1/12
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 104/2022 van 16 juni 2022
Dossiernummer : DOS-2021-03472
Betreft : Klacht ten gevolge van de weigering om een positief gevolg te geven aan de
uitoefening van een recht op gegevenswissing met betrekking tot persartikels die in het
online-archief van de uitgever beschikbaar zijn
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans,
voorzitter en de heren Jelle Stassijns en Christophe Boeraeve, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG
(algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers
op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: De heer X, hierna “de klager”;
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”
Beslissing ten gronde 104/2022 - 2/12
I. Feiten en procedure
1. Op 23 maart 2021 diende de klager een verzoek tot bemiddeling in bij de
Gegevensbeschermingsautoriteit ten opzichte van de verweerder.
Het voorwerp van de bemiddeling betreft de weigering om een positief gevolg te geven aan de
uitoefening van een recht op gegevenswissing met betrekking tot persartikels die in het online-
archief van de uitgever beschikbaar zijn. De klager had in 2016 een deelsysteem met elektrische
scooters (Z) opgericht. In 2018 werd deze onderneming overgenomen door een andere
onderneming (W). De krant De Tijd had hieromtrent een volgens de klager erg negatief en kritisch
artikel geschreven. De klager heeft zijn opmerkingen hierover aan de redactie van de krant
overgemaakt waarna enkele foutieve gegevens geschrapt werden. Volgens de klager bleef echter
de negatieve teneur van het artikel behouden. De klager meende dat de negatieve teneur van het
artikel in combinatie met het project dat werd stopgezet, een nadelige impact zou hebben op zijn
professionele loopbaan. Het artikel verschijnt immers volgens de klager bij de zoekresultaten
wanneer een persoon informatie over hem zou opzoeken. Bijgevolg heeft de klager het verzoek
gericht aan de verweerder om zijn naam uit het artikel in kwestie te schrappen. De klager stelt dat
de verweerder niet gereageerd heeft op zijn herhaalde verzoeken.
2. Op 1 september 2021 werd het verzoek tot bemiddeling door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk
verklaard. Vervolgens nam de Eerstelijnsdienst op 1 september 2021 contact op met de verweerder
in het kader van de bemiddelingsprocedure. Op 17 september 2021 heeft de Eerstelijnsdienst de
antwoord van de verweerder mogen ontvangen. De verweerder maakte de communicatie met de
klager over met de vermelding dat zij, op basis van het tussen de Belgische mediagroepen
afgesloten ‘Charter inzake het recht op vergetelheid’, de klager heeft doorverwezen naar Google
om daar een aanvraag in te dienen met het oog op de-indexatie van het artikel in de zoekmachine
van Google. Tot slot stelt de verweerder dat zij sinds 29 maart 2021 geen bericht meer heeft
ontvangen van de klager waardoor zij bijgevolg ervan uitgegaan was dat de klager niet verder
aandrong op een verwijdering van het artikel door de verweerder en genoegen nam met een de-
indexatie door Google.
3. Op 7 oktober 2021 bevestigt de Eerstelijnsdienst aan de klager dat geen minnelijk akkoord
gevonden kon worden en licht de klager in dat het verzoek tot bemiddeling met diens instemming
de vorm van een klacht kan aannemen die vervolgens zal worden overgemaakt aan de
Geschillenkamer voor behandeling ten gronde. Eveneens op 7 oktober 2021 gaf de klager zijn
toestemming aan de Eerstelijnsdienst om het dossier als klacht over te maken aan de
Geschillenkamer.
4. Op 11 oktober 2021 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van
de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan
de Geschillenkamer.
Beslissing ten gronde 104/2022 - 3/12
5. Op 16 november 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG
dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
6. Op 16 november 2021 worden de betrokken partijen per mail in kennis gesteld van de bepalingen
zoals vermeld in artikel 95, § 2, WOG alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond
van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
7. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij
vastgelegd op 28 december 2021, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 18 januari
2022 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 8 februari 2022.
8. Op 18 november 2021 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak.
9. Op 19 november 2021 aanvaardt de verweerder elektronisch alle communicatie omtrent de zaak.
10. Eveneens op 19 november 2021 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3°
WOG), dewelke hem werd overgemaakt op 26 november 2021.
11. Op 24 december 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
verweerder. Vooreerst betwist de verweerder het standpunt van de klager dat het artikel ten
aanzien van de klager een negatieve teneur zou hebben. De verweerder stelt dat het artikel slechts
in één passage verwijst naar de klager waarbij die passage ook de woordelijke weergave is van een
uitspraak van de klager die hierna geciteerd wordt:
‘Bij de opstart droomden de oprichters [klager] en [mede-oprichter] van 700 deelscooters in
Brussel tegen eind 2017. Dat doel bleek niet haalbaar. “Na een pilotproject hebben we besloten om
aan een langzamer tempo te groeien”, zeggen de oprichters. ”We zouden meteen 500 scooters
kunnen toevoegen, maar dat is logistiek niet mogelijk. Heel snel uitbreiden is niet onze bedoeling”.
De verweerder geeft aan dat zij in deze passage geen negatieve teneur kan ontdekken.
12. Vervolgens stelt de verweerder dat het artikel geen foutieve informatie bevat. Mocht dit toch het
geval zijn, quod non aldus de verweerder, is de verweerder als mediabedrijf volgens de
deontologische code verplicht om deze foutieve informatie loyaal recht te zetten (artikel 6 van de
Journalistieke Code).
13. Ten derde wijst de verweerder erop dat wanneer men de naam van de klager opzoekt via Google,
het artikel in kwestie niet op de eerste pagina verschijnt.
14. Voorts benadrukt de verweerder dat het verzoek tot anonimisatie, dus een uitoefening van het recht
op gegevenswissing, niet automatisch moet worden toegekend, maar dat een beoordeling van dit
verzoek steeds rekening moet houden met de context van dit verzoek. De verweerder behandelt
deze aanvragen steeds volgens de principes die werden vastgelegd in het ‘Charter inzake het recht
op vergetelheid’ dat door alle mediaspelers in België werd onderschreven. De uitgever, in casu de
verweerder maakt een afweging van het recht op vergetelheid van de betrokkene met het recht op
Beslissing ten gronde 104/2022 - 4/12
vrije meningsuiting en informatie en de integriteit van de persarchieven. De verweerder voert aan
dat zij als persuitgever deze afweging in eer en geweten gemaakt heeft en dat zij concludeert dat er
geen sprake kan zijn van recht op vergetelheid. De, volgens de verweerder, vage argumentatie van
de klager over een mogelijks negatieve impact op zijn verdere loopbaan door het artikel in kwestie,
toont niet aan waarom zijn recht op vergetelheid zou primeren op de rol van de pers als waakhoud
van de democratie waarbij deze op objectieve basis bericht over maatschappelijk relevante zaken.
Volgens de verweerder heeft haar berichtgeving over de overgenomen onderneming en de link
hiermee met de klager een zekere maatschappelijke relevantie voor potentiële toekomstige
investeerders/zakenpartners van de klager.
15. Tot slot verwijst de verweerder naar een recente beslissing van de Raad voor de Journalistiek waarin
ook wordt beklemtoond dat de rechten en belangen van de betrokkene moeten worden afgewogen
tegen het maatschappelijk belang van een zo volledig mogelijk archief en van het recht op
informatie.
16. Op 30 december 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager.
Vooreerst wenst de klager te benadrukken dat het artikel wel een negatieve teneur zou bevatten.
De klager stelt dat de verweerder in haar conclusies de volgende negatief geladen zinnen heeft
weggelaten. Het betreft de volgende zinnen: “[d]e lancering van het nieuwe deelconcept verliep
aarzelend” en “[d]e overname door W moet Z een tweede adem geven”. Hij meent dat deze zinnen
niet anders dan negatief te interpreteren zijn.
17. Ten tweede benadrukt de klager dat het artikel wel foutieve informatie bevatte zoals aangegeven
in de conclusies zoals volgt:
a. “De lancering van het nieuwe deelconcept verliep aarzelend" - De lancering verliep
uitstekend. De doelstellingen qua klantenaantallen en verbruik werden vlot gehaald.
Aangezien de journalist zelf stelt dat geen cijfers werden vrijgegeven, weet ik (de klager)
ook niet hoe hij kan concluderen hoe de lancering verliep...
b. "Dat doel [om 700 scooters te zetten] bleek niet haalbaar" - Dat doel was logistiek niet
wenselijk, het was absoluut haalbaar.
c. “De overname door W moet Z een tweede adem geven" - De samenwerking moest ab initio
in een overname resulteren. Er was absoluut geen nood om "een tweede adem" te vinden.
18. Vervolgens betwist de klager de stelling van de verweerder dat het artikel in kwestie pas op de
tweede pagina van zoekresultaten op Google verschijnt. De klager verklaart dat het artikel bovenaan
verschijnt, omwille van de algoritmes van Google.
19. Als vierde punt stelt de klager dat een artikel waarin een negatieve en foute voorstelling wordt
gegeven van een zakelijk project een nefaste impact kan hebben op zijn professionele loopbaan.
De klager verwijst hiervoor naar de conclusies van de verweerder waarin deze stelt dat zij blijvend
Beslissing ten gronde 104/2022 - 5/12
wil informeren over de link tussen Z en de klager en de maatschappelijke relevantie, onder meer voor
mogelijke toekomstige investeerders en zakenpartners.
20. Tot slot meent de klager dat de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Raad voor
Journalistiek in deze zaak niet relevant is. De Raad voor Journalistiek zou volgens de klager immers
een zelfregulerend orgaan zijn dat met zijn uitspraken enkel een opinie formuleert. De klager stelt
ook dat er nog genoeg andere artikels, zonder negatieve teneur over zijn onderneming geschreven
werden waardoor het artikel in kwestie niet noodzakelijk is om het publiek hierover te informeren.
21. Op 7 februari 2022 heeft de Geschillenkamer de conclusie van repliek ontvangen van de
verweerder. De verweerder verwijst in haar conclusie van repliek naar artikel 17 van de AVG waarbij
zij stelt dat onderhavige zaak valt onder de uitzonderingen van artikel 17, derde lid AVG en dus buiten
de bevoegdheid van de Geschillenkamer valt. Vervolgens schetst de verweerder een historiek van
de onderneming van de klager. De twee door de klager aangehaalde zinnen zijn volgens de
verweerder niet negatief, maar louter beschrijvend. Als derde punt benadrukt de verweerder dat het
artikel geen enkele fout bevat. Daarna verwijst de verweerder naar de redactionele vrijheid waarbij
de journalist zelf de bewoordingen kiest waarmee het verhaal wordt gebracht. De journalist wordt
hierin gesteund door de hoofdredacteur waardoor deze zaken kan formuleren op een bepaalde
wijze, zelfs wanneer de geïnterviewde, in casu de klager, hiermee niet akkoord gaat. Het feit dat de
klager niet tevreden is met de berichtgeving in de krant is volgens de verweerder niet voldoende om
zich te beroepen op het recht van vergetelheid. Bovendien wijst de verweerder erop dat de klager
een deel van zijn privacy heeft opgegeven door de media-aandacht op te zoeken in het kader van de
publiciteit van zijn onderneming. Het kan niet de bedoeling zijn dat de media haar archieven en
berichtgeving moeten aanpassen telkens wanneer iemand die zelf zijn anonimiteit heeft opgegeven,
dit niet langer wilt omdat het initiatief niet succesvol was, aldus de verweerder. Tot slot verwijst de
verweerder opnieuw naar de Raad voor Journalistiek. De Journalistieke Code bevat verschillende
bepalingen omtrent het recht op bescherming van persoonsgegevens. Deze Code werd door de
Raad voor Journalistiek opgesteld en door alle journalisten erkend en aanvaard. De uitspraken van
de Raad voor Journalistiek worden niet alleen via de website van de Raad van de Journalistiek
verspreid, maar worden ook door de media waarop de uitspraak betrekking heeft bekendgemaakt.
Dit orgaan wordt door de ganse mediasector en haar journalisten alom gerespecteerd en als
gezaghebbend beschouwd.
II. Motivering
II.1. Bevoegdheid van de Geschillenkamer
22. De Geschillenkamer begrijpt uit de klacht dat de klager zich beroept artikel 17.1.c) AVG, en meer
bepaald op zijn recht op digitale vergetelheid. Gelet op de inhoud van de klacht komt het toe aan de
Geschillenkamer om te beoordelen of de verweerder terecht heeft geweigerd om in te gaan op het
Beslissing ten gronde 104/2022 - 6/12
verzoek tot anonimisering van de klager. Voor deze weigering beroept de verweerder zich op
artikel 17.3.a) AVG. Overeenkomstig haar eerdere beslissingspraktijk1, herinnert de Geschillenkamer
eraan dat de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit in het algemeen, en van de
Geschillenkamer in het bijzonder, "beperkt is tot het toezicht op de naleving van de op de
gegevensverwerking toepasselijke regelgeving, ongeacht de activiteitensector waarin deze
gegevensverwerking plaatsvindt", en dat het niet haar taak is om in de plaats te treden van de
andere instanties bij de uitoefening van hun bevoegdheden.
23. Bijgevolg komt het toe aan de Geschillenkamer om te beoordelen of de verweerder de AVG
geschonden heeft door te weigeren om in te gaan op het verzoek tot anonimisering overeenkomstig
artikel 17.1.c) AVG van de klager. Deze beoordeling heeft ook betrekking op de vraag of al dan niet
een beroep kan worden gedaan op artikel 17.3.a) van de AVG, op grond waarvan de
verwerkingsverantwoordelijke een afweging van de belangen moet maken om te concluderen of de
verwerking al dan niet noodzakelijk is met het oog op de vrijheid van meningsuiting en informatie.
II.2. Gegrondheid van het verzoek tot anonimisering
24. De klacht betreft de functie van media-archieven in de elektronische omgeving van het internet en
de verenigbaarheid hiervan met het recht op gegevenswissing overeenkomstig artikel 17.1.c) AVG
en de weigering van de toekenning van dit recht overeenkomstig artikel 17.3.a) AVG.
25. De Geschillenkamer verwijst in dat verband naar artikel 17.1 van de AVG dat bepaalt dat de
betrokkene het recht heeft om van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging
wissing van de hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen. Op basis van datzelfde artikel,
punt c), is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht om de persoonsgegevens zonder onredelijke
vertraging te wissen onder andere wanneer de betrokkene overeenkomstig artikel 21.1 AVG
bezwaar maakt tegen de verwerking, en er geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde
gronden zijn voor de verwerking. Zoals hierboven uiteengezet heeft de klager een verzoek
overeenkomstig artikel 17.1.c) AVG gericht aan de verweerder.
26. Artikel 17.3.a) AVG stelt evenwel dat artikel 17.1 AVG niet van toepassing is wanneer een dergelijke
verwerking noodzakelijk is voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en
informatie. Dit artikel voorziet hiermee een uitzonderingsregeling met een belangenafweging
tussen twee grondrechten, te weten de balans tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en
informatie enerzijds en het recht op bescherming van persoonsgegevens anderzijds. Het is op deze
grond dat de verweerder geweigerd heeft om uitvoering te verlenen aan het verzoek tot
gegevenswissing van de klager.
1
Zie bijvoorbeeld de Beslissingen 03/2020, 41/2020 en 139/2021 van de Geschillenkamer, beschikbaar op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit
(https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/zoeken?q=&search_category%5B%5D=taxonomy%3Apublications&sear
ch_type%5B%5D=decision&search_subtype%5B%5D=taxonomy%3Adispute_chamber_substance_decisions&s=recent&l=25).
Beslissing ten gronde 104/2022 - 7/12
27. In het kader van onderhavige dossier zal de Geschillenkamer aldus nagaan of het verzoek tot
gegevenswissing overeenkomstig 17.1.c) AVG terecht door de verweerder geweigerd werd
overeenkomstig artikel 17.3.a) AVG met name de afweging tussen het recht op vrijheid van
meningsuiting en informatie en het recht op bescherming van persoonsgegevens.
28. De Geschillenkamer wijst erop dat in onderhavige zaak de klacht werd ingediend tegen de
verweerder als persuitgever. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: “EHRM”)
benadrukte in de zaak M.L. en W.W. t. Duitsland 2 dat een uitgever als voornaamste doel het
publiceren van oorspronkelijke informatie heeft. Deze finaliteit is niet dezelfde als die van
zoekmachines. Zoekmachines hebben immers als doel het in staat stellen van internetgebruikers
om deze informatie te vinden, en hebben zelfs een versterkend effect op het vinden van informatie
over een betrokkene. Wat de gevolgen van de gegevensverwerking voor de persoonlijke
levenssfeer betreft, heeft het HvJEU geoordeeld dat de opname van een webpagina in de op naam
gebaseerde zoekresultaten "een grotere inmenging in het grondrecht op eerbiediging van het
privéleven van de betrokkene kan vormen dan de publicatie van deze webpagina door de
webredacteur.", aangezien de opname van informatie in de zoekresultaten "de toegang tot deze
informatie aanzienlijk vergemakkelijkt voor elke internetgebruiker die op de naam van de
betrokkene zoekt en een beslissende rol kan spelen bij de verspreiding van deze informatie"3.
29. In haar Richtsnoeren 5/2019 inzake de criteria voor het recht op vergetelheid op grond van de AVG
in het geval van zoekmachines4 stelt het Europees Comité voor gegevensbescherming (European
Data Protection Board - EDPB) in dezelfde zin het volgende:
"7.Een aantal zaken moeten in overweging worden genomen bij de toepassing van artikel 17 AVG
met betrekking tot de gegevensverwerking van een exploitant van een zoekmachine. Het is in dit
verband noodzakelijk om te vermelden dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de
verwerking van persoonsgegevens die wordt uitgevoerd in de context van de activiteiten van de
exploitant van de zoekmachine, en de verwerking die wordt uitgevoerd door de uitgevers van de
websites van derden zoals mediakanalen die online-inhoud voor kranten verstrekken.[...]
9.Verzoeken tot schrapping hebben niet tot gevolg dat de persoonsgegevens volledig worden
gewist. De persoonsgegevens worden immers noch gewist uit de oorspronkelijke website, noch uit
de index en het cachegeheugen van de exploitant van de zoekmachine. Bijvoorbeeld, een
betrokkene kan streven naar de schrapping van persoonsgegevens uit de index van een
zoekmachine die afkomstig zijn van een mediakanaal zoals een krantenartikel. In dat geval kan de
2
EHRM, 28 juni 2018, 60798/10 en 65599/10, M.L. en W.W. t. Duitsland.
3
HvJEU, 13 mei 2014, C-131/12 , Google Spain, §87.
4
Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB), Richtsnoeren 5/2019 inzake de criteria voor het recht op vergetelheid op
grond van de AVG in de context van zoekmachines van 7 juli 2020
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_201905_rtbfsearchengines_afterpublicconsultation_fr.pdf.
Een voorlopige Nederlandstalige vertaling kan worden geraadpleegd op
https://edpb.europa.eu/sites/default/files/files/file1/edpb_guidelines_201905_rtbfsearchengines_afterpublicconsultation_nl.pdf.
Beslissing ten gronde 104/2022 - 8/12
koppeling naar de persoonsgegevens uit de index van de zoekmachine worden geschrapt; het
desbetreffende artikel blijft echter onder de controle van het mediakanaal vallen en kan openbaar
beschikbaar en toegankelijk blijven, zelfs indien het niet langer zichtbaar is in de zoekresultaten die
gebaseerd zijn op zoekopdrachten die in principe de naam van de betrokkene bevatten".
(eigen onderlijning)
30. Dit onderscheid tussen zoekmachines en uitgevers kan dan ook belangrijke gevolgen hebben voor
de belangenafweging tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie en het recht op
bescherming van persoonsgegevens. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder heeft
voorgesteld aan de klager om een verzoek tot de-indexatie aan de zoekmachine te richten.
Aangezien geen de-indexatie verzocht werd door de klager, spreekt de Geschillenkamer zich in
onderhavige zaak bijgevolg enkel uit over de vraag of de verweerder het verzoek tot
gegevenswissing rechtmatig overeenkomstig artikel 17.3.a) AVG heeft geweigerd.
31. Vooreerst herinnert de Geschillenkamer eraan dat het recht op vrijheid van meningsuiting en
informatie wordt beschermd door artikel 10, lid 1 van het Europees Verdrag van de Rechten van de
Mens (hierna: “EVRM”). "Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om
inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar
gezag […]". Het EHRM ziet de vrijheid van meningsuiting als een essentiële bouwsteen voor een
democratische samenleving, waarin de pers de essentiële rol van publieke waakhond
vervult. 5 De wijze waarop de pers hieromtrent te werk gaat is in beginsel vrij, de zogeheten
journalistieke vrijheid. 6 Het EHRM neemt als uitgangspunt dat de journalistieke vrijheid, zoals
beschermd in artikel 10, lid 1 van het EVRM, verder strekt dan de bescherming van een objectieve
en ingetogen wijze van verslaggeving van feiten.7
32. In dit kader verwijst de Geschillenkamer verder naar het belang van de verwerking van
persoonsgegevens voor archiveringsdoeleinden in het algemeen belang, wetenschappelijk of
historisch onderzoek of statistische doeleinden, zoals erkend in Overweging 153 en artikel 89
AVG. 8 Het EHRM heeft reeds bevestigd dat het opzetten en houden van online archieven een
onderdeel uitmaakt van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie zoals begrepen in
artikel 10 EVRM. Het EHRM benadrukt het belang van digitale archieven aangezien het recht op
informatie van het publiek niet beperkt is tot de actualiteit, en bovendien de informatie in deze
digitale archieven snel toegankelijk en vaak gratis is.9 Gelet op het belang van de digitale archieven
5
EHRM, 10 mei 2011, 48009/08, Mosley t. VK, §112.
6
EHRM, 10 mei 2011, 48009/08, Mosley t. VK, §113.
7
EHRM, 19 juni 2003, 49017/99, Pedersen en Baadsgaard t. Denemarken, §71.
8
Zie ook Beslissing 139/2021 (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-139-
2021.pdf)
9
Zie hieromtrent ook het bovengenoemde arrest HvJEU, 13 mei 2014, C-131/12 , Google Spain. Zie o.a. EHRM, 27 november 2007,
42864/05, Timpul Info-Magazinet Anghel t. Moldavië en EHRM 10 maart 2009, 18897/91, Times Newspaper Limited t. Verenigd
Koninkrijk; EHRM 28 juni 2018, 60798/10 en 65599/10, M.L. en W.W. t. Duitsland, §90.
Beslissing ten gronde 104/2022 - 9/12
heeft het EHRM opgemerkt dat "het niet aan de rechterlijke autoriteiten is om de geschiedenis te
herschrijven door te gelasten dat alle sporen van publicaties waarvan in het verleden bij definitieve
rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat zij een ongerechtvaardigde aantasting van de individuele
reputatie vormen, uit het publieke domein worden verwijderd"(vrije vertaling). 10 Hieruit volgt a
fortiori dat alleen zeer dwingende redenen een rechtstreekse inmenging kunnen rechtvaardigen in
gearchiveerde media-inhoud. Het retroactief aanpassen van deze digitale persarchieven
interfereert immers zowel met het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie als met de
bovenvermelde journalistieke vrijheid. Het EHRM stelt bijgevolg dat de afweging van alle belangen
die op het spel staan, het risico met zich meebrengt dat de pers ervan afziet om verslagen in haar
online-archieven te bewaren of dat zij geïndividualiseerde elementen weglaat in verslagen die
waarschijnlijk het voorwerp van een dergelijk verzoek zouden kunnen uitmaken. 11 Bijgevolg moet
bedachtzaam worden omgegaan met toetsing uit hoofde van artikel 10 EVRM wanneer aan de pers
opgelegde maatregelen of sancties de deelname van de pers aan debatten over zaken van legitiem
openbaar belang kunnen ontmoedigen.12
33. Zoals eerder gesteld in Beslissing 139/202113 houdt de Geschillenkamer rekening met de specifieke
aard van de archieven, alsmede met de waarborgen voor de betrokkene bij de belangenafweging in
toepassing van artikel 17.3 a) van de AVG.
34. Zoals hierboven uiteengezet kunnen archieven enkel omwille van zeer dwingende redenen
(retroactief) aangepast worden. De Geschillenkamer is van oordeel dat er in onderhavige zaak geen
sprake is van dergelijke zeer dringende reden, en steunt hierbij op criteria die het EHRM in het arrest
Axel Springer AG t. Duitsland 14 heeft uitgewerkt en daarna in haar verdere rechtspraak als basis
gebruikt heeft bij de belangenafweging tussen het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie
en het recht op bescherming van persoonsgegevens 15. De Geschillenkamer komt tot de conclusie
dat geen twijfel bestaat over de relevantie van het artikel in het maatschappelijk debat, zowel voor
investeerders in gelijkaardige projecten als voor eventuele toekomstige zakenpartners van de
klager. De Geschillenkamer is van oordeel dat de klager redelijkerwijs verwacht zou mogen hebben
dat de evolutie van zijn project opgevolgd zou worden nadat de klager beroep deed op de pers om
de opstart van het project aan te kondigen, alsook later bij de overname van het project. Er bestaat
volgens de Geschillenkamer eveneens geen twijfel over de waarachtigheid van het litigieuze artikel.
10
EHRM, 16 juli 2013, 33846/07, Węgrzynowski en Smolczewski t. Poland , §65.
11
EHRM ,28 juni 2018, 60798/10 en 65599/10, M.L. en W.W. t. Duitsland, § 104.
12
EHRM, 28 juni 2018, 60798/10 en 65599/10, M.L. en W.W. t. Duitsland, §104.
13
Beslissing 139/2021, §59 (https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-139-2021.pdf)
14
EHRM, 7 februari 2012, 39954/08, Axel Springer AG t. Duitsland, §§ 89-95.
15
Te weten: bijdrage aan het algemeen maatschappelijk debat bekendheid van de verzoeker; voorafgaand gedrag van de verzoeker
tegenover de media; wijze waarop de informatie verkregen werd en de waarachtigheid ervan; inhoud, vorm en gevolgen van de
publicatie, en de impact van de opgelegde maatregel op de uitgever. Het EHRM stelt hieromtrent dat de bovenvermelde criteria van
toepassing zijn zowel bij het moment van de publicatie als bij de beoordeling in het kader van archieven, en erkent evenwel dat de
relevantie van deze criteria kan wijzigen in specifieke omstandigheden of na verloop van tijd.
Beslissing ten gronde 104/2022 - 10/12
Zoals hierboven uiteengezet heeft de verweerder feitelijke onjuistheden al na publicatie van het
artikel gecorrigeerd. De klager voert aan dat het artikel nog steeds onjuist is omdat de gebruikte
bewoordingen een negatieve teneur bevatten. Zoals reeds uiteengezet is de keuze van
bewoordingen van de journalist onderdeel van de journalistieke vrijheid. Het kan niet de bedoeling
zijn dat elk artikel dat als kritisch beschouwd kan worden verwijderd of aangepast zou moeten
worden. Bovendien is het artikel enkel toegankelijk voor abonnees van de persuitgever waardoor
het artikel niet vrij voor iedereen te consulteren is. De Geschillenkamer betoogt dat het invoeren van
dergelijke maatregelen inzake de toegankelijkheid van archieven (en recente publicaties) deel
uitmaakt van het voorzien in passende waarborgen in de zin van artikel 89 van de AVG door de
verweerder. De Geschillenkamer merkt eveneens dat wanneer men in een zoekmachine de naam
van de klager ingeeft, dit litigieuze artikel niet per definitie op de eerste of de tweede pagina
verschijnt. Indien dit wel het geval zou zijn bij de klager, gelet op de algoritmes van zoekmachines,
bestaan er volgens de Geschillenkamer andere maatregelen die kunnen tegemoetkomen aan de
wensen van de klager, zonder dat de integriteit van de online archieven moet worden aangetast.
35. Kortom de wens van de betrokkene om zijn verleden te wissen door de verwijdering of aanpassing
van een gearchiveerd artikel omdat hij meent dat dit een negatieve teneur zou bevatten is niet
voldoende om de integriteit van de online archieven aan te tasten.
36. Tot slot merkt de Geschillenkamer op dat zij heeft kennis genomen van het arrest Hurbain16 van het
EHRM waarin het EHRM oordeelde dat een verplichting tot anonimisering opgelegd aan een
persuitgever wel in overeenstemming met artikel 10 EVRM werd bevonden. De Geschillenkamer
meent echter dat in onderhavige zaak onvoldoende argumenten bestaan om tot eenzelfde
beslissing te komen aangezien er doorslaggevende feitelijke verschillen bestaan tussen beide
zaken. Zo ging de zaak Hurbain over een fataal auto-ongeval in 1994 waarbij de klager betrokken
was, waardoor de publicatie een virtueel strafblad tot gevolg had, hetgeen een negatief gevolg kon
hebben voor de beroepsactiviteiten van de klager als arts. In onderhavige zaak betreft het artikel de
overname van een zakelijk project, hetgeen geen gegevens van strafrechtelijke aard bevat.
Bovendien werd het artikel in de zaak Hurbain in 1994 gepubliceerd en werd het na 20 jaar opnieuw
onder de aandacht gebracht in het kader van statistieken over veiligheid op de weg, waardoor het
artikel geen enkele nieuwswaarde had volgens het EHRM. In onderhavige zaak betreft het een
artikel dat vier jaar geleden werd gepubliceerd en dat wel nieuwswaarde kan hebben voor
toekomstige potentiële investeerders in samenwerking met de klager of in gelijkaardige projecten.
Het artikel in kwestie was in de zaak Hurbain eveneens online beschikbaar voor iedereen, dus niet
enkel voor abonnees, zoals in onderhavige zaak wel het geval is. In de zaak Hurbain had de
betrokkene de nodige inspanningen gedaan om uit de media-aandacht te blijven zowel in de periode
16
EHRM 22 juni 2021, 57292/16, Hurbain t. België. De Geschillenkamer wijst er ook op dat deze zaak op 22 juni 2021 werd
doorverwezen voor de behandeling door de Grote Kamer.
Beslissing ten gronde 104/2022 - 11/12
van de publicatie als erna.17 Zoals reeds hierboven gesteld is dit in onderhavige zaak niet het geval.
De klager heeft beroep gedaan op de media voor de publiciteit bij de lancering en ook bij de
overname.
37. Kortom, gelet op de analyse van bovenstaande criteria oordeelt de Geschillenkamer dat de
verweerder het verzoek tot gegevenswissing terecht heeft geweigerd overeenkomstig artikel
17.3.a) AVG.
38. In het licht van het voorgaande en op grond van alle elementen in het dossier waarvan zij kennis
heeft, en van de bevoegdheden die haar zijn toegekend door de wetgever krachtens artikel 100, § 1
WOG, beslist de Geschillenkamer bijgevolg om op grond van de hierboven uiteengezette redenen,
de klacht te seponeren, overeenkomstig artikel 100, § 1, 1° WOG.
39. De Geschillenkamer moet bij een seponering haar beslissing stapsgewijs motiveren en:
- een technische seponering uit te spreken indien het dossier geen of niet voldoende elementen
bevat die tot een veroordeling kunnen leiden, of indien er onvoldoende uitzicht bestaat op een
veroordeling wegens een technische belemmering, waardoor zij niet tot een beslissing kan
komen;
- of een beleidssepot uit te spreken, indien ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een
sanctie kunnen leiden, de voortzetting van het onderzoek van het dossier niet opportuun lijkt in
het licht van de prioriteiten van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals gespecifieerd en
toegelicht in het sepotbeleid van de Geschillenkamer.18
Indien er meerdere gronden zijn voor het sepot (respectievelijk technisch of beleidssepot) dienen
de sepotgronden in volgorde van belangrijkheid te worden behandeld.
40. In onderhavige zaak beslist de Geschillenkamer om de zaak zonder verder gevolg af te sluiten,
aangezien de verweerder het verzoek tot gegevenswissing terecht heeft geweigerd
overeenkomstig artikel 17.3.a) AVG en er dus geen inbreuk op de AVG kan worden vastgesteld.19
III. Publicatie van de beslissing
41. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
17
EHRM, 22 juni 2021, 57292/16, Hurbain t. België, §112.
18
In dit verband verwijst de Geschillenkamer naar haar sepotbeleid zoals uitvoerig uiteengezet op de website van de GBA:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf.
19
Zie in dit verband criterium A.2 in verband met technische seponering in de nota "Sepotbeleid van de Geschillenkamer, gepubliceerd
op 18 juni 2021 op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit (beschikbaar op :
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf).
Beslissing ten gronde 104/2022 - 12/12
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens
van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om op grond van
artikel 100, § 1, 1° WOG deze klacht op technische gronden te seponeren.
Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, § 1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een
termijn van dertig dagen, vanaf de kennisgeving, bij het Marktenhof, met de
Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
(Get). Hielke Hijmans
Voorzitter van de Geschillenkamer