1/7
Geschillenkamer
Beslissing 32/2024 van 13 februari 2024
Dossiernummer : DOS-2024-00078
Betreft : Klacht wegens het onvoldoende gevolg geven aan een verzoek tot inzage
De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer
Hielke HIJMANS, alleenzetelend voorzitter;
Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”;
Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit,
hierna “WOG”;
Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van
Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op
15 januari 2019;
Gelet op de stukken van het dossier;
Heeft de volgende beslissing genomen inzake:
De klager: X, hierna “de klager”
De verweerder: Y, hierna “de verweerder”
Beslissing 32/2024 — 2/7
I. Feiten en procedure
1. Op 26 december 2023 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit
tegen de verweerder.
2. Het voorwerp van de klacht betreft de uitoefening van het recht van inzage door de klager
zonder dat hij hierop een afdoend antwoord ontving van de verwerkingsverantwoordelijke.
De klager had zijn recht van inzage uitgeoefend nadat zijn krediet aanvraag geweigerd werd
door de verweerder. Dientengevolge informeerde de verweerder de klager dat er drie
bestanden geraadpleegd waren bij het onderzoeken van zijn kredietaanvraag, namelijk die
van de verweerder zelf, de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, en een
financieringsmaatschappij. De verweerder stuurde “een volledig inhoud van de gegevens
die zich in onze bestanden bevinden” door naar de klager. Van de gegevens in de overige
twee bestanden deelde de verweerder alleen de identiteit en contactgegevens van de
respectievelijke verwerkingsverantwoordelijken.
De klager betwistte dat de gegevens waarin hij inzage kreeg volledig waren. Hij stelde
namelijk dat de verweerder ook beschikte over het “doel van het krediet” en een afbeelding
van zijn identiteitskaart. Hij verzocht de verweerder nogmaals “om de bestanden die u als
kredietgegever [sic] heeft in uw bezit, zoals u meedeelt, aan mij over te maken.” De klager
had ook een klacht ingediend bij de ombudsman financiële diensten van de verweerder, en
uit de stukken waarover de Geschillenkamer beschikt blijkt dat de communicatie tussen de
verweerder en de klager zich voor een zekere tijd voornamelijk richtte op het verder
onderzoeken van de inhoudelijke redenen van de weigering van het krediet, wat buiten de
reikwijdte van deze beslissing valt. Na enige verloop van tijd nam de klager opnieuw contact
op met de verweerder om te vragen voor een bevestiging dat hij inzage had gekregen in al
zijn persoonsgegevens. De verweerder antwoordde als volgt:
“Geachte,
We hebben andere gegevens in ons bezit, nl. degene die we hebben ontvangen in het kader
van uw klacht bij de ombudsman financiële diensten.
3. Op 8 januari 2024 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond
van de artikelen 58 en 60 van de WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 van
de WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
4. Ingevolge artikel 95, § 2, 3° van de WOG alsmede artikel 47 van het reglement van interne
orde van de GBA kunnen de partijen om een afschrift van het dossier verzoeken. Indien één
van beide partijen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het raadplegen en het
kopiëren van het dossier, dient deze zich te wenden tot het secretariaat van de
Geschillenkamer, bij voorkeur via [email protected].
Beslissing 32/2024 — 3/7
II. Motivering
5. Volgens artikel 15.1 AVG, heeft de betrokkene het recht om van de
verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van
hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen in
die persoonsgegevens en van de informatie genoemd in artikel 15.1.a) tot en met h), AVG.
Overeenkomstig artikel 12.1 AVG, gelezen in samenhang met overweging 58 van deze
verordening, moet de verwerkingsverantwoordelijke passende maatregelen nemen opdat
de betrokkene de in artikel 15 AVG “bedoelde communicatie in verband met de verwerking
in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in
duidelijke en eenvoudige taal ontvangt”. Tevens bepaalt artikel 12.2 AVG dat de
verwerkingsverantwoordelijke de uitoefening van de rechten van de betrokkene moet
faciliteren.
6. De Geschillenkamer stelt vast dat de klager zijn verzoek tot inzage heeft ingediend op 6
oktober 2023.
7. Op 17 oktober 2023 informeerde de verweerder de klager dat bij het onderzoek van zijn
dossier, drie bestanden werden geraadpleegd. Deze bestanden waren die van (1) de
verweerder zelf, (2) de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, en (3) een
financieringsmaatschappij. Dezelfde e-mail bevatte, volgens de verweerder, “een volledig
inhoud van de gegevens die zich in onze bestanden bevinden”. De klager betwistte echter
dat deze gegevens volledig waren. Hij stelde met name dat de verweerder ook zou
beschikken over het “doel van het krediet”.
Op 26 december 2023 vroeg de klager aan de verweerder om te bevestigen dat hij inzage
had gekregen in al zijn persoonsgegevens. De verweerder antwoordde dat ook “andere
gegevens” werden verwerkt, en verwees naar de gegevens die door de klager werden
verstrekt in het kader van zijn klacht bij de ombudsman financiële diensten van de
verweerder. Aangezien de verweerder niet rechtstreeks antwoordde op de vraag van de
klager of hij inzage had gekregen in al zijn persoonsgegevens, verkreeg de klager geen
duidelijk uitsluitsel over het al dan niet verwerken van bepaalde persoonsgegevens.
Bijgevolg heeft de klager geen afdoend uitsluitsel of inzage verkregen zoals vereist in Artikel
15.1 AVG.
8. Bovendien stelt de klager dat de verweerder een afbeelding van zijn identiteitskaart
verwerkte, en heeft nagelaten een kopie ervan te verstrekken naar aanleiding van het
verzoek tot inzage. In dat verband herinnert de Geschillenkamer eraan dat artikel 15.3 AVG
bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke “een kopie van de persoonsgegevens die
worden verwerkt” moet verstrekken aan de betrokkene. Indien de verweerder inderdaad
Beslissing 32/2024 — 4/7
een afbeelding van de identiteitskaart van de klager verwerkt, moet de verweerder ook een
kopie van deze afbeelding verstrekken om te voldoen aan het recht van inzage van de klager.
9. Betreffende de twee andere bestanden die de verweerder raadpleegde, communiceerde
de verweerder slechts de identificatiegegevens en adressen van de respectievelijke
verwerkingsverantwoordelijken. De resultaten van de raadplegingen door de verweerder –
namelijk de inhoud van de bestanden – deelde de verweerder niet mee aan de klager. Aan
deze laatste werd verteld dat hij contact moest opnemen met de beheerders van die
bestanden om zijn recht van inzage te doen gelden. In de mate waarin de verweerder het
doel en de middelen voor de verwerking van de betrokken persoonsgegevens vaststelt, is
hij echter ook verwerkingsverantwoordelijke en derhalve verplicht zelf vervolg te geven aan
het recht van inzage van de klager overeenkomstig artikel 15.1 AVG. In dit opzicht is het
gepast om eraan te herinneren dat het recht van inzage als doel heeft ervoor te zorgen dat
de betrokkene “zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid
daarvan kan controleren” (overweging 63 AVG). Het recht van inzage ondersteunt aldus het
recht op bescherming van persoonsgegevens, en faciliteert de uitoefening van andere
rechten die opgenomen zijn in de AVG, en in het bijzonder het recht op rectificatie.1 Zonder
inzage in de gegevens die de verweerder al dan niet raadpleegde bij de twee betrokken
bestanden, is de klager niet in staat te bepalen of het noodzakelijk is contact op te nemen
met de verantwoordelijken van die bestanden om zijn recht op rectificatie te doen gelden.
Bovendien valt op te merken dat artikel VII.79 van het Wetboek van Economisch Recht
bepaalt dat de “kredietgever aan de consument onverwijld en kosteloos het resultaat van de
raadpleging [meedeelt] evenals de identiteit en het adres van de verantwoordelijke voor de
verwerking van de bestanden die hij heeft geraadpleegd” (onderstreping toegevoegd).
10. De Geschillenkamer is van oordeel dat op grond van bovenstaande analyse dient te worden
geconcludeerd dat door de verweerder mogelijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG
werd gepleegd, dewelke rechtvaardigt dat in casu wordt overgegaan tot het nemen van een
beslissing op grond van artikel 95, § 1, 5° van de WOG, meer bepaald de
verwerkingsverantwoordelijke te bevelen om gevolg te geven aan de uitoefening door de
klager van diens recht van inzage (artikel 15.1 AVG).
11. Onderhavige beslissing is een prima facie beslissing genomen door de Geschillenkamer
overeenkomstig artikel 95 van de WOG op grond van de door de klager ingediende klacht,
in het kader van de “procedure voorafgaand aan de beslissing ten gronde” 2 en geen
beslissing ten gronde van de Geschillenkamer in de zin van artikel 100 van de WOG.
1
HvJEU 20 december 2017, Peter Nowak t. Data Protection Commissioner, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994
2
Afdeling 3, Onderafdeling 2 van de WOG (artikelen 94 t.e.m. 97).
Beslissing 32/2024 — 5/7
De Geschillenkamer heeft aldus beslist om op grond van artikel 58.2.c) AVG en
artikel 95, § 1, 5° van de WOG, de verweerder te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek
van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht van inzage zoals
bepaald in artikel 15 AVG.
12. Onderhavige beslissing heeft tot doel de verweerder in kennis te stellen van het feit dat deze
mogelijk een inbreuk op de bepalingen van de AVG heeft gepleegd en deze in de
mogelijkheid te stellen zich alsnog te conformeren met voornoemde bepalingen.
13. Indien de verweerder evenwel niet akkoord gaat met de inhoud van onderhavige prima facie
beslissing en van oordeel is dat deze feitelijke en/of juridische argumenten kan laten gelden
die tot een andere beslissing zouden kunnen leiden, kan deze via het e-mailadres
[email protected] een verzoek tot behandeling ten gronde van de zaak richten
aan de Geschillenkamer en dit binnen de termijn van 30 dagen na de kennisgeving van deze
beslissing. De tenuitvoerlegging van onderhavige beslissing wordt desgevallend gedurende
voormelde periode geschorst.
14. In geval van een voortzetting van de behandeling van de zaak ten gronde, zal de
Geschillenkamer de partijen op grond van de artikelen 98, 2° en 3° juncto artikel 99 WOG
uitnodigen hun verweermiddelen in te dienen alsook alle stukken die zij nuttig achten bij het
dossier te voegen. De onderhavige beslissing wordt desgevallend definitief opgeschort.
15. Tot slot wijst de Geschillenkamer er volledigheidshalve op dat een behandeling ten gronde
van de zaak kan leiden tot het opleggen van de maatregelen vermeld in artikel 100 WOG3.
16. Overeenkomstig artikel 57 WOG, en gelet op de taal waarin de klacht werd ingediend, wordt
het Nederlands gehanteerd als proceduretaal.
3
Artikel 100. § 1. De Geschillenkamer heeft de bevoegdheid om:
1° een klacht te seponeren;
2° de buitenvervolgingstelling te bevelen;
3° de opschorting van de uitspraak te bevelen;
4° een schikking voor te stellen;
5° waarschuwingen en berispingen te formuleren;
6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen;
7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem;
8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden;
9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht;
10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de
gegevens te bevelen;
11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen;
12° dwangsommen op te leggen;
13° administratieve geldboeten op te leggen;
14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te
bevelen;
15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het
gevolg dat aan het dossier wordt gegeven;
16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit.
Beslissing 32/2024 — 6/7
III. Publicatie van de beslissing
17. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de
Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de
Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is evenwel niet nodig dat daartoe de
identificatiegegevens van de partijen rechtstreeks worden bekendgemaakt.
OM DEZE REDENEN,
beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, onder voorbehoud
van de indiening van een verzoek door de verweerder tot behandeling ten gronde
overeenkomstig artikel 98 e.v. van de WOG, om:
- op grond van artikel 58.2.c) van de AVG en artikel 95, § 1, 5° van de WOG de
verweerder te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek van de betrokkene om
zijn rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht van inzage (artikel 15 AVG), door
aan de klager inzage te verlenen in al de persoonsgegevens die hem betreffen die
de verweerder verwerkte, alsook een kopie van de betrokken gegevens te
verstrekken, en dit binnen de termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de
kennisgeving van deze beslissing;
- de verweerder te bevelen de Gegevensbeschermingsautoriteit (Geschillenkamer)
per e-mail binnen dezelfde termijn op de hoogte te stellen van het gevolg dat aan
deze beslissing wordt gegeven via het e-mailadres [email protected];
en
- bij gebrek aan de tijdige uitvoering van het hierboven gestelde door de verweerder,
de zaak ambtshalve ten gronde te behandelen overeenkomstig artikelen 98 e.v.
van de WOG.
Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van
beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder.
Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de
in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten4. Het
4
Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of
ondernemingsnummer;
3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden
opgeroepen;
4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
Beslissing 32/2024 — 7/7
verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof
overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.5, dan wel via het e-Deposit
informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.).
(get). Hielke HIJMANS
Voorzitter van de Geschillenkamer
6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
5
Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden
aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.