ECLI:NL:RBNNE:2026:597 text/xml public 2026-03-24T12:03:36 2026-03-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-26 LEE 26/584 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Groningen Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:597 text/html public 2026-03-24T12:03:17 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:597 Rechtbank Noord-Nederland , 26-02-2026 / LEE 26/584
Vovo hangende bezwaar. AVG. Spoedeisend belang ontbreekt.
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/584
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 in de zaak tussen
[naam 1 uit woonplaats] , verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen, het college (gemachtigde: T. Schuurman).
Inleiding en procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster.
1.1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Awb maakt dat mogelijk.
2. Verzoekster heeft op 18 december 2025 op grond van artikel 15 AVG verzocht om inzage in stukken over haar contacten met het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) en over haar als ouder met gezag. Verzoekster heeft op 23 december 2025 verzocht om inzage in het onderliggende dossier van haar dochter [naam 2] .
2.1. Het college heeft met het besluit van 15 januari 2026 de aanvraag van 18 december 2025 afgewezen voor zover verzoekster om specifieke dossierstukken heeft gevraagd. Het college heeft het recht op inzage in haar dossier toegekend. Vanaf 26 januari 2026 tot en met 9 februari 2026 kan zij het dossier ophalen. Het verzoek om inzage in het dossier van haar dochter is afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het college heeft een eerder verzoek op 19 juni 2025 afgewezen.
2.2. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft het primaire besluit gewijzigd bij besluit van 18 februari 2026. Het college zal de door verzoekster gevraagde documenten op elektronische wijze aan haar verstrekken, nadat het college de identiteit van verzoekster en haar dochter heeft kunnen vaststellen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Verzoekster heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de verzoekprocedure verschuldigde griffierecht. Op grond van de door verzoekster overgelegde uitkeringsspecificaties acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat het maandelijks netto-inkomen van verzoekster in de in aanmerking te nemen periode minder bedraagt dan 95% van de voor een alleenstaande ouder geldende (maximale) bijstandsnorm en dat zij over onvoldoende vermogen beschikt waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Het beroep op betalingsonmacht wordt daarom in deze procedure gehonoreerd.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
4.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij de toepassing van de AVG niet snel sprake zal zijn van een zodanig spoedeisend belang dat de beslissing op bezwaar niet afgewacht kan worden. Verzoekster heeft niet duidelijk gemaakt welk spoedeisend belang het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Een beroep op naleving van geldend Unierecht volstaat daartoe niet. De stelling dat vertraging de risico’s vergroot op onherstelbare schade, onjuiste besluitvorming en verdere verspreiding van mogelijk onrechtmatig verwerkte persoonsgegevens evenmin. De overgang naar een nieuw digitaal systeem door het college is onvoldoende belang, nu verzoekster het vergrote risico op het wijzigen of overschrijven van en niet meer reproduceerbaar zijn van loggegevens, audittrails, zaakjournaals en metadata niet aannemelijk heeft gemaakt. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
Conclusie en gevolgen
5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.
Algemene verordening gegevensbescherming.