ECLI:NL:RBDHA:2026:15444 text/xml public 2026-06-18T13:02:40 2026-06-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-12 AWB - 25 _ 89 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht
Rechtspraak.nl
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:15444 text/html public 2026-06-18T13:02:30 2026-06-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:15444 Rechtbank Den Haag , 12-02-2026 / AWB - 25 _ 89
Deze zaak gaat over een Woo-verzoek om inzage in het eigen toeslagendossier in verband met een eerdere terugvordering van huurtoeslag. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 2 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit op bezwaar 1 is gegrond, dat besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen. Er bestaat onduidelijkheid bij beide partijen op diverse aspecten, waaronder of de zoekslag al dan niet volledig is geweest. Het beroep tegen het besluit op bezwaar 2 is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen (geen overschrijding van de redelijke termijn).
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/89
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. D. Habashy en S. Peterse).
Inleiding
1. In deze zaak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
Eiser heeft verzocht om inzage in zijn toeslagendossier. Bij brief van
1 september 2023 heeft hij verweerder in gebreke gesteld.
1.2. Met het primaire (deel)besluit van 9 november 2023 (het primaire besluit I) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser. Met het primaire besluit van 9 november 2023 (het primaire besluit II) heeft verweerder beslist op de ingebrekestelling.
1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de primaire besluiten I en II (SGR 23/8499). De rechtbank heeft dit beroep op 31 januari 2024 doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaar.
1.4. Eiser heeft met zijn brief van 16 december 2024, herhaald op 1 januari 2025, met eén beroepschrift twee beroepen ingesteld. Deze beroepen zijn afzonderlijk geregistreerd. Het beroep waar deze zaak op ziet, is gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II (SGR 25/89), waarbij hij heeft gevraagd om verwijzing van dit beroep naar een andere rechtbank. Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de ontvanger van de Belastingdienst van 5 november 2024 (SGR 25/231).
1.5.
Verweerder heeft met het besluit van 16 januari 2025 (hierna: het bestreden besluit I) het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I (kennelijk) gegrond verklaard.
Verweerder heeft met het besluit van 16 januari 2025 (hierna: het bestreden besluit II) het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit II (kennelijk) ongegrond verklaard.
1.6. Eiser kan zich niet vinden in de bestreden besluiten I en II.
1.7. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.8.
De rechtbank heeft eiser bij brief van 30 juli 2025 meegedeeld dat zijn verzoek om
verwijzing van dit beroep naar een andere rechtbank wordt afgewezen.
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft in zijn brief van 15 juni 2023 aan verweerder gevraagd om inzage in
zijn toeslagendossier, omdat hij denkt dat de Belastingdienst bij het terugvorderen van huurtoeslag in de periode van 2010 tot en met 2017 onzorgvuldig en onjuist heeft gehandeld.
2.1.
In een notitie (van de Dienst Toeslagen) van 30 juni 2023 naar aanleiding van het verzoek van eiser is onder meer vermeld “beschikkingen zt 2012/2023 en ht 2012/2016 via envelopje naar aanvrager verzenden. Voor zt en ht 2011 en ouder wo oude toeslagjaren aangemaakt. Vervolgactie: WO ouder toeslagjaren aangemaakt voor zt en ht 2011 en ouder. Beschikkingen zt 2012/2023 en ht 2012/2016 via envelopje verzonden ong 9016 ht mv 2017 afgerond”.
In een notitie (van de Belastingdienst) van 6 juli 2023 naar aanleiding van het verzoek van eiser is onder meer vermeld dat een kopie van de zorg-beschikkingen over 2006 tot en met 2011 en van de huur-beschikkingen over 2010 en 2011 aan eiser worden verstrekt en per post aan hem worden toegezonden. Vermeld is voorts dat daarmee de aanvraag van eiser is beantwoord.
2.1.1. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 1] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2012 van 2 november 2013. Bij dit besluit is eiser (een deel van) een besluit toegezonden terzake zorgtoeslag 2012.
2.1.2. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 2] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking huurtoeslag voor 2013 van 8 augustus 2014. Bij dit besluit is eiser (een deel van) een besluit toegezonden terzake huurtoeslag 2013.
2.1.3. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 3] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking huurtoeslag voor 2012 van 15 augustus 2014. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake huurtoeslag 2012 en huur- en zorgtoeslag 2013.
2.1.4. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 4] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2013 van 5 september 2014. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake zorgtoeslag 2013 en huur- en zorgtoeslag 2014.
2.1.5. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 5] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2014 van 7 augustus 2015. Bij dit besluit is eiser (een deel van) een besluit toegezonden terzake zorgtoeslag 2014.
2.1.6. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 6] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2015 van 2 september 2016. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake zorgtoeslag 2015, huurtoeslag 2016 en huur- en zorgtoeslag 2016.
2.1.7. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 7] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking huurtoeslag voor 2014 van 9 september 2016. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake huurtoeslag 2014 en huur- en zorgtoeslag 2015.
2.1.8. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 8] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking huurtoeslag voor 2015 van 3 maart 2017. Bij dit besluit is eiser (een deel van) een besluit toegezonden terzake huurtoeslag 2015.
2.1.9. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 9] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking huurtoeslag voor 2016 van 31 december 2018. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake huurtoeslag 2016.
2.1.10. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 10] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2016 van 31 december 2018. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) een besluit toegezonden terzake zorgtoeslag 2016 en 2017.
2.1.11. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 11] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2017 van 5 april 2019. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) een besluit toegezonden terzake zorgtoeslag 2017 en 2018.
2.1.12. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 12] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2018 van 17 juli 2020. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake zorgtoeslag 2018 en 2019.
2.1.13. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 13] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2019 van 17 juli 2021. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake zorgtoeslag 2019 en 2020.
2.1.14. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 14] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2020 van 15 juli 2022. Bij dit besluit zijn eiser (delen van) besluiten toegezonden terzake zorgtoeslag 2020 en 2021.
2.1.15. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ([beschikking 15]) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2021 van 14 juli 2023. Bij dit besluit is eiser (een deel van) een besluit toegezonden terzake zorgtoeslag 2021.
2.1.16. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 16] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2023 van 28 december 2022. Bij dit besluit is eiser (een deel van) een besluit toegezonden terzake zorgtoeslag 2023.
2.1.17. Bij primair deelbesluit van 17 juli 2023 ( [beschikking 17] ) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij heeft gevraagd om een specificatie van zijn beschikking zorgtoeslag voor 2022 van 28 december 2021. Bij dit besluit is eiser (een deel van) een besluit toegezonden terzake zorgtoeslag 2022.
2.2.
Bij brief van 1 september 2023 heeft eiser verweerder meegedeeld dat hij op
7 juli 2023 en op 13 juli 2023 enkele stukken van verweerder heeft ontvangen. Hij heeft verweerder in gebreke gesteld en verzocht om toezending van de rest van zijn dossier binnen twee weken.
2.3.
Verweerder heeft met het bestreden primaire (deel)besluit I van 9 november 2023 beslist op het verzoek van eiser van 15 juni 2023.
Voor zover eiser heeft verzocht om inzage in het toeslagendossier, stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser geen specifieke wettelijke bepaling heeft genoemd. Het verstrekken van een volledig dossier is volgens verweerder geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het niet tijdig verstrekken van een volledig dossier is daarmee evenmin als een niet tijdig beslissen aan te merken.
Het verzoek van 15 juni 2023 wordt niet in behandeling genomen als een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Eiser heeft verzocht om het volledige toeslagendossier en niet om verstrekking van een afschrift van verwerkte persoonsgegevens.
Voor zover het verzoek moet worden opgevat als een verzoek in de zin van de Wet open overheid (Woo), volgt uit artikel 5.5, eerste lid, van de Woo dat de Woo-verzoeker bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document moet vermelden, waarover hij de informatie wenst te ontvangen. Een verzoek om een volledig dossier kan niet op grond van dit artikel worden verstrekt. Wel kan verweerder informatie verstrekken aangaande de terugvorderingen van de huurtoeslag. Volgens verweerder volgt uit de brief van eiser specifiek dat dat de achterliggende reden is van het verzoek van eiser. Deze stukken zijn als bijlagen gehecht aan het primaire besluit I. Deze bijlagen betreffen onder meer de definitieve berekening huurtoeslag 2011 met daarin een terug te betalen bedrag aan huurtoeslag, het bezwaar daartegen, een verzoek om informatie aan eiser, een besluit op het bezwaar tegen de definitieve berekening huurtoeslag 2011 en een verzoek om herziening van dat besluit, een huurcontract uit 2010, een verklaring van de Huurcommissie uit 2014 en het verzoek om inkomen over 2016 van zijn medebewoner door te geven.
2.4. Met het bestreden primaire besluit II van 9 november 2023 heeft verweerder de ingebrekestelling niet-ontvankelijk geacht. Volgens verweerder is, gelet op artikel 8.2. van de Woo, paragraaf 4.1.3.2. van de Awb niet van toepassing op besluiten op grond van de Woo en op beslissingen op bezwaar tegen deze besluiten.
2.5. Eiser heeft op 19 december 2023 het beroep SGR 23/8499 ingesteld. Hij heeft aangevoerd dat de stukken die hij op 7 juli 2023 en op 13 juli 2023 heeft ontvangen niet volledig zijn. Op 16 november 2023 heeft hij een nieuw dossier ontvangen en een beslissing op de ingebrekestelling ontvangen. Het nieuwe dossier bevat een overzicht, maar niet de beschikkingen die aansluiten bij de transacties. Die stukken wil eiser ontvangen. Ook is eiser het niet eens met de niet-ontvankelijkheidsverklaring van zijn ingebrekestelling.
2.6. De rechtbank heeft dit beroep op 31 januari 2024 doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Voorts is op deze datum de brief van verweerder aan de rechtbank van 11 januari 2024 met de bijbehorende gedingstukken aan eiser gezonden.
2.7. Eiser heeft met zijn brief van 16 december 2024, herhaald op 1 januari 2025, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II.
2.8.
Verweerder heeft met het bestreden besluit I het bezwaar tegen het primaire besluit I (kennelijk) gegrond verklaard en stelt dat daarmee volledig aan eiser tegemoet is gekomen.
Vermeld is dat naar aanleiding van het bezwaar is gezocht op BSN-nummer. Dit is gedaan in het Digitaal Archief Systeem, het onderdeel ‘Digitaal archief’ van het Toeslagen Verstrekkingen Systeem (TVS), de applicatie Eldoc, de systemen van het Landelijk Incasso Centrum (LIC) en het registratiesysteem MAIS Flexis van het archief van verweerder.
In Eldoc en MAIS Flexis zijn geen gegevens en dus geen stukken van eiser aangetroffen.
Gebleken is dat per abuis stukken uit het Digitaal archief van TVS niet zijn meegezonden met het primaire besluit I. Reeds hierom is het bezwaar van eiser gegrond.
Voorts zijn in de systemen van het LIC nog niet verstrekte stukken aangetroffen. Gezocht is in de sinds 2014 in gebruik zijnde systemen en applicaties en ook in die van daarvoor.
De aangetroffen stukken zijn als bijlage A bij het bestreden besluit I gevoegd.
Met het primaire besluit I zijn evenmin alle beschikkingen aan eiser toegezonden en eiser is niet gewezen op het burgerportaal ‘Mijn Toeslagen’, waar hij met zijn DigiD kan inloggen en alle beschikkingen vanaf het toeslagjaar 2012 zelf kan zien. Als bijlage B bij het bestreden besluit I zijn beschikkingen van 2010 tot en met 2016 gevoegd.
Gebleken is dat Toeslagen de informatiehuishouding niet op orde had en dat informatie onvolledig is bewaard. Daardoor zijn niet alle naar eiser verzonden brieven en besluiten, waaronder de brief van 12 december 2015, bewaard in de systemen.
Voorts heeft verweerder toegelicht dat het kan voorkomen dat doorgegeven aanvragen of wijzingen in TVS uitvallen (kortweg uitval). Uitval zijn door het TVS gegenereerde uitvalsignalen, wanneer TVS niet de juiste informatie heeft om tot een berekening te komen van de toeslag. In dat geval wordt de aanvraag of wijziging beoordeeld en handmatig verwerkt door een medewerker. Het uitvalsignaal wordt in TVS verwerkt als een werkopdracht, zodat een medewerker deze kan behandelen. Drie werkopdrachten zijn niet door een medewerker behandeld, omdat deze niet als relevante werkopdrachten zijn beoordeeld. In één geval is het proces buiten behandeling gesteld. Een printscreen met vermelding van (vijf) werkopdrachten is als bijlage C bij het bestreden besluit I gevoegd.
Tenslotte heeft verweerder uiteengezet dat de werkopdracht die wel is behandeld betrekking heeft op het ontbreken van inkomensgegevens van een derde. De uitval is ontstaan naar aanleiding van de verhuizing van eiser op 19 januari 2016 naar een ander adres. Verweerder is ingegaan op wat in het geval van eiser is gebeurd met de huurtoeslag, dat de huurtoeslag was meegegaan naar het nieuwe adres en waarom de huurtoeslag met terugwerkende kracht is beëindigd per die datum.
2.9. Verweerder heeft met het bestreden besluit II het bezwaar tegen het primaire besluit II is (kennelijk) ongegrond verklaard. Verweerder heeft herhaald dat, gelet op artikel 8.2. van de Woo, paragraaf 4.1.3.2. van de Awb niet van toepassing is op besluiten op grond van de Woo.
2.10. Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. De rechtbank overweegt allereerst dat het beroep SGR 25/231 is behandeld bij Team Belastingen van deze rechtbank. Hetgeen eiser over die zaak heeft aangevoerd blijft in de onderhavige zaak buiten beschouwing.
4. Hoewel eiser in zijn verzoek van 15 juni 2023 niet heeft vermeld op welke wettelijke regeling hij zijn verzoek baseert, is gaandeweg voldoende duidelijk geworden en niet in geschil dat zijn verzoek is gebaseerd op artikel 5.5, eerste lid, van de Woo.
Omvang van geding
Verstrekte stukken
5. Eiser zegt in zijn ingebrekestelling dat hem op 7 juli 2023 en op 13 juli 2023 stukken zijn verstrekt. Verweerder zegt in zijn verweerschrift dat op 30 juni 2023 en op
6 juli 2023 stukken zijn verstrekt. Verweerder heeft op zitting over deze data meegedeeld dat bij het aanmaken van een beslissing in het systeem de dagtekening op een toekomstige datum wordt gezet. De reden daarvan is dat een beslissing niet wordt geprint op een lokale printer, maar naar een printstraat gaat waar het wordt geprint en verzonden. Daarbij kan vertraging ontstaan. De rechtbank overweegt dat beide partijen niet hebben onderbouwd of geduid om welke stukken dit gaat en of dit al dan niet met een besluit is toegezonden. De rechtbank ziet niet dat eiser deze verstrekking van stukken als zodanig heeft betwist.
Deelbesluiten van 17 juli 2023
6. Verweerder heeft op het verzoek van eiser aanvankelijk gereageerd met een aantal brieven van 17 juli 2023, waarbij (delen van) stukken zijn verstrekt. De rechtbank overweegt dat deze brieven (zie 2.1.1 tot en met 2.1.17), anders dan verweerder meent, zijn aan te merken als primaire (deel)besluiten. Hoewel eiser diverse malen, maar weinig concreet, heeft gesteld dat hij pas in een later stadium kennis heeft gekregen van diverse documenten, overweegt de rechtbank dat partijen niet hebben onderbouwd wanneer deze primaire (deel)besluiten aan eiser zijn gezonden dan wel door hem zijn ontvangen. De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze besluiten met de daarbij verstrekte stukken en in beroep heeft hij evenmin gronden daartegen aangevoerd. Daarom blijven deze primaire (deel)besluiten buiten beschouwing. Met het bestreden primaire (deel)besluit I heeft verweerder het laatste (deel)besluit genomen op het verzoek van eiser en daarmee zijn primaire besluitvorming afgerond. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij op 16 november 2023 een nieuw dossier heeft ontvangen, stelt de rechtbank vast dat partijen op dit punt evenmin duidelijkheid hebben gegeven over wat op 16 november 2023 al dan niet is verstrekt. Niet is gebleken dat eiser tegen deze gestelde verstrekking van stukken als zodanig gronden heeft aangevoerd. De rechtbank leidt uit dat wat eiser heeft aangevoerd af dat het hem gaat om wat hem nog niet is toegezonden, met name de stukken die geleid hebben tot de terugvordering van huurtoeslag.
Notities
7. De rechtbank is verder, anders dan eiser, van oordeel dat de notities van
30 juni 2023 en van 6 juli 2023 (zie 2.1), geen (primaire deel)besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarmee blijven ook deze notities in dit geding buiten beschouwing. Deze notities zijn namelijk aan te merken als een interne werkopdrachten om bepaalde acties te gaan verrichten. Er was nog geen sprake van een extern rechtsgevolg. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat zijn ingebrekestelling tevens als een bezwaar tegen die notities moet worden beschouwd, omdat eiser hierin niet expliciet heeft vermeld dat hij bezwaar maakt. Eiser heeft de notities bovendien voor het eerst ontvangen met de toezending van de gedingstukken door de rechtbank op 31 januari 2024, terwijl de ingebrekestelling al dateert van 1 september 2023.
Beroep met kenmerk: 23/8499 doorgezonden als bezwaar
8. Het beroep SGR 23/8499 is op 31 januari 2024 doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaar tegen de primaire besluiten I en II, onder kennisgeving daarvan aan eiser. De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser meent, daarmee de behandeling van dat beroep formeel is beëindigd. Alvorens in dit geval beroep te kunnen instellen moet eerst de bezwaarprocedure worden gevolgd. De rechtbank heeft de nagekomen brieven van eiser van 7 februari 2024 en van 21 mei 2024 daarom zelf niet verder behandeld en doorgezonden naar verweerder in verband met de behandeling van de bezwaren. Dat eiser zich niet kan vinden in het vorenstaande, kan hier niet aan afdoen.
Omvang van het geding in deze beroepsprocedure
9. Het onderhavige beroep is hiermee gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II en wordt geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten op bezwaar I en II.
Het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de bezwaren
10. Eiser heeft het beroep wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren tegen de primaire besluiten I en II ingesteld bij brief van 16 december 2024, herhaald op
1 januari 2025. De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling van 1 september 2023 is gedaan op het moment dat de primaire besluitvorming nog gaande was en eiser op dat moment toezending van meer stukken wenste. Eiser noemt daarin geen bezwaar en van een bezwaarprocedure was nog geen sprake. Met het bestreden primaire (deel)besluit I heeft verweerder zijn primaire besluitvorming afgerond (zie 6.). Nadien heeft eiser het beroep ingesteld dat als bezwaar is aangemerkt tegen de primaire besluiten I en II. Bedoelde ingebrekestelling kan, anders dan eiser meent, niet worden beschouwd als een ingebrekestelling ten aanzien van het niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II. Niet gebleken is dat eiser hangende de bezwaarfase en voorafgaand aan het onderhavige beroep wegens het niet tijdig beslissen verweerder alsnog in gebreke heeft gesteld. Daarmee is niet voldaan aan de wettelijke vereisten om een beroep wegens het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op de bezwaren te kunnen indienen.
11. Het beroep, voor zover gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II, is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling in dit kader bestaat geen aanleidin
Het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit I
12. De rechtbank overweegt allereerst dat, hoewel met het bestreden besluit I het bezwaar van eiser gegrond is verklaard, eiser belang heeft bij beoordeling van dit besluit nu het hem gaat om informatie die hij nog niet heeft gekregen.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft gevraagd om zijn volledige persoonlijke dossier. Verweerder had uit het verzoek van eiser kunnen en moeten afleiden dat het hem te doen was om inzage dan wel informatie te verkrijgen over wat ten grondslag lag aan een terugvordering van huurtoeslag en dat het hem ging over de periode 2010 tot en met 2017.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat het verzoek aanvankelijk moest worden gezien als een verzoek om inzage of verkrijging van het volledige persoonlijke dossier en later als een Woo-verzoek. Het had op de weg van verweerder gelegen om, bij onduidelijkheid over hoe het verzoek van eiser moest worden opgevat en welke regelgeving daarbij aan de orde zou kunnen zijn, zich tot eiser te wenden met de vraag om het verzoek te verduidelijken. In het geval van een Woo-verzoek is het bestuursorgaan de verzoeker daarbij behulpzaam. Dat heeft verweerder niet gedaan. Verweerder heeft, zonder contact met eiser, zelf een specifieke duiding gegeven aan wat eiser zou hebben gevraagd. Daarmee is het verzoek van eiser van 15 juni 2023 (aanvankelijk) verkeerd opgevat.
13. Eiser heeft gesteld dat verweerder niet heeft gezocht in de fraude-systemen, zoals de Q-schijf, en CAF-systemen. Eiser heeft ter zitting meegedeeld dat een door hem gemaakt bezwaar niet bij de bezwaarafdeling in het kader van de huurtoeslag terecht is gekomen. Hij heeft het vermoeden dat zijn bezwaar naar de fraude-afdeling is gestuurd en dat ook wijziging in de samenstelling van zijn huishouden niet via het TVS is gegaan.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift vermeld dat het CAF staat voor het Combiteam Aanpak Facilitators. Er is niet gekeken naar bestanden in CAF-zaken, nu de betreffende onderzoeken zich hebben gericht op kinderopvangtoeslag en in het geval van eiser geen sprake is van kinderopvangtoeslag. Dit laatste heeft eiser niet betwist. De gemachtigde van verweerder heeft op zitting meegedeeld dat er ook CAF-zaken over huurtoeslag zijn en dat het haar bekend is dat er vijf CAF-zaken zijn over verhuurders en dat de verhuurder van eiser daar niet bij is betrokken. Zij weet niet of er meer is.
In het verweerschrift is voorts vermeld dat bij eiser geen behandeling heeft plaatsgevonden door de fraude-afdeling en er derhalve geen aanleiding is geweest om daar nader onderzoek naar informatie te doen. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat bij mogelijke fraude in notities in het TVS een vermelding zou staan, maar dat is hier niet het geval. Daarom is niet in de fraude signalerings-lijsten gekeken. Eiser heeft daarop meegedeeld dat als buiten de systemen is gewerkt, het kan kloppen dat een notitie er niet is. De gemachtigde van verweerder heeft daarop meegedeeld dat zij niet weet hoe het er destijds aan toe ging en dat dit een inhoudelijke vraag is met betrekking tot fraude.
De rechtbank stelt vast dat onduidelijkheid bestaat bij beide partijen en dit raakt, los van de inhoudelijke kant, ook de vraag of verweerder al dan niet nog over stukken beschikt die vallen binnen het bereik van het Woo-verzoek. Het komt de rechtbank voor dat de zoekslag van verweerder niet volledig is geweest. Verweerder zal op dit punt een nadere zoekslag moeten doen en een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Het ligt in de rede dat partijen daartoe met elkaar in overleg gaan om duidelijk te krijgen wat eiser concreet aan stukken mist en eerst te bezien of wat eiser wenst binnen het bereik van zijn Woo-verzoek valt. Het is niet ondenkbaar dat bij een nadere zoekslag nog stukken worden aangetroffen, temeer omdat bij herhaling stukken zijn gevonden die nog niet aan eiser waren toegezonden. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat in het kader van de Woo-procedure geen ruimte is voor een inhoudelijke discussie over de rechtmatigheid van wat in het geval van eiser is gebeurd met de huurtoeslag. Het is voorts niet de bedoeling dat het Woo-verzoek telkens op detail wordt uitgebreid, omdat daarmee het te nemen besluit onnodig extra vatbaar is voor discussie in een eventuele nieuwe procedure. Voor zover eiser informatie wenst die buiten het bereik van zijn Woo-verzoek valt, kan hij een nieuw Woo-verzoek indienen.
14. Eiser heeft verwezen naar de publicatie “Duizenden toeslagendossiers te vroeg vernietigd bij de Belastingdienst”. Hij heeft aangevoerd dat hij wil weten welke informatie van hem is kwijtgeraakt en wanneer dit is gebeurd. Hij is daarover nooit geïnformeerd. Hij verzoekt de betreffende datalekrapporten aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken en deze aan hem toe te zenden. Verweerder heeft daarover in het verweerschrift een toelichting gegeven met het oog op de artikelen 33 en 34 van de AVG.
De rechtbank is van oordeel dat dit buiten het bereik van het Woo-verzoek valt en laat dit verder buiten beschouwing.
15. Eiser heeft aangevoerd dat er in het TVS zes uitvalberichten zijn te zien. Vijf daarvan zijn nader toegelicht. Hij wil ook het bericht van 8 november 2011 toegelicht zien.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift de onderliggende gang van zaken met betrekking tot deze uitval toegelicht en heeft op zitting een afschrift van dit uitvalbericht overgelegd en verstrekt aan eiser. Verweerder heeft het bestreden besluit I op dit punt niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder hiermee op dit punt is tegemoetgekomen aan eiser. Het gebrek aan het bestreden besluit I op dit punt wordt, gelet op het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb, gepasseerd. Eiser wordt hiermee op dit punt niet in zijn belangen geschaad. Wat verweerder verder inhoudelijk heeft vermeld is ter informatie. Voor zover eiser wenst in te gaan op inhoud van voornoemd uitvalbericht en op de onjuistheid van een voorschotbeschikking van 22 februari 2016, overweegt de rechtbank dat een discussie over de inhoud van stukken niet aan de orde is binnen deze procedure. Dit blijft verder buiten beschouwing.
16. Verweerder heeft in zijn verweerschrift ten overvloede een tabel overzicht huurtoeslag 2010-2016 opgenomen, omdat eiser de informatie over de huurtoeslag ook wenst in verband met een verzoek om compensatie op grond van de “HZK-regeling”. De rechtbank overweegt dat dit informatief is en is vervaardigd voor het verweerschrift. Dit blijft verder buiten beschouwing.
17. Het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit I is, gelet op overweging 12, gegrond. Het bestreden besluit I komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit I in stand te laten of zelf te voorzien in deze zaak. Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit I te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
18. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- in de zaak SGR 25/89 aan eiser vergoeden.
19. Eiser heeft verzocht om verweerder te veroordelen in verschillende door hem gemaakte proceskosten. De rechtbank beoordeelt dit verzoek met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Voor zover eiser heeft verzocht om vergoeding van het door hem betaalde griffierecht van
€ 194,- in de zaak met het kenmerk SGR 25/5559 tegen een andere verweerder, wordt dit verzoek afgewezen. Artikel 1 van het Bpb bevat een limitatieve opsomming van de kostenposten waarop een proceskostenveroordeling door de bestuursrechter door de bestuursrechter betrekking kan hebben. Griffierecht valt daar niet onder. .
De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de overige proceskosten.
Dit betreft de reiskosten van eiser voor het bijwonen van de onderhavige zitting. De vergoeding van de reiskosten wordt bepaald naar een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar vervoer, laagste klasse. De reiskosten bedragen € 13,10.
Voor zover eiser in het formulier proceskosten heeft gevraagd om vergoeding van verletkosten van in totaal € 202,50 voor 2,25 uren, heeft hij op zitting meegedeeld dat hij werkzaam is als zelfstandig software-engineer. Eiser heeft dit echter niet met stukken onderbouwd. De rechtbank is daarom, mede gelet op rechtspraak , van oordeel dat eiser geen recht heeft op vergoeding van verletkosten. Het verzoek wordt op dit punt afgewezen.
Het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit II
20. De rechtbank merkt op dat het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit II alleen gaat over de vraag of verweerder een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek.
21. Verweerder heeft terecht in het bestreden besluit II vermeld dat uit artikel 8.2. van de Woo volgt dat paragraaf 4.1.3.2. van de Awb niet van toepassing is. Reeds hierom is verweerder geen dwangsom zoals bedoeld in genoemde paragraaf verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek. Gelet op deze dwingendrechtelijke wettelijke bepaling in artikel 8.2. van de Woo kunnen de beroepsgronden van eiser niet slagen.
22. Het beroep voor zover dit is gericht tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling in dit kader bestaat geen aanleiding.
Is de redelijke termijn overschreden?
23. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding toe te kennen in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
24. Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
25. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door verweerder is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg (eind)uitspraak heeft gedaan. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.
26. In dit geval gaat de rechtbank ervan uit dat verweerder het beroep dat op
31 januari 2024 is doorgezonden als bezwaar tegen de primaire besluiten I en II daags daarna heeft ontvangen. De te beoordelen periode vangt aan op 1 februari 2024. Dit betekent dat de redelijke termijn van twee jaar mogelijk op 1 februari 2026 zou verlopen.
Eiser heeft echter op 16 december 2024 het onderhavige beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren tegen de primaire besluiten I en II. Verweerder heeft de bestreden besluiten I en II genomen op 16 januari 2025. Gelet op de overzichtsuitspraak van de Hoge Raad (voetnoot 5), wordt de periode van 16 december 2024 tot en met
15 januari 2025 niet in aanmerking genomen, dit is afgerond één maand. Hiermee komt de behandelduur in bezwaar en beroep uit op één jaar en elf maanden. De rechtbank doet in deze zaak echter op 12 februari 2026 uitspraak, waarmee de behandelduur verlengd wordt met 12 dagen, dit is afgerond één maand. Daarmee komt de behandelduur in bezwaar en beroep uit op precies twee jaar. Hieruit volgt dat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
27. Het verzoek om schadevergoeding in dit kader wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling in dit kader bestaat geen aanleiding.
Tenslotte
28. Eiser heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dat het hem op dit moment niet gaat om een schadevergoeding anderszins.
29. De rechtbank overweegt dat al hetgeen overigens is aangevoerd niet tot een ander oordeel kan leiden.
Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op de bezwaren tegen de primaire besluiten I en II, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit I, gegrond;
vernietigt het bestreden besluit I;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar tegen het primaire besluit I met inachtneming van deze uitspraak;
verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit II, ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 13,10 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Van 1 september 2023.
Van 1 april 2025.
Dit volgt uit artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Artikel 1, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bpb.
Artikel 1, aanhef en onder e, in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bpb.
Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1459, en van de rechtbank Midden-Nederland van 16 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6114, r.o. 8.2.
Zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.11.1.