1/21
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 100/2026 van 11 mei 2026
Dossiernummer : DOS-2023-02083
Betreft : Camerabewaking Residentie […]
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;1
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: Mevrouw X1, in de hoedanigheid van mede-eigenaar voor wie optreedt als
lasthebber met notariële zorgvolmacht De heer X2, […], hierna “de klager”
De verweerders: -Y1 Residentie […], met maatschappelijke zetel te […], met
ondernemingsnummer […], vertegenwoordigd door Solitt Beheer BV, in de
hoedanigheid van syndicus voor de periode 2020-2022, hierna “eerste
verweerder”
- Y2 NV, met maatschappelijke zetel te […] met ondernemingsnummer […],
vertegenwoordigd door de bestuurder en vaste vertegenwoordiger, de heer Z,
1
De GBA herinnert eraan dat de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van
de Gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), en het nieuw reglement van interne orde van de GBA, op 1 juni 2024 in werking
zijn getreden. De nieuwe bepalingen zijn van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en
procedures voor de Geschillenkamer die aanvangen vanaf deze datum. De nieuwe WOG is beschikbaar via deze link:
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi loi/change lg.pl?language=nl&la=N&cn=2017120311&table name=wet, en het
reglement van interne orde via deze link: < https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-
interne-orde-van-de-gegevensbeschermingsautoriteit.pdf>. Dossiers die zijn aangevat vóór 1 juni 2024, waar dit dossier deel
van uitmaakt, zijn daarentegen onderworpen aan de bepalingen van de WOG en het reglement van interne orde zoals deze
bestonden vóór deze datum.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 2/21
alsook vertegenwoordigd door Sirius Legal, Mr. Caroline Selleslagh en Mr.
Dagmar Thielman, hierna “tweede verweerder”
hierna samen “de verweerders”
I. Feiten en procedure
1. Op 4 mei 2023 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen
verweerders.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de aanwending van bewakingscamera’s in het
appartementencomplex [Residentie 2] waarbij de klager verwijst naar de reeds eerder
genomen beslissing van de Geschillenkamer met betrekking tot het
appartementencomplex [Residentie 1]. Volgens de klager zijn er tal van aanwijzingen waaruit
blijkt dat de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg heeft gegeven aan de beslissing ten
gronde 36/2020 van 9 juli 2020.
3. Op 23 mei 2023 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG
overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Op 27 juni 2023 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de
Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst,
samen met de klacht en de inventaris van de stukken.
5. Op 27 november 2023 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het
verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal
overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG).
Het verslag bevat volgende vaststellingen:
• inbreuk op artikel 31 AVG aangezien de beslissing ten gronde 36/2020 van 9 juli 2020
niet werd nageleefd. Doordat de samenwerking tussen de Inspectiedienst en de tweede
verweerder, vertegenwoordigd door de gedelegeerd bestuurder, moeizaam verliep,
konden bewijzen à charge en à décharge niet optimaal worden verkregen of getoetst.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 3/21
• Inbreuk op artikel 5.1 a) b) en c) AVG, artikel 5.2 AVG en op artikel 24.1 AVG, vermits
zowel de tweede verweerder, als de eerste verweerder als
verwerkingsverantwoordelijke voor en na 29 september 2020, niet voorzien in
transparante informatie. De rechtmatigheid van de verwerking kan niet worden
aangetoond. Het beginsel van minimale gegevensverwerking of noodzaak werd niet
voldoende uitgewerkt. De verwerkingsverantwoordelijken (verweerders) tonen niet aan
dat deze beginselen artikel 5.1 a), b) en c) AVG worden nageleefd. Dit vloeit voort uit de
verantwoordingsplicht (artikel 5.2 AVG) in samenhang met artikel 24.1 AVG.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 4/21
• Inbreuk door de eerste verweerder, als verwerkingsverantwoordelijke op de artikelen
12.2 en 15 AVG (plicht tot het faciliteren van de rechten en het recht van inzage) en op
artikel 12 van de Camerawet (het recht van toegang tot de beelden als gefilmde
persoon), aangezien de syndicus had moeten handelen namens de tweede verweerder
dewelke zij vertegenwoordigt.
• Inbreuk op artikel 28.3 AVG, vermits zowel de tweede verweerder, als de eerste
verweerder als verwerkingsverantwoordelijken, geen contractuele overeenkomst
sloten met betrekking tot de gegevensoverdracht en de verwerking van de
persoonsgegevens door de verwerker (en fabrikant).
• Inbreuk op artikel 4 van het Camerabesluit door zowel de tweede verweerder, als de
eerste verweerder als verwerkingsverantwoordelijken, wegens gebrek van vermelding
op de pictogrammen van de naam van de verwerkingsverantwoordelijke en van haar
vertegenwoordiger, namelijk de syndicus, alsmede bij gebrek aan vermelding van het
postadres en, in voorkomend geval, het e-mailadres van de syndicus.
• Inbreuk op artikel 6 van het Camerabesluit van 2018, aangezien zowel de tweede
verweerder als de eerste verweerder als verwerkingsverantwoordelijken geen jaarlijkse
controle op de juistheid van de aangifte hebben gedaan en ook geen aanpassing ervan
hebben gedaan, dit voor de periode 23 september 2020 tot 8 september 2023.
• Inbreuk op artikel 7, 8 en 9 van het Camerabesluit van 2018 door zowel de tweede
verweerder als door de eerste verweerder als verwerkingsverantwoordelijken,
aangezien geen register van beeldverwerkingsactiviteiten kon worden voorgelegd
wanneer daarom werd verzocht.
6. Op 14 november 2024 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel
98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken
partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in
artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99
WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd
daarbij vastgelegd op 23 december 2024, deze voor de conclusie van antwoord van de
belanghebbende derden op 3 februari 2025, deze voor de conclusie van repliek van de
klager op 24 februari 2025, deze voor de conclusie van repliek van de verweerders op 17
maart 2025 en deze voor de conclusie van repliek van de belanghebbende derden op 7 april
2025.
Indien de belanghebbende derden aan de Geschillenkamer te kennen geven niet in de
procedure tussen te komen, gelden de volgende termijnen:
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd
daarbij vastgelegd op 23 december 2024, deze voor de conclusie van repliek van de klager
Beslissing ten gronde 100/2026 — 5/21
op 13 januari 2025 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerders op 3 februari
2025.
7. Op 14 november 2024 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak
en vraagt hij een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke hem werd
overgemaakt op 21 november 2024.
8. Op 4 december 2024 aanvaardt de eerste verweerder elektronisch alle communicatie
omtrent de zaak, vraagt hij een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke hem
werd overgemaakt op 10 december 2024 en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van
de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. In aanvulling
hierop verzoekt eerste verweerder om een verlenging van de conclusietermijnen.
9. Op 13 december 2024 wordt op verzoek van de advocaat van de eerste verweerder de
verlenging van de conclusietermijnen door de Geschillenkamer toegestaan en vastgelegd
als volgt:
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd
daarbij vastgelegd op 13 januari 2025, deze voor de conclusie van antwoord van de
belanghebbende derden op 24 februari 2025, deze voor de conclusie van repliek van de
klager op 17 maart 2025, deze voor de conclusie van repliek van de verweerders op 7 april
2025 en deze voor de conclusie van repliek van de belanghebbende derden op 28 april
2025.
Indien de belanghebbende derden aan de Geschillenkamer te kennen geven niet in de
procedure tussen te komen, gelden de volgende termijnen:
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd
daarbij vastgelegd op 13 januari 2025, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 4
februari 2025 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerders op 24 februari
2025.
10. Op 23 december 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van Solitt Beheer BV, in de
hoedanigheid van syndicus van de eerste verweerder voor de periode 2020-2022.
11. Op 13 januari 2025 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de
eerste verweerder.
12. Op 4 februari 2025 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager.
13. Op 24 februari 2025 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de eerste
verweerder.
14. Niettegenstaande het bericht van de Geschillenkamer verzonden op 12 februari 2025 aan
de tweede verweerder teneinde in herinnering te brengen dat kan worden verzocht om een
kopie van het dossier, om te worden gehoord en om verweermiddelen in te dienen via het
Beslissing ten gronde 100/2026 — 6/21
door hem gebruikte e-mailadres, werd hierop geen reactie ontvangen vanwege de tweede
verweerder.
15. Op 5 september 2025 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal
plaatsvinden op 19 november 2025.
16. Op 5 oktober 2025 reageert de tweede verweerder met de vraag tot overmaking van een
kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke werd overgemaakt op 14 oktober
2025. Alsook geeft de tweede verweerder te kennen gebruik te willen maken van de
mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG met het verzoek op
de hoorzitting op 19 november 2025 te verplaatsen.
17. Op 14 oktober 2025 gaat de Geschillenkamer over tot het vastleggen van nieuwe
conclusietermijnen teneinde de rechten van verdediging van alle partijen te respecteren,
ook deze van de tweede verweerder.
De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders werd
daarbij vastgelegd op 12 november 2025, deze voor de conclusie van repliek van de klager
op 26 november 2025 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerders op 10
december 2025. Ook de datum van hoorzitting wordt daarbij vastgelegd op 19 januari 2026.
18. Op 12 november 2025 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege
tweede verweerder.
19. Op 26 november 2025 ontvangt de Geschillenkamer procedurestukken vanwege de klager.
20. Op 10 december 2025 ontvangt de Geschillenkamer de syntheseconclusie vanwege
tweede verweerder.
21. Op 19 januari 2026 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer.
22. Op 23 januari 2026 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd.
23. Op 6 februari 2026 ontvangt de Geschillenkamer vanwege tweede verweerder enkele
opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal , dewelke zij beslist mee op te nemen
in haar beraad.
II. Motivering
Verwerkingsverantwoordelijke
24. Teneinde de onderlinge verhouding tussen beide verweerders en de mate waarin zij de
hoedanigheid aannemen van verwerkingsverantwoordelijke duidelijk af te bakenen, gaat de
Beslissing ten gronde 100/2026 — 7/21
Geschillenkamer na in hoeverre het doel en de middelen worden bepaald door de
verweerders in de zin van artikel 4. 7) AVG2.
25. Het uitgangspunt hierbij is de Beslissing ten gronde 36/2020 van 9 juli 2020 waarin de
Geschillenkamer aan Z1 NV (die de enige verweerder was) het volgende oplegde:
“beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
- op grond van artikel 58.2. f) en artikel 100, §1, 8° WOG, de verweerder te bevelen dat de
verwerking door middel van bewakingscamera’s die betrekking hebben op het
appartementsblok Residentie […] (Fase 1) in zijnen hoofde definitief wordt verboden en de
verwerking door middel van bewakingscamera’s die betrekking hebben op zowel Fase 1 als
Fase 2 tijdelijk wordt verboden totdat Y1 Fase 1 en Y1 Fase 2 gezamenlijk een beslissing
hebben genomen over het gebruik van deze bewakingscamera’s;
- op grond van artikel 58.2. d) AVG en artikel 100, §1, 9° WOG, de verweerder te bevelen dat
de verwerking in overeenstemming wordt gebracht met artikel 6.1. AVG door de
verstrekking van de vereiste documenten, waaronder de plannen inzake plaatsing van de
bewakingscamera’s en de login code, aan de “Vereniging van Mede-eigenaars van het
gebouw Residentie […] ” met ondernemingsnummer 0538.454.720, aan wie de
hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke toekomt,.
- op grond van art. 100, §1, 13° WOG en art. 101 WOG een administratieve geldboete op te
leggen van 5000 EUR.”
26. De Inspectiedienst zet in het inspectieverslag het verband uiteen tussen de beslissing ten
gronde 36//2020 van 9 juli 2020 en de feiten die het voorwerp vormen van de voorliggende
klacht, voor wat betreft de aanduiding van de verwerkingsverantwoordelijke. Dit onderzoek
is nodig, aangezien de klager beweert dat de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg
heeft gegeven aan voormelde beslissing ten gronde 36/2020. Het verslag analyseert de
voorliggende situatie door te stellen dat in navolging van de beslissing ten gronde 36/2020
de Inspectiedienst de verwerkingsverantwoordelijke bepaalt voor de gegevensverwerking
middels camerabewaking betreffende Residentie […II]. De Inspectiedienst herneemt hierbij
niet alleen de redenering van de Geschillenkamer zoals uiteengezet in voormelde beslissing
2
Artikel 4 AVG
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
7) „verwerkingsverantwoordelijke”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander
orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens
vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden
vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt
aangewezen;
[…]
Beslissing ten gronde 100/2026 — 8/21
ten gronde, maar houdt ook rekening met het advies 22/2008 van de Privacycommissie, de
voorganger van de Gegevensbeschermingsautoriteit3.
27. De Inspectiedienst stelt dat de bouwheer van Residentie […II] de tweede verweerder was en
Z1 NV optrad als “waarnemend” syndicus van de eerste verweerder. De Inspectiedienst houdt
er rekening mee dat de tweede verweerder de beslissing nam voor de plaatsing van de
camera’s, de facturen werden verstuurd aan de tweede verweerder, de tweede verweerder
toegang had tot de camerabeelden bij de verwerker van de eerste verweerder. Deze
elementen leiden ertoe dat de Inspectiedienst vaststelt dat vanaf de installatie en start van
de bewakingscamera’s (20 juni 2016) tot 29 september 2020 de tweede verweerder wordt
geïdentificeerd als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7) AVG voor de
camerabewaking van de eerste verweerder. De verwerking betreft hier het opnemen van
beelden door middel van 6 bewakingscamera’s gericht op de gezamenlijk binnentuin en
ondergrondse garage voor de bewoners van Y1 [… I] en II én het doorzenden van
bewakingsbeelden naar de verwerker en software leverancier voor raadpleging via software
applicatie voor smartphones. De Inspectiedienst stelt vast dat de tweede verweerder het doel
van en de middelen voor de gegevensverwerking van de camerabeelden bepaalde.
28. In het verslag wordt erop gewezen dat vanaf 23 september 2020 rekening moet worden
gehouden met de volgende wijzigingen:
• overdracht van de rol van syndicus van Z1 NV naar Z2 BV voor Y1 [… II].
• Z2 BV was, als syndicus, secretaris voor de Bijzondere algemene vergadering van 23
september 2020 van de Y1 [… II].
• Op de Bijzondere algemene vergadering van 23 september 2020 werd gestemd voor
het behoud van de bewakingscamera’s met 851 / 914 stemmen voor.
• Z2 BV verkreeg de toegang vanaf 29 september 2020 van BV [..] Assistance
29. De Inspectiedienst stelt vast dat de eerste verweerder kan worden geïdentificeerd als
verwerkingsverantwoordelijke vanaf 29 september 2020 4. De Inspectiedienst houdt hierbij
rekening met de overdracht van de syndicusrol van Z1 NV aan Z2 BV, de beslissing van de
eerste verweerder op de bijzondere algemene vergadering van 23 september 2020 voor het
behoud van de camerabeelden en de toegang tot de bewakingsbeelden en de toegangscodes
(login) voor Z2 BV van BV [..] Assistance.
3
Advies uit eigen beweging nr. 22/2008 van 11 juni 2008 over bepaalde toepassingen van de wet van 8 december 1992 tot
bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens bij gedwongen mede-
eigendom
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-22-2008.pdf
4
Datum waarop de toegang van de syndicus tot de bewakingsbeelden werd gerealiseerd.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 9/21
30. Ook in het kader van het onderzoek naar de mogelijke gezamenlijke
verwerkingsverantwoordelijken, neemt de Inspectiedienst als vertrekpunt de beslissing ten
gronde 36/2020 van 9 juli 2020. De Geschillenkamer wijst in de betreffende beslissing op de
gezamenlijke verwerkingsactiviteit inzake camerabewaking van Y1 [… I] en de eerste
verweerder en de gezamenlijk te nemen beslissing met betrekking tot het gebruik van deze
bewakingscamera’s.
31. Overeenkomstig de vaststelling van de Inspectiedienst beschouwt de Geschillenkamer Y1
[…I] en de eerste verweerder niet langer als (gezamenlijke) verwerkingsverantwoordelijke.
32. Gelet op het beheer van de bewakingscamera’s en de toegang tot de geregistreerde beelden
identificeert de Inspectiedienst de tweede verweerder als verwerkingsverantwoordelijke tot
29 september 2020 en nadien de eerste verweerder tot op heden als
verwerkingsverantwoordelijke voor:
• de verwerkingen van de camerabewaking op de gezamenlijke plaats van (…) zijnde: de
gezamenlijke binnentuin en de inrit naar de ondergrondse garage van Y1 […I] en de
eerste verweerder.
• het doorsturen van de bewakingscamerabeelden naar de verwerker en de
softwareleverancier.
33. De Geschillenkamer stelt vast dat de tweede verweerder zowel in de conclusies, als tijdens
de hoorzitting benadrukt dat van zodra de beslissing ten gronde 36/2020 ter kennis werd
gebracht van de betrokken partijen, het mogelijke werd gedaan om binnen een redelijke
termijn van een tweetal maanden een bijzondere algemene vergadering te organiseren op 23
september 2020 waarbij de overdracht van de verantwoordelijkheid voor de
camerabewaking aan de eerste verweerder werd geregeld.
34. Daarenboven merkt de Geschillenkamer op dat de eerste verweerder niet betwist als
verwerkingsverantwoordelijke op te treden sinds 23 september 2020 ingevolge de
overdracht van die verantwoordelijkheid voor de bewakingscamera’s door de tweede
verweerder, waardoor de eerste verweerder als enige verwerkingsverantwoordelijke
optreedt sinds 23 september 2020.
35. Deze overdracht van hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke door de tweede
verweerder naar de eerste verweerder staat onmiskenbaar vast op basis van de stukken in
het dossier, inzonderheid deze betreffende de bijzondere algemene vergadering van de
eerste verweerder van 23 september 2020.
36. Hoewel de klager in zijn argumentatie aanhaalt dat de tweede verweerder in de hoedanigheid
van bouwheer de bewakingscamera’s oplegt, stelt de Geschillenkamer vast dat - voor wat
betreft de periode na 23 september 2020 – uit geen enkel stuk blijkt dat de tweede
Beslissing ten gronde 100/2026 — 10/21
verweerder ook maar enige beslissingsbevoegdheid heeft over het doel en de middelen van
de gegevensverwerking en dus ook maar enige impact heeft op de plaatsing en het gebruik
van de bewakingscamera’s aan de hand waarvan de beelden worden vastgelegd. Zoals de
tweede verweerder aanvoert, vormt het loutere feit dat de tweede verweerder mede-
eigenaar is van Residentie [… II] en optreedt als voorzitter van Y1 II zonder daarbij over enige
beslissingsbevoegdheid te beschikken omtrent het beheer van de mede-eigendom, geen
indicatie dat de tweede verweerder de rol opneemt van verwerkingsverantwoordelijke in de
zin van artikel 4. 7) AVG.
37. De tweede verweerder benadrukt zowel in de conclusies, als tijdens de hoorzitting dat van
zodra de beslissing ten gronde 36/2020 ter kennis werd gebracht in de daarop volgende
maanden, namelijk vanaf 9 juli 2020 (datum waarop de Beslissing ten gronde 36/2020 werd
genomen) tot 23 september 2020 (datum van overdracht van de verantwoordelijkheid voor
de camerabewaking aan de eerste verweerder en de aanstelling van de syndicus) het nodige
werd gedaan in opvolging van de Beslissing ten gronde 36/2020:
- Teneinde de beslissing toe te lichten aan alle mede-eigenaars werd zo snel mogelijk de
algemene vergadering bijeengeroepen;
- Tijdens deze algemene vergadering werd ook de syndicus voorgedragen die meteen
werd aanvaard;
- De camera’s van fase 1 werden volledig uitgeschakeld.
38. Gelet op de korte tijdsperiode die is verstreken sinds de kennisgeving van de beslissing ten
gronde 36/2020 van 9 juli 2020 aan de daarin betrokken partijen en de overdracht aan Y1 […
II] van de verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking door middel van
camerabewaking, maakt de tweede verweerder naar het oordeel van de Geschillenkamer
aannemelijk dat kort na de voormelde beslissing deels gevolg werd geven aan het door de
Geschillenkamer opgelegde definitieve verbod. Immers, de bewakingscamera’s van
Residentie [… I] werden volledig uitgeschakeld en de verantwoordelijkheid voor het gebruik
van de reeds geplaatste camera’s werd overgedragen aan de bevoegde Y1, in casu de eerste
verweerder.
39. Zoals de Inspectiedienst terecht vaststelt, heeft de tweede verweerder geen actie
ondernomen om gevolg te geven aan het tijdelijk verbod tot gebruik van de
bewakingscamera’s die zowel betrekking hebben op Residentie […I] als Residentie […II] totdat
Y1 I en de eerste verweerder gezamenlijk een beslissing nemen over het gebruik van die
gemeenschappelijke camera’s. Dienaangaande merkt de Geschillenkamer op dat in beslissing
ten gronde 36/2020 Z1 NV de hoedanigheid van verweerder en
verwerkingsverantwoordelijke had, terwijl in het voorliggend dossier de tweede verweerder
optreedt als verweerder, weliswaar samen met de eerste verweerder. Deze hoedanigheid van
Beslissing ten gronde 100/2026 — 11/21
verwerkingsverantwoordelijke was in beslissing ten gronde 36/2020 gekoppeld aan het feit
dat Z1 NV optrad als bouwheer en het initiatief nam tot plaatsing en gebruik van de
bewakingscamera’s. In het voorliggende dossier is het eveneens de bouwheer die de
bewakingscamera’s plaatste en in gebruik nam, namelijk de tweede verweerder. Dit is te
verklaren als volgt en wordt als dusdanig bevestigd in het inspectieverslag:
• Residentie [… 1] werd niet door de tweede verweerder gebouwd, maar door Z1 NV;
• Residentie […II] heeft de tweede verweerder als bouwheer, terwijl Z1 NV enkel de
grondeigenaar is.
40. Gelet op de vaststelling dat de tweede verweerder geen partij was in beslissing ten gronde
36/2020 aangezien zij als rechtspersoon is te onderscheiden van Z1 NV die de verweerder
was in beslissing ten gronde 36/2020, heeft beslissing ten gronde 36/2020 geen
rechtstreeks gevolg voor de tweede verweerder.
41. Het feit dat de vaste vertegenwoordiger van zowel Z1 NV (verweerder in beslissing ten gronde
36/2020), als van de tweede verweerder dezelfde natuurlijke persoon is, doet daaraan in
beginsel geen afbreuk, aangezien het twee onderscheiden vennootschappen betreft die elk
afzonderlijk hun verplichtingen op grond van de AVG dienen na te komen.
42. Echter, voor de Geschillenkamer staat vast dat de tweede verweerder op onrechtstreekse
wijze kennis had van het tijdelijk verbod in beslissing ten gronde 36/2020. . Immers, de
Inspectiedienst stelde vast dat Z1 NV de rol opnam van syndicus voor Y1 I en de eerste
verweerder, waardoor aldus de verweerders via de vaste vertegenwoordiger, tegelijk ook
syndicus, kennis dienden te hebben van de beslissing ten gronde 36/2020 waaronder dus ook
het tijdelijk verbod. De Geschillenkamer merkt op dat voor wat betreft de uitvoering van het
tijdelijk verbod, dit voor wat betreft de tweede verweerder enkel de periode betreft vanaf de
kennisgeving van de beslissing ten gronde 36/2020, namelijk 9 juli 2020, tot het moment van
overdracht van de verantwoordelijkheid voor de camerabewaking aan de eerste verweerder
en de aanduiding van de nieuwe syndicus, namelijk 23 september 2020. Dit is een uitermate
korte periode die naar het oordeel van de Geschillenkamer verantwoordt dat voor wat betreft
het tijdelijk verbod, het niet opportuun is om de tweede verweerder een corrigerende
maatregel of een berisping of een administratieve geldboete op te leggen voor het niet-
naleven van het tijdelijk verbod van gegevensverwerking door middel van de camera’s die
zowel betrekking hebben op Residentie […I] als Residentie [… II]. Voor wat betreft de niet-
naleving van het tijdelijk verbod door tweede verweerder beslist de Geschillenkamer dan ook
de klacht te seponeren. Het definitief verbod betreffende Residentie […I], alsook de
overdracht van de verantwoordelijkheid voor de bewakingscamera’s aan Y1 II werd binnen
dezelfde korte tijdsperiode gerealiseerd, zodanig dat de Geschillenkamer deze beschouwt als
Beslissing ten gronde 100/2026 — 12/21
uitgevoerd binnen een redelijke termijn en de klacht ook voor wat betreft dit gedeelte dient
te worden geseponeerd.
43. De Geschillenkamer besluit met toepassing van criterium B.6 van het sepotbeleid5 de
klacht te seponeren, voor zover de gericht is tegen de tweede verweerder, aangezien het
voorwerp van de klacht is verdwenen als gevolg van de maatregelen die door de tweede
verweerder als verwerkingsverantwoordelijke genomen werden.
Rechtsgrond
44. Aangaande de rechtsgrond stelde beslissing ten gronde 36/2020 uitdrukkelijk dat de
gegevensverwerking door middel van camerabewaking niet kan worden gebaseerd op
toestemming (artikel 6.1 a) AVG), vermits de toestemming geenszins beantwoordt aan de
vereisten zoals vastgelegd in artikel 4. 11) AVG waarin is opgenomen dat onder toestemming
van de betrokkene wordt verstaan: “elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige
wilsuiting waarmee de betrokkene door middel van een verklaring of een ondubbelzinnige
actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt”.
45. Ook in onderhavige beslissing herhaalt de Geschillenkamer dat het element “vrij” werkelijke
keuze en controle voor de betrokkenen impliceert 6. Als algemene regel schrijft de AVG voor
dat als een betrokkene geen werkelijke keuze heeft, zich gedwongen voelt om toestemming
te geven of het voor hem negatieve gevolgen zal hebben als hij niet toestemt, de
toestemming niet geldig is. Indien toestemming is opgenomen als een niet-onderhandelbaar
onderdeel van de voorwaarden, wordt deze verondersteld niet vrijelijk te zijn verleend.
Bijgevolg wordt toestemming niet geacht vrijelijk te zijn verleend, indien de betrokkene zijn
toestemming niet zonder nadelige gevolgen kan weigeren of intrekken. Bij het beoordelen of
toestemming vrij is gegeven, moet ook rekening worden gehouden met de specifieke situatie
van het opnemen van toestemming in contracten voor de verwerking van persoonsgegevens
die niet noodzakelijk is voor de uitvoering van die overeenkomst (artikel 7.4. AVG)7. Elk
5
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf
6
Richtsnoeren 05/2020 inzake toestemming overeenkomstig Verordening 2016/679
https://www.edpb.europa.eu/our-work-tools/our-documents/guidelines/guidelines-052020-consent-under-regulation-
2016679_nl
7
Artikel 7.4. AVG
“Bij de beoordeling van de vraag of de toestemming vrijelijk kan worden gegeven, wordt onder meer ten sterkste rekening
gehouden met de vraag of voor de uitvoering van een overeenkomst, met inbegrip van een dienstenovereenkomst,
toestemming vereist is voor een verwerking van persoonsgegevens die niet noodzakelijk is voor de uitvoering van die
overeenkomst.”
Zie ook overweging 43 AVG
“[…] De toestemming wordt geacht niet vrijelijk te zijn verleend indien geen afzonderlijke toestemming kan worden gegeven
voor verschillende persoonsgegevensverwerkingen ondanks het feit dat dit in het individuele geval passend is, of indien de
uitvoering van een overeenkomst, daaronder begrepen het verlenen van een dienst, afhankelijk is van de toestemming
ondanks het feit dat dergelijke toestemming niet noodzakelijk is voor die uitvoering.”
Beslissing ten gronde 100/2026 — 13/21
element dat ongepaste druk of invloed op de betrokkene inhoudt waardoor een betrokkene
zijn of haar vrije wil niet kan uitoefenen, maakt de toestemming ongeldig.
46. Teneinde te toetsen of beslissing ten gronde 36/2020 werd opgevolgd, heeft de
Inspectiedienst de verweerders daaromtrent bevraagd. De aanleiding hiertoe is het feit dat
de Geschillenkamer in beslissing ten gronde 36/2020 heeft gesteld dat de
gegevensverwerking door middel van bewakingscamera’s mogelijk zou kunnen worden
gebaseerd op artikel 6.1 f) AVG en voor de behartiging van het gerechtvaardigd belang, een
belangenafweging moet worden uitgevoerd. Het verslag vermeldt als resultaat van deze
bevraging dat de verweerders in hun communicatie met de Inspectiedienst niet hebben
verwezen naar een rechtsgrond of naar het bestaan van een voorafgaand uitgevoerde
belangenafweging. Het verslag geeft ook aan dat er geen stuk werd bijgevoegd waaruit blijkt
dat een dergelijke belangenafweging effectief en in concreto werd uitgevoerd.
47. De Geschillenkamer merkt op dat zich hierbij de vraag stelt of op het ogenblik van overdracht
door Z1 NV8 van de verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking via de
bewakingscamera’s aan de eerste verweerder, namelijk op 23 september 2020, en dit
ingevolge beslissing ten gronde 36/2020, de eerste verweerder in kennis werd gesteld van
het bevel van de Geschillenkamer om de verwerking in overeenstemming te brengen met
artikel 6.1 AVG. Het is immers op dat ogenblik dat de eerste verweerder de hoedanigheid
verkrijgt van verwerkingsverantwoordelijke voor wat betreft de gegevensverwerking via de
bewakingscamera’s waardoor de AVG-verplichtingen dienen te worden nageleefd,
inzonderheid de rechtsgrond voor die gegevensverwerking.
48. De Inspectiedienst heeft niet kunnen vaststellen dat de beslissing ten gronde 36/2020 van 9
juli 2020 van de Geschillenkamer werd gecommuniceerd aan de eerste verweerder en/of aan
de syndicus ervan, en dit noch door Z1 NV, noch door de tweede verweerder.
49. Het inspectieverslag stelt dat naar aanleiding van de bijzondere algemene vergadering van 21
oktober 2021 de toenmalige syndicus van de eerste verweerder, namelijk Z2 BV in kennis
werd gesteld van de Beslissing ten gronde 36/2020 van 9 juli 2020 van de Geschillenkamer
door een bewoner en niet door Z1 NV / de tweede verweerder.
50. Het inspectieverslag stelt dat de (syndicus van de) eerste verweerder tot 20 september 2023
géén gevolg heeft gegeven aan de beslissing ten gronde 36/2020 van 9 juli 2020 van de
Geschillenkamer.
51. Op 20 september 2023 gaf de nieuwe syndicus Z3 BV, en dit naar aanleiding van het
Inspectieonderzoek, opdracht aan de verwerker om de bewakingscamera’s uit te schakelen
tot de jaarlijkse algemene vergadering in december 2023.
8
Z1 NV in de hoedanigheid van verweerder in Beslissing ten gronde 36/2020 van 9 juli 2020
Beslissing ten gronde 100/2026 — 14/21
52. In de conclusies van de verweerders wordt aangevoerd en ondersteund met stukken dat de
bewakingscamera’s effectief sinds 22 september 2023 zijn uitgeschakeld. De tweede
verweerder die als enige verwerende partij aanwezig was tijdens de hoorzitting, bevestigt wel
tijdens de hoorzitting dat de bewakingscamera’s nog aanwezig zijn, maar geenszins
functioneren en dus sinds 22 september 2023 niet actief in gebruik zijn. In de conclusies van
verweerders wordt benadrukt dat op de bijzondere algemene vergadering van 23 september
2020, alsook op de daaropvolgende bijzondere algemene vergadering d.d. 21 oktober 2021
en de algemene vergadering van 27 april 2022 de camerabewaking werd geagendeerd en de
eerste verweerder telkens met volstrekte meerderheid stemde voor het behoud van de
camerabewaking.
53. Naast beslissing ten gronde 36/2020 van 9 juli 2020, gaat de Geschillenkamer niet voorbij
aan de wens van de grote meerderheid van de bewoners van Residentie[… II] om over
camerabewaking te beschikken. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat de uitschakeling van
de camera’s sinds 22 september 2023, niettegenstaande de vraag van de meeste bewoners
om wel over camerabewaking te beschikken, voortvloeit uit de polemiek die heerste omtrent
de camera’s waardoor de toenmalige syndicus besliste om over te gaan tot het uitschakelen
ervan. Ook eerste verweerder bevestigt in de conclusies dat de bewakingscamera’s inactief
zijn sinds 22 september 2023 en, niettegenstaande dat op de algemene vergadering van 13
december 2023 het gebruik van de bewakingscamera’s werd goedgekeurd, inactief zijn
gehouden omwille van één tegenstem van de klager.
54. Vaststaat dat de eerste verweerder in ieder geval vanaf 21 oktober 2021 op de hoogte was
van de beslissing 36/2020, en daar dus ook uitvoering aan kon geven.
55. In ieder geval stelt de Geschillenkamer vast dat in het huidige dossier niet kan worden
voorgehouden dat de toestemming van de bewoners vrij is in de zin van artikel 6.1 a) AVG
juncto artikel 4. 11) AVG. De eerste verweerder haalt in de conclusie aan dat de basisakte d.d.
30/12/2014 van Residentie […II] het volgende bepaalt:
“3. CAMERABEWAKING
De gemeenschappelijke delen (binnentuin, inrit garages en garages – deze lijst is niet
beperkend) zullen bewaakt worden door middel van camera’s. Elke eigenaar/gebruiker dient
deze vorm van bewaking te respecteren en zal uitdrukkelijk zijn akkoord dienen te geven
inzake de privacyvermeldingen hiertoe.”
56. De eerste verweerder haalt aan dat in het reglement van interne orde van 23/09/2023 het
volgende werd opgenomen:
“g. Wet op privacy: U wordt ervan ingelicht dat het gebouw uitgerust is met camerabewaking
in de inkomhallen, traphallen, de kelder en parkeergarage”
Beslissing ten gronde 100/2026 — 15/21
57. De Geschillenkamer stelt dat uit de basisakte blijkt dat de klager verplicht werd om in te
stemmen met de camerabewaking; uit het reglement van interne orde blijkt enkel dat de
klager in kennis werd gesteld van de aanwezigheid van de camerabewaking.
58. De klager haalt deze elementen ook aan om te stellen dat de bewakingscamera’s eenzijdig
worden opgelegd en hiervoor geen toestemming werd gegeven. De Geschillenkamer treedt
de klager op dit punt bij.
59. De Geschillenkamer merkt op dat de bewakingscamera’s sinds 22 september 2023 buiten
gebruik zijn en er sindsdien geen camerabeelden worden verwerkt, maar de
bewakingscamera’s desondanks nog steeds aanwezig zijn. De loutere aanwezigheid van de
camera’s ook al zijn deze inactief en het gebrek aan de mogelijkheid voor de bewoners om
ook maar enige controle uit te oefenen op het al dan niet functioneren van de
bewakingscamera’s vormt op zich reeds een aantasting van het fundamenteel recht op
eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 EVRM)9.
60. In die optiek is de Geschillenkamer dan ook van oordeel dat de huidige
verwerkingsverantwoordelijke, zijnde de eerste verweerder, een besluit dient te nemen
omtrent het al dan niet gebruik van de bewakingscamera’s en slechts in de mate dat het
gebruik ervan kan worden gebaseerd op artikel 6.1 f) AVG, dit bij gebrek aan een geldige
toestemming. Dit vereist dat voor elk van de zes camera’s een belangenafweging dient te
worden gemaakt volgens de voorwaarden die zijn vastgelegd in de rechtspraak van het Hof
van Justitie en de richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming
(EDPB).10
61. Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient aan drie
cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan opdat een verwerkingsverantwoordelijke zich
rechtsgeldig kan beroepen op deze rechtmatigheidsgrond, “te weten, in de eerste plaats, de
behartiging van een gerechtvaardigd belang van de voor de verwerking verantwoordelijke of
van de derde(n) aan wie de gegevens worden verstrekt, in de tweede plaats, de noodzaak van
de verwerking van de persoonsgegevens voor de behartiging van het gerechtvaardigde
belang, en, in de derde plaats, de voorwaarde dat de fundamentele rechten en vrijheden van
de bij de gegevensbescherming betrokken persoon niet prevaleren” (arrest “Rigas” 11).
9
Artikel 8.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens:
“Een ieder heeft het recht op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.”
10
Richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming 01/2024 over de verwerking van persoonsgegevens
op basis van gerechtvaardigd belang (artikel 6(1)(f) AVG), zoals aangenomen op 8 oktober 2024
https://www.edpb.europa.eu/our-work-tools/documents/public-consultations/2024/guidelines-12024-processing-personal-
data-based nl
11
HvJEU, 4 mei 2017, C-13/16, Valsts policijas Rīgas reģiona pārvaldes Kārtības policijas pārvalde tegen Rīgas pašvaldības SIA
„Rīgas satiksme”, overweging 28. Zie ook HvJEU, 11 december 2019, C-708/18, TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA,
overweging 40.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 16/21
62. Teneinde zich conform artikel 6.1 f) AVG te kunnen beroepen op de rechtmatigheidsgrond
van het “gerechtvaardigd belang”, dient de verwerkingsverantwoordelijke met andere
woorden aan te tonen dat:
- de belangen die deze met de verwerking nastreeft, als gerechtvaardigd kunnen
worden erkend (de “doeltoets”);
- de beoogde verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van deze belangen (de
“noodzakelijkheidstoets”)12; Teneinde te voldoen aan de tweede voorwaarde, dient te
worden aangetoond dat de verwerking noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de
nagestreefde doeleinden. Dit betekent meer bepaald dat de vraag dient te worden
gesteld of met andere middelen hetzelfde resultaat kan worden bereikt zonder
verwerking van persoonsgegevens of zonder een onnodig ingrijpende verwerking
voor de betrokkenen en
- de afweging van deze belangen ten opzichte van de belangen, fundamentele
vrijheden en grondrechten van betrokkenen doorweegt in het voordeel van de
verwerkingsverantwoordelijke (de “afwegingstoets”)13. Teneinde na te gaan of aan de
12
Zie randnr. 29 van de Richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming 01/2024 over de verwerking van
persoonsgegevens op basis van gerechtvaardigd belang (artikel 6(1)(f) AVG:
[Eigen vertaling]: “Om te beoordelen wat „noodzakelijk“ is, moet worden nagegaan of de nagestreefde gerechtvaardigde
belangen bij de gegevensverwerking in de praktijk niet op even doeltreffende wijze kunnen worden gerealiseerd met andere
middelen die de grondrechten en vrijheden van de betrokkenen minder beperken. Indien er redelijke, even doeltreffende maar
minder ingrijpende alternatieven bestaan, kan de verwerking niet als „noodzakelijk“ worden beschouwd. In dit verband
herinnerde het Hof uitdrukkelijk eraan dat de voorwaarde met betrekking tot de noodzaak van de verwerking moet worden
getoetst in samenhang met het in artikel 5, lid 1, onder c), AVG neergelegde beginsel van „minimalisatie van gegevens”, volgens
hetwelk persoonsgegevens „toereikend, ter zake dienend en beperkt tot hetgeen noodzakelijk is in verhouding tot de
doeleinden waarvoor zij worden verwerkt” moeten zijn. Het Hof benadrukte ook dat een verwerking „slechts voor zover strikt
noodzakelijk” mag worden uitgevoerd voor de doeleinden van het vastgestelde gerechtvaardigde belang. Deze eis van strikte
noodzaak wordt bijvoorbeeld ook benadrukt in overweging 47 van de AVG, waarin wordt gesteld dat „de verwerking van
persoonsgegevens die strikt noodzakelijk is voor het voorkomen van fraude […] een gerechtvaardigd belang van de betrokken
verwerkingsverantwoordelijke vormt.”
13
Zie randnrs. 32 -33 van de Richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming 01/2024 over de verwerking
van persoonsgegevens op basis van gerechtvaardigd belang (artikel 6(1)(f) AVG:
[Eigen vertaling]: “Deze voorwaarde houdt in dat de tegenstrijdige rechten en belangen in het geding tegen elkaar moeten
worden afgewogen, hetgeen in principe afhangt van de specifieke omstandigheden van het concrete geval.46 Naast de
beoordeling van het gerechtvaardigde karakter van het door de verwerkingsverantwoordelijke of een derde nagestreefde
belang en de analyse van de noodzaak van de verwerking, zoals hierboven beschreven, moet de verwerkingsverantwoordelijke
het volgende vaststellen en beschrijven:
i) De belangen, grondrechten en vrijheden van de betrokkenen.
ii) De gevolgen van de verwerking voor de betrokkenen, met inbegrip van
a. De aard van de te verwerken gegevens,
b. De context van de verwerking, en
c. Eventuele verdere gevolgen van de verwerking.
iii) De redelijke verwachtingen van de betrokkene.
iv) De uiteindelijke afweging van tegenstrijdige rechten en belangen, met inbegrip van de mogelijkheid van verdere
mitigerende maatregelen.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 17/21
derde voorwaarde van artikel 6.1, f) AVG - de zogenaamde “afwegingstoets” tussen
de belangen van de verwerkingsverantwoordelijke, enerzijds, en de fundamentele
vrijheden en grondrechten van betrokkene, anderzijds - kan worden voldaan, dient
overeenkomstig overweging 47 AVG rekening te worden gehouden met de redelijke
verwachtingen van de betrokkene. Er dient meer bepaald te worden geëvalueerd of
de “betrokkene op het tijdstip en in het kader van de verzameling van de
persoonsgegevens redelijkerwijs mag verwachten dat verwerking met dat doel kan
plaatsvinden”14. Dit wordt eveneens benadrukt door het Hof in zijn arrest “TK t/
Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA” van 11 december 201915, waarin het stelt:
“Ook relevant voor deze afweging zijn de redelijke verwachtingen van de betrokkene
dat zijn of haar persoonsgegevens niet zullen worden verwerkt wanneer, in de
gegeven omstandigheden van het geval, de betrokkene redelijkerwijs geen verdere
verwerking van de gegevens kan verwachten”.
63. De Geschillenkamer gaat er vanuit dat aan de doeltoets en de noodzakelijkheidstoets kan
worden voldaan. In functie van het resultaat van de daartoe door de eerste verweerder uit te
voeren belangenafweging, dient de eerste verweerder als volgt te handelen:
Ingeval de belangenafweging die per camera is uit te voeren, ertoe leidt dat :
• het belang van de klager primeert, dan dienen deze camera’s te worden verwijderd;
• het belang van eerste verweerder primeert, dan kunnen deze camera’s worden
behouden mits ook alle overige bepalingen van de AVG worden nageleefd,
waaronder inzonderheid het transparantiebeginsel en de informatieplicht (artikel
5.1 a) AVG juncto artikel 12 en 13 AVG), het faciliteren van de uitoefening van de
rechten van de betrokken (o.a. het inzagerecht – artikel 15 AVG), het sluiten van een
overeenkomst met de verwerker van de camerabeelden (artikel 28.3 AVG).
Transparantie
64. De eerste verweerder werpt op geen partij te zijn geweest in de procedure die aanleiding
heeft gegeven tot beslissing ten gronde 36/2020, zodanig dat die beslissing dan ook niet aan
haar tegenstelbaar was en zij ook nooit door de partijen die wel daarbij betrokken waren ervan
in kennis werd gesteld. Hoewel de Geschillenkamer deze argumentatie volgt, in ieder geval
voor de periode tot 21 oktober 2021, wijst zij er echter op dat de eerste verweerder sinds 23
Er zij aan herinnerd dat het doel van de afweging niet is om elke impact op de belangen en rechten van de betrokkenen volledig
te vermijden. Het doel is veeleer om een onevenredige impact te vermijden en het gewicht van deze aspecten ten opzichte
van elkaar te beoordelen.”
14
Overweging 47 AVG.
15
HvJEU, 11 december 2019, C-708/18, TK t/ Asociaţia de Proprietari bloc M5A-ScaraA, overweging 58.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 18/21
september 2020 – ogenblik van overdracht van verantwoordelijkheid voor de
bewakingscamera’s – als verwerkingsverantwoordelijke optreedt voor de
gegevensverwerking aan de hand van de aanwezige camera’s, waardoor zij vanaf dat moment
dient te voldoen aan alle AVG-verplichtingen, inclusief de verantwoordingsplicht (artikel 5.2
AVG juncto artikel 24.1 AVG))16. Zoals blijkt uit het inspectieverslag, werd vanaf de overdracht
aan de eerste verweerder van de verantwoordelijkheid voor het gebruik van de
bewakingscamera’s, geen actie ondernomen door de eerste verweerder om te voldoen aan
de basisbeginselen van de AVG, inzonderheid het beginsel van rechtmatigheid en
transparantie, alsook de aanduiding van de rechtsgrond waarop de gegevensverwerking door
middel van camerabewaking is gebaseerd. Zoals vastgesteld door de Inspectiedienst, stelt de
Geschillenkamer vast dat er vanaf 23 september 2020 sprake is van een inbreuk door de
eerste verweerder op de artikelen 5.1 a), b) en c) juncto artikel 5.2 AVG en artikel 24.1 AVG,
aangezien de eerste verweerder niet voldoet aan de transparantieverplichting. De
Geschillenkamer baseert zich hiervoor op de vaststellingen van de Inspectiedienst waarin dit
wordt verduidelijkt als volgt:
• Tegenover de bewoners van Y1 II werd geen informatie over de precieze plaats en
zichtvelden van de camera’s, alsook van het plan van de verschillende
bewakingscamera’s en de eventuele bestaande noodzaak van de
bewakingscamera’s verstrekt. Uit de notulen van de algemene en bijzondere
vergaderingen van de Y1 blijkt niet dat de bewoners voorafgaand werden
geïnformeerd over de plaatsing en het beheer van de bewakingscamerabeelden.
De Inspectiedienst stelt ook vast dat de bewoners door Y1 II niet volledig werden
geïnformeerd voorafgaand aan de bijzondere algemene vergadering van 23
september 2020 tijdens dewelke werd gestemd voor het behoud van de
bewakingscamera’s met 851/914 stemmen.
• Tegenover betrokkenen: gebruik van het pictogram, maar zonder de vermelding
van de correcte identiteit en de contactgegevens van de
verwerkingsverantwoordelijke op het pictogram waardoor een inbreuk werd
gemaakt op artikel 7 van de Camerawet 17 en op artikel 4 van het Camerabesluit18.
• Tegenover de overheden: de aangifte van de bewakingscamera’s werd gedaan,
maar de informatie vermeld in de aangifte was niet geactualiseerd waardoor artikel
7 van de Camerawet en artikel 6 van het Camerabesluit niet werden nageleefd. Ook
16
Artikel 5.2. AVG
De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen
(„verantwoordingsplicht”)
17
Wet van 21 maart 2007 tot regeling van de plaatsing en het gebruik van bewakingscamera's
18
Koninklijk Besluit van 10 februari 2008 tot vaststelling van de wijze waarop wordt aangegeven dat er camerabewaking
plaatsvindt.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 19/21
het register van beeldverwerkingsactiviteiten ontbrak waardoor geen uitvoering
werd gegeven aan artikel 7 van de Camerawet en artikel 7 t.e.m. 9 van het
Camerabesluit.
65. Daarnaast stelt de Inspectiedienst vast dat de eerste verweerder een inbreuk heeft gepleegd
op de artikelen 12.2 juncto artikel 15 AVG en op artikel 12 van de Camerawet doordat geen
gevolg werd gegeven aan het recht van inzage van de klager en diens verzoek daartoe d.d. 19
april 2023. De syndicus heeft verklaard dat aan dit verzoek geen gevolg werd gegeven. De
eerste verweerder stelt dat er geen inbreuk werd gepleegd op voormelde bepalingen inzake
het inzagerecht van de betrokkene, aangezien de klager om toegang verzocht tot de beelden
gefilmd tussen 7-10 april 2023 om te achterhalen wie er zich op het eigen terras begaf bij de
uitvoering van werken. De eerste verweerder stelt dat niet de klager zelf, maar een derde
werd gefilmd, terwijl artikel 12 van de Camerawet enkel de gefilmde persoon het recht geeft
om toegang te verkrijgen tot de beelden die op hemzelf betrekking hebben, niet tot de
beelden die een derde betreffen.
66. De Geschillenkamer stelt vast dat de eerste verweerder geen gevolg heeft gegeven aan het
verzoek tot inzage van klager. De eerste verweerder erkent het verzoek tot inzage van de
klager volledig te hebben genegeerd, en dus niet daaraan het gevolg te hebben gegeven zoals
omschreven in artikel 12.2 AVG. Het feit dat mogelijk negatief moet worden gereageerd op
het verzoek om inzage – in verband met de rechten en vrijheden van anderen te worden
gerespecteerd – ontslaat een verwerkingsverantwoordelijke niet van zijn verplichting om
tijdig op een verzoek te reageren. Derhalve is de Geschillenkamer van oordeel dat het
vaststaat dat een inbreuk werd gepleegd door de eerste verweerder op de artikelen 12.2
juncto artikel 15 AVG en op artikel 12 van de Camerawet.
67. Aangaande de door de Inspectiedienst vastgestelde inbreuk op artikel 28.3 AVG19 door Y1 II,
stelt de Geschillenkamer vast dat eerste verweerder niet overgaat tot enig inhoudelijk
verweer op dit punt, maar in de conclusie enkel vermeldt zich te zullen gedragen naar de
wijsheid van de Geschillenkamer. Op grond van de vaststelling van de Inspectiedienst brengt
dit de Geschillenkamer tot het besluit dat Y1 II geen overeenkomst heeft gesloten met de
verwerker van de camerabeelden met een inbreuk op artikel 28.3 AVG tot gevolg.
68. Voor de inbreuk op artikel 31 AVG, gaat de Geschillenkamer over tot een
buitenvervolgingstelling (artikel 100, §1, 2° WOG), gelet op de specifieke aard van dit dossier.
Immers, de complexiteit op het vlak van verantwoordelijkheid en hoedanigheid van elk van de
19
Artikel 28.3.AVG:
De verwerking door een verwerker wordt geregeld in een overeenkomst of andere rechtshandeling krachtens het Unierecht
of het lidstatelijke recht die de verwerker ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke bindt, en waarin het onderwerp en
de duur van de verwerking, de aard en het doel van de verwerking, het soort persoonsgegevens en de categorieën van
betrokkenen, en de rechten en verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke worden omschreven. Die overeenkomst
of andere rechtshandeling bepaalt met name dat de verwerker:
[…]
Beslissing ten gronde 100/2026 — 20/21
partijen met daarenboven voor de eerste verweerder opeenvolgende syndici die optreden als
vertegenwoordiger van de eerste verweerder, alsook de bepaling van de rol die Z1 NV al dan
niet heeft in dit dossier, heeft een belangrijke invloed gehad op de wijze waarop de
communicatie en medewerking met de Inspectiedienst is verlopen.
III. Publicatie van de beslissing
69. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om:
- Op grond van artikel 58.2, d) AVG en artikel 100, §1, 9° WOG, de eerste verweerder te
bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht met artikel 6.1 AVG
door voor elk van de camera’s na te gaan of de gegevensverwerking door middel van
beeldregistratie kan worden gebaseerd op de rechtsgrond zoals bepaald in artikel 6.1 f)
AVG.
- De Geschillenkamer binnen een termijn van 3 maanden vanaf de datum van
kennisgeving van deze beslissing te informeren over de uitvoering hiervan.
- op grond van art. 58.2. b) AVG en 100, §1, 5° WOG, ten aanzien van eerste verweerder
een berisping te formuleren wegens inbreuk op:
o op de artikelen 5.1 a), b) en c) juncto artikel 5.2 AVG en artikel 24.1 AVG,
o op de artikelen 12.2 juncto artikel 15 AVG en op artikel 12 van de Camerawet
wegens miskenning van het inzagerecht van de klager,
o alsook voor de inbreuk op artikel 28.3 AVG bij gebrek aan een overeenkomst
met de verwerker van de camerabeelden;
- Op grond van artikel 100, § 1, 2° WOG, een buitenvervolgingstelling te bevelen ten
aanzien van de verweerders voor de inbreuk op artikel 31 WOG.
- Op grond van artikel 100, § 1, 1° WOG, voorliggende klacht te seponeren ten aanzien
van de tweede verweerder.
Beslissing ten gronde 100/2026 — 21/21
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van
beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 20. Het
verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.21, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(Get). Hielke HIJMANS
Directeur van de Geschillenkamer
20
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
21
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.