1/6
Geschillenkamer
Beslissing 75/2026 van 8 april 2026
Dossiernummer: DOS-2026-00288
Betreft: het vermeende delen van persoonsgegevens door een verzekeraar zonder
toestemming van de betrokkene
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals
goedgekeurd door het Directiecomité op 25 april 2024 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad
op 31 mei 2024;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”; en
De verweerder: Y, met maatschappelijke zetel te […], met ondernemingsnummer […], hierna “de
verweerder”.
Beslissing 75/2026 — 2/6
I. Feiten en procedure
1. Op 20 januari 2026 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
(hierna "de GBA") tegen de verweerder. Het voorwerp van de klacht betreft het vermeende
doorgeven van persoonsgegevens door een verzekeraar zonder toestemming van de
betrokkene.
De klager stelt dat hij op 16 december 2025 een e-mail van de verweerder ontvangt, waarin
hij wordt geïnformeerd dat de verweerder (een verzekeraar) het lopende deel van de
hospitalisatieverzekering van de klager ten voordele van zijn kinderen zal stopzetten.
Hierna neemt de klager telefonisch contact op met de verweerder en vraagt waarom deze
stopzetting gebeurt. De verweerder informeert de klager dat een derde de polis van de
kinderen overneemt.
Op 27 december 2025 stuurt de klager een e-mail naar de verweerder met de vraag wie de
polis wil overnemen, wat de juridische grond is en waarom hij niet op de hoogte was omtrent
deze wijziging.
Op 20 januari 2026 antwoordt een medewerker van de klantendienst van de verweerder
dat de moeder, de ex-partner van de klager, de polis wenste over te nemen. De ex-partner
zou vermeld hebben dat de polis van de klager de kinderen dekte, waarop een medewerker
van de verweerder voorstelde om de dekking van de kinderen op de polis van de klager af
te sluiten, om een dubbele inning van de polis te vermijden. De medewerker van de
verweerder veronderstelde dat het een beslissing van beide ouders was.
Op 20 januari 2026 antwoordt de klager dat hij de stopzetting van polis ten opzichte van de
kinderen wil ongedaan maken en vraagt hij wat de volgende stappen zijn van de
verweerder.
Op 20 januari 2026 antwoordt de medewerker van de verweerder dat het om een
menselijke fout gaat die door één van de medewerkers van de verweerder in het voordeel
van de klant werd begaan en dat de polis terug is geactiveerd.
2. Op 5 februari 2026 wordt de klacht door de eerstelijnsdienst (ELD) ontvankelijk verklaard
op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG. De klager wordt hiervan in kennis gesteld
overeenkomstig artikel 61 van de WOG.
3. Op dezelfde dag wordt de zaak aanhangig gemaakt bij de Geschillenkamer op grond van
artikel 92, 1° van de WOG.
Beslissing 75/2026 — 3/6
II. Motivering
4. Op basis van de elementen in het dossier die de Geschillenkamer bekend zijn, en op basis
van de bevoegdheden die haar door de wetgever op grond van artikel 95, § 1 WOG zijn
toebedeeld, beslist de Geschillenkamer over de verdere opvolging van het dossier; in casu
gaat de Geschillenkamer over tot het seponeren van de klacht overeenkomstig artikel 95,
§ 1, 3° WOG, op basis van de hiernavolgende motivering.
5. Wanneer een klacht geseponeerd wordt, dient de Geschillenkamer haar beslissing
trapsgewijs te motiveren1 en:
- een technisch sepot uit te spreken indien het dossier geen of niet voldoende
elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden, of indien er onvoldoende
uitzicht bestaat op een veroordeling wegens een technische belemmering,
waardoor zij niet tot een beslissing kan komen;
- of een beleidssepot uit te spreken, indien ondanks de aanwezigheid van elementen
die tot een sanctie kunnen leiden, de voortzetting van het onderzoek van het
dossier niet opportuun lijkt in het licht van de prioriteiten van de GBA, zoals
gespecificeerd en toegelicht in het sepotbeleid van de Geschillenkamer.2
6. In het geval op meer dan één grond wordt geseponeerd, dienen de sepotgronden (resp.
technisch sepot en beleidssepot) in volgorde van belangrijkheid te worden behandeld.3
7. In het voorliggend dossier gaat de Geschillenkamer over tot een seponering van de klacht,
op grond van één sepotgrond. Er ligt namelijk één motief aan de basis van de beslissing van
de Geschillenkamer waarom zij het onwenselijk acht verder gevolg te geven aan het dossier
en derhalve beslist niet over te gaan tot, inter alia, een behandeling ten gronde.
8. Aan de hand van het bijgevoegde bewijsmateriaal stelt de Geschillenkamer vast dat de
klacht niet voldoende ondersteund wordt door bewijs dat de Geschillenkamer in staat zou
kunnen stellen te beslissen of er al dan niet sprake is van een inbreuk en blijkt er geen
sprake te zijn van een grote maatschappelijke en/of persoonlijke impact. 4
9. Vooreerst gaat de Geschillenkamer overeenkomstig haar sepotbeleid na of de ingediende
klacht grieven bevat met een grote maatschappelijke en/of persoonlijke impact. Teneinde
voorgaande te evalueren, baseert de Geschillenkamer zich op de criteria die de Europese
1
Hof van Beroep Brussel, Sectie Marktenhof, 19de kamer A, Kamer voor marktzaken, arrest 2020/AR/329, 2 september 2020,
p. 18.
2
In dit verband verwijst de Geschillenkamer naar haar sepotbeleid zoals uitvoerig uiteengezet op de website van de GBA:
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf
3
Cf. Titel 3 – In welke gevallen zal mijn klacht waarschijnlijk worden geseponeerd door de Geschillenkamer? van het
sepotbeleid van de Geschillenkamer.
4
Ibid. sepotgrond B.5, p.15.
Beslissing 75/2026 — 4/6
gegevensbeschermingsautoriteiten hanteren om verwerkingen met een “hoog risico” in de
zin van artikel 35 AVG te identificeren.
10. In casu stelt de Geschillenkamer vast dat de vermeende verwerking, het doorgeven van de
inhoud en het bestaan van een verzekeringscontract en voordele van gemeenschappelijke
kinderen, prima facie niet kan worden ondergebracht in één van de gevallen opgesomd in
artikel 35.3 AVG.5
11. Indien de criteria voor een grote maatschappelijke of persoonlijke impact niet van
toepassing zijn, weegt de Geschillenkamer de persoonlijke impact van de omstandigheden
van de klacht op de fundamentele rechten en vrijheden van de klager af tegen de efficiëntie
van haar tussenkomst om te beslissen of zij het opportuun acht de klacht ten gronde te
behandelen. Bij deze afweging stelt de Geschillenkamer vast dat het verzekeren van
kinderen een persoonlijke impact kan vertonen, maar stelt dat deze impact prima facie niet
kan worden onderbracht in een van de situaties met een hoog risico, zoals geïdentificeerd
in artikel 35.3 AVG.
12. Het vermeende onrechtmatig verwerken van persoonsgegevens heeft betrekking op een
doorgifte van persoonsgegevens aan een derde. De verweerder zou zonder toestemming
van de klager het bestaan van en de inhoud van een verzekeringspolis met diens ex-partner
gedeeld hebben.6 De verweerder stelt dat de ex-partner zelf het bestaan van de
hospitalisatieverzekering ten voordele van de kinderen aan hen bekendmaakte. Hierbij zou
de medewerker van de verweerder een menselijke fout hebben gemaakt door foutief te
veronderstellen dat de beslissing met betrekking tot de persoonsgegevens van de
gemeenschappelijke kinderen door beide ouders werd gemaakt. De medewerker van de
verweerder achtte ter goedertrouw dat beide ouders ouderlijk gezag uitoefenen en als
verantwoordelijke het deel van de verzekering ten voordele van de kinderen konden
beheren.7 De inhoud van de hospitalisatieverzekering met betrekking tot de klager zou niet
met de ex-partner gedeeld zijn.
13. Gezien de klacht geen grote maatschappelijke of persoonlijke impact vertoont aan de hand
van het bijgevoegde bewijsmateriaal en er geen sprake lijkt te zijn van een doorgifte van
persoonsgegevens met betrekking tot de klager zonder diens toestemming, concludeert
de Geschillenkamer dat de klacht geen behandeling ten gronde vereist, omdat de klacht
niet wordt ondersteund door bewijs dat de Geschillenkamer in staat zou kunnen stellen te
5
De verwerking is geen (a) systematische en uitgebreide beoordeling van persoonlijke aspecten van natuurlijke personen, die
is gebaseerd op geautomatiseerde verwerking, waaronder profilering, en waarop besluiten worden gebaseerd waaraan voor
de natuurlijke persoon rechtsgevolgen zijn verbonden of die de natuurlijke persoon op vergelijkbare wijze wezenlijk treffen; (b)
grootschalige verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, lid 1, of van gegevens
met betrekking tot strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten als bedoeld in artikel 10; of (c) stelselmatige en
grootschalige monitoring van openbaar toegankelijke ruimten.
6
Art. 6.1.a) AVG.
7
Art. 373-374 BW.
Beslissing 75/2026 — 5/6
beslissen of er al dan niet sprake is van een inbreuk. De Geschillenkamer beslist om
opportuniteitsredenen om geen gevolg te geven aan het dossier.
III. Publicatie en mededeling van de beslissing
14. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de GBA. Het is
daarentegen niet nodig dat daartoe de identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks
worden bekendgemaakt.
15. Overeenkomstig haar sepotbeleid, zal de Geschillenkamer de beslissing aan de verweerder
overmaken8. De Geschillenkamer heeft immers besloten om haar sepotbeslissingen
ambtshalve ter kennis te brengen van verweerders. De Geschillenkamer ziet echter af van
een dergelijke kennisgeving wanneer de klager om anonimiteit heeft verzocht ten opzichte
van de verweerder en de kennisgeving van de beslissing aan de verweerder, zelfs indien
deze gepseudonimiseerd is, het niettemin mogelijk maakt om de klager te
(her)identificeren9. Dit is evenwel niet het geval in de onderhavige zaak.
16. Overeenkomstig artikel 57 WOG en gelet op de taal waarin de klacht werd ingediend wordt
het Nederlands gehanteerd als proceduretaal. Aangezien de verweerder zijn
maatschappelijke zetel in het Franse taalgebied heeft, wordt eveneens een Franse
vertaling van deze beslissing verstrekt indien de verweerder dit verzoekt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging,
om de voorliggende klacht te seponeren op grond van artikel 95, § 1, 3° van de WOG.
Beroep kan worden ingesteld tegen deze beslissing overeenkomstig artikel 108, § 1 van de WOG,
binnen een termijn van 30 dagen na kennisgeving ervan, bij het Marktenhof (hof van beroep van
Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij. Een dergelijk beroep kan
worden ingesteld door middel van een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel 1034ter van
het Gerechtelijke Wetboek (Ger.W.) opgesomde vermeldingen dient te bevatten10.
8
Cf. Titel 5 – Zal de sepot van mijn klacht worden gepubliceerd? Zal de tegenpartij hiervan op de hoogte worden gebracht?
van het sepotbeleid van de Geschillenkamer.
9
Ibidem.
10
"Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
Beslissing 75/2026 — 6/6
Het verzoekschrift op tegenspraak moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.11, of via het e-Deposit informaticasysteem
van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
Om de klager in staat te stellen andere mogelijke rechtsmiddelen te overwegen, verwijst de
Geschillenkamer de klager naar de toelichting in haar sepotbeleid.12
(get). Hielke HIJMANS
Directeur van de Geschillenkamer
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister-
of ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat."
11
"Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief
gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd."
12
Cf. Titel 4 – Wat kan ik doen als mijn klacht wordt afgesloten? van het sepotbeleid van de Geschillenkamer.