¶ ile paragrafa bağlantı verin veya alıntıyı künyesiyle kopyalayın. Üretilen bağlantı kimlikleri resmî paragraf numarası değildir.
1/10
Geschillenkamer
Beslissing ten gronde 39/2024 van 22 februari 2024
Dossiernummer : DOS-2020-02861
Betreft: Klacht over de weigering van een zoekmachine om zoekresultaten te
verwijderen - vertegenwoordiging van de klager als bedoeld in artikel 80.1 van de AVG
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke
Hijmans, voorzitter, en de heren Yves Poullet enJelle Stassijns, leden;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn
95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna -"AVG";
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna "WOG";
Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met
betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna “WVG");
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15
januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager, de heer X, (hierna "de klager")
Vertegenwoordigd door Mevrouw X2, e-reputatieconsulent van het bedrijf
X3
De verweerders : Y1, hierna "de eerste verweerder";
Y2, hierna “de tweede verweerder”;
hierna samen genoemd "de verweerders";
Beslissing ten gronde 392024/4 — 2/10
Bijgestaan door meester Gerrit VANDENDRIESSCHE,
[email protected] en meester Louis-Dorsan JOLLY, louis-
[email protected], advocaten, Havenlaan 86C, bus 414, 1000 Brussel.
I. Feiten en procedure
1. De klacht die op 18 juni 2020 door de klager, vertegenwoordigd door het Franse e-
reputatiebedrijf X3, bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) is ingediend, betreft de
weigering van de eerste verweerder om een persartikel van de krant La Dernière Heure Les
Sports, dat in 2007 onder de titel ["..."] op de website van de krant is gepubliceerd, te
verwijderen uit de zoekresultaten
2. Dit artikel gaat over gerechtelijke feiten met betrekking tot de klager. Het vermeldt de voor-
en achternaam van de klager en geeft informatie over zijn veroordeling door de
arbeidsrechtbank in 2007.
3. Meer in het bijzonder meldt het artikel dat de klager in 2007 schuldig werd bevonden aan
onvrijwillige doodslag door een gebrek aan vooruitziendheid of voorzorg, evenals aan het
overtreden van de wetgeving inzake het gebruik van arbeidsmiddelen en inzake
gezondheids- en veiligheidssignalering op het werk. Deze veroordeling volgde op het
overlijden (...) van een werknemer van het bedrijf (...) waarvan de klager directeur was.
4. Gelet op de aanpassingen die sinds het ongeval ten tijde van de beslissing zijn doorgevoerd
en om de beroepsactiviteiten van de klager niet in gevaar te brengen, besloot de rechtbank
de straf op te schorten. Zoals vermeld in het persartikel werd de klager niettemin burgerlijk
aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de
ouders van de overleden werknemer.
5. Uit de documenten in het dossier die de verweerders indienden en de documenten die de
klager voorlegde, blijkt duidelijk dat vóór de aanhangigmaking bij de GBA drie keer om de
verwijdering van deze URL was verzocht bij de eerste verweerder, met behulp van het
standaardformulier dat door laatstgenoemde online beschikbaar is gesteld voor de
verwijdering van zoekresultaten.
6. Zo melden de verweerders dat de zoon van de klager, de heer S. D., in 2018 namens zijn vader
een eerste verzoek heeft ingediend om de betwiste URL te laten verwijderen. De eerste
verweerder bevestigde de ontvangst van het verzoek op dezelfde dag, analyseerde en
verwerkte het verzoek en antwoordde de volgende dag, (...), waarbij hij in zijn antwoord
verklaarde dat hij had besloten niet te handelen met betrekking tot de URL vanwege
factoren zoals de relevantie ervan voor het beroepsleven van klager.
Beslissing ten gronde 392024/4 — 3/10
7. De zoon van de klager herhaalde zijn verzoek per e-mail aan de eerste verweerder later in
2018 en de eerste verweerder antwoordde op dezelfde dag dat hij zijn beslissing
handhaafde.
8. Eind 2019 diende mevrouw X4, e-reputatieconsulent voor bedrijf X3, namens de klager een
tweede verzoek in om dezelfde betwiste URL te verwijderen via het onlineformulier van de
eerste verweerder.
9. De eerste verweerder bevestigde de ontvangst van het verzoek op dezelfde dag en heeft,
na analyse van het verzoek, aangezien het persartikel alleen betrekking had op het
beroepsleven van de klager, op (...) aanvullende informatie gevraagd over het " actuele "
beroep van de klager (d.w.z. het beroep dat werd uitgeoefend op het moment van het
verzoek tot verwijdering) om het verzoek verder te kunnen onderzoeken.
10. De volgende dag gaf mevrouw X4 aan dat de inhoud van het gewraakte krantenartikel
betrekking had op een functie die de klager nog steeds vervulde. Op basis hiervan heeft de
eerste verweerder in november 2019 aangegeven dat hij had besloten de betwiste URL niet
te verwijderen vanwege factoren zoals de relevantie ervan voor het beroepsleven van
klager.
11. In mei 2020 diende mevrouw X2, ook een e-reputatieconsulent voor bedrijf X3, namens de
klager een derde verzoek in om dezelfde betwiste URL te verwijderen via het onlineformulier
van de eerste verweerder. De eerste verweerder bevestigde de ontvangst van het verzoek
op dezelfde dag en gaf een week later te kennen dat hij had besloten niet tot de gevraagde
verwijdering over te gaan om soortgelijke redenen als die welke in de eerste twee aan hem
gerichte verzoeken waren aangevoerd. Mevrouw X2 herhaalde haar verzoek in een e-mail
aan de eerste verweerder in juni 2020. De eerste verweerder antwoordde de volgende dag
dat hij bij zijn standpunt bleef.
12. De eerste verweerder was dus herhaaldelijk van mening dat hij niet verplicht was om positief
te reageren op het verzoek om de betwiste URL te verwijderen in de hieronder
uiteengezette bewoordingen en nodigde de klager uit om contact op te nemen met de GBA
indien hij het niet eens was met deze beslissing.
" Na afweging van de belangen en rechten die samenhangen met de inhoud in
kwestie, waaronder factoren zoals de relevantie voor het professionele leven van
uw cliënt, heeft (lees de zoekmachine) besloten deze niet te blokkeren.
Voorlopig hebben we besloten om niet tussenbeide te komen voor deze URL. (…) ".
13. Zoals uitgelegd in punt 1, diende de klager, vertegenwoordigd door het bovengenoemde
Franse e-reputatiebedrijf X3, op 18 juni 2020 een klacht in bij de GBA.
Beslissing ten gronde 392024/4 — 4/10
14. Dit klachtenformulier is door bedrijf X3 namens de klager naar de GBA gestuurd. Het bedrijf
legde het volgende uit:
" de weigering van (lees de zoekmachine) is volgens ons niet in overeenstemming
met de laatste preciseringen van de Raad van State over de toepassing van het
recht op verwijdering van zoekresultaten. Aangezien dit een artikel is dat
betrekking heeft op een veroordeling van onze klant voor gebeurtenissen die
dateren uit 1998 en een vonnis dat is uitgesproken in 2006, is het opnemen van
deze verwerking van persoonsgegevens in de zoekmachines op dit moment niet
relevant en heeft het zeer belangrijke gevolgen voor zijn leven. Er bestaat geen
strikt noodzakelijkheid om de links te handhaven die deze weigering van (lees de
zoekmachine) kunnen rechtvaardigen. Bovendien, aangezien dit een ongeluk was
en onze cliënt geen rol speelde in het openbare leven en de gebeurtenissen lang
geleden plaatsvonden, begrijpen wij de weigering van ( lees de zoekmachine)
niet. (…)
Ons verzoek op recht op vergetelheid werd geweigerd. Om deze reden namen wij
contact op met de redactie. We hebben verschillende gesprekken gevoerd met de
verantwoordelijke advocaten, maar helaas hebben deze niet geleid tot een
gezamenlijk akkoord. In de bijlage vindt u alle uitwisselingen in kwestie. Daarom zijn
wij zo vrij om vandaag een klacht in te dienen om de hierboven genoemde redenen,
om de beslissing te aan te vechten die volgens ons onjuist lijkt te zijn". »1.
15. Ter ondersteuning van de klacht van de klager voegde bedrijf X3 een "mandaat" bij dat het
van de klager had ontvangen en waarvan de tekst als volgt luidt: "Ik, ondergetekende X1 [lees
klager] (...) verklaar en bevestig dat het bedrijf X3 (...) gemachtigd is om mij op exclusieve
basis te vertegenwoordigen bij uitgevers en hosts van internetsites om de hem
toevertrouwde opdracht uit te voeren".
16. Op 29 juni 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA op grond van
de artikelen 58 en 60 van de WOG ontvankelijk verklaard, en wordt de klacht op grond van
artikel 62, § 1, van de WOG ovegedragen aan de Geschillenkamer.
17. Op 28 juli 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, §1, 1°, en artikel 98 van
de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
18. Op dezelfde datum worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis
gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, en artikel 98 van de WOG. Tevens
worden zij op grond van artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun
conclusies in te dienen.
1
De Geschillenkamer onderstreept. Uit de onderstreepte elementen blijkt dat het inderdaad bedrijf X3 is dat de klacht indient
namens zijn klant, de klager.
Beslissing ten gronde 392024/4 — 5/10
19. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerders wordt
daarbij vastgelegd op 8 september 2020, die voor de conclusie van repliek van de klager op
28 september 2020, en die van de conclusie van repliek van de verweerders op 20 oktober
2020.
20. Op 26 augustus 2020 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3°, WOG),
die hem op 26 augustus 2020 wordt bezorgd.
21. In dezelfde brief van 26 augustus 2020 stemden de verweerders ermee in om alle
mededelingen met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen en uitten zij de wens
om, onder voorbehoud van een grondig onderzoek van de zaak, gebruik te maken van de
mogelijkheid om te worden gehoord overeenkomstig artikel 98 van de WOG.
22. Op 8 september 2020 ontving de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de
verweerder.
23. De klager gaf geen conclusie van repliek.
24. Op 20 november 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusies van repliek en synthese
van de verweerders. Hun argumenten kunnen als volgt worden samengevat:
- De verweerders zijn primair van mening dat de klacht niet-ontvankelijk is omdat deze is
ingediend door de Franse vennootschap X3 namens de klager wat in strijd is met de
vereisten van artikel 80.1. van de AVG gelezen in samenhang met artikel 220.2 van de
WVG;
- Subsidiair, indien de Geschillenkamer zou oordelen dat de klacht op geldige wijze was
ingediend, voerden de verweerders destijds aan dat het passend was om de procedure
te schorsen (...).
- Meer subsidiair voerden de verweerders aan dat de klacht ongegrond is, aangezien er
geen reden is om de tweede verweerder, die geen verwerkingsverantwoordelijk is, aan
te klagen. Bovendien is het niet nodig om de verwijdering van het betwiste artikel te
bevelen, aangezien niet is voldaan aan de voorwaarden voor verwijdering, aangezien uit
de belangenafweging blijkt dat er een hoger openbaar belang is bij toegang tot de
informatie in het artikel in de zoekresultaten. De ernst van de journalistieke bron, de
nauwkeurigheid van de gerapporteerde feiten, het verband tussen de feiten en de
professionele activiteiten van de klage,r zowel destijds als op de dag dat de conclusies
werden opgesteld, en de rol die de klager als zakenman in het openbare leven speelt, zijn
allemaal criteria die de zoekmachine aanhaalt ter ondersteuning van haar beslissing om
over te gaan tot verwijdering. De verweerders concluderen dat de opname van het
betwiste artikel in de zoekresultaten noodzakelijk is voor de vrijheid van meningsuiting
en informatie als bedoeld artikel 17.3, a), van de AVG en dat geen van de gronden van
artikel 17.1, a) tot en met f), AVG van toepassing is.
Beslissing ten gronde 392024/4 — 6/10
II. Motivering
25. Artikel 77.1 AVG “Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een
voorziening in rechte, heeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een
toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn
werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de
verwerking van hem betreffende persoonsgegevens inbreuk maakt op deze verordening.”
26. Dit artikel 77.1 wordt aangevuld door artikel 80.1 van de AVG dat bepaalt "De betrokkene
heeft het recht een orgaan, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk dat of die op
geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, waarvan de statutaire
doelstellingen het openbare belang dienen en dat of die actief is op het gebied van de
bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de
bescherming van diens persoonsgegevens, opdracht te geven de klacht namens hem in te
dienen, namens hem de in artikelen 77, 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen en namens
hem het in artikel 82 bedoelde recht op schadevergoeding uit te oefenen, indien het
lidstatelijke recht daarin voorziet"2.
27. De voorwaarden voorzien door de Belgische wet op grond van artikel 80.1. van de AVG, zijn
opgenomen in artikel 220.2. van de WVG en zijn cumulatief :
“§2. Bij de geschillen voorzien in paragraaf 1, moet een orgaan, een organisatie of
een vereniging zonder winstoogmerk :
1° op geldige wijze zijn opgericht in overeenstemming met de Belgische
wetgeving;;
2° rechtspersoonlijkheid bezitten; 3;
3° statutaire doelstellingen van openbaar belang hebben;;
4° actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de
betrokkenen in het kader van de bescherming van de persoonsgegevens en dit
sedert ten minste drie jaar..
§ 3. Het orgaan, de organisatie of vereniging zonder winstoogmerk bewijst door de
voorlegging van haar activiteitenverslagen of van enig ander stuk, dat zijn activiteit
2
De Geschillenkamer onderstreept. Zie ook het eerste deel van overweging 142 van de AVG: (142): Wanneer een betrokkene
van oordeel is dat inbreuk is gemaakt op zijn rechten uit hoofde van deze verordening, moet hij het recht hebben organen,
organisaties of verenigingen zonder winstoogmerk, die overeenkomstig het recht van een lidstaat zijn opgericht, die statutaire
doelstellingen hebben die in het publieke belang zijn en die actief zijn op het gebied van de bescherming van
persoonsgegevens, te machtigen om namens hem een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, om namens
betrokkenen het recht op een voorziening in rechte uit te oefenen, of om namens betrokkenen het recht op de ontvangst van
een vergoeding uit te oefenen indien dit in het lidstatelijke recht is voorzien.
3
De voorbereidende werkzaamheden voor de WVG vermelden dat de voorwaarde van drie jaar zowel geldt voor het bestaan
van een rechtspersoonlijkheid als voor de uitoefening van activiteiten op het gebied van gegevensbescherming. Zie Kamer
van Volksvertegenwoordigers - Wetsontwerp betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de
verwerking van persoonsgegevens Parl.St. 54K3126/001 (commentaar bij de artikelen - artikel 220).
Beslissing ten gronde 392024/4 — 7/10
minstens drie jaar effectief is geweest, dat het overeenstemt met haar
maatschappelijk doel en dat deze activiteit betrekking heeft op de bescherming
van persoonsgegevens".
28. In het onderhavige geval blijkt duidelijk uit het dossier, zoals hierboven beschreven in de
punten 13-15, dat X3 (...), een e-reputatieconsultantbureau gevestigd in Marseille, Frankrijk,
de klacht heeft ingediend namens de klager en deze klger vertegenwoordigt bij de
uitoefening van zijn klachtrecht in de zin van artikel 77.1 van de AVG voor de
Geschillenkamer (GBA).
29. De Geschillenkamer merkt op dat X3 een onderneming is in de vorm van een
vereenvoudigde naamloze vennootschap (...).
30. De Geschillenkamer is van mening dat er ernstige twijfels bestaan over de verenigbaarheid
met de AVG van de voorwaarde die de Belgische wetgever stelt in artikel 220.2.1° van de
AVG, namelijk dat het orgaan , de organisatie of de vereniging zonder winstoogmerk geldig
moet zijn opgericht naar Belgisch recht4. Hiermee voert de Belgische wetgever een
restrictievere voorwaarde in dan het bepaalde in artikel 80.1. van de AVG, die vereist dat dit
orgaan, deze organisatie of deze vereniging zonder winstoogmerk is opgericht
overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat.
31. Deze overweging is in casu irrelevant, aangezien vennootschap X3 hoe dan ook niet voldoet
aan de andere voorwaarden van artikel 80.1 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel
220.2 van de WVG, aangezien zij geen "orgaan, organisatie of vereniging zonder
winstoogmerk" is en bovendien geen "statutair doel van algemeen belang" heeft. Het is een
commercieel bedrijf, zoals bijvoorbeeld blijkt uit haar Algemene Verkoopvoorwaarden die
beschikbaar zijn op haar website [...], die verwijzen naar (de Autoriteit vertaalt) "de verkoop
van de volgende diensten: E-reputatie opschonen (verzoeken om URL's te verwijderen) en
Serp-Sculpting, waarvoor verschillende tarieven in rekening worden gebrachtHYPERLINK
"http://iprotego.com/presse/technique-nettoyage-ereputation"..
32. Ter ondersteuning van het voorgaande concludeert de Geschillenkamer dat deze
vennootschap op geen enkele wijze voldoet aan de voorwaarden van artikel 80.1 AVG,
gelezen in samenhang met artikel 220.2 WVG hieroven genoemd, en dat de klager zich niet
rechtsgeldig door deze vennootschap kon en kan laten vertegenwoordigen om het recht uit
te oefenen dat artikel 77.1 van de AVG hem toekent.
4
De voorbereidende werkzaamheden van de WVG specificeren ten aanzien van artikel 202.2 «Er wordt besloten om dit recht
te beperken tot organen, organisaties en verenigingen zonder winst- oogmerk, die rechtsgeldig zijn opgericht volgens het
Belgisch recht en vooral de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de
Europese politieke partijen en stichtingen. Kamer van Volksvertegenwoordigers - Wetsontwerp betreffende de bescherming
van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens Parl.St. 54K3126/001 (commentaar bij de
artikelen - artikel 220).
Beslissing ten gronde 392024/4 — 8/10
33. De Geschillenkamer voegt daaraan toe dat zij de argumenten van verweerders op dit punt
volgt, behalve wat betreft de consequenties die de verweerders menen te kunnen verbinden
aan het uitblijven van een conclusie van repliek van de klager op dit punt in het bijzonder.
Anders dan de verweerders stellen, komt het feit dat de klager geen conclusie heeft
ingediend (punt 23) - en dus niet heeft gereageerd op het argument van de verweerders dat
hij niet in overeenstemming met de wet was vertegenwoordigd - niet neer op berusting van
de kant van de klager. Deze laatste blijft vrij om al dan niet te concluderen, hoewel het
mogelijk is dat hij zijn klacht niet kan staven en zich niet kan verdedigen in het licht van de
argumenten van de verweerders. Dit betekent echter niet dat hij het eens is met hun
verweer.
III. Corrigerende maatregelen en sancties
34. Volgens artikel 100.1 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° een opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te
oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan
aan de ontvangers van de gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of
een internationale instelling te bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, dat
haar in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
Beslissing ten gronde 392024/4 — 9/10
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van
de Gegevensbeschermingsautoriteit.
35. Bij een beslissing om de procedure stop te zetten (artikel 100.1.1° WOG) moet de
Geschillenkamer haar beslissing in elke fase motiveren, en 5:
- een technisch sepot uitspreken indien het dossier geen of onvoldoende elementen
bevat die tot een sanctie kunnen leiden of er een technische belemmering is waardoor
geen beslissing kan worden genomen;
- of een beleidssepot uitspreken indien, ondanks de aanwezigheid van elementen die tot
een sanctie kunnen leiden, verder onderzoek van het dossier haar niet opportuun lijkt in
het licht van de prioriteiten van de GBA, zoals uiteengezet en geïllustreerd in het
Sepotbeleid van de Geschillenkamer6.
36. Indien er meerdere gronden zijn voor het sepot (respectievelijk technisch en/of
beleidssepot) dienen de sepotgronden in volgorde van belangrijkheid te worden
behandeld7.
37. In het onderhavige geval heeft de Geschillenkamer besloten tot een technisch sepot op
grond van artikel 100.1.1° van de WOG, omdat de vertegenwoordiging van de klager niet
voldeed aan de artikelen 80.1. van de WOG en 220.2. van de WOG toegepast in samenhang
met artikel 77.1. van de WOG en de ingediende klacht bijgevolg niet geldig is, waardoor zij
geen beslissing ten gronde kon nemen over de klacht.
38. De Geschillenkamer wijst er in dit verband op dat dit technisch sepot geen afbreuk doet aan
het recht van de klager om een klacht in te dienen over hetzelfde onderwerp van de klacht
die tot deze beslissing heeft geleid, waarbij de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van
klachten in acht worden genomen. Deze beslissing om het dossier op technische gronden te
seponeren, loopt geenszins vooruit op de gegrondheid van het verzoek van de klager om uit
de zoekresultaten te worden geschrapt, dat de Geschillenkamer mogelijk zou moeten
onderzoeken indien de zaak in de toekomst op geldige wijze bij haar aanhangig zou worden
gemaakt.
39. Aangezien de Geschillenkamer aldus het verzoek van de verweerders heeft ingewilligd
zonder zich uit te spreken over de gegrondheid van het verzoek van de klager, heeft zij
besloten de onderhavige beslissing te nemen zonder de door de verweerders gevraagde
5
Marktenhof (hof van beroep te Brussel). 2 september 2020, 2020/KB/329, p. 18.
6
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf. .
7
Sepotbeleid van de Geschillenkamer, 18/06/2021, punt 3 ("In welke gevallen zal mijn klacht waarschijnlijk worden
geseponeerd door de Geschillenkamer?"), beschikbaar op
https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleid-van-de-geschillenkamer.pdf.