advies uit te brengen
over de toepassing van de grondwettelijke beginselen betreffende de uitoefening van de
prerogatieven van de Koning en over de verhoudingen van de grote grondwettelijke
machten onderling, vermeldt in verband met het Kabinet van de Koning: "In de uitoefening
van de machten welke hem door de Grondwet toegekend worden, heeft de Koning niet
alleen het recht maar tevens de plicht zich een persoonlijke opvatting te vormen over de
zaken die hem voorgelegd worden. Te dien einde moet de Koning ingelicht en voorgelicht
worden. Indien zulks slechts geschiedde door de bemiddeling van zijn ministers, die zijn
enige verantwoordelijke raadgevers zijn, maar die schier altijd een fractie van de politieke
opvatting vertegenwoordigen, zou de koninklijke functie het gevaar lopen opgeslorpt te
worden door de ministeriële functie en zou de Koning slechts moeilijk zijn hoge zending van
verzoener der partijen kunnen volbrengen. Daarom moet de Koning het advies kunnen
inwinnen van private medewerkers die in de politieke strijd niet betrokken zijn.”6
37. De Dienst Rekwesten en Sociale Zaken van het Kabinet van de Koning, de dienst die de brief
van de klager heeft doorgegeven, heeft met name als taak het behandelen van "de
verzoeken om sociale hulp die aan de Koning, aan de Koningin en aan de andere leden van
de Koninklijke Familie gericht zijn".7
38. Voor zover de klager een verzoek om hulp aan de Koning heeft gestuurd, kan worden
geconcludeerd dat de klager (evenals andere burgers die dezelfde stap zetten) op de hoogte
was van de mogelijkheid voor de Koning, wiens beperkte bevoegdheden op de Grondwet
gebaseerd zijn, om tussenbeide te komen in het kader van verzoeken om hulp van burgers.
De Geschillenkamer is van mening dat het voor de klager voorspelbaar was dat het Kabinet
van de Koning, na ontvangst van de brieven, zijn persoonsgegevens aan de Regering van de
Duitstalige Gemeenschap kon meedelen om te proberen het geschil op te lossen en de
klager te helpen. Dit geldt in ieder geval voor de derde brief die de klager aan de Koning
stuurde, dat wil zeggen de brief van 5 juli 2019, waarover het geschil gaat. Het Kabinet van
de Koning heeft de klager immers inderdaad in kennis gesteld van de doorgifte van zijn twee
eerdere brieven aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, dat wil zeggen meer dan
een jaar vóór de doorgifte van de betreffende brief, zonder dat deze daarop had gereageerd
of er bezwaar tegen had gemaakt.
39. De Geschillenkamer heeft vervolgens de noodzakelijkheid van de verwerking onderzocht.
6
https://www.cairn.info/revue-courrier-hebdomadaire-du-crisp-1993-22-page-1.htm, punt 267.
7
https://www.monarchie.be/nl/monarchie/werking/kabinet-van-de-koning.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 9/21
40. Lid 3 van artikel 6 van de AVG bepaalt dat het doel van de verwerking die op grond van de
uitoefening van het openbaar gezag wordt verricht "noodzakelijk (is) voor de vervulling van
een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de
verwerkingsverantwoordelijke is verleend". Daarom moet worden onderzocht of de
doorgifte van de brief van de klager door het Kabinet van de Koning noodzakelijk was voor
de vervulling van zijn taak van algemeen belang.
41. In het arrest Huber8 heeft het HvJ-Eu zich over deze voorwaarde van noodzakelijkheid
uitgesproken. Het geeft aan:
"(...) Gelet op het doel, een gelijkwaardige bescherming te bieden in alle lidstaten, kan het
begrip noodzakelijkheid zoals dit naar voren komt uit artikel 7, sub e, van richtlijn 95/46, dat
een nauwkeurige afbakening wil geven voor een van de gevallen waarin de verwerking van
persoonsgegevens geoorloofd is, dus niet een inhoud hebben die verschilt van lidstaat tot
lidstaat. Het gaat bijgevolg om een autonoom begrip van het gemeenschapsrecht, dat moet
worden uitgelegd op een wijze die volledig beantwoordt aan het doel van de richtlijn zoals
omschreven in artikel 1, lid 1."
42. In zijn conclusie in deze zaak verklaart de advocaat-generaal in dat verband: "Het
noodzakelijkheidsbegrip heeft een lange geschiedenis in het gemeenschapsrecht en vormt
een vast onderdeel van het evenredigheidscriterium. Het houdt in dat de autoriteit die ter
bereiking van een legitiem doel een maatregel vaststelt die een door het
gemeenschapsrecht gewaarborgd recht aantast, moet aantonen dat deze maatregel de
minst beperkende is ter bereiking van dit doel. Wanneer bovendien de verwerking van
persoonsgegevens kan leiden tot een inbreuk op het grondrecht op eerbiediging van de
persoonlijke levenssfeer, moet tevens rekening worden gehouden met artikel 8 van het
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM), dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven waarborgt.
Zoals het Hof heeft verklaard in het arrest Österreichischer Rundfunk e.a., kan een nationale
regeling die niet strookt met artikel 8 EVRM, evenmin voldoen aan het in artikel 7, sub e, van
richtlijn 95/46 neergelegde vereiste. Artikel 8, lid 2, EVRM bepaalt dat inmenging in het
privéleven is toegestaan voor zover hiermee een van de hierin opgesomde doelstellingen
wordt nagestreefd en deze „in een democratische samenleving noodzakelijk is”. Volgens
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt het bijvoeglijk naamwoord
"noodzakelijk” in dat een "dwingende maatschappelijke behoefte” bestaat".9
43. Deze met betrekking tot artikel 7, punt e), van Richtlijn 95/46/EG uitgesproken rechtspraak
blijft vandaag de dag relevant, ook al is Richtlijn 95/46/EG ingetrokken, aangezien deze
8
HvJ-EU, Heinz Huber tegen Bundesrepublik Deutschland, 16 december 2008, C 524/06, punt 52.
9
Conclusie van de advocaat-generaal P. Maduro van 3 april 2008 in de zaak HvJ-EU, Heinz Huber tegen Bundesrepublik
Deutschland, 16 december 2008, C 524/06.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 10/21
noodzakelijkheidsvoorwaarde wordt gehandhaafd in artikel 6, lid 1, punten b) tot en met f),
van de AVG. Artikel 6, lid 1, van de AVG herneemt inderdaad de bewoordingen van artikel 7
van Richtlijn 95/46/EG, waarvan het de tegenhanger is. Zij is van toepassing op alle
rechtmatigheidsgronden van artikel 6, lid 1, van de AVG, die deze voorwaarde van
noodzakelijkheid handhaven.
44. Het Hof van Justitie heeft ook verduidelijkt dat indien er realistische en minder ingrijpende
alternatieven bestaan, de verwerking niet "noodzakelijk" is.10
45. De Groep Artikel 29 heeft ook verwezen naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de
Rechten van de Mens (EHRM) om de vereiste van noodzakelijkheid 11 vast te stellen en
concludeert dat het adjectief "noodzakelijk" niet dezelfde soepelheid heeft als de term
"toelaatbaar", "normaal", "nuttig", "redelijk" en "opportuun". 12
46. De noodzakelijkheid van de doorgifte van de brief door de verweerder aan de Regering van
de Duitstalige Gemeenschap moet in het licht van het voorgaande worden onderzocht. De
klager heeft zijn brief aan de Koning gestuurd om hem te vragen het geschil tussen hem en
de genoemde Regering, alsmede het (...), in zijn voordeel te helpen oplossen. De klager legt
in de brief uit dat de Regering slechts gedeeltelijk op zijn verzoek om informatie reageert. De
verweerder heeft deze brief doorgezonden om de aandacht van de medewerkers van de
Regering te vestigen op het geschil dat in de brief van de klager aan de orde was gesteld.
47. Was het voor de verweerder mogelijk geweest in te gaan op het aan de Koning gerichte
verzoek om sociale hulp met realistische en minder "ingrijpende" maatregelen dan het
doorgeven van de brief van de klager met daarin persoonsgegevens van hem?
48. De Geschillenkamer stelt bij het lezen van de brief van 5 juli 2019 vast dat deze zich beperkt
tot de uitleg van het geschil waarvoor de klager de hulp van de Koning heeft ingeroepen, en
dat deze brief de naam en voornaam, evenals het fysieke adres van de klager vermeldt. De
brief bevat dus geen persoonsgegevens die geen verband houden met de uitleg van het
geschil en dus overbodig zijn om het geschil te helpen oplossen waarvoor de klager de
Koning om hulp heeft gevraagd. Een maatregel zoals pseudonimisering van de gegevens
van de klager vóór de toezending van de brief aan de Regering van de Duitstalige
Gemeenschap zou bijgevolg geen realistisch of doeltreffend initiatief van de verweerder zijn
geweest om het geschil te kunnen oplossen.
49. De klager verwijt de verweerder ook zijn brief naar de Regering van de Duitstalige
Gemeenschap te hebben doorgezonden, in plaats van die Regering te contacteren en haar
erop te wijzen dat zij verplicht is gevolg te geven aan een verzoek om informatie. Hij legt uit
10
HvJ-EU, Volker und Markus Schecke GbR en Hartmut Eifert tegen Land Hessen, gevoegde zaken C-92/09 en C-93/09.
11
Groep Artikel 29, Advies 06/2014 van 9 april 2014 over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking
verantwoordelijke" in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, WP 217.
12
EHRM, 25 maart 1983, Silver e.a. tegen Verenigd Koninkrijk, punt 97.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 11/21
dat, indien de Regering niet zou reageren op de tussenkomst van de Koning, deze op die
manier een standpunt had kunnen innemen en de Regering aan haar plicht tot
informatieverstrekking had kunnen herinneren. Hij voegt eraan toe dat de verweerder de
medewerkers van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap individueel had kunnen
contacteren om hen aan die verplichting te herinneren.
50. Er is echter een tegenstrijdigheid tussen het verzoek van de klager om een effectieve
tussenkomst van de Koning, en een voorstel om de medewerkers van de betrokken
Regering te contacteren om hen te herinneren aan de voor de Regering geldende
verplichting om te voldoen aan een verzoek om informatie, waaraan zij reeds hebben
voldaan (zij het gedeeltelijk volgens de klager).
51. En zoals hierboven aangegeven, stelt de Geschillenkamer vast dat de klager in zijn brief
opmerkt dat de Regering van de Duitstalige Gemeenschap slechts gedeeltelijk op zijn
verzoek om informatie heeft geantwoord. In deze context is de Geschillenkamer van mening
dat de klager redelijkerwijs kon verwachten dat de verweerder de brief zou delen waarin het
geschil wordt uitgelegd en het ongelijk van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap in
de ogen van de klager wordt toegelicht, een actie van de verweerder om de aandacht van
de Regering op de situatie van de klager te vestigen.
52. De Geschillenkamer merkt bovendien op dat de klager in zijn brieven aan de Koning aangeeft
dat hij zich reeds vruchteloos tot de Ombudsman heeft gewend, van wie het juist de taak is
om individuele klachten over beslissingen en de werking van de administatie te
onderzoeken, het conflict te analyseren en oplossingen voor het geschil voor te stellen. Dit
wijst erop dat andere pogingen om het conflict op te lossen niet succesvol zijn geweest.
53. De Geschillenkamer is ook van mening dat van het Kabinet van de Koning redelijkerwijs niet
kan worden verwacht, dat het, in de specifieke context van de opvolging van een verzoek
om sociale hulp, nauwgezet de verschillende "realistische" en minst ingrijpende
actiemogelijkheden onderzoekt. Ook merkt de Geschillenkamer op dat de klager in het
onderhavige geval in zijn verschillende brieven aan de Koning geen enkele aanwijzing heeft
gegeven over de manier waarop hij wenste dat de Koning tussenbeide zou komen.
54. Zij wijst er bovendien op dat, zoals de verweerder 13 opmerkt, de klager niet heeft gereageerd
op twee brieven van de verweerder waarin hij in kennis werd gesteld van de doorgifte van
zijn twee eerste brieven aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap. De klager is dus
op de hoogte gebracht van de doorgifte van zijn brief van 20 februari 2018 aan de Regering
van de Duitstalige Gemeenschap in een brief van de verweerder van 8 maart 2018, en hij is
ook op de hoogte gebracht van de doorgifte van zijn brief van 13 september 2018 in een
brief van de verweerder van 28 september 2018, zonder reactie van zijn kant. De klager
13
Punt 27 van zijn conclusie en punt 29 van zijn syntheseconclusie.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 12/21
heeft pas op 6 augustus 2019 gereageerd, na de doorgifte van zijn derde brief aan de Koning
(d.d. 5 juli 2019), of bijna een jaar later, door de verweerder de doorgifte van de drie brieven
aan de Regering van de Duitstalige Gemeenschap te verwijten. Hoewel het aan de
verwerkingsverantwoordelijke is om aan te tonen dat hij in overeenstemming met de AVG
handelt (verantwoordingsbeginsel), en hoewel de genoemde brieven uit de procedure zijn
geweerd, merkt de Geschillenkamer toch op dat een proactieve houding van de klager,
namelijk reageren op de brieven waarin hij op de hoogte werd gebracht van de doorgifte van
zijn twee eerste brieven, het onderhavige geschil over de doorgifte van de derde brief van
de klager aan de koning (d.d. 5 juli 2019) had kunnen voorkomen.
55. Aangezien de persoonsgegevens in de door de verweerder doorgegeven brief strikt beperkt
zijn tot de uitleg van het geschil waarvoor de klager de hulp van de Koning heeft gevraagd,
en in het licht van het voorgaande, is de Geschillenkamer van mening dat de verwerking
ervan noodzakelijk is voor een efficiênte tussenkomst van de verweerder. De
Geschillenkamer ziet in casu geen "realistische en minder ingrijpende" maatregel die de
verweerder had kunnen nemen om de klager op efficiënte manier in zijn geschil bij te staan,
met name voor zover deze specifiek klaagt over het feit dat de Regering van de Duitstalige
Gemeenschap slechts gedeeltelijk is ingegaan op een verzoek om informatie van hem.
56. De verwerking door de verweerder voldoet derhalve aan de criteria in artikel 6, lid 1, punt e),
van de AVG. Aangezien de verweerder aldus een rechtmatigheidsgrond heeft voor de
verrichte verwerking, concludeert de Geschillenkamer dat er geen schending is van artikel
5, lid 1, punt a), en artikel 6, lid 1, van de AVG.
II.2. Wat betreft de uit hoofde van de artikelen 12 en 13 van de AVG te verstrekken
informatie
57. De klager verwijt de verweerder voorts dat hij hem niet heeft geïnformeerd over wat er "is
gebeurd met zijn persoonsgegevens 14" (vrije vertaling uit het Duits), noch over de
rechtmatigheidsgrond waarop hij zich baseerde voor de doorgifte van de betrokken brief,
noch over zijn rechten op grond van de AVG.15
58. Op grond van de artikelen 13 en 14 van de AVG moet elke persoon wiens persoonsgegevens
worden verwerkt, naargelang het feit of de gegevens rechtstreeks bij hem of bij derden
worden verzameld, op de hoogte worden gesteld van de in die artikelen genoemde
elementen (leden 1 en 2). Wanneer de gegevens rechtstreeks bij de betrokkene worden
14
Punt 4-B van de e-mail van de klager van 6/12/2020 waarin hij het klachtenformulier vervolledigt: „Dem Antragsteller
wurde das Recht verwehrt, zu erfahren, was mit seinen persönlichen Daten geschehen ist, auf welcher möglichen
rechtlichen Grundlage Informationen an ein Ministerium weitergeleistet wurden (…)“.
15
Punt 4-C van de e-mail van de klager van 6/12/2020 ter aanvulling van zijn klachtenformulier.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 13/21
verzameld, wordt deze op de hoogte gebracht van zowel de in lid 1 als lid 2 van artikel 13 van
de AVG genoemde elementen, met name:
a. de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in
voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor
gegevensbescherming;
b. de verwerkingsdoeleinden en de rechtsgrond voor de verwerking (indien de
verwerking is gebaseerd op het gerechtvaardigd belang van de
verwerkingsverantwoordelijke moet dit belang worden gepreciseerd);
c. de ontvangers of categorieën van ontvangers van de verwerking;
d. het voornemen van de verwerkingsverantwoordelijke om gegevens buiten de
Europese Economische Ruimte door te geven;
e. de vaststelling van de opslagperiode van de gegevens;
f. de rechten die de AVG hem toekent, met inbegrip van het recht om zijn
toestemming te allen tijde in te trekken, en het recht om een klacht in te dienen bij
de gegevensbeschermingsautoriteit (in casu de GBA);
g. informatie over de vraag of de verstrekking van persoonsgegevens een
regelgevend of contractuele verplichting is en wat de gevolgen zijn wanneer zij niet
worden verstrekt, en het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met
inbegrip van profilering, als bedoeld in artikel 22 van de AVG.
59. De Geschillenkamer wijst er ook op dat in het geval van rechtstreekse verzameling (artikel
13 van de AVG) niet in een uitzondering is voorzien.
60. In artikel 14, leden 1 en 2, worden soortgelijke elementen opgesomd, waarbij echter in
aanmerking moet worden genomen dat artikel 14 van de AVG verwijst naar gegevens die
niet rechtstreeks bij de betrokkene worden verzameld, maar bij derden.
61. Deze informatie moet op grond van artikel 13 of artikel 14 van de AVG aan de betrokkene
worden verstrekt op de wijze als bepaald in artikel 12 van de AVG.
62. In haar brief van 11 juli 2022 waarin de partijen werden uitgenodigd hun conclusies uit te
wisselen, vroeg de Geschillenkamer de partijen zich over verschillende punten uit te
spreken, waaronder de artikelen 12 en 13 van de AVG. In de conclusie van de verweerder
wordt hierover gezwegen en wordt enkel geconcludeerd dat er geen schending van de
artikelen 12 en 13 van de AVG is.16
16
Zie punt 29 van de conclusie van de verweerder en punt 33 van zijn syntheseconclusie.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 14/21
63. In zijn (onbetwiste) hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke en overeenkomstig de
in artikel 5, lid 2, en artikel 24 van de AVG vervatte verantwoordingsplicht, moet de
verweerder de beginselen van de AVG naleven en in staat zijn dit aan te tonen.
64. De Geschillenkamer herinnert eraan, zoals advocaat-generaal P. Cruz Villalón en het Hof van
Justitie van de Europese Unie in de zaak Bara benadrukt, dat de naleving van de bepalingen
inzake transparantie en informatie essentieel is, omdat zij een voorwaarde is voor de
betrokkenen om hun rechten, die een van de grondslagen van de AVG vormen, uit te
oefenen.17
65. De Geschillenkamer merkt op dat de verweerder een privacyverklaring heeft op de website
van de monarchie (zie https://www.monarchie.be/nl/informatie/privacy). Zoals echter in punt
1.3 van de verklaring wordt vermeld, is deze enkel van toepassing op persoonsgegevens van
websitebezoekers en niet op die van rechtssubjecten die, zoals in dit geval, verzoeken om
hulp aan de Koning hebben gericht.
66. Bij gebrek aan aanwijzingen en bewijs van de verweerder dat hij de klager de informatie uit
hoofde van de artikelen 12 en 13 van de AVG heeft verstrekt (meer bepaald de
rechtmatigheidsgrond waarop hij de verwerking baseerde die de doorgifte van de betrokken
brief vormde, de ontvangers van deze doorgifte, en de rechten van de klager in de zin van
de AVG), concludeert de Geschillenkamer dat de verweerder deze artikelen heeft
geschonden.
II.3. Wat betreft het verzoek om inzage van de klager uit hoofde van artikel 15 van de AVG
67. De klager voert bovendien aan dat de verweerder zijn verzoek om inzage niet heeft
ingewilligd. De Geschillenkamer heeft de partijen in haar brief met uitnodiging tot
uitwisseling van conclusies, ook verzocht zich op dit punt uit te spreken. De partijen hebben
geen overwegingen in dit verband in hun conclusies opgenomen. Toch blijkt uit een
onderzoek van de stukken van het dossier dat de klager om inzage heeft verzocht via een
tekst in de bijlage bij een brief van 6 augustus 2020 van de klager aan de verweerder. Deze
bijlage bestaat uit een door de klager opgestelde tekst, die hij de verweerder vraagt te
ondertekenen. In de tekst van deze bijlage bij de brief van de klager van 6 augustus 2020
staat dat de verweerder schendingen van de AVG van zijn kant erkent (verwerking zonder
rechtmatigheidsgrond) en hem een symbolische financiële vergoeding toekent (van de
verweerder aan de klager). In dezelfde bijlage geeft de klager ook aan dat de verweerder,
door de tekst te ondertekenen, er zich toe verbindt de klager te "informeren" over alle
schriftelijke uitwisselingen en telefonische discussies of mondelinge gesprekken die hij
17
HvJ-EU, 1 oktober 2015, Bara, C-201/14, §33 (conclusie van advocaat-generaal P. Cruz Villalón, 9 juli 2015, §74.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 15/21
sinds september 2018 zou hebben gevoerd met betrekking tot zijn persoonsgegevens
(alsmede die van zijn moeder)(vrije vertaling uit het Duits) 18. De Geschillenkamer neemt aan
dat de klager naar dit deel van de door hem ingediende documenten verwijst wanneer hij
spreekt over zijn verzoek om inzage.
68. De Geschillenkamer merkt op dat het verzoek om inzage van de klager via een tekst is
geformuleerd met waarin de erkenning van schendingen van de AVG door de verweerder
wordt geëist, die zich er bovendien toe moet verbinden hem een financiële vergoeding toe
te kennen en hem de gevraagde informatie door te geven. Voor zover dit verzoek om inzage
is gedaan via een tekst die voor de verweerder nadelige gevolgen heeft (erkenning van
schending van de AVG), kan het de verweerder niet worden verweten dat hij geen gevolg
heeft gegeven aan de bijlage. Doordat het verzoek intrinsiek gekoppeld is aan een vrijwillige
erkenning door de verweerder, die overigens nadelig is voor hem, vormt het geen geldig
verzoek om inzage van de klager, aangezien dit verzoek het recht van inzage afwendt van
het wettelijke doel ervan.
II.4. Wat betreft de schending van het beroepsgeheim
69. De klager beweert dat de verweerder het beroepsgeheim heeft geschonden door de
litigieuze brief door te geven. Hij baseert zich om zijn argument te staven op een uitspraak
van de Raad van State van 11 februari 1972 (nr. 7699) dat bepaalt: "binnen de administratie,
mag informatie die onder het beroepsgeheim valt enkel worden meegedeeld aan
administraties en ambtenaren die bevoegd zijn voor de uitvoering van de taak waarvoor
deze informatie is verzameld. De ambtenaren die zijn belast met het beheer van de
persoonlijke dossiers van de ambtenaren mogen aan de betrokken diensten alleen de
elementen met betrekking tot de loopbaan van de ambtenaren doorgeven. Volgens de
Commissie voor Toegang tot Bestuursdocumenten (CTB) mogen nominatieve documenten
betreffende het personeelsbeheer alleen aan het betrokken personeel of hun
vertegenwoordigers worden meegedeeld.”
70. De Geschillenkamer herinnert eraan dat in toepassing van artikel 4, §1, van de WOG, de GBA
verantwoordelijk is voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de
bescherming van de persoonsgegevens, zoals bevestigd door de AVG en andere wetten die
bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens.
Eveneens, overeenkomstig de artikelen 51 e.v. van de AVG, en artikel 4.1 en artikel 33, §1,
van de WOG, is het de taak van de Geschillenkamer, als administratieve geschilleninstantie
18
Bijlage bij de brief van 6/8/2020 van de klager aan de verweerder: « Weiterhin verpflichtet sich der
Unterlassungsschuldner, dem Unterlassungsgläubiger Auskunft über sämtlichen Schriftverkehr oder Gedächtnisprotokolle
der Telefonate oder Gespräche zu geben, die seit September 2018 bei Ihnen als persönliche Daten über uns erhoben,
verarbeitet oder weitergeleitet wurden und die uns als Personen betreffen oder erwähnen.“
Beslissing ten gronde 12/2023 – 16/21
van de GBA, om doeltreffend toezicht uit te oefenen op de toepassing van de AVG en om de
fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen met betrekking tot de
verwerking te beschermen, overeenkomstig artikel 8 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie. Artikel 4, §2, tweede lid, van de WOG voegt daaraan toe
dat de GBA de bevoegde toezichthoudende autoriteit is indien geen andere wet anderszins
bepaalt.
71. De schending van het beroepsgeheim zoals bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek valt
echter onder de bevoegdheid van de rechtbanken van de rechterlijke orde, en dus niet onder
die van de Geschillenkamer van de GBA.
II.5. Wat betreft de immuniteit van de leden van het Kabinet van de Koning
72. De onschendbaarheid van de persoon des Konings is vastgelegd in artikel 88 van de
Grondwet. Gezien zijn onschendbaarheid is de Koning niet verantwoordelijk, zodat alleen de
ministers verantwoordelijk zijn.
73. In tegenstelling tot de Koning is het statuut van de medewerkers van de Koning, leden van
zijn kabinet, niet gebaseerd op de Grondwet of een koninklijk besluit, maar op de
grondwettelijke gewoonte19. De medewerkers worden door de Koning benoemd, zonder
ministeriële medeondertekening. Zoals hierboven vermeld (punt 36) zijn de leden van het
Kabinet van de Koning zijn privé-medewerkers van de Koning, niet gebonden aan de
ministers, die de Koning informeren over zaken die hem worden voorgelegd.
74. Twee stromingen in de rechtsleer belichamen tegengestelde standpunten inzake de
immuniteit van de leden van het Kabinet van de Koning. Een van de stromingen stelt dat
zodra de medewerkers van de Koning bij huisbesluit zijn aangewezen, hun handelingen
buiten de controle van het parlement en de rechterlijke macht vallen.
75. Volgens deze leer is het Kabinet van de Koning een raderwerk dat nuttig is voor de goede
werking van het grondwettelijk regime, maar hebben zijn leden geen enkele eigenlijke macht
en ook geen enkele verantwoordelijkheid in de Staat 20. Volgens A. Molitor zijn de
persoonlijke medewerkers van de Koning niet verantwoordelijk voor het parlement, maar
alleen tegenover de Koning voor feiten die te maken hebben met de uitoefening van hun
specifieke functies21. De Koning en zijn medewerkers zouden zo nauw met de Koning
verbonden zijn dat dezelfde auteur verder de conclusie trekt dat "de leden van het Huis van
de Koning, op hun niveau en hun plaats, bij de uitoefening van hun functie een situatie
19
J. Velaers, De Grondwet. Een artikelsgewijze commentaar, II, Brugge, die Keure, 2019, p. 405.
20
CRISP, Courrier hebdomadaire du CRISP, « Le Roi dans le régime constitutionnel de la Belgique », 1993.22, n°1407, p. 31;
Belgisch Staatsblad van 6 augustus 1949, p. 7598.
21
A. Molitor, La fonction royale en Belgique, 2e édition, C.R.I.S.P., Bruxelles, 1994, p. 135.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 17/21
ervaren die overeenkomt met die welke aan de Koning zelf wordt opgelegd”. (vertaald door
de Autoriteit)
76. Volgens J.-C. Scholsem moeten de medewerkers van de Koning worden beschouwd als een
verlengstuk van de Koning wiens werkzaamheden zij mogelijk maken en vergemakkelijken.
Zij hebben officieel geen eigen bestaan en hun rol is het beheren van de koninklijke taken.
De medewerkers nemen dus in die hoedanigheid deel aan de uitoefening van de koninklijke
taken en zijn beschermd door de koninklijke onschendbaarheid.22
77. Deze leer wordt met name geïllustreerd in een parlementair document nr. 1-611/10 en in het
"Verslag van de commissie ermede belast een met redenen omkleed advies uit te brengen
over de toepassing van de grondwettelijke beginselen betreffende de uitoefening van de
prerogatieven van de Koning en over de verhoudingen van de grote grondwettelijke machten
onderling"23. In dat verband is een studie verricht over de kwestie of een parlementaire
commissie leden van het Kabinet van de Koning als getuigen kan ondervragen. Dat verslag
concludeert dat een medewerker van de Koning niet kan worden opgeroepen voor een
parlementaire commissie om toelichting te geven bij de rol die de Koning of een van zijn
medewerkers heeft kunnen spelen in een besluitvormingsproces, aangezien de politieke
onverantwoordelijkheid van de Koning afstraalt op zijn medewerkers.24
78. Een andere stroming in de rechtsleer concludeert in verband met het bovengenoemde
verslag (van de Commissie ermede belast een met redenen omkleed advies uit te brengen
over de toepassing van de grondwettelijke beginselen betreffende de uitoefening van de
prerogatieven van de Koning en over de verhoudingen van de grote grondwettelijke machten
onderling) dat "hoewel een onderzoekscommissie in de huidige stand van de interpretatie van
grondwettelijke teksten de leden van het Kabinet van de Koning niet kan ondervragen over
de daden en uitlatingen van het staatsthoofd of over de dialoog de hij met zijn ministers is
aangegaan, belet volgens ons niets haar om hen te ondervragen over hun eigen daden en
22
A. Molitor, op.cit., p. 163.
23
Beschikbaar op
https://www.senate.be/www/?MIval=publications/viewPub&COLL=S&PUID=16778987&TID=16778659&POS=1&LANG=
nl.
24
Het verslag vermeldt: "3.1. Gelet op het onder nr. 2.3. beschreven statuut van de persoonlijke medewerkers van de Koning
zou hun ondervraging door een parlementaire commissie in feite neerkomen op een ondervraging van de Koning zelf,
hetgeen vanzelfsprekend niet mogelijk is, gelet op zijn absolute onschendbaarheid (zie nr. 1.2.). Bovendien zou dergelijke
ondervraging nog andere grondwettelijke beginselen schenden, met name de eenheid tussen de Koning en de regering en
het hiermee samenhangend verbod om het aandeel van de Koning in de onder de verantwoordelijkheid der ministers
genomen beslissingen te kennen (zie nr. 1.3.). De grondwettelijke beginselen inzake de parlementaire monarchie verzetten
er zich derhalve tegen dat persoonlijke medewerkers van de Koning door een parlementaire commissie omtrent politieke
beleidsbeslissingen worden ondervraagd."
https://www.senate.be/www/?MIval=publications/viewPub&COLL=S&PUID=16778987&TID=16778659&POS=1&LANG
=nl.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 18/21
uitlatingen, of zelfs over de dialoog die zij, buiten de Koning om, met de leden van de Regering
zijn aangegaan".25 (vertaald door de Autoriteit)
79. In dit verband wijst de Geschillenkamer erop dat een andere stroming in de rechtsleer zich
verzet tegen de uitbreiding van de immuniteit van de Koning naar zijn persoonlijke
medewerkers.
80. Aangezien noch de Grondwet noch enige andere wettekst de onschendbaarheid en
strafrechtelijke onverantwoordelijkheid van de Koning uitbreidt tot buiten zijn eigen
persoon, concludeert deze stroming dat de strafrechtelijke immuniteit van de Koning zich
niet uitstrekt tot zijn persoonlijke medewerkers 26.
81. De Geschillenkamer wijst erop dat het recht van de Unie ook voorrechten en immuniteiten
verleent aan leidinggevende personen van de Unie, met inbegrip van hun raadslieden en
deskundigen, ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie 27. Het Hof van Justitie
heeft in zijn arrest Hongarije tegen Slowaakse Republiek van 16 oktober 2012 eraan
herinnerd dat "het staatshoofd op grond van het algemeen internationaal gewoonterecht
en van de voorschriften van multilaterale verdragen in de internationale betrekkingen een
bijzondere positie heeft die met name gepaard gaat met voorrechten en immuniteiten." 28
Het internationaal recht erkent de immuniteit van staatshoofden 29.
82. In het licht van het voorgaande en in het strikte kader van de taken van bijstand aan burgers,
merkt de Geschillenkamer op dat ondanks het ontbreken van een onbetwistbare en
onweerlegbare normatieve basis hiervoor, en hoewel het recht op gegevensbescherming
een grondrecht vormt, de meerderheidsstrekking in de rechtsleer zich uitspreekt voor de
uitbreiding van de immuniteit van de Koning tot de leden van zijn Kabinet. De
Geschillenkamer sluit zich bij deze conclusie aan.
83. De Geschillenkamer benadrukt echter dat hoewel de immuniteit de onontvankelijkheid van
het overheidsoptreden met zich meebrengt, zij de onwettigheid van het gedrag niet
wegneemt. Zij verzoekt de verweerder derhalve, na de vaststelling (punt 66 hierboven) dat
de artikelen 12 en 13 van de AVG door hem zijn geschonden, te voldoen aan de verordening.
25
M. Uyttendaele, « Leçon XXIII – Les institutions fédérales – le chef d’état » in Trente leçons de droit constitutionnel, 1e
édition, Bruxelles, Bruylant, 2011, p. 671.
26
F. Kuty, « Principes généraux du droit pénal belge », Tome I –La loi pénale, 2e édition, Bruxelles, Larcier, 2009, p. 419.
27
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, artikel 343: "De Unie geniet, overeenkomstig de bepalingen van
het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese
Unie, op het grondgebied van de lidstaten de voorrechten en immuniteiten welke nodig zijn ter vervulling van haar taak.
Ditzelfde geldt voor de Europese Centrale Banken en de Europese Investeringsbank." en Protocol 7 betreffende de
voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (https://eur-lex.europa.eu/legal-
content/NL/TXT/?uri=uriserv%3AOJ.C_.2012.326.01.0001.01.NLD&toc=OJ%3AC%3A2012%3A326%3ATOC#C_201232
6NL.01033701 )
28
Hof van Justitie van de Europese Unie, C-364/10, Hongarije tegen Slowaakse Republiek, 16 oktober 2012, EU:C:2012:630,
§ 46 en §§ 45-52..
29
Zie Institute of International Law, Immunities from Jurisdiction and Execution of Heads of State and of Government in
International Law, https://www.idi-iil.org/app/uploads/2017/06/2001_van_02_en.pdf.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 19/21
III. Wat betreft de corrigerende maatregelen en sancties
84. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° een opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te
oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan
de ontvangers van de gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een
internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in
kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
85. Om de meest geschikte corrigerende maatregelen en sancties vast te stellen, plaatst de
Geschillenkamer de inbreuken waarvoor de verweerder verantwoordelijk is in de juiste
context. Het is bovendien de soevereine verantwoordelijkheid van de Geschillenkamer, als
onafhankelijke administratieve autoriteit - met inachtneming van de relevante artikelen van
de AVG en van de WOG - om de passende corrigerende maatregel(en) en sanctie(s) te
bepalen.
86. In casu houdt de Geschillenkamer rekening met het feit dat de raadsman van de verweerder
tijdens de hoorzitting van 25 januari 2023 aangaf dat de verweerder van plan was de
privacyverklaring (of privacybeleid) op zijn website in overeenstemming te brengen om
daarin de verwerkingen op te nemen die in het kader van verzoeken om sociale hulp worden
verricht.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 20/21
87. Zij neemt ook nota, zoals vermeld (punt 82 hierboven), van de immuniteit van de verweerder.
Aangezien de immuniteit de onwettigheid van het gedrag echter niet wegneemt, verzoekt
de Geschillenkamer de verweerder te voldoen aan de artikelen 12 en 13 van de AVG.
IV. Publicatie van de beslissing
88. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit gepubliceerd.
OM DEZE REDENEN,
verzoekt de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging:
- de verweerder te voldoen aan de artikelen 12 en 13 van de AVG, voor zover uit hoofde
van de immuniteit die de verweerder geniet, hem geen sanctie op grond van artikel 100
van de WOG kan worden opgelegd.
Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, §1, van de WOG, beroep worden aangetekend
bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend door middel van een interlocutoir verzoekschrift dat
de in artikel 1034 ter van het Gerechtelijk Wetboek genoemde inlichtingen moet bevatten 30. Het
interlocutoir verzoekschrift moet bij de griffie van het Marktenhof worden ingediend
30
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn
rijksregister- of ondernemingsnummer;
3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
Beslissing ten gronde 12/2023 – 21/21
overeenkomstig artikel 1034 quinquies van het Ger.W. 31, of via het informatiesysteem e-Deposit
van het Ministerie van Justitie (artikel 32 ter van het Ger.W.).
(get.) Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
31
Het verzoekschrift, met de bijlage, wordt in evenveel exemplaren als er partijen zijn, per aangetekende brief aan de griffier
van de rechtbank toegezonden of bij de griffie neergelegd.